Raadsvoorstel 37, Bijlage 4 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
G&G‐advies QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
F.N.M. van der Knaap
2017
Opdrachtgever Fam. W. van Kouwen
G&G‐advies QS2017‐120
Versie Concept Eindrapport
Datum 10 november 2017 15 november 2017
Gecontroleerd door: R. de Beer De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdracht‐ gever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.
Bovendijk 35‐G
Hazenkoog 35‐A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
3
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 5
1.3
Het plangebied......................................................................................................... 6
1.4
Werkzaamheden...................................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode
7
2.1
Soorten .................................................................................................................... 7
2.2
Gebieden.................................................................................................................. 8
Beschermde soorten Wnb 3.1
9
Beschrijving aanwezige biotopen ............................................................................ 9 3.1.1 Bebouwing ................................................................................................................. 9 3.1.2 Overige terreindelen ............................................................................................... 11 3.1.3 Wateren en oevers .................................................................................................. 12
3.2
Beschermde soorten.............................................................................................. 12 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 12 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 12 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 13 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 13 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 15 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 16 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 17
3.3
4
5
Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 17
Effectbeoordeling en maatregelen
18
4.1
Vogels..................................................................................................................... 18
4.2
Vleermuizen ........................................................................................................... 19
4.3
Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 20
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
21
5.1
Natura 2000 ........................................................................................................... 21
5.2
Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 21
5.3
Weidevogelgebieden ............................................................................................. 21
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
4
6
5.4
Overige relevante wetgeving .................................................................................21
5.5
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................22
Conclusies
23
6.1
Beschermde soorten Wnb .....................................................................................23
6.2
Overige natuurwetgeving ......................................................................................24
6.3
Zorgplicht ...............................................................................................................24
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
25
8
Bijlagen
26
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie nabij Vinkeveen, Provincie Utrecht, her in te richten. Dit plan valt juridisch onder ‘ruimtelijke inrichting en ontwikkeling’. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van Fam. van Kouwen heeft Ecologisch Onderzoeks‐ en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quick scan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek bestond uit een bronnenstudie en een veldbezoek.
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken.
De Ligging van het plangebied Demmerik 122‐124
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
6
Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.
1.3
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied ligt in het Groene Hart en maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Demmerik. Rondom de lintbebouwing lang deze weg liggen open graslandpolders met lange smalle kavels omgrensd met vele sloten.
1.4
Werkzaamheden Op deze locatie zal de bestaande bebouwing zoals schuren, kassen en woningen worden gesloopt voor de bouw van vijf nieuwe woningen. Naast de sloop van de bestaande gebouwen zullen de werkzaam‐ heden bestaan uit het verwijderen van de toplaag en het vergraven van de bodem. Mogelijk worden ook wateroevers vergraven en wateren plaatselijk gedempt.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen, die aanwezig zijn in het plangebied, beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of‐ en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruike‐ lijke procedures bij een vergunnings‐ en/of ontheffingsaanvraag.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
2
7
Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uit‐ gegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort.
2.1
Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora‐ en Fauna (NDFF), is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, over‐ eenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde of soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen die niet zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar. Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld overvliegend of verblijvend, de onderzoeksinspanning en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is). Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidings‐ atlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken. Potentiebeoordeling Het plangebied is op 31 oktober 2017 bezocht om enerzijds de aan‐ wezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar).
Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamel‐ de gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is (voor zover mogelijk) een korte effect‐ beoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
8
Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.
2.2
Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Economische Zaken is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuur‐ netwerk Nederland (NNN)), zie: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toeganke‐ lijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: http://noordholland.planoview.nl of http://ruimtelijkeplannen.zuid‐ holland.nl/VRM) Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
3
9
Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veld‐ bezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen Het plangebied heeft een bodem met veen en klei. Het betreft een terrein met afwisselend bebouwing met daartussen verwaarloosde siertuinen, voedselrijke graslanden, oude teeltgronden met ruigtes, diverse bosschages met jonge bomen en direct naast het plangebied verschillende oude knotwilgen. Tevens zijn diverse verhardingen en opgeslagen materialen aanwezig.
3.1.1
Bebouwing Er zijn diverse gebouwen aanwezig binnen het plangebied. In figuur 2 zijn de gebouwen ingetekend en voorzien van een nummer. De
Ligging van de bebouwing binnen het plangebied (rood = plangebied, groen = bebouwing.
2
4 hoort niet bij plangebied
3a 3b 1a 1b
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
10
gebouwen met nummer 1a, nr. 1b en nr. 2 zijn woonhuizen. Gebouw nummer 3 is een bedrijfsgebouw, nr.4 een vervallen tuinbouw kas en nummer 5 is een schuur. Gebouw 1a en 1b (twee woonhuizen, nummer 124) Het gebouw 1a is een met bakstenen opgebouwd woonhuis voorzien van een puntdak met donkere dakpannen. Het huis heeft spouw‐ muren. Er zijn niet direct spouwmuurgaten te zien in de muren maar er zijn enkele geboorde gaten in de muur aanwezig. Tussen de muur en de houten daklijsten zijn smalle kieren aanwezig. Gebouw 1b betreft een klein houten gebouwtje met donkere dakpannen. Gebouw 2 (woonhuis, nummer 122) Het betreft een laag woonhuis met alleen een onderverdieping. Het huis heeft een puntdak met donkere dakpannen. De muren hebben een spouw. De zijgevel is aan de bovenste helft betimmerd met houtwerk.
Gebouw 1a en 1b.
Gebouw 2.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
11
Gebouw 3.
Gebouw 3a en b (bedrijfsgebouw) De voorste gedeelte van het gebouw is in gebruik als ‘tuincentrum’. Het achterste gedeelte is in gebruik voor de opslag van caravans en pleziervaartuigen. In totaal betreft de bedrijfsruimte ruim 8.600 m2 bebouwd volume. In het achterste gedeelte zijn erg donkere ruimtes aanwezig. Op een paar plekken waar hier licht naar binnen schijnt, groeien een Tongvaren en Mannetjesvarens. De bedrijfsgebouwen hebben geen spouwmuren. De dakbedekking bestaat uit golfplaten. Gebouw 4 (vervallen tuinbouw kas) De vervallen kas heeft een volume van 1.400 m2. Veel ruiten uit het dek en de zijgevel zijn er uit waardoor regenwater vrij naar binnen kan vallen. Er staan nog pomppoenen maar ook veel ruderale kruiden zoals Kaal knopkruid.
3.1.2
Overige terreindelen Langs het woonhuis op nr. 122 ligt een pad langs de kas naar de schuur achter op het terrein (Gebouw nr. 5). Voor het bedrijfs‐ gebouw ligt een parkeerplaats. Hier groeit langs de rand van het asfalt zacht vetkruid. Verder is het grootste deel van het terrein erg verruigd met braamstruiken, Klimop, Kaal knopkruid. Her en der zijn overblijfselen van oude teelt te zien, zo groeien her en der nog pompoenen en bonen.
Vervallen kassen (gebouw 4)
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
12
Er staan over het algemeen jonge bomen en boomopslag met soorten zoals treurwilg, Schietwilg, Gewone Es. Net buiten het plangebied, langs de kant van de weg staan enkele knotwilgen. Voor de kas staan drie naaldbomen. Rondom alle drie de beschreven woonhuizen liggen meer onderhouden tuinen met sierheesters, tuinplanten en diverse hagen.
3.1.3
Wateren en oevers Langs het plangebied ligt een sloot. De oevers hebben een houten beschoeiing. Er staan oeverplanten zoals Liesgras en Riet De oevers zijn ruig en worden weinig gemaaid. Het water is niet geïsoleerd maar staat in verbinding met andere sloten. De sloot die midden door het plangebied loopt is vrij ondiep. De sloten ten noorden en te zuiden van het plangebied zijn dieper dan dit water. Langs deze twee wateren liggen ook pleziervaartuigen. Het water is troebel en submerse vegetatie in het water is niet waarneembaar.
3.2
Beschermde soorten
3.2.1
Planten Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen (NDFF 2007‐2017). Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Diverse soorten planten, (korst)mossen en wolfsklauwen die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn, worden niet in het plangebied verwacht, de soorten komen nagenoeg alleen voor in natuurgebieden.
3.2.2
Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 2007‐ 2017). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig. Omdat geen sprake is van goed ontwikkelde submerse vegetatie, en/of van geïsoleerde, zuurstofloze, verlandende wateren in het plangebied, wordt het voorkomen van Grote modderkruiper uitgesloten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
3.2.3
13
Amfibieën Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen (NDFF 2007‐2017). Potentie plangebied In het plangebied is geen afgesloten water dat kan dienen als voortplantingswater voor amfibieën. In het plangebied is wél geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander en Bruine kikker. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in de Provincie Utrecht ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2. ‐Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, de benodigde levensvoorwaarden zijn niet aanwezig en de soort is nooit in nabijheid van het plangebied waargenomen.
3.2.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5‐soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Fazant (3ex), Putter (15ex), Wilde eend (2 ex), Merel. Ook zijn er resten gevonden van twee huiszwaluwnesten onder de witte dakrand van gebouw 1a. Deze sporen zijn waarschijnlijk (en volgens de bewoner) enkele jaren oud. De Huiszwaluw is een categorie‐5‐soort Potentie plangebied soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos‐ en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Winterkoning en Heggenmus, maar ook soorten als de waargenomen Fazant en Putter. In het water langs het plangebied broeden mogelijk water‐ en moerasvogels zoals Meerkoet en Wilde eend. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten gevonden. Er werden wel resten gevonden van een geplukte vogel, deze zou kunnen zijn geslagen door een roofvogel zoals Sperwer.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
14
In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismussen (cat. 2) vastgesteld. De soort broedt op 300 meter afstand. De overige waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten betroffen overvliegende vogels zonder binding met het plangebied of de omgeving daarvan. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Huismussen broeden in huizen met zadeldaken en dakpannen vaak aan de rand van (dorpse) bebouwing. Binnenstedelijke gebouwen met platte daken zijn niet geschikt. Huismussen zijn tijdens het veld‐ bezoek weliswaar niet waargenomen maar gezien de aanwezige geschikte bebouwing met dakpannen en de aanwezigheid van de soort in de omgeving is de aanwezigheid van verblijvende Huismussen wel mogelijk. Er zijn geen sporen gevonden van uilen in de aanwezige schuren en andere delen van het plangebied. Hier zijn ook geen grote invlieggaten, uilenkasten of houten vlieringen aanwezig. Naast de beschreven plukresten zijn geen andere sporen gevonden die kunnen wijzen op aanwezige roofvogels. In de aanwezige begroeiing werden geen grote nesten gezien. De Gierzwaluw wordt in het open bebouwde gebied rond het plangebied niet verwacht. Er werden ook geen geschikte gaten met ‘vrije uitvalmogelijkheden’ gezien in de bebouwing. Gierzwaluwen kunnen niet op eigen kracht opstijgen omdat hun poten te zwak zijn om af te zetten.
Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogel‐ soorten met jaarrond beschermde nesten zoals de Sperwer.
Resten van een Huiszwaluwnest.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
3.2.5
15
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen. Tijdens het veldbezoek werd een Haas en een keutel van een kleine marter (waarschijnlijk Hermelijn) gevonden (zie foto pagina 16). Deze soorten zijn in Utrecht ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1.
Resten van een geplukte vogel, mogelijk geslagen door een roofvogel.
Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, Mol en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Utrecht ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwik‐ keling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Noordse woelmuis en de Waterspitsmuis. De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor niet aanwezig. Het terrein is te droog en een vochtige kruidenrijke oevervegetatie nabij schoon en helder water ontbreekt. De soorten zijn ook nooit in de buurt van het plangebied vastgesteld.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
16
3.2.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. Aangetroffen vleermuizen Er zijn in het verleden in de omgeving van het plangebied alleen losse waarnemingen van foeragerende en langsvliegende vleermuizen verricht. Het betreft waarnemingen van Gewone Dwergvleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis en Rosse vleermuis. Precieze locaties van verblijfplaatsen en andere belangrijke gebruiksfuncties zijn echter alleen vast te stellen met gericht nachtelijk onderzoek en zijn op grond van de incidentele waarnemingen niet op voorhand uit te sluiten. Potentie verblijfplaatsen De waargenomen spleten in de muren en daken geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes. Te denken valt aan gebouwbewonende soorten zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. In bomen zijn geen zichtbare geschikte holtes aanwezig. Bomen zijn laag en zijn nog (te) jong. Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken.
Keutel van een kleine marter in het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
17
Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.
3.2.7
Overige fauna Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor andere beschermde diersoorten, in verband met het ontbreken van geschikt biotoop. Voor de ringslang is er in het plangebied geen geschikt biotoop, er zijn geen hopen riet en maaisel aanwezig waar de Ringslang zich kan voortplanten.
3.3
Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soort‐ groepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soort‐ groepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Vastgestelde of verwachte soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in of nabij het plangebied. *Vaste rust‐ en verblijfplaatsen.
Beschermde, niet vrijgestelde soorten
Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna
Van der Goes en Groot
Aangetroffen nabij plangebied (NDFF, literatuur) nee nee nee
Potentieel aanwezig binnen het plangebied nee nee nee
ja
ja
ja
ja
nee
nee
ja ja ? nee
ja ja nee nee
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
18
4
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen en het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie‐toplaag. Soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoor‐ beeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! Soorten met jaarrond beschermde nesten De eventuele verblijfplaatsen van Huismus zouden beschadigd of vernield kunnen worden of ontoegankelijk kunnen worden bij sloop van de woonhuizen of van de schuur 5. De nesten van deze soort zijn jaarrond beschermd. Het is derhalve noodzakelijk om vervolg‐ onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van Huismus.
Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
19
Als Huismussen aanwezig zijn dient alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Projectplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied, zoals de Sperwer, wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
4.2
Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop of de renovatie van de gebouwen zouden vaste rust‐ of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolg‐ onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort(en). Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Projectplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
20
4.3
Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soort(en) (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om Huismus, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld.
Optimale periode voor uit te voeren vervolg‐ onderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.
Soort/Soortgroep
Aantal bezoeken
Optimale periode
Vogels Huismus
april – half mei Vleermuizen
2 Aantal bezoeken
Gebiedsfunctie
Periode
Alle soorten
winterverblijf
december ‐ februari
1
Alle soorten
vliegroutes, foerageergebied
april ‐ november
2*
Kraam/zomerverblijf
Paarverblijven en zwermen
beide 2
Gewone dwergvleermuis
half mei ‐ half juli
augustus‐oktober
Ruige dwergvleermuis
(juni ‐ half juli‐nvt)
augustus ‐ oktober
Laatvlieger
half mei ‐ half juli
nvt
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
5
21
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet‐ en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000‐gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan drie kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000‐gebieden, de Nieuwkoopse plassen & De Haeck in het zuidwesten en het Botshol in het Noorden. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Er hoeft geen toetsing uitgevoerd te worden.
5.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN‐gebieden kunnen verbinden. Aangezien het natuurnetwerk geen bepalingen kent ten aanzien van ‘externe werking’, hoeven de plannen verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.
5.3
Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weide‐ vogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Ook de bescherming van gebieden als weidevogelleefgebied is een planologische be‐ scherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden.
5.4
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
22
5.5
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen.
De ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde leefgebieden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
6
23
Conclusies 6.1
Beschermde soorten Wnb Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig. In het plangebied kunnen broedvogels met niet‐jaarrond be‐ schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeks‐ periode Tabel 2).
Worden tijdens vervolgonderzoek dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compen‐ serende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitge‐ sloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeks‐ periode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
24
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk‐ baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
6.2
Overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is dan die hierboven beschreven in §6.1.
6.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodem‐ bewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving. Bij de sloop‐ en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
7
25
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kennis‐ centrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland ‐ Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord‐West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord‐Hollandse vissen. Landschap Noord‐Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord‐Hollandse zoogdieren. Landschap Noord‐Holland, Heiloo & Noord‐Hollandse Zooddier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord‐Holland, Noordhol‐ landse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem.
LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord‐Hollandse broedvogels 2005‐2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord‐Holland, Landschap Noord‐Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998‐2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
26
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora‐ en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000‐gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijker‐ wijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voor‐ komen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. Zoogdieren
DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZL
ZH
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Aardmuis
+
Bosmuis
+
+
+
+
+
+
Bunzing
+
+
+
+
+
+
Dwergmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Dwergspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Eekhoorn
+
Egel
+
+
Gewone bosspitsmuis
+
Haas
+
+
+
+
+
+
Hermelijn
+
+
+
+
+
+
Huisspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Konijn
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ondergrondse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ree
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Rosse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Steenmarter
+
Tweekleurige bosspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Veldmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Vos
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wezel
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wild zwijn Woelrat
+ +
Amfibieën en reptielen
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bastaardkikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bruine kikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Gewone pad
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Hazelworm Kleine watersalamander
+ +
+
+
+
+
Levendbarende hagedis Meerkikker
+ +
+
Van der Goes en Groot
+
+
+
+
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatricht‐ lijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied op‐ zettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings‐ en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaats‐ vindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden over‐ treden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goed‐ gekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden be‐ oordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van (groot) openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaats‐ vinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust‐ of verblijf‐ plaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats betrokken als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie 4 4 2 3 4 2 3 3 3 4 2 3 4 1 4 4
Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedsei‐ zoen het nest gebruiken als vaste rust‐ of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voort‐ plantings‐ en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5‐soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goed‐ gekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogel‐ soorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000‐gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschap‐ pelijke‐ of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU‐landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000‐gebieden. Een overzicht van Natura 2000‐gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000‐ gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings‐ en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000‐gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000‐ netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000‐gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings‐ of vergunning plichtig zijn.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord‐Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd.
Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Zie Bijlage 1.2.1 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.2 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.3
Zie Bijlage 1.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 3 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat nega‐ tieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Demmerik 122‐124 te Vinkeveen
Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatieven‐ studie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier‐ en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3‐5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevings‐ vergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning.
De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedrags‐ codes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2017‐120
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35‐G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl