CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 33, Bijlage 3 Overzicht beantwoording moties amendementen en wijze verwerking beoordelingskader

Gemeenteraad 30 juni 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP), fase 3, REP U10, raadsvoorstel 33/21 (21.45 uur)1.782 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beantwoording moties IRP (beoordelingskader) Beantwoording van de moties waar in het document inhoudelijk overzicht moties en amendementen Beoordelingskader en Uitgangspuntennotitie REP verwezen is naar verdere invulling in het IRP. 1. De Bilt – Taalgebruik en inspraak Omschrijving: Vraagt het college zich er maximaal voor in te zetten dat: ▪ De vervolgdocumenten op de uitgangspuntennotitie en het beoordelingskader in voor iedereen begrijpelijke taal dienen te worden opgesteld; ▪ Er bij de totstandkoming van die vervolgdocumenten diverse momenten moeten worden ingelast waarop inwoners van onze gemeente en de regio invloed kunnen uitoefenen op het eindproduct. Reactie: In het IRP is extra aandacht besteed aan taal. Wat betreft participatie zijn in fase 3 diverse regionale belangenorganisaties uitgenodigd om inzichten te leveren op het IRP, dit zijn o.a. organisaties die thematisch de belangen van inwoners vertegenwoordigen. Daarnaast wordt er per gemeente geïnventariseerd waar er behoefte is aan ondersteuning o.g.v. lokale participatie. Deze behoefte is afhankelijk van welke status de vorming van de omgevingsvisie heeft, of hier al een participatieproces voor ingericht is en hoeverre de ambities van het IRP hier al in opgenomen zijn. Het REP kan hierin ondersteunen op het gebied van strategisch advies maar de uitvoer hiervan is de verantwoordelijkheid van de gemeente. 2.

IJsselstein – Motie OV systeemsprong (concept wiel met spaken “Kleine Wiel” vs. “Grote Wiel”) Omschrijving: Verzoekt het college om: ▪ In regionaal verband te pleiten voor een breder onderzoek naar varianten waarbij ook het zuidelijk westelijke deel van de regio goed en duurzaam wordt ontsloten; ▪ Deze onderzoeksresultaten met de raad te delen. Reactie: Het bedoelde onderzoek is via het MIRT onderzoek gedeeld. 3. Montfoort – motie over raadsvoorstel beoordelingskader en uitgangspuntennotitie Omschrijving: Verzoekt het college: ▪ Binnen de U16 duidelijk naar voren te brengen dat Montfoort ambitieus is ten aanzien van groen en landschap en een ruime bijdrage aan toegevoegde waarde wil en kan leveren aan de bovengenoemde benodigde schaal- en kwaliteitssprong; ▪ Binnen de U16 te pleiten voor een evenwichtige benadering van de 5 bouwstenen, waarbij groen en landschap gelijkwaardig is aan de bouwstenen wonen, werken, energie en mobiliteit. ▪ Binnen de U16 te pleiten voor grote zorgvuldigheid bij het combineren van functies in het landschap van de toekomst in verband met mogelijke tegenstrijdigheid; ▪ Binnen de U16 nadrukkelijk aandacht te vragen voor de waarden van natuur en landschap. Reactie: Redeneerlijn 1: De Utrechtse Trots als Basis (waarbij Utrechtse Trots staat voor de hoge intrinsieke kwaliteit van het landschap) geeft invulling aan deze motie.

Bovendien staat behoud van bestaande waarden van landschap benoemd in opgave 1. 4. Nieuwegein – Duurzame mobiliteit in Nieuwegein en in de regio Omschrijving: Draagt het college op: ▪ Binnen de U16 in te zetten op een verbetering van snel openbaar vervoer en snelle fietsroutes in Nieuwegein; ▪ Bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken snel openbaar en snelle fietsroutes mogelijk worden gemaakt.

Reactie: Deze motie onderschrijft de kern van redeneerlijn 2: keuzes voor duurzame mobiliteit. 5. Nieuwegein – Behouden en optimaliseren van de leefbaarheid in Nieuwegein Omschrijving: Draagt het college op: ▪ Om uitgangspunten, zoals eerder voor de leefomgeving van Nieuwegein vastgelegd in de toekomstvisie Nieuwegein 2025 “een bruisend stadshart en groene kernen” en het ontwikkelkader A12 in te brengen in het REP zodat deze behouden blijven; ▪ Zich sterk te maken voor het behoud van voldoende groene corridors om de biodiversiteit te behouden en bij voorkeur te verbeteren en zoveel mogelijk het groen en het blauw in onze stad te behouden, of als behoud echt niet mogelijk is, dit zodanig te compenseren dat de kwaliteit van de leefomgeving eromheen verbetert; ▪ Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen ervoor te zorgen dat leefbaarheid, klimaatadaptatie en klimaatbestendigheid geborgd zijn; ▪ Om elke vijf jaar de verwachte behoefte aan aantal en soort woningen in de regio te herijken, met daarbij de uitsplitsing voor Nieuwegein. Reactie: Er wordt ingezet op regionaal programmeren, daarbij wordt op regioniveau en deelregioniveau de kwantitatieve behoefte en het planaanbod in beeld gebracht. Het provinciale en regionale programma wordt jaarlijks herijkt. 6.

Nieuwegein – Motie OV systeemsprong Omschrijving: Verzoekt het college: ▪ Om in regionaal verband te pleiten voor een breder onderzoek naar varianten van het ‘wiel met spaken’ waaronder het ‘kleine wiel’ alsook een ‘groot wiel’; ▪ Deze onderzoeksresultaten met de raad te delen; ▪ De voorkeursvariant ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor te leggen. Reactie: Het bedoelde onderzoek is via het MIRT onderzoek gedeeld. 7. Utrecht – Onderzoek ontwikkellocatie optimaal Omschrijving: Roept het college op: ▪ Bij de RSU voor de mogelijke in- en uitbreidingslocaties, waaronder Rijnenburg, inzichtelijk te maken wat de verstedelijkingsperspectieven zijn, hoe mogelijke ontsluiting plaats kan vinden en op welke wijze ontwikkeling en ontsluiting gefinancieerd kan worden; ▪ De noodzakelijkheid en wenselijkheid van een eventuele verstedelijking van de mogelijke in- en uitbreidingslocaties te onderbouwen, tevens afgezet tegen een niet verstedelijkte inrichting, zodat de raad kan besluiten over de wenselijkheid van een ontwikkelopgave op deze locaties en de voorwaarden daarvoor bij de besluitvorming over de RSU 2040. Reactie: Aan de motie is uitvoering gegeven door de gemeente Utrecht. Voor het IRP relevante uitspraken zijn overgenomen en verwerkt in het IRP. 8.

Utrecht – Bijdrage van bedrijven aan goed leven in de regio Omschrijving: Verzoekt het college: ▪ In de verdere uitwerking van de REP, in de regio te pleiten voor een bijdrage van (nog te vestigen) bedrijven aan de maatschappelijke uitdagingen o.a. op het gebied werkgelegenheid voor het hele spectrum, stageplaatsen, duurzame energie en groen.

Reactie: Bijdragen van bedrijven aan maatschappelijke uitdagingen zijn met name concreet te maken bij gronduitgifte. In het IRP duiden we vooral de ambitie. Inzet bij het nog verder op te bouwen regionaal programma werken is dat toegewerkt wordt naar dat de U16 bedrijvigheid accommodeert die bijdraagt aan regionale werkgelegenheid, duurzaam energieverbruik en slim mobiliteitsbeleid. Aan de bestuurstafel werken is afgesproken dat het uitgiftebeleid aan de hand van deze kwalitatieve criteria vormgegeven wordt. De bijdragen van (nieuwe) bedrijvigheid kan verder worden gestuurd via de vestigingscriteria van bijvoorbeeld te realiseren regionale terreinen. 9. Utrecht – Klimaatadaptatie en onderhoud openbare ruimte gaan in hand in hand in de regio Omschrijving: Verzoek het college: ▪ Met U16 afspraken te maken dat elke gemeente standaard bij ieder onderhoud aan de openbare ruimte (maar ook bij vervanging van riolering, kabels en leidingen) klimaatadaptatie als uitgangspunt te nemen en daarmee het openbare ruimteklimaat adaptief te maken. ▪ Deze gemaakt afspraken 1x per twee jaar te laten monitoren. Reactie: Klimaatadaptatie is een van de uitgangspunten bij stedelijke ontwikkeling in het IRP. Dit is onder meer benoemd in perspectief 7 en komt terug in diverse redeneerlijnen (o.a. landschap, vitale kernen en werken). Daarnaast is het onderdeel van elke gebiedsopgave. 10.

Utrecht – Utrechtse inzet is de RSU2040 Omschrijving: Draagt het college op: ▪ De nog vast te stellen RSU 2040, wanneer deze door de Utrechtse gemeenteraad is vastgesteld, leidend te maken in de onderhandelingen over de Utrechtse inzet binnen het vervolg van het REP U10. Reactie: Het leidend maken van RSU 2040 in de onderhandelingen over de Utrechtse inzet binnen het vervolg van het REP U10 is een gemeentelijke keuze. 11. Utrecht – Verbind grote bedrijven met kleine en startende ondernemers via regionaal vestigingsklimaat Omschrijving: Roept het college op: ▪ In de totstandkoming van het REP nadrukkelijk aandacht te hebben voor de positie van kleine en startende ondernemers, naar aanleiding van de kernindicator “versterking vestigingsklimaat” die in het beoordelingskader staat benoemd. Reactie: Het IRP is vooral een ruimtelijk document en zet in op voldoende aanbod kwantitatief van werklocaties en ook voldoende divers aanbod van werklocaties. Kwantitatief zet het IRP in op voldoende oppervlak, zodat de schaarste niet te hoog oploopt en zo betaalbaarheid van ruimte geborgd is. Kwalitatief zet het IRP in op divers aanbod in de zin van bijvoorbeeld kennisclusters op en rondom het USP met satellieten, het stimuleren van ketens van bedrijven werkzaam in circulaire economie en een divers aanbod van kantoorruimte. 12.

Utrecht – Huisvesten van diverse doelgroepen in stad en regio Omschrijving: Roept het college op: ▪ Bij de totstandkoming als de gemeente Utrecht ervoor te pleiten dat wij ook in onze gemeente diversiteit willen behouden in de woonmilieus voor diverse doelgroepen, waarbij ook gedacht moet worden aan gezinnen, starters, maatschappelijke opvang en doorstromingsmogelijkheden voor ouderen.

Reactie: In het IRP wordt op diverse aandacht besteed aan doelgroepen, bijvoorbeeld in de opgave wonen en in perspectief 3: in 2040 is er ruimte voor alle nieuwe bewoners door het toevoegen van compacte stedelijke gebieden. 13. Utrecht – Breder kijken naar gevolgen van verdichting Omschrijving: In U10 verband de milieu gerelateerde, sociale gevolgen en ruimtelijke complicaties van de binnenstedelijke verdichting in het kader van het REP nader te onderzoeken. Reactie: Het Integraal Ruimtelijk Perspectief werkt vanuit het motto gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen. In het aangepaste beoordelingskader zijn hiervoor diverse kaders benoemd. Met dit aangepaste beoordelingskader en de uitgangspuntennotitie als startpunt wordt in de zeven perspectieven en de redeneerlijnen van het IRP ingegaan op diverse milieu gerelateerde, sociale gevolgen en ruimtelijke complicaties van (binnenstedelijke) verdichting. Daarbij is kennis en input vanuit diverse gemeentelijke ruimtelijke visies en het MIRT-MRU onderzoeksrapport Utrecht Nabij benut. 14.

Utrecht – Ruimtelijk Economisch Perspectief leesbaar, begrijpelijk voor iedereen Omschrijving: Spreekt uit dat: ▪ De vervolgdocumenten op de uitgangspuntennotitie en het beoordelingskader in voor iedereen begrijpelijke taal dienen te worden opgesteld; ▪ Er bij de totstandkoming van die vervolgdocumenten diverse momenten moeten worden ingelast waarop inwoners van de stad en de regio invloed kunnen uitoefenen op het eindproduct. Draagt het college op: ▪ Zich hiervoor maximaal in te zetten. Reactie: In het IRP is extra aandacht besteed aan taal. Wat betreft participatie zijn in fase 3 diverse regionale belangenorganisaties uitgenodigd om inzichten te leveren op het IRP, dit zijn o.a. organisaties die thematisch de belangen van inwoners vertegenwoordigen. Daarnaast wordt er per gemeente geïnventariseerd waar er behoefte is aan ondersteuning o.g.v. lokale participatie. Deze behoefte is afhankelijk van welke status de vorming van de omgevingsvisie heeft, of hier al een participatieproces voor ingericht is en hoeverre de ambities van het IRP hier al in opgenomen zijn. Het REP kan hierin ondersteunen op het gebied van strategisch advies maar de uitvoer hiervan is de verantwoordelijkheid van de gemeente. 15.

Utrecht – Naar 130% plancapaciteit in U16 Omschrijving: Roept het college op: ▪ In de samenwerking met de U16 gemeenten aan te sturen op 130% plancapaciteit ten opzichte van de woningbehoefte in 2040; ▪ Naar de RSU aan te geven wat de effecten zullen zijn. Reactie: Er is invulling gegeven aan de motie, echter niet op de genoemde periode tot 2040 maar tot 2030. In het BO MIRT 2020 is de afspraak gemaakt om voor de periode tot 2030 te sturen op 30% extra plancapaciteit. In het IRP is het volgende opgenomen: daarnaast is voor de korte termijn (2030) een afspraak gemaakt met het Rijk om te sturen op 30% overprogrammering van woningbouwaantallen om ervoor te zorgen dat er een buffer zit in de planvoorraad om te compenseren voor planuitval en planuitstel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10317544/1