CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 10, bijlage 1 verordening VFL DRV (inclusief bijlagen)

Commissie Ruimtelijke Zaken 17 maart 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving De Ronde Venen, raadsvoorstel 10/21 (20.30 uur)32.022 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

De raad van de gemeente De Ronde Venen gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders (raadsvoorstel nr. <nummer> van <datum>);

Gelet op - de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 (grondslag Erfgoedverordening); - de artikelen 10.23, 10.24, tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer (grondslag Afvalstoffenverordening en Verordening inzameling oud papier); - artikel 8 van de Woningwet (grondslag Bouwverordening); - de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (grondslag diverse Wabo-toestemmingen); - de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet (algemene grondslag gemeentelijke verordenende bevoegdheid).

Overwegende dat; - Naar verwachting per 1 januari 2022 de Omgevingswet van kracht zal worden; - Door de Omgevingswet in principe alle gemeentelijke regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving samengebracht zal worden, uiteindelijk in één omgevingsplan; - Het een omvangrijke operatie is om alle betrokken gemeentelijke regelgeving af te stemmen en te integreren; - Hiertoe een tussenstap nuttig is, in de vorm van het nu alvast integreren van diverse gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving, voor zover het niet om bestemmingsplannen gaat; - Een Verordening Fysieke Leefomgeving hiervoor de goede vorm is;

Besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening Fysieke Leefomgeving De Ronde Venen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 1 van 107

Inhoud Hoofstuk 1

Algemene bepalingen ........................................................................................................ 6

§ 1.1 Algemene doelen Verordening Fysieke Leefomgeving ................................................................... 6 •

Artikel 1.1.1 Algemene doelen ..................................................................................................... 6

§ 1.2 Begripsbepalingen ........................................................................................................................... 6 •

Artikel 1.2.1 Begripsbepalingen ................................................................................................... 6

Hoofdstuk 2.

Procedures ...................................................................................................................... 9

•

Artikel 2.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .................................. 9

•

Artikel 2.2 Indienen aanvraag ...................................................................................................... 9

•

Artikel 2.3 Bevoegd gezag ........................................................................................................... 9

•

Artikel 2.4 Procedures................................................................................................................ 10

•

Artikel 2.5 Beslistermijn.............................................................................................................. 10

•

Artikel 2.6 Voorwaarden, voorschriften en beperkingen ............................................................ 10

•

Artikel 2.7 Weigering .................................................................................................................. 11

•

Artikel 2.8 Voor wie en hoe lang gelden vergunningen, <…> meldingen .................................. 11

•

Artikel 2.9 Intrekken en wijzigen ................................................................................................ 11

Hoofdstuk 3. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu ............................................ 13 § 3.1 Bruikbaarheid, uiterlijk, veilig gebruik van openbare plaatsen ..................................................... 13 •

Artikel 3.1.1 Voorwerpen op of aan de weg ............................................................................... 13

•

Artikel 3.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen <…> van een weg .......................... 14

•

Artikel 3.1.3 Maken of veranderen van een uitweg ................................................................... 14

•

Artikel 3.1.4 Openen straatkolken en dergelijke ........................................................................ 15

•

Artikel 3.1.5 Voorzieningen voor verkeer en verlichting ............................................................ 15

•

Artikel 3.1.6 Objecten onder hoogspanningslijn ........................................................................ 15

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk van de gemeente ................................................................................................................................................... 16 § 4.1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting .................................................. 16 •

Artikel 4.1.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten ......................................................................... 16

•

Artikel 4.1.2 Melding incidentele festiviteiten .............................................................................. 17

•

Artikel 4.1.3 Onversterkte muziek .............................................................................................. 19

•

Artikel 4.1.4 Overige geluidhinder .............................................................................................. 20

•

Artikel 4.1.5 (Geluid)hinder door dieren ..................................................................................... 20

•

Artikel 4.1.6 Gebruik knalapparaten .......................................................................................... 20

§ 4.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging ......................................................................................... 21 •

Artikel 4.2.1 Natuurlijke behoefte doen ...................................................................................... 21

•

Artikel 4.2.2 Toestand van sloten en andere wateren <…> buiten gebouwen .......................... 21

•

Artikel 4.2.3 Oplaten van ballonnen ........................................................................................... 21

§ 4.3 Het bewaren van houtopstanden ................................................................................................... 21 •

Artikel 4.3.1 Omgevingsvergunning voor het vellen van waardevolle houtopstand .................. 21

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 2 van 107

•

Artikel 4.3.2 Omgevingsvergunning voor het vellen van publieke houtopstanden .................... 22

•

Artikel 4.3.3 Bescherming publieke houtopstanden .................................................................. 23

•

Artikel 4.3.4 Bestrijding van boomziekten .................................................................................. 23

•

Artikel 4.3.5 Afstand van de erfgrenslijn .................................................................................... 23

§ 4.4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast ............................................................................. 24 •

Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke ........................... 24

•

Artikel 4.4.2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame .............................................................. 24

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente ......................... 25 § 5.1 Parkeerexcessen en stopverbod ................................................................................................... 25 •

Artikel 5.1.1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke ............................................................... 25

•

Artikel 5.1.2 Defecte voertuigen ................................................................................................. 25

•

Artikel 5.1.3 Voertuigwrakken .................................................................................................... 25

•

Artikel 5.1.4 Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen .................................. 26

•

Artikel 5.1.5 Reclamevoertuigen ................................................................................................ 26

•

Artikel 5.1.6 Grote voertuigen .................................................................................................... 26

•

Artikel 5.1.7 Uitzichtbelemmerende voertuigen ......................................................................... 27

•

Artikel 5.1.8 Parkeren van voertuigen met gevaarlijke stoffen .................................................. 27

•

Artikel 5.1.9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen ................................................... 27

•

Artikel 5.1.10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan ................. 27

•

Artikel 5.1.11 Parkeren van fietsen of bromfietsen .................................................................... 28

§ 5.2 Openbaar water en waterstaatswerken ......................................................................................... 28 •

Artikel 5.2.1 Ligplaats vaartuigen ............................................................................................... 28

§ 5.3 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden .......................................... 29 •

Artikel 5.3.1 Crossterreinen ....................................................................................................... 29

•

Artikel 5.3.2 Beperking verkeer in natuurgebieden .................................................................... 29

§ 5.4 Vuurverbod .................................................................................................................................... 30 •

Artikel 5.4.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten milieu-inrichtingen of <…> .................. 30

•

Artikel 5.4.2 Verbod carbidschieten ........................................................................................... 31

Hoofstuk 6. Erfgoed ................................................................................................................................. 32 § 6.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 32 •

Artikel 6.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister ................................................................................ 32

§ 6.2 Aanwijzing gemeentelijk monument .............................................................................................. 32 •

Artikel 6.2.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument ................................................................. 32

•

Artikel 6.2.2 Voornemen tot aanwijzing .................................................................................... 32

•

Artikel 6.2.3 Voorbescherming ................................................................................................... 33

•

Artikel 6.2.4 Advies Monumentencommissie ............................................................................. 33

•

Artikel 6.2.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit ........................................................... 33

•

Artikel 6.2.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving ............... 33

•

Artikel 6.2.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument ................................................. 34

•

Artikel 6.2.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument ............. 34

§ 6.3 Bescherming gemeentelijk monument........................................................................................... 35 •

Artikel 6.3.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument .................................................... 35

•

Artikel 6.3.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument ................................................... 35

•

Artikel 6.3.3 Weigeringsgronden ................................................................................................ 36

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 3 van 107

§ 6.4 Beeldbepalend pand ...................................................................................................................... 36 •

Artikel 6.4.1 Advies omgevingsvergunning beeldbepalend pand .............................................. 36

§ 6.5 Rijksmonumenten .......................................................................................................................... 36 •

Artikel 6.5.1 Omgevingsvergunning rijksmonument .................................................................. 36

§ 6.6 Beschermde dorpsgezichten ......................................................................................................... 36 •

Artikel 6.6.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht .......................................... 36

•

Artikel 6.6.2 Wijziging, <…> aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht ................. 37

•

Artikel 6.6.3 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning .......................................... 38

§ 6.7

Archeologie ................................................................................................................................ 38 •

Artikel 6.7.1 Instandhouding archeologische terreinen .............................................................. 38

•

Artikel 6.7.2 Opgravingen en begeleiding .................................................................................. 40

•

Artikel 6.7.3 Aanpassing gemeentelijke archeologische beleidskaart ....................................... 40

•

Artikel 6.7.4 Advies archeologisch deskundige ......................................................................... 41

Hoofdstuk 7 Afvalstoffen en inzameling oud papier ............................................................................ 42 § 7.1 Huishoudelijke afvalstoffen ............................................................................................................ 42 •

Artikel 7.1.1 Aanwijzing van de inzameldienst ........................................................................... 42

•

Artikel 7.1.2 Regulering van andere inzamelaars ...................................................................... 42

•

Artikel 7.1.3 Aanwijzing van inzamelplaats ................................................................................ 42

•

Artikel 7.1.4 Algemene verboden............................................................................................... 42

•

Artikel 7.1.5 Afvalscheiding ........................................................................................................ 43

•

Artikel 7.1.6 Gescheiden aanbieding ......................................................................................... 44

•

Artikel 7.1.7 Tijdstip van aanbieding .......................................................................................... 44

•

Artikel 7.1.8 Wijze en plaats van aanbieding ............................................................................. 44

§ 7.2

Bedrijfsafvalstoffen ..................................................................................................................... 44 •

Artikel 7.2.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst ............................................... 44

•

Artikel 7.2.2 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen ................................................ 45

•

Artikel 7.2.3 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen ................................................. 45

§ 7.3 Zwerfafval en overige..................................................................................................................... 45 •

Artikel 7.3.1 Dumpingsverbod .................................................................................................... 45

•

Artikel 7.3.2 Zwerfafval in de openbare ruimte .......................................................................... 46

•

Artikel 7.3.3 Zwerfafval rondom milieu-inrichtingen ................................................................... 46

•

Artikel 7.3.4 Afval en verontreiniging op de weg ....................................................................... 46

•

Artikel 7.3.5 Geen opslag van afval in de open lucht ................................................................ 47

•

Artikel 7.3.6 Ontdoen van autowrakken ..................................................................................... 47

§ 7.4

Inzameling oud papier ................................................................................................................ 47 •

Artikel 7.4.1 Registratie .............................................................................................................. 47

•

Artikel 7.4.2 Garantievergoeding ............................................................................................... 47

•

Artikel 7.4.3 Aanwijsbesluit ........................................................................................................ 48

•

Artikel 7.4.4 locatie verzamelcontainer oud papier .................................................................... 48

•

Artikel 7.4.5 Besteding opbrengst ............................................................................................. 48

Hoofdstuk 8 § 8.1

voormalige Bouwverordening .................................................................................... 49

Omgevingsvergunning bouwen en bodemverontreiniging ......................................................... 49 •

Artikel 8.1.1 Bodemonderzoek ................................................................................................... 49

•

Artikel 8.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem ....................................................... 50

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 4 van 107

•

§ 8.2

Artikel 8.1.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen ......................................... 50 Welstand .................................................................................................................................... 50

•

Artikel 8.2.1 De advisering door de welstandscommissie ......................................................... 50

•

Artikel 8.2.2 Samenstelling van de welstandscommissie .......................................................... 50

•

Artikel 8.2.3 Jaarlijkse verantwoording ...................................................................................... 51

•

Artikel 8.2.4 Termijn van advisering ........................................................................................... 51

•

Artikel 8.2.5 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting .................................... 52

•

Artikel 8.2.6 Afdoening onder verantwoordelijkheid .................................................................. 52

•

Artikel 8.2.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht ............................................................ 52

•

Artikel 8.2.8 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften ..... 53

§ 8.3

Algemene bepaling .................................................................................................................... 53 •

Artikel 8.3.1 Algemene bepaling, Bouwverordening .................................................................. 53

Hoofdstuk 9

Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen .................................................................... 54

•

Artikel 9.1 Sanctiebepaling ........................................................................................................ 54

•

Artikel 9.2 Toezichthouders ....................................................................................................... 54

•

Artikel 9.3 Intrekking oude verordeningen ................................................................................. 55

•

Artikel 9.4 Overgangsbepalingen ............................................................................................... 55

•

Artikel 9.5 Inwerkingtreding ....................................................................................................... 55

•

Artikel 9.6 Citeertitel ................................................................................................................... 55

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 5 van 107

Hoofstuk 1 Algemene bepalingen § 1.1 Algemene doelen Verordening Fysieke Leefomgeving Artikel 1.1.1

Algemene doelen De algemene maatschappelijke doelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn: 1.

een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden;

2.

de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen;

3.

de bovenstaande doelen zijn met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen.

§ 1.2 Begripsbepalingen Artikel 1.2.1

Begripsbepalingen -

afnemer: degene, die met de AVU een overeenkomst heeft over de afname van oud papier;

-

APV: Algemene Plaatselijke Verordening De Ronde Venen;

-

AVU: Afval Verwijdering Utrecht (gemeenschappelijke regeling);

-

Awb: Algemene wet bestuursrecht;

-

bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

-

beeldbepalend pand: een pand dat binnen een in De Ronde Venen vigerend bestemmingsplan of beheersverordening is aangeduid of bestemd als karakteristiek pand, MIP pand of pand van cultuurhistorische of monumentale waarde en als zodanig is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

-

bomenlijst: de door burgemeester en wethouders vastgestelde lijst met waardevolle bomen;

-

boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 cm of een stamomtrek van minimaal 70 cm op 1,3 meter hoogte vanaf het maaiveld gemeten. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede of stamomtrek van de dikste stam;

-

bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 6 van 107

-

bromfiets: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

-

burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders van gemeente De Ronde Venen;

-

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

-

dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden.

-

dunning: velling ter bevordering van de groei en instandhouding van de houtopstand, gelijk aan een vorm van bosbeheer, waarbij periodiek 25 % tot maximaal 60% van het areaal wordt geveld en waarbij de kronen zich na drie jaar weer sluiten;

-

gebouw: wat daaronder wordt verstaan bij of krachtens de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo);

-

gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

-

gevoelige gebouwen: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteiten-besluit milieubeheer ;

-

gevoelige terreinen: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteiten-besluit milieubeheer;

-

hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die periodiek (minimaal één keer in de 10 jaar) worden geveld, ter verkrijging van nieuwe twijgen en dunne stammen;

-

handelsreclame of reclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee duidelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

-

houder van een milieu-inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een milieu-inrichting drijft;

-

houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

-

vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, en ook het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

-

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

-

inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

-

inzamelaar oud papier: In De Ronde Venen gevestigde scholen en verenigingen, kerkgenootschappen, instellingen en organisaties, die in het algemeen of plaatselijk belang werkzaam zijn, met een sociale of culturele doelstelling en zonder winstoogmerk en steunend op de inzet van vrijwilligers, of een daarmee door de gemeente gelijk te stellen organisatie, die oud papier inzamelt of wenst in te zamelen;

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 7 van 107

-

kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

-

motorvoertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

-

NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm.

-

onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

-

openbaar water: wateren die - met of zonder beperking - voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

-

openbare ruimte en openbare plaats: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties, oftewel: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Openbaarheid al dan niet met beperkingen;

-

oud papier: papier of karton, dat afkomstig is uit particuliere huishoudens;

-

parkeren: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Voor fietsen, bromfietsen en motoren geldt hier "onmiddellijk op- of afstappen");

-

publieke houtopstand: houtopstand staande op grond van overheden, bijvoorbeeld gemeente, provincie, waterschap of Rijkswaterstaat met uitzondering van een houtopstand met poot- of gedoogrecht;

-

rechthebbende: iedereen die over een roerende of onroerende zaak beschikking, beheer of anderszins zeggenschap heeft, krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

-

voertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens), met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

-

Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

-

weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan (alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten);

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 8 van 107

Hoofdstuk 2. Artikel 2.1

Procedures

Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De artikelen 2.2 tot en met 2.5 en 2.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevings-recht (Wabo), op een wijze die uitputtend is, of afwijkend van de Verordening Fysieke Leefomgeving.

Artikel 2.2

Indienen aanvraag 1.

Een aanvraag om vergunning, ontheffing of een melding kan altijd schriftelijk worden ingediend.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een aanvraag of melding in plaats daarvan ook elektronisch kan worden ingediend (via website of email).

3.

Burgemeester en wethouders kunnen per soort activiteit nadere regels stellen omtrent de inhoud, de inrichting, de uitvoering, de vorm, het aantal en de wijze van indiening van een aanvraag om vergunning of ontheffing of het doen van een melding.

4.

Een aanvraag kan alleen worden ingediend door een privaatrechtelijk bevoegde partij (eigenaar, huurder met toestemming, enz.) ten aanzien van de zaak waar het om gaat (perceel, bouwwerk, voertuig, enz.). In het geval van het vellen van een houtopstand kan de aanvraag bovendien worden ingediend door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

5.

Aan de aanvrager wordt zo spoedig mogelijk een ontvangstbevestiging verzonden.

6.

Er is pas sprake van een rechtsgeldige melding wanneer de melding op de juiste wijze, volledig, naar waarheid en binnen de gestelde termijn is ingediend.

Artikel 2.3

Bevoegd gezag Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gezag op grond van deze verordening, tenzij in deze verordening of in een andere wettelijke bepaling een ander bestuursorgaan wordt genoemd.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 9 van 107

Artikel 2.4

Procedures 1.

Op procedures ingevolge de Verordening Fysieke Leefomgeving, is de gewone procedure van hoofdstuk 4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, en niet de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (de zienswijzenprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht). Dit tenzij door een andere wet, of bij besluit van burgemeester en wethouders anders wordt bepaald.

2.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (vergunning van rechtswege) is niet van toepassing op procedures van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Op de ontheffingen van de artikelen 3.1.2, 4.3.2, 5.1.4 , 5.1.5 en 5.1.6 van de Verordening Fysieke Leefomgeving is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wel van toepassing.

Artikel 2.5

Beslistermijn 1.

Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen de termijn voor ten hoogste zes weken verlengen.

3.

Als de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure wordt toegepast en het een besluit op aanvraag betreft, gelden de maximale beslistermijnen van artikel 3:18 Algemene wet bestuursrecht.

4.

Van de leden 1 - 3 kan worden afgeweken als dat in deze verordening wordt bepaald, of als dat volgt uit een andere wettelijke bepaling.

Artikel 2.6

Voorwaarden, voorschriften en beperkingen 1.

Aan een vergunning, ontheffing of toestemming na melding kunnen voorwaarden, voorschriften en beperkingen worden verbonden.

2.

De voorwaarden, voorschriften en beperkingen strekken alleen tot bescherming van het belang of de belangen -

die verbonden zijn aan de doelen zoals genoemd in artikel 1.1.1, dan wel

-

die in verband waarmee de vergunning, ontheffing of toestemming zijn vereist, dan wel

-

de belangen zoals bedoeld in de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 2.7

3.

Degene aan wie een vergunning, ontheffing of toestemming is verleend en degene voor wie deze geldt, is verplicht de daaraan verbonden voorwaarden, voorschriften en beperkingen na te komen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 10 van 107

Artikel 2.7

Weigering 1.

Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang of de belangen: a. zoals genoemd in of blijkt uit andere delen van de Verordening Fysieke Leefomgeving: b. in verband met de doelen genoemd in art. 1.1.1. van de Verordening Fysieke Leefomgeving. c.

van de openbare veiligheid;

d. van de openbare orde; e. van de volksgezondheid; f. 2.

van de bescherming van het milieu:

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor zo kort voor de beoogde datum van de start van de activiteit is ingediend dat een behoorlijke behandeling daardoor onmogelijk wordt of in het gedrang komt / kan komen. In principe geldt hiervoor een periode van 3 weken voor de start van de activiteit. Een en ander ter beoordeling van burgemeester en wethouders.

Artikel 2.8

Voor wie en hoe lang gelden vergunningen, ontheffingen en toestemmingen na meldingen 1.

De vergunning, ontheffing of toestemming na een melding geldt voor -

degene aan wie deze is verleend,

-

de gerechtigde ter zake van het object of de activiteit,

-

degene onder wiens verantwoordelijkheid het object valt of de activiteit wordt uitgevoerd, en voor

-

degene die de betreffende activiteit uitvoert.

Een en ander tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een vergunning, ontheffing of toestemming persoonlijk is, dan wel op naam van een rechtspersoon of samenwerkingsverband is. 2.

De vergunning, ontheffing of toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij daarin anders is bepaald of de aard van de vergunning, ontheffing of toestemming zich daartegen verzet.

3.

De aard van de vergunning, ontheffing of toestemming verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen, ontheffingen of toestemmingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen, ontheffingen of toestemmingen overtreft.

Artikel 2.9

Intrekken en wijzigen De vergunning of ontheffing kan in elk geval worden ingetrokken of gewijzigd:

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 11 van 107

a.

als ter verkrijging van de vergunning of de ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.

als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.

als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn, één en ander ter beoordeling van het burgemeester en wethouders;

e.

als de houder dit verzoekt. Het verzoek wordt ingediend overeenkomstig art. 2.2.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 12 van 107

Hoofdstuk 3. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu § 3.1 Bruikbaarheid, uiterlijk, veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 3.1.1

Voorwerpen op of aan de weg 1.

Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar of een belemmering vormt of kan vormen voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of b. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.

Behoudens voor zover anders is bepaald in nadere regels, is van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg in ieder geval sprake wanneer bij voetpaden minder dan 1,5 meter vrije doorgang wordt gelaten, 3,5 meter op de rijbaan voor gemotoriseerd en fietsverkeer en 2,4 meter op de fietspaden met 1 richting en 3,5 meter op fietspaden met 2 richting verkeer.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en het aanbrengen van reclame-, sandwich- en driehoeksborden.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

5.

De ontheffing wordt verleend als een omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (vergunning voor opslaan of laten opslaan, artikel 4.4.1).

6.

Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV); b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV); c.

het maken en hebben van geveltuinen of het adopteren van een boomspiegel voor zover deze zijn gemeld en uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften als bedoeld in het ‘Groenuitgiftebeleid 2019-2024’,

d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 13 van 107

7.

Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Provinciale Wegenverordening.

Artikel 3.1.2

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2.

De vergunning wordt door burgemeester en wethouders verleend als omgevingsvergunning, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

3.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

4.

Het verbod is tevens niet van toepassing op geveltuinen en boomspiegels als bedoeld in artikel 3.1.1, zesde lid onder c.

5.

Het verbod is ook niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening en de Leidingenverordening.

6.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3.1.3

Maken of veranderen van een uitweg 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.7 wordt de vergunning geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c.

als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 14 van 107

3.

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het maken of veranderen van een uitweg.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Provinciale Wegenverordening.

Artikel 3.1.4

Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 3.1.5

Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 3.1.6

Objecten onder hoogspanningslijn 1.

Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, beplantingen of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

3.

Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 15 van 107

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk van de gemeente § 4.1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4.1.1

Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3.

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: a. de kern Abcoude; b. de kern Baambrugge; c.

de kern Mijdrecht;

d. de kern Vinkeveen; e. de kern Wilnis; f.

de kern Amstelhoek;

g. de kern De Hoef; h. de kern Waverveen. 4.

Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

5.

Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders een festiviteit ogenblikkelijk als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

6.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting in de buitenruimte, bedraagt niet meer dan 75 dB(A) voor mechanische muziek en niet meer dan 80 dB(A) voor levende muziek, beide gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting vanuit het bebouwde gedeelte van de inrichting, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of in in- en aanpandige

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 16 van 107

woningen, bedraagt niet meer dan de waarden zoals opgenomen in de tabel hieronder (onder e) waarbij er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen gelden niet als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of laten uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c.

de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. e. tabel

LAr,LT op de gevel van gevoelige

07.00 - 19.00 uur

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 07.00 uur

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

80 dB(A)

75 dB(A)

70 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 8.

De geluidswaarde als bedoeld in het zesde en zevende lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer - uiterlijk een half uur voor sluitingstijd te worden beëindigd.

Artikel 4.1.2

Melding incidentele festiviteiten 1.

Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden, zowel binnen als buiten de inrichting, waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, op voorwaarde dat de houder van de inrichting ten minste twee weken voor het beginnen van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 17 van 107

2.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, op voorwaarde dat de houder van de inrichting ten minste twee weken voor het beginnen van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders.

3.

Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor het doen van de melding.

4.

De melding wordt aangenomen te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5.

De melding wordt aangenomen te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, ogenblikkelijk toestaan.

6.

Met uitzondering van een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien is, is een incidentele festiviteit zoals aangeven in lid 1 en lid 2, slechts toegestaan indien er tenminste 14 dagen zijn verstreken vanaf het moment dat de vorige incidentele festiviteit heeft plaatsgevonden.

7.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting vanuit het bebouwde gedeelte van de inrichting, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of in in- en aanpandige woningen, bedraagt niet meer dan de waarden zoals opgenomen in de tabel hieronder (onder e), waarbij er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen gelden niet als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of laten uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel gelden ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c.

de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel wordt geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. e. tabel

LAr,LT op de gevel van gevoelige

07.00 19.00 uur

19.00 23.00 uur

23.00 07.00 uur

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

80 dB(A)

75 dB(A)

70 dB(A)

gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 18 van 107

LAmax in in- en

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

aanpandige gevoelige gebouwen 8.

Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra (inclusief onversterkte) muziek - hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer – op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00:00 uur en in de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag om uiterlijk 01:00 uur beëindigd. De muziek mag na de genoemde tijden tot de officiële sluitingstijd binnen de geldende geluidsnormen worden voortgezet. De geluidsnorm is exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwen gelaten.

9.

Burgemeester en wethouders kunnen, na een gemotiveerd verzoek daartoe, besluiten om geluidsnormen te stellen die afwijken van de in lid 7 genoemde waarden.

10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.1.3

Onversterkte muziek 1.

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bedragen de waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer dan 55 dB(A), 50 dB(A) en 40 dB(A) tussen respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. De bedrijfsduurcorrectie wordt op onversterkte muziek toegepast.

2.

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bedragen de waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT in geluidsgevoelige ruimten niet meer dan 40 dB(A), 35 dB(A) en 25 dB(A) tussen respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.0007.00 uur. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. De bedrijfsduurcorrectie wordt op onversterkte muziek toegepast.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen, na een gemotiveerd verzoek daartoe, geluidsnormen stellen die afwijken van de in lid 1 en 2 genoemde waarden.

4.

Het eerste lid en het tweede lid zijn niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4.1.1 en artikel 4.1.2.

5.

Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 19 van 107

Artikel 4.1.4

Overige geluidhinder 1.

Het is verboden buiten een milieu-inrichting om in de openbare ruimte en de private buitenruimte toestellen, technische installaties of muziekinstallaties in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2.

Van geluidshinder, zoals bedoeld in lid 1, is sprake als het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, hoger is dan 45 dB(A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur, 40 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur en 35 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen en op de grens van geluidsgevoelige terreinen. De geluidsniveaus worden gemeten en beoordeeld conform de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen en kunnen daarbij geluidsvoorschriften stellen die afwijken van de in lid 2 genoemde geluidsniveaus en/ of van de in lid 2 genoemde beoordelingspunten.

4.

Het verbod geldt niet voor geluidswagens op maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 20.00 uur voor zover behorende bij een evenement.

5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Bouwbesluit of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 4.1.5

(Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een milieu-inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of anders voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4.1.6

Gebruik knalapparaten 1.

Het is verboden buiten een milieu-inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Activiteitenbesluit milieubeheer één of meerdere knalapparaten in werking te hebben.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in lid 1 ontheffing verlenen en kunnen daarbij voorwaarden en voorschriften stellen aan het gebruik van de knalapparaten.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 20 van 107

§ 4.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4.2.1

Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4.2.2

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4.2.3

Oplaten van ballonnen 1.

Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen of in de lucht te brengen.

2.

Onder een ballon wordt ook verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon, geluks-ballon etc.

3.

Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon, bedoeld voor personenvervoer.

§ 4.3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4.3.1

Omgevingsvergunning voor het vellen van waardevolle houtopstand 1.

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een houtopstand te vellen of te laten vellen die staat vermeld op de Bomenlijst.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste lid bedoelde vergunning alleen verlenen als aannemelijk is gemaakt dat: a. de conditie van de houtopstand dermate slecht is dat instandhouding niet langer verantwoord is; b. een zwaarwegend belang zwaarder weegt dan het belang van het behoud van de houtopstand; c.

de instandhouding van de houtopstand zo een onevenredige overlast oplevert dat instandhouding redelijkerwijs niet gevergd kan worden en aannemelijk is dat onderhoudsmaatregelen niet tot een acceptabele oplossing leiden.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 21 van 107

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde, een direct gevaar voor personen of goederen of de houtopstand wegens ziekte besmettingsgevaar oplevert (noodkap).

4.

Burgemeester en wethouders kunnen een herplantplicht opleggen voor waardevolle publieke houtopstand.

Artikel 4.3.2

Omgevingsvergunning voor het vellen van publieke houtopstanden 1.

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een publieke houtopstand te vellen of te laten vellen.

2.

Het verbod geldt niet voor: a.

een houtopstand die een stamdiameter heeft kleiner dan 20 cm , of een omtrek kleiner dan 70 cm, gemeten op 1,3 meter vanaf maaiveld;

b.

wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;

c.

dunning van bomen in bosjes, bomenrijen of bosachtige beplantingen, binnen en buiten de bebouwde kom;

d.

houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van burgemeester en wethouders;

e.

dode houtopstand;

f.

het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud.

3.

4.

De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van: a.

de natuurwaarde van de houtopstand;

b.

de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c.

de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d.

de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e.

de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f.

de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde, een direct gevaar voor personen of goederen of de houtopstand wegens ziekte besmettingsgevaar oplevert (noodkap).

5.

Burgemeester en wethouders kunnen een herplantplicht opleggen.

6.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 22 van 107

Artikel 4.3.3

Bescherming publieke houtopstanden 1.

Het is verboden om houtopstanden, die in eigendom van de gemeente zijn: a. te beschadigen, te bekladden of te beplakken; b. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken.

2.

Het is verboden één of meer voorwerpen in of aan een houtopstand in eigendom van de gemeente aan te brengen of op andere manier te bevestigen via voorwerpen welke de bast beschadigen.

Artikel 4.3.4

Bestrijding van boomziekten 1.

Als zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een besmettelijke boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtopstand te vellen; b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

2.

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een gevelde houtopstand of delen daarvan te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende besmettelijke boomziekte kan verspreiden.

3.

Bij het niet voldoen aan de aanschrijving van lid 1, kan bestuursdwang worden toegepast, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 4.3.5

Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, tot de grens tussen percelen in privaat eigendom, is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen, en tot de grens tussen percelen in privaat en gemeentelijk eigendom, op nihil voor bomen, heesters en heggen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 23 van 107

§ 4.4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.4.1

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1.

Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieu-inrichting de volgende zaken aanwezig te hebben (opslagverbod): a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c.

kampeermiddelen voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.

Het is verboden op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats een (aangewezen) voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of een Provinciale Verordening.

Artikel 4.4.2

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.

Het is verboden op of aan een onroerende zaak reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 24 van 107

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente § 5.1 Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5.1.1

Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt ook verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

2.

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

3.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9769356/1