Raadsvoorstel 03, bijlage 1 Kadernota 2022
Tekst van het document
Kadernota 2022 Vastgesteld AB 9 november 2020
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2
Inleiding Achtergrond Opbouw kadernota
3 3 3
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Financieel kader Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds Loonaanpassing Prijsaanpassing Lasten FLO-overgangsrecht Brede doeluitkering Rampenbestrijding Samenvatting mutatie GBTP 2022 financieel kader
4 4 5 6 7 8 9
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
Ontwikkelingen Hervorming OMS-stelsel Regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen Heroriëntatie AB-werkplaatsen Overdracht beheer meldkamer Licentiekosten LCMS GZ Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Versterking GHOR Samenvatting ontwikkelingen
10 10 12 13 14 15 15 16 16
4 4.1
Risico’s Taakdifferentiatie/ (On)gelijke behandeling vrijwilligers
17 17
5
Bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
19
6
Vergoeding individueel gemeentelijk pluspakket
20
7 7.1 7.2
Bijlagen Bijlage 1: Uitkering gemeentefonds, onderdeel B&R Bijlage 2: Meerjarenraming bijdragen en vergoedingen 2022-2025
21 21 22
1 Inleiding 1.1
Achtergrond In de kadernota 2022 zijn de financiële en beleidsmatige kaders voor de begroting van 2022 opgenomen conform artikel 4.3 van de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht. De kadernota vormt het startpunt van het proces van begroting en verantwoording (zie figuur 1). Figuur 1: proces begroting en verantwoording VRU
De gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders naar voren te brengen. Alle zienswijzen worden betrokken bij het opstellen van de begroting van 2022. De begroting 2022 wordt in het voorjaar van 2021 opgesteld. Voordat het bestuur de begroting 2022 definitief vaststelt, wordt deze eveneens voor zienswijzen aan de gemeenten aangeboden. De gemeenten hebben op deze manier twee gelegenheden om invloed uit te oefenen op de begroting van de VRU.
1.2
Opbouw kadernota In de kadernota ligt de nadruk op de ontwikkelingen die effect hebben op de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. We maken onderscheid tussen de technische toepassing van het financiële kader (hoofdstuk 2) en de overige ontwikkelingen en risico’s (hoofdstuk 3 en 4). In het beleidsplan VRU 2020-2023 is opgenomen dat voor nieuw beleid geen extra bijdragen wordt gevraagd aan gemeenten. De opgenomen onderwerpen zijn daarmee beperkt tot exogene ontwikkelingen en risico’s. Hieruit volgt dat beleidsbijstellingen enkel betrekking hebben op bestaand beleid. In hoofdstuk 5 worden de effecten uit hoofdstuk 2, 3 en 4 op de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) per gemeente inzichtelijk gemaakt.
Pagina
3
2 Financieel kader 2.1
Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds Conform artikel 4.2 A van de Gemeenschappelijke Regeling vormen de ijkpuntscores van het Gemeentefonds voor het onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding de grondslag voor het relatieve aandeel van de gemeenten in de totale bijdrage voor het GBTP. Momenteel wordt in opdracht van het Rijk onderzocht hoe het gemeentefonds opnieuw kan worden verdeeld. Eind februari 2020 hebben beheerders van het gemeentefonds besloten de invoering van de herverdeling van het gemeentefonds een jaar uit te stellen tot 2022. In 2020 vindt nog een aantal vervolgonderzoeken plaats. Besluitvorming over de invoering van de nieuwe verdeling wordt naar verwachting in 2020 afgerond en niet eerder dan in de decembercirculaire 2020 verwerkt. Dit betekent dat ten tijde van het opstellen van de VRU kadernota 2022 de effecten van het herijkingsonderzoek op het verdeelmodel van de VRU nog niet bekend zijn. De begroting van de VRU wordt jaarlijks gebaseerd op de meest actuele septembercirculaire. De individuele bijdrage per gemeente in de kadernota 2022 is daarmee nog gebaseerd op het ‘oude verdeelmodel’. Besluitvorming over eventuele wijzigingen in het verdeelmodel als gevolg van een herverdeling in het gemeentefonds worden specifiek aan het algemeen bestuur voorgelegd bij de begroting 2022 en actualisatie van de begroting 2021.
In tabel 1 zijn de percentages voor 2022 opgenomen. Deze ijkpuntscores leiden niet tot een verandering van de totale bijdrage voor het GBTP. De ijkpuntscores worden alleen gebruikt om de verdeling tussen de gemeenten onderling te berekenen. Op totaalniveau is de bijstelling van de ijkpuntscores dus per saldo neutraal. Per gemeente kunnen wel verschuivingen plaatsvinden, afhankelijk van de ontwikkeling van de ijkpuntscores. Tabel 1: verdelingsgrondslag (relatief aandeel ijkpuntscores) bijdrage GBTP Verdelingsgrondslag bijdrage GBTP Begroting 2021
Kadernota 2022
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht
0,37% 0,60% 0,65% 0,76% 0,90% 0,95% 1,07% 1,26% 1,32% 1,53% 1,77% 1,89% 2,04% 2,98% 2,97% 3,05% 3,07% 3,48% 3,45% 3,51% 4,39% 4,51% 4,59% 4,57% 11,38% 32,94%
0,39% 0,61% 0,65% 0,77% 0,89% 0,95% 1,06% 1,27% 1,32% 1,52% 1,75% 1,89% 2,02% 2,92% 2,97% 3,00% 3,05% 3,38% 3,42% 3,68% 4,34% 4,46% 4,57% 4,58% 11,22% 33,33%
TOTAAL
100%
100%
Gemeente
Pagina
4
De gemeenten met de grootste stijging in het relatieve aandeel zijn de gemeente Utrecht, Vijfheerenlanden en Renswoude. Bij de gemeente Utrecht is de stijging het gevolg van een toename van het aantal woonruimten en dit werkt ook door in de maatstaven die zijn gekoppeld aan het aantal inwoners en de bebouwingsdichtheid. Bij de gemeente Vijfheerenlanden hangt de stijging samen met de ontwikkeling van de WOZ-waarden van niet-woningen en een toename van het aantal woonruimten.1 De stijging van het relatieve aandeel van de gemeente Renswoude is te relateren aan een toename van het aantal woningen. De gemeenten met de sterkste afname in het relatieve aandeel zijn Utrechtse Heuvelrug en De Bilt. Bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug wordt er een kern (met minimaal 500 adressen) minder gehonoreerd door het Rijk en bij gemeente De Bilt is sprake van een negatieve ontwikkeling van WOZ-waarden van niet-woningen. Dit laatste is ook de oorzaak van een beperkte neerwaartse bijstelling in het relatieve aandeel voor de gemeenten Nieuwegein en Amersfoort. In bijlage 1 zijn de bedragen opgenomen die de gemeenten ontvangen uit het gemeentefonds voor het onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding voor de jaren 2019 tot en met 2022, zoals berekend in de septembercirculaire 2020 van het gemeentefonds.
Deze bedragen liggen ten grondslag aan de procentuele verdeling (de ijkpuntscores) van de gemeenschappelijke bijdrage aan de VRU. De hoogte van de bijdrage uit het gemeentefonds heeft geen invloed op de gemeentelijke bijdrage aan de VRU. Momenteel wordt een landelijk herijkingsonderzoek voor het gemeentefonds uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek zullen nog effect hebben op de ijkpuntscores die in 2022 worden gehanteerd voor de uiteindelijke berekening van de bijdrage voor het basistakenpakket voor het jaar 2022.2 Bij het opstellen van de begroting wordt hier nader op ingegaan.
2.2
Loonaanpassing De gemeentelijk bijdrage wordt geïndexeerd volgens artikel 4.3 van de Gemeenschappelijke Regeling. De loonaanpassing volgt de algemene loonontwikkeling3. Voor de kadernota hanteert de VRU de procentuele mutatie van het indexcijfer ‘prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers’ zoals berekend door het Centraal Plan Bureau, omdat de CAO en premiebedragen voor 2022 nog niet bekend zijn.4 De ontwikkeling van dit indexcijfer is weergeven in tabel 2. In tabel 3 is het financiële effect van de verwachte loonontwikkeling op de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) opgenomen en op de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP). Tabel 2: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers' Jaar
Loonaanpassing Begroting Kadernota 2021 2022
Bijstelling
2020 2021 Subtotaal
2,5% 2,6% 5,1%
4,6% 0,6% 5,2%
2,1% -2,0% 0,1%
2022 Subtotaal
0,0% 0,0%
1,3% 1,3%
1,3% 1,3%
Totaal
5,1%
6,5%
1,4%
1 Overigens was er in de septembercirculaire 2019 sprake van een forse afname van niet-woningen in
vergelijking met de optelsom van de drie afzonderlijke voormalige gemeenten (Vianen, Leerdam en Zederik). 2 De uitkomsten van het herijkingsonderzoek voor het gemeentefonds zullen ook effect hebben op de ijkpuntscores en het verdeelmodel in 2021 3 Bijdrageverordening, artikel 1: de loonontwikkeling conform de Collectieve Arbeidsregeling (CAR) en mutaties in de premieplichtigen van de werkgever op basis van wet CAR en rechtspositieregeling. 4 Gepubliceerd in Tabel 4.2.2 van de septembercirculaire 2019 en 2020
Pagina
5
Tabel 3: financieel effect loonaanpassing Bedragen x € 1.000
Loonaanpassing
Loonaanpassing
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Mutatie stelpost looncompensatie 2021 Prognose premieontwikkeling 2021 Inzet stelpost looncompensatie 2021 Mutatie lasten loonaanpassing 2021
0,1% 1,2% -1,2% 0,1%
65 530 -530 65
2 13 -13 2
66 543 -543 66
Stelpost looncompensatie 2022 Premieontwikkeling 2022 Mutatie lasten loonaanpassing 2022
1,3% 1,3%
859 p.m. 859
20 p.m. 20
879 p.m. 879
Totaal effect
1,4%
924
22
946
Voor de jaren 2021 en 2022 is een stelpost voor looncompensatie opgenomen, omdat de CAO 2021-2022 tijdens het opstellen van deze kadernota nog niet bekend is. De premieontwikkeling heeft ook invloed op de loonkosten. Op basis van de premieprognose van het ABP van juli 2020 stijgt het werkgeversaandeel in 2021 met 1,23%. Het definitieve besluit over de premie van 2021 wordt eind november 2020 genomen. Voor de premieontwikkeling 2022 is een p.m. post opgenomen, omdat hiervoor nog geen premieprognose bekend is. Het ABP heeft wel aangegeven dat de premiecijfers naar verwachting zullen stijgen in 2022 en 2023. De premiestijgingen worden ten laste van de stelpost voor looncompensatie gebracht.5 Bij het opstellen van de begroting 2022 en bij actualisatie van de begroting 2021 wordt de loonontwikkeling nog bijgesteld op basis van de dan geldende CAO en vastgestelde premie’s. Een eventueel positief of negatief effect wordt dan verrekend met de gemeentelijke bijdrage zodat uiteindelijk de werkelijke loon- en premieontwikkeling wordt betaald. Het financiële effect van de loonontwikkeling zoals opgenomen in de kadernota 2022 van de VRU, wordt volgens de huidige systematiek van het gemeentefonds indirect gecompenseerd via de algemene uitkering die gemeenten van het Rijk ontvangen. De loonontwikkeling van het Rijk wordt vertaald naar het accres van de algemene uitkering voor gemeenten.
De compensatie voor de loonontwikkeling 2022 van gemeenten wordt bij de meicirculaire 2021 toegekend.
2.3
Prijsaanpassing Voor de prijsaanpassing hanteert de VRU de procentuele mutatie van het Bruto Binnenlands Product zoals berekend door het Centraal Plan Bureau6. Dit is conform artikel 1 sub j van de Bijdrageverordening VRU. Daarbij vindt jaarlijks een correctie plaats op basis van de geactualiseerde cijfers over de voorliggende twee jaren ten opzichte van de begroting. Zo wordt nooit te veel of te weinig geïndexeerd. Voor 2022 bedraagt de cumulatieve prijsaanpassing 1,9%. De ontwikkeling van dit indexcijfer is weergeven in tabel 4. In tabel 5 is het financiële effect van deze prijsaanpassing opgenomen.
5 Restant stelpost looncompensatie 2021 voor CAO 2021 en overige premieontwikkelingen bedraagt 1,9%. 6 Gepubliceerd in Tabel 4.2.2 van de septembercirculaire 2019 en 2020 en verzamelde bijlagen
https://www.cpb.nl/actualisatie-middellangetermijnverkenning-2022-2025
Pagina
6
Tabel 4: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs bruto binnenlands product' Jaar
Prijsaanpassing Begroting Kadernota 2021 2022
Bijstelling
2019 2020 2021 Subtotaal
2,5% 1,5% 1,7% 5,7%
3,0% 1,7% 1,5% 6,2%
0,5% 0,2% -0,2% 0,5%
2022 Subtotaal
-
1,4% 1,4%
1,4% 1,4%
5,7%
7,6%
1,9%
Totaal
Tabel 5: financieel effect prijsaanpassing Bedragen x € 1.000
Prijsaanpassing
Prijsaanpassing
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Mutatie prijsaanpassing 2019 Mutatie prijsaanpassing 2020 Mutatie prijsaanpassing 2021 Mutatie lasten prijsaanpassing 2021
0,5% 0,2% -0,2% 0,5%
148 59 -59 148
12 4 -4 12
161 63 -63 161
Prijsaanpassing 2022 Mutatie lasten prijsaanpassing 2022
1,4% 1,4%
413 413
33 33
445 445
Totaal effect
1,9%
561
45
606
Het financiële effect van de prijsaanpassing zoals opgenomen in de kadernota 2022 van de VRU, wordt volgens de huidige systematiek van het gemeentefonds indirect gecompenseerd via de algemene uitkering die gemeenten van het Rijk ontvangen. De prijsontwikkeling van het Rijk wordt vertaald naar het accres van de algemene uitkering voor gemeenten. De compensatie voor de prijsontwikkeling 2022 wordt bij de meicirculaire 2021 aan gemeenten toegekend.
2.4
Lasten FLO-overgangsrecht Het financiële kader van de lasten FLO-overgangsrecht bestaat uit een structurele en een incidentele component. Schommelingen in de kostenprognose worden geëgaliseerd via de bestemmingsreserve ‘Lasten FLO-overgangsrecht’. De eerstvolgende actualisatie van de kostenprognose wordt verwerkt in de meerjarenraming van de begroting 2022. In tabel 6 is de meerjarenraming van de lasten FLO-overgangsrecht weergegeven. Tabel 7 geeft inzicht in het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage voor het basistakenpakket (GBTP) voor het jaar 2022.
Pagina
7
Tabel 6: meerjarenraming lasten FLO-overgangsrecht 2022-2025 Bedragen x € 1.000
Meerjarenraming FLO-overgangsrecht
2022
2023
2024
2025
Begroting 2021 Lasten FLO-overgangsrecht Storting/ onttrekking reserve FLO-overgangsrecht Lasten FLO- overgangsrecht begroting 2021
2.867 133 3.000
2.883 117 3.000
2.971 29 3.000
3.045 -45 3.000
Kadernota 2022 Lasten FLO-overgangsrecht Storting/ onttrekking reserve FLO-overgangsrecht Lasten FLO- overgangsrecht kadernota 2022
2.993 52 3.045
3.138 -93 3.045
3.097 -52 3.045
2.944 101 3.045
45
45
45
45
Mutatie lasten FLO-overgangsrecht
De mutatie van de lasten FLO-overgangsrecht kan worden opgevangen door inzet van de bestemmingsreserve ‘Lasten FLO-overgangsrecht’. De actualisatie van de meerjarenraming leidt niet tot een mutatie van de gemeentelijke bijdrage. Tabel 7: financieel effect mutatie lasten FLO-overgangsrecht Bedragen x € 1.000
Lasten FLO-overgangsrecht
Lasten FLO-overgangsrecht 2021 Onttrekking reserve FLO-overgangsrecht 2021 Lasten FLO-overgangsrecht 2022 Mutatie lasten FLO-overgangsrecht Correctie loon- en prijsaanpassing 2022* Totaal effect GBTP 2022
Financieel effect 2022 GBTP Structureel Incidenteel Totaal
3.000 3.045 45
1.677 -1.677 -
4.677 -1.677 3.045 45
-45
-
-45
-
-
-
*De loon- en prijsaanpassing met betrekking tot de lasten FLO-overgangsrecht zijn onderdeel van de totale loonaanpassing (zie paragraaf 2.2). Daarom is een correctie toegepast.
2.5
Brede doeluitkering Rampenbestrijding De hoogte van de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) bedraagt voor 2022 op basis van de beschikking van 17 juni 2020 van het rijk € 9,5 miljoen. Dat is € 206k meer dan opgenomen in de huidige meerjarenraming. Het betreft met name de structurele doorwerking van de indexering van de rijksbijdrage voor 2020. Deze extra inkomst wordt in mindering gebracht op de bijdrage van de gemeenten voor het GBTP. De indexering van de BDuR 2021 en 2022 is nog niet bekend. In tabel 8 is het financiële effect van de BDuR opgenomen. Tabel 8: financieel effect mutatie BDuR Bedragen x € 1.000
Brede doeluitkering Rampenbestrijding
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Loon- en prijsbijstelling BDuR 2020 Loon- en prijsbijstelling BDuR 2021 Loon- en prijsbijstelling BDuR 2022
-206 p.m. p.m.
-
-206 -
Totaal effect
-206
-
-206
Pagina
8
2.6
Samenvatting mutatie GBTP 2022 financieel kader Tabel 9: effect financieel kader op bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000
Mutaties financieel kader 2022 Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds* Loonaanpassing Prijsaanpassing Lasten FLO-overgangsrecht Brede doeluitkering Rampenbestrijding Totaal mutatie bijdrage GBTP
Structureel Incidenteel
Totaal
924 561 -206
-
924 561 -206
1.279
-
1.279
*De bijstelling van de ijkpuntscores heeft geen effect op de totale omvang van de bijdrage GBTP. De bijstelling leidt wel tot onderlinge verschuivingen tussen de bijdragen van gemeenten.
Pagina
9
3 Ontwikkelingen 3.1
Hervorming OMS-stelsel Een aantal (ca. 1250) gebouwen zijn conform hun vergunning door de gemeente verplicht tot een directe doormelding van hun brandmeldinstallatie naar de meldkamer van de regionale brandweer (Openbaar Meldsysteem; OMS). Daarnaast is bestuurlijk (bij de aanbesteding in 2014) afgesproken dat (ca. 50) gebouwen voor vitale infrastructuur en cultureel erfgoed zich op vrijwillige basis mogen aansluiten op het OMS, i.v.m. maatschappelijk belang of continuïteit van vitale processen. Per aansluiting betaalt de leverancier de VRU een concessievergoeding. Reeds enkele jaren hebben wij het risico omtrent de houdbaarheid van het huidige regionale OMS-stelsel benoemd. In de vorige kadernota en huidige begroting is vermeld dat landelijk (juridisch) onderzoek is verricht naar de houdbaarheid van het huidige OMS-stelsel. Geconcludeerd werd dat: 1. er op langere termijn nauwelijks tot geen rechtvaardiging te vinden is voor de instandhouding van het huidige OMS-stelsel, waarbij het aantal OMS-aanbieders beperkt is of wordt; 2. voor de huidige praktijk van inning van de vergoedingen in de toekomst nauwelijks ruimte blijft; 3. er geen wettelijke basis is voor de wijze waarop veiligheidsregio’s nu de regie voeren op het tot stand komen van het OMS.
Gelet op deze conclusies en de landelijke ontwikkelingen is het risico op het wegvallen van de concessievergoeding in de vorige kadernota (en de daarop gebaseerde begroting 2021) al verhoogd naar ‘groot’. Hierbij werd ingeschat dat de contracten in onze regio tot einde van de concessieperiode (april 2024) konden worden gecontinueerd, tenzij externe ontwikkelingen aanleiding zouden geven om de concessievergoeding tussentijds aan te passen. Inmiddels doet, eerder dan verwacht, deze ontwikkeling zich voor. Met ingang van 2021 wordt namelijk een landelijke voorziening voor de ontvangst van meldingen van brandmeldinstallaties operationeel. Dit als onderdeel van het project Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS) waarbinnen het beheer van de meldkamer wettelijk aan de politie is overgedragen. Deze voorziening vervangt de huidige regionale werkwijze voor de ontvangst van brandmeldingen via het openbaar meldsysteem. Voordeel van deze landelijke voorziening is de hoeveelheid informatie die automatisch wordt doorgestuurd naar de meldkamer brandweer, waardoor de meldkamercentralist beter kan beoordelen of, en zo ja welke, brandweerzorg noodzakelijk is. De VRU heeft, samen met de regio’s Gooi & Vechtstreek en Flevoland, in 2014 de concessie voor het huidige regionale OMS aan zes leveranciers gegund na een rechtmatige Europese aanbesteding. Deze concessie loopt tot april 2024.
Op dit moment zijn ongeveer 1.300 instellingen en bedrijven op het OMS aangesloten. In de programmabegroting 2021 zijn de inkomsten uit concessievergoeding regionale OMS geraamd op ongeveer € 1,1 miljoen. Bijstelling De consequentie van de hiervoor beschreven ontwikkeling is dat de concessievergoeding van € 1,1 miljoen op termijn volledig vervalt bij ingebruikname van de landelijke voorziening. Op dit moment is nog niet bekend op welke termijn en in welk tempo dit gebeurt. We gaan er vooralsnog van uit dat de huidige op het OMS aangesloten instellingen en bedrijven in de loop van 2021 over gaan naar de landelijke voorziening, waardoor de inkomsten uit concessievergoeding
Pagina
10
OMS met ingang van 2022 geheel wegvallen. Het is ook mogelijk dat de overgang meer geleidelijk naar het eind van de concessieperiode zal plaatsvinden. Aan de OMS-opbrengsten zijn slechts in zeer beperkte mate directie(beheers)kosten (€ 27k) verbonden. De OMS-opbrengsten zijn dan ook als algemeen dekkingsmiddel in de begroting van de VRU verwerkt. Tegenover het wegvallen van de opbrengsten staat dus voor het grootste deel geen directe besparing op de kosten, waarmee deze exogene ontwikkeling niet structureel neutraal in de kadernota verwerkt kan worden. Om te voorkomen dat dit in deze beleidsperiode doorwerkt als verhoging op de gemeentelijke bijdrage wordt voorgesteld om een OMS-fonds te vormen uit het resultaat 2020, waarmee het wegvallen van de opbrengsten tijdelijk kan worden gedekt. Het OMS-fonds vormt tevens de buffer om de onzekerheid over de termijn en het tempo van het wegvallen van de OMS-opbrengsten op te vangen zonder dat de weerstandscapaciteit wordt aangetast. De bestaande weerstandscapaciteit is met € 1,4 miljoen namelijk relatief beperkt (1,4% van de begroting) en bovendien ontoereikend om deze opbrengstendaling over een langere periode te kunnen opvangen. In tabel 10 is de meerjarenraming van de hervorming van het OMS-stelsel 2022-2025 opgenomen. Tabel 10: meerjarenraming hervorming OMS-stelsel Bedragen x € 1.000
Hervorming OMS-stelsel
2022
2023
2024
2025
Lasten OMS Beheerskosten OMS
-27
-27
-27
-27
Subtotaal lasten
- 27
- 27
- 27
- 27
1.079
Baten OMS OMS-opbrengsten
1.079
1.079
1.079
Onttrekking OMS-fonds*
-1.052
-1.052
-243
-
27
27
836
1.079
-
-
809
1.052
Subtotaal baten Mutatie lasten hervorming OMS-stelsel
*De benodigde middelen in het OMS-fonds tot het eind van de beleidsperiode worden geraamd op € 2,86 miljoen. In tabel 12 is een overzicht gegeven van het verloop van de reserve en de daarin benodigde middelen.
In tabel 11 is het financiële effect van de hervorming van het OMS-stelsel op de gemeentelijke bijdrage (GBTP) opgenomen. Tabel 11: financieel effect hervorming OMS-stelsel Bedragen x € 1.000
Hervorming OMS-stelsel
Derving inkomsten uit concessievergoeding OMS Vervallen beheerskosten OMS Incidenteel: Onttrekking OMS-fonds Totaal effect
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
1.079 -27 -1.052
-
1.079 -27 -1.052
-
-
-
De beheerslasten (€ 27k) betreffen de capaciteit voor contactbeheer en het beheer van aansluitingen. In tabel 12 is de opbouw van de raming van het OMS-fonds en de fasering van de onttrekking aan het OMS-fonds weergeven.
Pagina
11
Tabel 12: verloop reserve OMS-fonds Bedragen x € 1.000
OMS-fonds
2021-2024
Stand per 31-12-2020
-
Toevoeging rekeningresultaat 2020
2.860
Verwacht saldo OMS- fonds per 1- 1- 2021
2.860
Onttrekkingen voor derving inkomsten OMS 2021 (50%)
-513
2022
-1.052
2023
-1.052
2024 (eerste kwartaal)
-243
Totaal onttrekkingen
- 2.860
Resterend saldo na bovenstaande onttrekkingen
0
De berekening van de onttrekking aan het OMS-fonds is gebaseerd op wegvallende concessievergoedingen in de huidige beleidsperiode tot het einde van de concessieperiode (april 2024). In 2021 gaan wij uit van een afname van concessievergoedingen van 50%. Vanaf 2022 verwachten wij dat de concessievergoeding volledig is weggevallen. Een voorstel voor het instellen van het OMS-fonds in de vorm van een bestemmingsreserve volgt bij de jaarrekening 2020. Hierin worden ook spelregels over de besteding en verantwoording van de middelen uit deze bestemmingsreserve opgenomen. Uitgangspunt hierbij is dat niet bestede middelen terugvloeien naar gemeenten.
3.2
Regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen Parallel aan de ontwikkeling van de landelijke OMS-voorziening (zie paragraaf 3.1) zijn landelijke afspraken gemaakt voor de werkwijze bij automatische meldingen (Beoordelingsprotocol automatische meldingen). Het toepassen van het nieuwe protocol zorgt ervoor dat alleen bij een hoge mate van zekerheid over de noodzakelijke brandweerzorg door de meldkamer wordt gealarmeerd met prioriteit 1. Dat is het geval als, na een automatische brandmelding, uit contact met het object blijkt dat er daadwerkelijk brand is. In andere gevallen (geen contact binnen 3 minuten, onduidelijk wat er is binnen 5 minuten, of nacontrole na melding ‘brand al uit’) volgt alarmering met lagere prioriteit. Voor overige situaties (andere oorzaak dan brand, niets aan de hand) volgt geen alarmering. In het huidige protocol past de meldkamer brandweer een verificatietijd van maximaal 3 minuten toe bij OMS-meldingen. Automatische meldingen die telefonisch door een Particuliere Alarm Centrale (PAC) aan de meldkamer van de brandweer worden doorgegeven, worden door de centralist beoordeeld en hierna vindt eventuele alarmering plaats. Het huidige protocol voor OMS-meldingen is na akkoord van het Algemeen Bestuur ingevoerd op 10 juli 2015.
Op dit moment wordt bij 72% van de OMS-meldingen de brandweerpost niet gealarmeerd doordat de melding is geverifieerd door de meldkamer. Als de brandweerpost wel wordt gealarmeerd, wordt in veel gevallen kort na de alarmering duidelijk dat geen brandweerzorg nodig is en wordt de alarmering voor de brandweerpost ingetrokken voordat het voertuig is uitgerukt. In de overige gevallen waarbij de brandweereenheid ter plaatse komt (deels gealarmeerd met lagere prioriteit, prioriteit 2), wordt na aankomst vaak geconstateerd dat geen brandweerzorg nodig is. Slechts in 5% van de alarmeringen is uiteindelijk brandweerzorg noodzakelijk.
Pagina
12
Met het nieuwe protocol wordt meer tijd genomen voor verificatie, waardoor bij een groter deel van het aantal OMS-meldingen en PAC-meldingen de brandweerpost niet meer onnodig wordt gealarmeerd. Ook zal het aantal keren dat een brandweerpost met spoed wordt gealarmeerd (prioriteit 1) afnemen waardoor de overlast voor het overige verkeer vermindert. Als gevolg hiervan houden we rekening met een voordelig financieel effect van € 50k. In tabel 13 is het effect op de gemeentelijke bijdrage (GBTP) opgenomen. Tabel 13: regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen Bedragen x € 1.000
Regionale uitwerking landelijke beoordelingsprotocol automatische meldingen
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Afname personele kosten voor onnodige alarmeringen
-50
-
-50
Totaal effect
-50
-
-50
In het landelijke protocol wordt het alarmeren van de brandweer met lagere urgentie (prioriteit 2), bij twijfel of onduidelijkheid over een eventuele brand, als een overgangsmaatregel gezien. Uiteindelijk zal een niet geverifieerde automatische melding niet meer leiden tot een inzet van de brandweer. Bij een geleidelijke overgang krijgt de gebruiker steeds meer verantwoordelijkheid en groeit de maatschappelijke acceptatie. Een concreet voorstel voor de afbouw van de inzet van de brandweer bij twijfel of onduidelijkheid over een eventuele brand zal op termijn ter besluitvorming worden voorgelegd, inclusief de financiële consequenties. Op termijn kan het geraamde voordeel dus nog verder oplopen als de inzet van de brandweer verder wordt afgebouwd.
3.3
Heroriëntatie AB-werkplaatsen De huidige werkplaatsen ademluchtbescherming zijn sterk verouderd en voldoen niet aan de geldende eisen op het gebied van arbeidshygiëne en arbo-wetgeving. Hierdoor wordt zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht de materiële paraatheid op het gebied van de adembeschermingsmiddelen onvoldoende geborgd. In de huidige werkplaatsen kunnen de problemen ten aanzien van arbeidshygiëne en ergonomie niet worden opgelost zonder ingrijpende verbouwingen en meerkosten. In de kadernota en begroting 2019 is daarom gekozen om niet zeven maar twee werkplaatsen te verbouwen naar de huidige eisen, om daarna efficiënter te kunnen werken en de investeringen voor de verbouwingen en apparatuur van de ademluchtwerkplaatsen zoveel mogelijk te beperken. Initieel is gekozen om te onderzoeken of de kazernes van Woerden en Veenendaal geschikt gemaakt kunnen worden om de werkplaatsen te laten voldoen aan de geldende eisen op het gebied van arbeidshygiëne en arbo-wetgeving. In de kazerne in Woerden zou het grootste deel van het (specialistische) werk verricht worden en de kazerne in Veenendaal is aangewezen om een beperkt deel van het reguliere werk en piekmomenten op te kunnen vangen.
Uitgebreid onderzoek heeft uitgewezen dat het inpassen van een industriële werkplaats in de bestaande kazerne in Woerden niet realiseerbaar is vanwege beperkte mogelijkheid tot uitbreiding van de kazerne en de benodigde draagkracht van de bestaande vloeren en fundering. Een heroriëntatie op de AB-werkplaatsen is noodzakelijk nu de optie van inhuizing in een bestaande post niet mogelijk is. Voorgesteld wordt om op korte termijn een locatie te huren voor een periode van minimaal 5 jaar en deze als volwaardige AB-werkplaats in te richten, zodat zo snel mogelijk wordt voldaan aan de eisen in het kader van arbeidshygiëne en arbo-wetgeving. Gelet op de doelstellingen uit het beleidsplan over zowel de personele als de materiële paraatheid, wordt op termijn gestreefd naar een structurele oplossing in een brandweerpost, waarbij de kazerne in Veenendaal in beeld blijft als overloopwerkplaats.
Pagina
13
Het financiële effect van het niet op een bestaande locatie kunnen inhuizen bedraagt € 155k per jaar, uitgaande van een huurtermijn van 5 jaar. De structurele verhoging van de gemeentelijke bijdrage voor de AB-werkplaatsen is berekend op basis van het bedrag voor de tijdelijke voorziening (huur en noodzakelijke kosten). In tabel 14 is een raming opgenomen van de structurele meerkosten en het effect op de gemeentelijke bijdrage (GBTP). Tabel 14: financieel effect heroriëntatie AB-werkplaatsen Bedragen x € 1.000
Heroriëntatie AB-werkplaatsen
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Meerkosten AB-werkplaatsen wegens vervallen optie inhuizing Inzet reservering kapitaallasten
293 -138
-
293 -138
Totaal effect
155
-
155
We beschouwen dit bedrag vooralsnog kader stellend voor de structurele oplossing. Indien van toepassing wordt dit bedrag bijgesteld in de begroting waarbij een eventueel voordeel zal terugvloeien naar gemeenten.
3.4
Overdracht beheer meldkamer De overdracht van het beheer van de meldkamer heeft geleid tot een financieel nadeel, omdat de uitname uit de rijksbijdrage € 0,2 miljoen hoger is dan de wegvallende beheerskosten voor de VRU. Dit financiële nadeel is reeds verwerkt in de begroting 2020. Daarbij is gemeld dat de VRU dit nadeel verwacht te kunnen compenseren na de ingebruikname van de Meldkamer MiddenNederland door het efficiencyvoordeel op de personele lasten dat daarbij ontstaat. Aanvankelijk zou de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland begin 2022 plaatsvinden. In 2020 is bekend geworden dat dit pas wordt voorzien in het eerste kwartaal van 2025 door een vertraging van de nieuwbouw in Hilversum. Door deze vertraging wordt het voorziene efficiencyvoordeel op de personele lasten pas later gerealiseerd. Op verzoek van de VRU is een regeling met de politie getroffen om het financiële nadeel voor de VRU in de periode 2022 tot de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland te compenseren. Met deze middelen kan vanaf 2022 het financiële nadeel als gevolg van de overdracht van het beheer worden opgevangen. Vanaf 2025, na de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland, wordt verwacht dat de verlaging van de gemeentelijke bijdrage met € 0,2 miljoen structureel binnen de begroting kan worden gedekt uit het verwachte efficiencyvoordeel op de personele lasten.
Dit betekent dat de gemeentelijke bijdrage reeds met ingang van 2022 structureel verlaagd kan worden met een bedrag van € 193k. In de begroting 2021 is aangegeven dat deze verlaging verwerkt zal worden bij de kadernota 2022. In tabel 15 is het financiële effect van de compensatieregeling politie in combinatie met het verwachte efficiencyvoordeel op personele lasten opgenomen.
Pagina
14
Tabel 15: financieel effect mutatie overdracht beheer meldkamer Bedragen x € 1.000
Overdracht beheer meldkamer
3.5
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Effect uitname rijksbijdrage overdracht beheer Meldkamer Verhoging gemeentelijke bijdrage begroting 2020 Verlaging gemeentelijke bijdrage
-193 193 -193
-
-193 193 -193
Totaal effect
-193
-
-193
Licentiekosten LCMS GZ De veiligheidsregio heeft de wettelijke taak om te zorgen voor een systeem voor informatievoorziening tijdens crisisomstandigheden (Wvr, art 46 lid 3 en 4). Het landelijk Veiligheidsberaad heeft hiervoor het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS) als standaard geadopteerd voor de veiligheidsregio’s en hun ‘witte’ ketenpartners. De GHOR is een onderdeel van de Veiligheidsregio en heeft dientengevolge ook de verplichting om haar informatievoorziening op orde te hebben. Hierin wordt voorzien met een aanvullende LCMS omgeving waar alle zorgketenpartners op worden aangesloten: LCMS GZ. Dit om informatie snel en adequaat te delen en inwinnen van informatie over actuele incidenten, rampen en crisis en geplande evenementen. Via de kadernota en begroting 2019 is de gemeentelijke bijdrage met € 48k verhoogd voor de licentiekosten van LCMS GZ. Hierbij is destijds aangegeven dat op termijn een daling van de licentiekosten werd voorzien, naarmate het aantal gebruikers toeneemt. Inmiddels is gebleken dat deze licentiekosten inderdaad zijn gedaald. Conform de toezegging bij de kadernota en begroting 2019 wordt deze verlaging doorberekend in de gemeentelijke bijdrage. In tabel 16 is het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage (GBTP) weergeven. Tabel 16: financieel effect mutatie licentiekosten LCMS GZ Bedragen x € 1.000
Licentiekosten LCMS GZ
3.6
Financieel effect 2022 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Licentiekosten LCMS GZ conform kadernota/begroting 2019 Indexering Licentiekosten LCMS GZ werkelijk
-48 -1 37
-
-48 -1 37
Totaal effect
-12
-
-12
Wet kwaliteitsborging voor het bouwen De wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) gaat naar verwachting vanaf 1 januari 2022 stapsgewijs in. Dat hebben de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aangegeven. De veranderingen uit de Wkb gelden (naar verwachting) tot en met 2024 alleen voor eenvoudige (nieuwbouw) bouwwerken. Dit zijn bijvoorbeeld eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Vanaf 2025 volgen de andere bouwwerken. Hierdoor kunnen kwaliteitsborgers stap voor stap ervaring opdoen met het nieuwe toezicht in de bouw. Ten tijde van het opstellen van de kadernota 2022 is nog onvoldoende duidelijk welke gevolgen dit heeft voor onze werkzaamheden. Er zullen werkzaamheden verdwijnen, maar mogelijk leidt dit ook tot een verschuiving van advieswerk naar toezicht. Wij blijven graag met gemeenten in gesprek over de komende ontwikkelingen en wijzigingen in rollen en taken.
Pagina
15
3.7
Versterking GHOR In de kadernota en begroting 2021 zijn ontwikkelingen in het spoed-zorgveld geduid die vragen om de versterking van de GHOR op het gebied van netwerkcoördinatie en informatiemanagement. In 2020 is een intern verkenningstraject gestart om de mogelijkheden tot versterking binnen de VRU te onderzoeken en in de samenwerking met anderen. Door de coronacrisis doorzien we scherp waar de versterking nodig is. De beweging die de GHOR moet maken ten aanzien van netwerkcoördinatie is om van operationeel/tactische regievoering naar strategische regievoering te komen en daarbij het niet-acute zorgnetwerk aan te haken. Het aanhaken van het niet-acute zorgnetwerk vraagt ook om meer regie op het informatiemanagement binnen het netwerk. Beide sporen zijn de afgelopen periode cruciaal gebleken in de samenwerking met het netwerk. Inhoudelijk is in de afgelopen periode een grote inhaalslag gemaakt, die nu bestendigd moet worden in de organisatie. Conform de bestuurlijke opdracht en het uitgangspunt ‘nieuw voor oud’ van het vigerende beleidsplan is het uitgangspunt dat dit binnen de bestaande kaders gebeurt.
3.8
Samenvatting ontwikkelingen Tabel 17: samenvatting ontwikkelingen Bedragen x € 1.000
Ontwikkelingen 2022
Structureel Incidenteel
Totaal
Hervorming OMS-stelsel Regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen Heroriëntatie AB-werkplaatsen Overdracht beheer meldkamer Licentiekosten LCMS GZ
1.052
-1.052
-
-50 155 -193 -12
-
-50 155 -193 -12
Totaal mutatie bijdrage GBTP
952
-1.052
-100
Pagina
16
4 Risico’s 4.1
Taakdifferentiatie/ (On)gelijke behandeling vrijwilligers Achtergrond Bij de voorbereidingen voor aanpassingsvoorstellen voor de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) is aan het licht gekomen dat de arbeidsvoorwaarden van brandweervrijwilligers op dit moment in strijd zijn met Europese wet- en regelgeving, in het bijzonder met de zogenaamd deeltijdrichtlijn. De reden hiervan is dat werkzaamheden en aanstellingseisen van beroepskrachten en vrijwilligers gelijk zijn, zodat brandweervrijwilligers op grond van het gelijkheidsbeginsel door hun werkgevers – de veiligheidsregio’s – feitelijk als deeltijdwerkers beschouwd zouden moeten worden. Ontwikkeling De minister van Justitie en Veiligheid en het Veiligheidsberaad laten onderzoeken hoe de brandweervrijwilligers nadrukkelijk en fundamenteel zijn te onderscheiden van de beroepskrachten zodat wordt voldaan aan de normen uit Europese en internationale regelgeving en jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De mogelijke consequenties voor de brandweerorganisatie worden door alle veiligheidsregio’s waaronder de VRU in het eerste halfjaar van 2021 in kaart gebracht. In de denkrichting wordt een taakdifferentiatie voorgesteld tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers, waarbij het systeem van vrijwilligheid behouden blijft.
Uitgangspunt van de denkrichting is een werkbaar en fundamenteel onderscheid te maken tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers dat geen afbreuk doet aan het niveau en de kwaliteit van brandweerzorg. Om te komen tot een fundamenteel onderscheid tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers zijn de volgende denkrichtingen uitgewerkt: 1. 2. 3. 4.
Verplichte beschikbaarheid voor vrijwilligers vervalt; Specialistische taken voor vrijwilligers worden beperkt tot maximaal één; Beroepskrachten krijgen een zwaardere belasting op het gebied van vakbekwaamheid met als gevolg zwaardere opleidingseisen; Beroepskrachten gaan ten opzichte van vrijwilligers meer niet-repressieve taken uitvoeren.
Er bestaat een reëel risico dat de kosten voor brandweerzorg als gevolg van de taakdifferentiatie op basis van de genoemde denkrichtingen significant stijgen. De eventuele verschuiving van taken van vrijwilligers naar beroepskrachten kan leiden tot meer (parttime) beroepsaanstellingen en daarmee tot extra loonkosten voor de werkgever. Ook de kosten voor vakbekwaamheid kunnen toenemen als gevolg van een verschuiving van specialistische taken. Er is nog geen duidelijkheid over de omvang en fasering van de eventuele meerkosten als gevolg van de vrijwilligersproblematiek. Waar zich het risico van een zeer substantiële kostenverhoging gaat voordoen en het tempo van die kostenverhoging is nog niet in te schatten, omdat een eventueel besluit om het gedachte model van taakdifferentiatie in te voeren nog gekoppeld zou kunnen worden aan een derogatiebesluit (uitstel van invoering) vanuit Europa. Dit betekent ook dat de duur van het verleende uitstel van de inwerkingtreding van de Wnra voor personeel van de veiligheidsregio’s nog niet bekend is. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele financiële consequenties als gevolg van wijzigingen in het stelsel door het Rijk worden gecompenseerd.
Pagina
17
Tabel 18: kans en effect risico ongelijke behandeling vrijwilligers Onderwerp Taakdifferentiatie tussen vrijwilligers en beroepskrachten
Kans
onbekend
Effect Risico (kans x effect) pm
pm
50%
Pagina
18
5 Bijdrage gemeentelijk basistakenpakket In onderstaande tabel is de ontwikkeling van de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) in 2022 opgenomen op basis van de mutaties in het financiële kader (zie hoofdstuk 2) en ontwikkelingen (zie hoofdstuk 3). Tabel 19: mutaties bijdrage GBTP Totaal Bedragen x € 1.000
Gemeente
Bijdrage GBTP begroting 2021
Mutaties 2022 Totaal Mutaties Mutaties financieel ontwikkelingen kader
Bijdrage GBTP kadernota 2022
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht
345 546 591 688 813 861 942 1.104 1.141 1.382 1.554 1.612 1.700 2.655 2.601 2.691 2.295 3.135 2.994 3.312 3.910 3.715 3.131 4.051 9.860 26.805
13 10 5 10 4 13 6 24 15 13 5 24 25 -10 34 -2 38 -39 21 163 16 56 58 55 25 696
-0 -1 -1 -1 -1 -1 -1 -1 -1 -2 -2 -2 -2 -3 -3 -3 -3 -3 -3 -4 -4 -4 -5 -5 -11 -33
358 555 596 697 817 873 947 1.127 1.156 1.393 1.558 1.635 1.723 2.642 2.633 2.686 2.330 3.092 3.011 3.472 3.922 3.766 3.184 4.102 9.874 27.468
Totaal
84.437
1.279
-100
85.616
Pagina
19
6 Vergoeding individueel gemeentelijk pluspakket In tabel 20 is per gemeente de ontwikkeling van de vergoeding voor het gemeentelijk pluspakket (IGPP) opgenomen. Vanaf 2018 zijn de taakuitvoeringsovereenkomsten (TUO’s) afgesloten voor onbepaalde tijd. Voor 2022 gaan we daarom uit van voortzetting van de plustaken. De vergoedingen voor 2022 kunnen nog veranderen als er tussentijds nog wijzigingen in de TUO’s worden doorgevoerd. Tabel 20: ontwikkeling vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) Bedragen x € 1.000
Gemeente
Vergoeding IGPP begroting 2021
Loon- & Mutaties prijsTUO's aanpassing 2022 2022 1 0 0
Vergoeding IGPP begroting 2022
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij D. Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht Nog toe te rekenen
38 19 19 19 92 36 16 75 66 104 127 163 12 69 896 447 1.240 527
-1 -1 -1 -
0 1 20 9 21 7
39 19 19 19 91 37 16 77 65 104 129 163 12 70 916 456 1.262 534
Totaal
3.965
-3
67
4.029
0 0 1 0
1 0 1 3 0
Pagina
20
7 Bijlagen 7.1
Bijlage 1: Uitkering gemeentefonds, onderdeel B&R In de onderstaande tabel zijn de bedragen opgenomen die de gemeenten in het gemeentefonds ontvangen voor het onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding. De bedragen van 2022 zijn gebaseerd op de septembercirculaire gemeentefonds 2020. Tabel 21: bedragen GF onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding per gemeente Bedragen x € 1.000
Bedrag subcluster Brandweer en Rampenbestrijding 2019
2020
2021
2022
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht
338 536 585 683 802 852 958 1.120 1.180 1.361 1.565 1.678 1.812 2.646 2.642 2.700 2.722 3.100 3.064 3.134 3.902 3.989 4.052 4.046 10.061 29.105
350 563 611 713 839 889 1.003 1.180 1.235 1.426 1.649 1.762 1.908 2.785 2.773 2.846 2.866 3.253 3.221 3.280 4.101 4.212 4.281 4.270 10.624 30.750
378 594 637 749 872 934 1.042 1.246 1.291 1.489 1.707 1.849 1.975 2.860 2.901 2.931 2.979 3.306 3.344 3.602 4.251 4.355 4.468 4.474 10.973 32.585
388 609 653 769 894 957 1.068 1.279 1.324 1.526 1.751 1.897 2.025 2.933 2.976 3.008 3.057 3.391 3.431 3.694 4.358 4.471 4.585 4.592 11.262 33.438
Totaal
88.634
93.389
97.792
100.337
Gemeente
Opgemerkt wordt dat de begroting van gemeenten ten aanzien van de brandweer en rampenbestrijding naast de bijdrage aan de VRU ook bestaat uit andere kosten zoals de huisvestingskosten voor de brandweerposten (voor zover dit niet via het individueel gemeentelijk pluspakket bij de VRU wordt afgenomen), de kosten voor de gemeentelijke crisisbeheersing en de bluswatervoorziening.
Pagina
21
7.2
Bijlage 2: Meerjarenraming bijdragen en vergoedingen 2022-2025 Tabel 22: bijdragen en vergoedingen 2022-2025 per gemeente* Bedragen x € 1.000
Gemeente
GBTP 2022
IGPP 2022
Bijdrage 2022
GBTP 2023
IGPP 2023
Bijdrage 2023
GBTP 2024
IGPP 2024
Bijdrage 2024
GBTP 2025
IGPP 2025
Bijdrage 2025
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht Nog toe te rekenen
358 555 596 697 817 873 947 1.127 1.156 1.393 1.558 1.635 1.723 2.642 2.633 2.686 2.330 3.092 3.011 3.472 3.922 3.766 3.184 4.102 9.874 27.468 -
39 19 19 19 91 37 16 77 65 104 129 163 12 70 916 456 1.262 534
358 594 615 716 817 873 947 1.146 1.156 1.484 1.594 1.635 1.739 2.642 2.633 2.762 2.395 3.196 3.140 3.635 3.922 3.779 3.254 5.018 10.330 28.730 534
358 555 596 697 817 873 947 1.127 1.156 1.393 1.558 1.635 1.723 2.642 2.633 2.686 2.330 3.092 3.011 3.472 3.922 3.766 3.184 4.102 9.874 27.468 -
39 19 19 19 90 37 16 77 64 103 129 163 12 70 916 456 1.262 534
358 594 615 716 817 873 947 1.146 1.156 1.483 1.594 1.635 1.739 2.642 2.633 2.762 2.394 3.195 3.140 3.635 3.922 3.779 3.254 5.018 10.330 28.730 534
361 560 601 703 824 880 956 1.137 1.166 1.405 1.572 1.650 1.740 2.666 2.657 2.710 2.355 3.120 3.039 3.502 3.957 3.802 3.221 4.139 9.965 27.738 -
39 19 19 19 89 37 15 77 63 102 129 163 12 70 916 456 1.262 534
361 599 620 723 824 880 956 1.156 1.166 1.494 1.608 1.650 1.755 2.666 2.657 2.787 2.418 3.221 3.168 3.665 3.957 3.815 3.291 5.055 10.421 29.000 534
359 558 599 701 820 877 957 1.140 1.170 1.399 1.572 1.670 1.761 2.660 2.660 2.709 2.387 3.106 3.047 3.486 3.950 3.849 3.269 4.137 9.993 27.833 -
39 19 19 19 87 37 15 77 62 100 129 163 12 62 916 456 1.262 534
359 597 618 720 820 877 957 1.159 1.170 1.487 1.609 1.670 1.776 2.660 2.660 2.785 2.449 3.207 3.176 3.649 3.950 3.862 3.331 5.053 10.449 29.095 534
Totaal
85.616
4.029
89.645
85.616
4.026
89.641
86.425
4.021
90.447
86.668
4.010
90.678
De structurele bijdrage voor het basistakenpakket (GBTP) stijgt met € 0,81 miljoen in 2024 en € 1,05 miljoen in 2025 ten opzichte van 2022 als gevolg van de hervorming van het OMS-stelsel (zie paragraaf 3.1). De vergoeding voor het IGPP kan in het meerjarig perspectief nog wijzigen. Met de gemeente Utrecht vindt nog overleg plaats over de verwerking van een aantal afspraken uit de taakuitvoeringsovereenkomst (TUO). *deze meerjarenraming is onder voorbehoud van wijzigingen als gevolg van de nadere uitwerking van het financieel kader en ontwikkelingen bij de actualisatie van de begroting 2021 en het opstellen van de begroting 2022.
Pagina
22