PlanMER Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 – 2035
Tekst van het document
In het midden en zuiden van de Gelderse Vallei is een grote inspanning nodig om de aanwezige grondgebonden melkveehouderij en niet grondgebonden veehouderij te verduurzamen en te extensiveren. Het intensieve karakter van de landbouw in combinatie met de nabijheid van zeer stikstofgevoelige natuurgebieden maakt dat de opgave voor de reductie van emissies hier aanzienlijk is. Ook de verbetering van water-, bodem- en luchtkwaliteit en het herstel van natuur en biodiversiteit zijn van belang. Ten slotte is het van belang water bij heftige regenbuien tijdelijk vast te houden en vertraagd te kunnen afvoeren. Daarom is er in de Gelderse Vallei een waterbergingsopgave.
13
Klimaateffectenatlas Atlas provincie Utrecht, 24 september 2024 15 Provincie Utrecht, Uitvoeringsprogramma Impuls Kaderrichtlijn Water 2025–2027, 15 april 2025 16 Klimaateffecteatlas, Droogtestress, 2017 (Droogtestress - Klimaateffectatlas) 14
47/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
5 Wat zijn de alternatieven die zijn onderzocht? 5.1
Beschrijving alternatieven per landschap
Onderstaande paragrafen beschrijven op hoofdlijnen de alternatieven. De alternatieven zijn nader uitgewerkt in tabellen die zijn bijgevoegd in bijlage 1. In de tabellen staat hoe het alternatief invulling geeft aan de belangrijkste opgaven in het gebied. De alternatieven per landschap zijn gebaseerd op de belangrijkste opgaven in dat gebied, waarna is getracht twee alternatieven te formuleren die de ‘hoeken van het speelveld’ vormen. Dit wil zeggen, de alternatieven, alternatief A en B, vormen twee uitersten. Deze uitersten zijn echter wel realistisch en uitvoerbaar. Deze alternatieven en bijbehorende effectbeoordeling hebben het doel om inzicht te geven in de milieueffecten (en doelbereik op hoofdlijnen) van verschillende scenario’s. In totaal zijn per landschap twee alternatieven geformuleerd: alternatief A en alternatief B. In totaal zijn tien alternatieven geformuleerd, waarbij de alternatieven voor het veenweidegebied Groene Hart en Eemland gelijk zijn. Het opstellen van deze alternatieven, evenals de beoordeling van de alternatieven, heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het opstellen van het Ontwerp-UPLG. 5.1.1
Alternatieven voor Groene Hart en Eemland
De alternatieven van Eemland zijn gelijk aan die van het Groene Hart, afgezien van de stikstofzones. In Eemland zijn geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het veenweidegebied staat zoals beschreven voor grote opgaven. Een stijging van de grondwaterstand is in veel gebieden nodig om de klimaatdoelen te behalen. Beide alternatieven zijn daarom gericht op het verhogen van de grondwaterstand in het veenweidegebied. De alternatieven verschillen in de maatregelen om dit te bereiken. Bij alle hoeken van het speelveld wordt gerekend met ‘het gehele veenweidegebied’. Daarmee wordt bedoeld alle Utrechtse veengebieden inclusief de veengebieden met kleidek op veen en kleidek op veen maar zonder het dunne veen. Beide alternatieven gaan over de veengebieden én kleidek op veengebieden. Bij alternatief A is gericht op een lagere mate van techniek en een hogere mate van verandering grondgebruik. Sterke verhoging van het slootwaterpeil. Maatregelen vallend onder alternatief A betreffen een (sterke) stijging van het oppervlaktewaterpeil, met een minimum van -40 m -mv en op prioritaire gebieden hoger naar -30 en -20 m -mv, en realiseren van greppelinfiltratie. Onderdeel van het alternatief A is de grootschalige realisatie van NVO, om oeverafkalving bij slootpeilstijging te voorkomen of minimaliseren.
Prioritaire gebieden zijn onder andere gebieden naast Natura 2000-gebieden of gebieden met een dik veenpakket. Ook wordt ingezet op het realiseren van plasdrasgebieden. Met dit alternatief is ruimtelijke sturing mogelijk. Zo kunnen gronden worden afgewaardeerd (wat zeer kostbaar is) en worden geen drainagebuizen grootschalig toegepast. Omdat er geen AWIS wordt gebruikt zal minder (contante) grondwaterstijging bereikt worden en over een minder groot gebied.
48/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Alternatief B is gericht op hoge mate van (nieuwe) techniek en een lagere mate van verandering grondgebruik. Hiervoor is een grootschalige toepassing van de AWIS een onderdeel. Dit wordt gezien als een technische oplossing, waar veel middelen voor nodig zijn. Met AWIS is meer (ruimtelijke) sturing mogelijk en blijft het bedrijven van landbouw mogelijk (extensief). Uit onderzoeken blijkt dat met AWIS de meeste reductie aan broeikasgassen wordt behaald. 5.1.2
Alternatieven voor Utrechtse Heuvelrug en flanken
In dit landschap knelt de recreatiedruk met de opgaven op het gebied van natuur. De Utrechtse Heuvelrug is grotendeels natuur (NNN) en populair bij recreanten. Anderzijds kent de natuur op Utrechtse Heuvelrug knelpunt met betrekking tot droogte en stikstof. Alternatief A is gericht op robuust natuurherstel van zowel Natura 2000 als NNN (inclusief stikstofgevoelige natuurdoelen) en het terugdringen van verstoring (door recreatie). Alternatief B zet in op multifunctionele natuur (verwevenheid). Utrechtse Heuvelrug krijgt en behoudt de ruimte om recreatieve druk op te vangen en de natuurdoelen worden mede op dit gebruik afgestemd. Er wordt geen extra inspanning gezet op het behalen van de doelen met betrekking tot stikstofgevoelige natuur. De inspanning voor het realiseren van gebruiksnatuur wordt vergroot. 5.1.3 Alternatieven voor Kromme Rijngebied en Schalkwijk De landbouw is een dragende functie in het Kromme Rijngebied. Het gebied kent meerdere opgaven. Geen van bovengenoemde opgaven springt duidelijk naar voren als grootste opgave. Voor de alternatieven binnen dit landschap is er echter voor gekozen om natuur en waterkwantiteit als dominant thema te kiezen. Ruimte voor groen en blauwzijn namelijk, naast de landbouwtransitie, opgaven met een grote ruimteclaim.
De alternatieven binnen het Kromme Rijngebied richten zich op in welke mate ruimte wordt gegeven aan natuur en water en in welke mate ruimte wordt behouden en gegeven aan de landbouw(transitie). Afhankelijk van de gekozen aanpak zijn er diverse meekoppelkansen denkbaar met andere opgaven binnen dit landschap. Dit leidt tot de volgende alternatieven:
Alternatief A: Ruimte voor water en natuur. Ruimte voor meer (grootschalige) waterbufferingen berging en natuur. In dit alternatief ligt het accent op het stimuleren van de verwevenheid van de functies landbouw, water en natuur
Alternatief B: Ruimte voor landbouw(transitie). In dit alternatief ligt de nadruk op meekoppelkansen voor de landbouw en kleinschalige oplossingen voor onder andere droogte en wateroverlast
5.1.4 Alternatieven voor Gelderse Vallei De landbouw in de Gelderse Vallei, net als in andere gebieden, drukt een stempel op de leefomgeving. Voor de alternatieven voor de Gelderse Vallei zijn twee uiterste gekozen gericht op verduurzaming van de landbouw. Alternatief A (Beekherstel en robuust watersysteem) is gericht op ruimte voor natuur en water, dat hand in hand moet gaan met extensiveren en natuurinclusieve landbouw. Bij alternatief A wordt maximaal ingezet op systeem- en beekherstel en het realiseren van een robuust watersysteem. Dit alternatief schrijft een systeemverandering in de landbouw voor en een hogere mate aan verandering in landgebruik. Dit is nodig voor het bereiken van beekherstel en een robuust watersysteem.
49/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Alternatief B (Inzet op technische innovatie binnen de landbouw) is gericht op het behouden van de huidige landbouwproductie- en omvang in combinatie met technische maatregelen en innovatie om de effecten op de leefomgeving te verminderen. Bij alternatief B behoudt de landbouwsector haar areaal en productie (ten opzichte van de referentiesituatie). Er wordt ingezet op technologische oplossingen om landbouwareaal en landbouwproductie hoog te houden, met verminderde milieudruk. Uitgangspunt is de inzet van techniek, binnen huidig ruimtegebruik.
5.2
Conclusies per landschap en advies ‘Milieuvriendelijke alternatief’ per landschap
Op basis van de beoordeling van de alternatieven per landschap zijn in dit hoofdstuk de belangrijkste conclusies geformuleerd. Dit is uitgewerkt aan de hand van de opgaven en bijbehorende maatregelen die ook de basis hebben gevormd van de uitwerking van de alternatieven17 (zie bijlage 1) die de zogenaamde hoeken van het speelveld vormen. De uitgebreide beoordeling per alternatief staat in bijlage 3. Deze conclusies per landschap vormen daarmee in feite een Meest Milieuvriendelijke Alternatief (MMA). Dit is een alternatief dat de kleinste negatieve impact op het milieu heeft, rekening houdend met eventuele mitigerende maatregelen. De aanbevelingen vormen zoals beschreven in hoofdstuk 3 input voor het opstellen van het concept – ontwerp- UPLG. 5.2.1
Groene Hart en Eemland
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
en
alternatieven?
Aanbevelingen (MMA)
hoofdmaatregel Klimaat en
Binnen de veenweidegebieden geldt dat
Juist de combinatie van de aanleg van
bodemdaling:
alternatief A gericht is op grootschalige
waterinfiltratiesystemen (WIS) en
verminderen
toepassing van WIS19 i.c.m. drooglegging tot -
opzetten peil in bepaalde gebieden
broeikasgassen
40 cm, en alternatief B op drooglegging tot -20
heeft een sterk remmend effect op de
veenbodems
cm en andere vernattingsmaatregelen zoals
bodemdaling en de uitstoot van
(afspraken
greppelinfiltratie (maar geen WIS). Beide
broeikasgassen. De combinatie wordt
klimaatakkoord
alternatieven dragen positief bij aan
dus aanbevolen. Aanbevolen wordt om
Landbouw en
bodemdaling en klimaatmitigatie, waarbij de
te richten op een generiek
Landgebruik ) en
toepassing van WIS (alt. B) effectiever is voor
drooglegging van -40 cm -mv en op
afremmen
het reduceren van broeikasgassen omdat dit
prioritaire gebiedenrichting -20 cm -mv.
bodemdaling
zorgt voor stabielere grondwaterstanden over
Bij sommige extensieve of
het gehele perceel. Voor Eemland is het
natuurinclusieve landbouwbedrijven
Hoofdmaatregel:
(absolute) effect minder sterk op bodemdaling
kunnen alternatieve
Verhogen
dan bij het Groene Hart, omdat Eemland in de
vernattingsmaatregelen worden
grondwaterstand
huidige situatie relatief weinig bodemdaling
18
17
De niet onderscheidende maatregelen zijn uit de tabel gehaald, omdat de effecten tussen de alternatieven ook niet onderscheidend zijn. 18 Voor broeikasgassen uit de veenweiden is er in het Klimaatakkoord een landelijke reductie doelstelling van 1 megaton (Mton) CO2-equivalenten. Voor Utrecht betekent dit een provinciale taakstelling van het verminderen van CO2-eq uit Veenweidebodems van 0,09 Mton. Inmiddels zijn nieuwe meetresultaten beschikbaar (SOMERS 2.0) die uitwijzen dat zowel de uitstoot van CO2 uit Veenweidebodems als de effectiviteit van maatregelen, zo’n 30% tot 40% lager zijn dan aanvankelijk was verondersteld. De provincies hebben hierop gezamenlijk (bestuurlijk) besloten om de eigen taakstelling te verlagen. Dit betekent dat uit wordt gegaan van een landelijke taakstelling van een bandbreedte van 0,6 – 0,7 Mton en een Utrechts aandeel daarin van 0,04 –0,05 Mton. 19 WIS staat voor waterinfiltratiesysteem. WIS-systemen brengen water in de bodem om het grondwaterpeil te verhogen, waardoor de toplaag van het veen minder in contact komt met zuurstof en minder snel oxideert (afbreekt). Dit leidt tot minder bodemdaling en minder CO2-uitstoot. 50/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
en
alternatieven?
Aanbevelingen (MMA)
hoofdmaatregel kent. Dat geldt niet voor de uitstoot van
verkend zoals plasdraspercelen,
broeikasgassen, waar het Groene Hart en
greppelinfiltratie of natte teelten.
Eemland gelijkt beoordeeld zijn.
Alternatief A scoort bij zowel Groene Hart als Eemland licht negatief, en alternatief B negatief voor het thema klimaatadaptatie. Bij alternatief B wordt een hogere slootpeilverhoging voorgesteld (-20 cm m -mv) wat leidt tot een forse vermindering van de waterbergingscapaciteit en tot wateroverlast bij piekbuien. Ook met een drooglegging van -40 cm ontstaan deze uitdagingen, maar in mindere mate. De vernattingmaatregelen bij alternatief A in de veenweidegebieden kunnen ook negatieve gevolgen hebben voor landschap en cultuurhistorie, omdat dit gepaard kan gaan met alternatieve landbouwvormen die het landschap veranderen. Het grootschalig toepassen van WIS vraagt veel grondstoffen dat mogelijk niet recyclebaar is, vandaar de licht negatieve score van alternatief B voor het aspect circulariteit bij Groene Hart en Eemland. Overige negatieve effecten ontstaan bij het aspect landbouwareaal en toekomstperspectief landbouw. Bij de alternatieven (alternatief A bij alle gebieden) met ambitieuze maatregelen gericht op natuurherstel en robuust bodem- en watersysteem, kan dit ten koste gaan aan het landbouwareaal. Dit vermindert ook de bewegingsvrijheid van de boeren (landbouwperspectief). Bij de toepassing van een zeer kleine drooglegging en greppelinfiltratie (alt. B) heeft dit flinke gevolgen voor het landbouwperspectief in het veenweidegebied, en scoort daarom negatief op dit thema.
De verklaringen hiervoor zijn de toename van voerinkoop (vanwege een lagere grasproductie) en een lagere melkproductie.
51/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
en
alternatieven?
Aanbevelingen (MMA)
hoofdmaatregel Water: verbeteren
Bij alternatief A worden aanvullende
Het aanleggen van natuurvriendelijke
waterkwaliteit
maatregelen genomen ten behoeve van de
oevers biedt veel voordelen voor de
waterkwaliteit, namelijk het realiseren van
oppervlaktewaterkwaliteit, (aquatische)
natuurvriendelijke oevers (NVO). Bij alternatief
biodiversiteit en klimaatadaptatie in het
B wordt het landelijk beleid en vastgesteld
Groene Hart en Eemland. Aanbevolen
provinciaal beleid opgevolgd, zonder
wordt om de aanleg van NVO te
aanvullende maatregelen. Dit leidt tot een licht
stimuleren en faciliteren.
positieve score voor oppervlaktewaterkwaliteit bij alternatief A, o.a. doordat de oeverafkalving vermindert en aquatische biodiversiteit bevordert. Daarnaast kan de aanleg van natuurvriendelijke oevers (met flauwer talud) en waterbergingscapaciteit verhogen, ook daarom scoort alternatief A minder negatief bij het aspect klimaatadaptatie dan alternatief B. Natuur: extra
Omvorming van landgebruik is een onderdeel
De opgave in het veenweidegebied
natuurareaal voor
van alternatief A. Bij alternatief B ligt de nadruk
biedt kansen voor weidevogels en
VHR-doelen (m.n.
op behoud van het landbouwkundig areaal,
agrarische natuur. Het behoud van
weidevogels)
terwijl alternatief A leidt tot een alternatief
landbouwareaal en specifiek blijvend
gebruik en meer natuurareaal. Met het behoud
grasland is wenselijk voor het creëren
Hoofdmaatregel:
van landbouwareaal profiteren boerenland- en
van leefgebieden voor weidevogels, en
Realiseren
weidevogels, van een hogere grondwaterstand
noodzakelijk voor het behalen van de
natuurarealen en
en landbouw die verduurzaamt en extensiveert.
doelen op lange termijn (33.400 ha
arealen agrarisch
Tegelijkertijd biedt ook alternatief A kansen voor
weidevogelgrasland in 2050). Het
natuurbeheer
de natuur, daarom scoren zowel alt. A en B
veenweidegebied wordt echter pas een
positief bij het thema natuurkwaliteit
optimaal weidevogelgebied wanneer ook drukfactoren worden weggenomen (met zeer extensieve landbouw) en met passende waterpeilen. Het wordt aanbevolen om op de plekken waar een transitie wordt ingezet richting extensieve landbouw en hoge grondwaterstanden ook weidevogelkerngebieden te creëren. In totaal is een relatief grote areaaluitbreiding van VHR-soorten en habitattypen nodig20. Voor meerdere andere VHR-typen, zoals diverse typen bossen, liggen de kansrijke gebieden buiten het veenweidegebied.
20
De getallen voor de areaaluitbreiding zijn nog niet wettelijk of bestuurlijk vastgesteld. 52/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
en
alternatieven?
Aanbevelingen (MMA)
hoofdmaatregel Natuur en
Bij alternatief A wordt een stikstofzone van
Aanbevolen wordt om een stikstofzone
landbouw:
250 m voorgesteld, en bij alternatief B een
in van circa 250 m rondom
verminderen
stikstofzone van 100 m. Uit de beoordeling van
stikstofgevoelige Natura 2000-
emissies
de alternatieven blijkt dat in de 100 m weliswaar
gebieden. De uitstoot van agrarische
de meeste reductie wordt opgeleverd, maar dat
bedrijven binnen deze contour hebben
Hoofdmaatregel:
een bredere zone noodzakelijk is voor het
doorgaans de meeste invloed op de
Reductie
behalen van de natuurdoelen. Daarom scoort
stikstofgevoelige Natura 2000-
stikstofuitstoot uit
alternatief A bij het Groene Hart positief voor
gebieden. Het is daarnaast wel van
veehouderij
het aspect Natura 2000, en alternatief B licht
belang om ook buiten de stikstofzone
positief (er zijn ook andere positieve effecten).
de ‘deken’ aan te pakken door de
Voor Eemland geldt dit effect niet, omdat het
dierdichtheid/veestapel te verminderen
gebied geen stikstofgevoelig Natura 2000-
ofwel een ammoniaknorm in te stellen.
gebied kent. Wel zijn er andere zaken die
Verder is, naast andere maatregelen
ervoor zorgen dat alternatief A bij Eemland
van Rijk en provincie, maatwerk
positiever scoort. Namelijk de verwachte
rondom Natura 2000-gebieden nodig
vermindering van nutriënten, vanwege de
om tot een verdere reductie van
verandering van grondgebruik als onderdeel
emissies te komen.
van alternatief A. Landbouw:
Onderdeel van alternatief A is een hoge mate
Met een drooglegging van -40 cm is het
perspectief voor de
aan verandering van grondgebruik. Dit heeft
mogelijk om vernatting van het
landbouw
logischerwijs een grote invloed op het
veenweidegebied in de meeste
landbouwperspectief, en scoort daarom
gevallen te combineren met de
negatief voor dit aspect, en licht negatief voor
veehouderij. Het wordt geadviseerd op
landbouwareaal. Daarentegen werkt dit (licht)
basis van de effectbeoordeling om op
positief voor het aspect ‘verduurzaming
prioritaire gebieden te sturen op
landbouw’. Het effect van alternatief B, met
extensivering (ten behoeve van
focus op behoud landbouwgronden, is
vernatting en weidevogels) en hier
weliswaar minder negatief, maar kent alsnog
passend instrumentaria en
negatieve effecten door de verhoging van de
compensatie voor te bieden. In de
grondwaterstand (risico wateroverlast, minder
overige gebieden kan vernatting
grasopbrengst). Alternatief B scoort daarom
ontstaan door de aanleg van WIS op
licht negatief op het aspect
vrijwillige basis en door alternatieve
landbouwperspectief.
landbouwvormen te stimuleren en faciliteren (o.a. ontwikkelen alternatieve verdienmodellen).
53/147
Kenmerk
5.2.2
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Utrechtse Heuvelrug
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaatregel
alternatieven?
Water: aanpakken
Op de flanken (Langbroekerweteringgebied) is
Op lokaal niveau is peil- en
verdroging
een grote verwevenheid aan functies (o.a.
bodemverhoging kansrijk in grotere
landbouw en natuur). De peilgebieden kunnen
aaneengesloten natuurgebieden op de
Hoofdmaatregel:
niet aansluiten bij zowel de landbouw als de
lage flanken. Hiervoor is naar
Grondwatersysteem
natuur. Daarom wordt in alternatief A
verwachting hydrologische ontvlechting
in balans
hydrologische ontvlechting voorgesteld
nodig. Een hogere grondwaterstand op
(peilbeheer)
(samenvoegen peilgebieden met bijbehorend
de hoge flank en het plateau levert
peilbeheer). In alternatief B is dat niet zo en
extra waterafvoer of kwel aan de voet
focust het juist op het behoud en versterken
op. Ook bosrevitalisatie (zie hierna)
van het mozaïek landschap. Alternatief A
draagt bij aan een robuuster
scoort positief op het thema klimaatadaptatie,
watersysteem.
omdat met het samenvoegen van peilgebieden
Met name rondom het Natura 2000-
het peilbeheer beter op de functie kan worden
gebied Kolland & Overlangbroek is
afgestemd en de kwel niet versneld wordt
hydrologische ontvlechten wenselijk.
afgevoerd. Bij alternatief B is dat niet het geval
(*bodemverhoging: verhoging van de
en scoort neutraal.
bodem van watergangen in vrij afwaterende gebieden zorgt voor minder afvoer van grondwater).
Water en natuur:
Alternatief A is gericht op het omvormen en
Aanbevolen wordt om vitaal en
aanpakken
revitaliseren van de bossen, met mogelijk extra
(bio)divers bos te realiseren,
verdroging en
kap als onderdeel daarvan. Alternatief B zet in
bijvoorbeeld met een groter aandeel
natuurherstel
op het behoud bos en stelt geen omvorming
loofbos. Omvormen van naaldbos naar
(naar gevarieerder loofbos) voor.
divers loofbos kan een
Hoofdmaatregel:
Bosrevitalisatie draagt bij aan een robuuster
grondwateraanvulling tot gevolg
Revitaliseren bos
watersysteem. Onder andere daarom scoort
hebben, omdat de verdamping en
(verminderen
alternatief A positief op het aspect
watervraag van de bomen, met name
verdamping)
kilmaatadaptatie.
de winter, afneemt. Naaldhout is bovendien veel gevoeliger voor branden. Omvorming naar loofbos, specifiek met het doel het beperken van een dichte kroonsluiting (overlap tussen bovenste deel van de bodem), vermindert de verdamping en levert daarom een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van natuurbranden.
54/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaatregel
alternatieven?
Natuur: NNN en
In alternatief A krijgt de Utrechtse Heuvelrug
De natuur op de Utrechtse Heuvelrug is
VHR-doelen
een belangrijke functie voor het behalen van de
kwetsbaar. Daarom is robuust
landelijke/provinciale VHR-doelen, en dus ook
natuurherstel nodig. Het behoud van de
Hoofdmaatregel:
een strenger beschermingsregime, inzet op
natuurwaarden is het fundament voor
Extra areaal en
meer rustzones en inzet op robuust
de recreatieve aantrekkingskracht van
betere
systeemherstel. Daarom scoort alternatief A
het gebied. Wanneer wordt
natuurkwaliteit t.b.v.
positief bij meerdere natuurthema’s,
geïnvesteerd in robuust systeemherstel
VHR-opgave en
grondwaterkwaliteit en klimaatadaptatie. Sterk
en het verlagen van de milieudruk en is
NNN-realisatie
inzetten op robuust systeemherstel kan ten
de natuur minder gevoelig voor de
koste gaan aan landbouwareaal (negatief) en
effecten van (recreatief) medegebruik.
toekomstperspectief (licht negatief). Ook het
Zonder robuust natuurherstel is de
aspect archeologie is negatief beoordeeld
natuur te kwetsbaar voor verstoring.
omdat natuur- en hydrologische herstel
Daarnaast wordt geadviseerd om
gepaard gaat met grondwerkzaamheden in een
gebieden buiten het Nationaal Park
gebied met veel archeologische waarden,
Utrechtse Heuvelrug recreatief
waardoor aantasting niet is uit te sluiten.
aantrekkelijk, om verstoring te verminderen, bijvoorbeeld op de
Bij alt. B worden geen aanvullende ambities
flanken of in de Kromme Rijn.
geformuleerd, en wordt juist ruimte gecreëerd voor recreatie en natuurbeleving. Alternatief scoort daarom positief op het aspect recreatie, maar juist licht negatief op natuurareaal. Meer ruimte voor (recreatief) medegebruik kan resulteren in minder areaal voor (aaneengesloten) natuurgebieden. Natura 2000:
Net als bij het Groene Hart en Eemland wordt
Op basis van de effectbeoordeling van
verminderen
bij alternatief A een stikstofzone van 250 m
de alternatieven wordt aanbevolen om
stikstofemissies
voorgesteld, en bij alternatief B een
per Natura 2000-gebied nader te
stikstofzone van 100 m. Uit de beoordeling van
onderzoeken of een stikstofzone van
Hoofdmaatregel:
de alternatieven blijkt dat in de 100 m
circa 250 m, in plaats van 100 m,
Reductie
weliswaar de meeste reductie wordt
noodzakelijk is. Niet voor alle gebieden
stikstofuitstoot uit
opgeleverd, maar dat een bredere zone
zal dit noodzakelijk zijn om de KDW-
veehouderij door
noodzakelijk is voor het behalen van de
normen te behalen. Dit geldt mogelijk
stikstofszones. In
natuurdoelen. Daarom scoort alternatief A
ook voor Kolland & Overlangbroek. Het
deze gebieden
positief bij het aspect Natura 2000, ook omdat
is daarnaast wel van belang om ook
geleden belangrijke
het alternatief hydrologisch herstel bevat. Dit
buiten de stikstofzone de ‘deken’ aan te
beperkingen voor
beïnvloedt echter wel het landbouwareaal en
pakken door de dierdichtheid/veestapel
bedrijfsemissies en
perspectief van de landbouw, vandaar de
te verminderen ofwel een
bemesting.
negatieve beoordelingen. Omdat alternatief B
ammoniaknorm in te stellen.
zeer beperkt maatregelen voorstelt voor herstel van Natura 2000-gebieden scoort het
Het feit dat de Utrechtse Heuvelrug
alternatief neutraal.
geen Natura 2000-gebied is maakt dat er meer mogelijk is in en rondom het natuurgebied. Wel schaadt ook daar de 55/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
en hoofdmaatregel
alternatieven?
Aanbevelingen (MMA)
Onderdeel van alternatief A is de inzet op
stikstofdepositie de natuurkwaliteit.
stikstofreductie waarbij ook voor de Utrechtse
Daarom is de aanpak van
Heuvelrug wordt gestuurd op stikstofdepositie
stikstofdepositie in en rondom dit
(net als bij de Natura 2000-gebieden). Dit
landschap essentieel, zowel voor de
draagt bij aan de positieve scores bij de
Utrechtse Heuvelrug als de andere
natuuraspecten, maar gaat ten koste aan het
natuurgebieden (verminderen van de
landbouwperspectief. Bij alternatief B is dat niet
‘stikstofdeken’).
het geval. Daar scoort landbouwperspectief juist licht positief omdat de focus op recreatie
De provincie kan niet alle knelpunten
kan zorgen voor meer kansen voor
wat betreft landbouwperspectief
nevenactiviteiten.
oplossen. Wel kan de provincie Utrecht verduurzaming stimuleren, belonen of subsidiëren (inzetten en ontwikkelen financieel-economische instrumentaria) en kennis en innovatie stimuleren.
5.2.3
Kromme Rijngebied en Schalkwijk
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaategel
alternatieven?
Water: verbeteren
Alternatief A stelt ten opzichte van alternatief B
Voor een gezonde leefomgeving is het
kwaliteit grond- en
extra maatregelen voor gericht op het
nodig om het gebruik van
oppervlaktewater.
terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen.
gewasbeschermingsmiddelen sterk
Daarom scoort alternatief A licht positief en
terug te brengen. De verwachting is dat
Hoofdmaatregel:
alternatief B als neutraal voor grond- en
het terugdringen van
Terugbrengen
oppervlaktewater-kwaliteit en bodemkwaliteit.
gewasbeschermingsmiddelen op
emissies
vrijwillige basis tot onvoldoende
gewasbescherming
vermindering leidt. Het is daarom
smiddelen
wenselijk om via de
teruggebracht.
vergunningverlening en/of strengere normen te werken aan het verminderen van gewasbeschermingsmiddelen.
56/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaategel
alternatieven?
Water: Ruimte voor
Een belangrijk onderscheid tussen alternatief A
Het is aan te raden op enkele locaties
water en water-
en B is dat alternatief A fors inzet op het
ruimte te creëren voor (tijdelijke)
beschikbaarheid.
realiseren van (tijdelijke) waterberging en ruimte
waterberging of ruimte voor water. Dit
voor water, waarbij alternatief B richt op
kan worden gecombineerd met een
Hoofdmaatregel:
kleinschalige maatregelen op
natuurlijke inrichting. In dit landschap
Waterberging ten
landbouwpercelen zoals natuurvriendelijke
kan dit bijvoorbeeld in de vorm van
behoeve van de
oevers. Alternatief A scoort positief op
extensief open graslandschap en
opvang van
natuurkwaliteit en natuurareaal omdat dit
moerasvegetaties in inundatiezones
weersextremen
alternatief mogelijkheden biedt voor versterking
van waterliniegebied bij Fort Vechten of
(voorkomen
voor met name watergebonden biodiversiteit.
waterbergingsbossen (bijvoorbeeld bos
wateroverlast) en
Ook is het positief voor klimaatadaptatie.
Nieuw Wulven). Het is ook kansrijk
beperken
Daarentegen kan de aanleg van
nabij het stedelijk gebied (te
versnelde afvoer.
waterbergingsgebieden en natuurgebied zowel
combineren met recreatie), zoals
archeologie (negatief) als cultuurhistorie (licht
tussen Nieuwegein en Houten, en ten
negatief) beïnvloeden, omdat
zuiden van Houten. Deze lagere delen
graafwerkzaamheden nodig zijn en omdat het
in het landschap zijn locaties waarbij
ten koste kan gaan aan agrarisch
woningbouw minder toekomstbestendig
cultuurlandschap.
is. Ook is er potentie voor waterberging (zoekgebied) tussen Wijk bij Duursteden en Cothen. Voor het oplossen van wateroverlast en tegengaan van droogte (o.a. herstellen kwelstromen) zijn ook maatregelen nodig op de Utrechtse Heuvelrug, aangezien het hydrologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug reikt tot in de Kromme Rijn.
Natuur: Realiseren
In beide alternatieven wordt ingezet op
Kansen voor nieuwe natuur zijn er ten
NNN/groene
realisatie van GBDA, waarbij in alternatief A ook
noorden van onder meer Wijk bij
Contour en
nog extra natuurrealisatie wordt voorgesteld
Duurstede. Het is aan te bevelen om
groenblauwe
i.c.m. waterberging. Met GBDA wordt
ruimte voor natuur en water te
dooradering
bijgedragen aan meerdere doelen: meer
combineren met het vergroten
(GBDA).
waterbergingscapaciteit (bij natuurvriendelijke
belevingswaarde van de Hollandse
oevers), meer biodiversiteit en verbetering
Waterlinie.
waterkwaliteit.
57/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaategel
alternatieven?
Landbouw:
Bij alternatief A wordt een stikstofzone van
Aanbevolen wordt om een stikstofzone
reduceren emissies
250 m voorgesteld, en bij alternatief B een
in van circa 250 m rondom het
stikstofzone van 100 m. Omdat bij een bredere
stikstofgevoelige Natura 2000-gebied in
Hoofdmaatregel:
stikstofzone de stikstofdepositie verder afneemt
te stellen. De uitstoot van agrarische
Stikstofzones21
scoort alternatief A licht positief op het aspect
bedrijven binnen deze contour hebben
Natura 2000 en alternatief B neutraal. Ze
doorgaans de meeste invloed op de
scoren niet positiever (positief bij A en licht
stikstofgevoelige Natura 2000-
positief bij B) omdat de overige maatregelen
gebieden. Het is daarnaast wel van
niet de andere knelpunten in Rijntakken
belang om ook buiten de stikstofzone
verminderen.
de ‘deken’ aan te pakken door de dierdichtheid/veestapel te verminderen ofwel een ammoniaknorm in te stellen.
Landbouw:
Onderdeel van alternatief A is de inzet op
perspectief voor de
stikstofreductie waarbij ook voor de Utrechtse
landbouw
Heuvelrug wordt gestuurd op stikstofdepositie (net als bij de Natura 2000-gebieden). Dit draagt bij aan de positieve scores bij de natuuraspecten, maar gaat ten koste aan het landbouwperspectief. Bij alternatief B is dat niet het geval. Daar scoort landbouwperspectief juist licht positief omdat de focus op recreatie kan zorgen voor meer kansen voor nevenactiviteiten.
21
In deze gebieden wordt extensief grondgebruik gestimuleerd via een vergaande vorm van natuurinclusieve landbouw. Voorstel is om hierbij een bemestingsnorm van 100 kg N/ha/jaar te hanteren. 58/147
Kenmerk
5.2.4
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Gelderse Vallei
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaatregel
alternatieven?
Water: verbeteren
Alternatief A stelt een brede bufferzone
Een brede bufferzone rondom de
kwaliteit
rondom de KRW-waterlichamen voor en
KRW-waterlichamen met extensief
oppervlakte- en
herinrichting van de ‘haarvaten’, alternatief B
beheer en hogere peilen vermindert de
grondwater, en
stelt een smalle bufferzone voor. De inrichting
afspoeling van nutriënten naar het
ruimte voor water.
van bufferzones is van grote invloed op de
oppervlaktewater. Om een robuust
effectbeoordeling van de alternatieven in dit
systeem te realiseren, wordt
Hoofdmaatregel:
gebied. Een brede bufferzone rondom de
aanbevolen ook de haarvaten zo in te
Verminderen van
KRW-watergangen kan substantieel bijdragen
richten (o.a. met groenblauwe
uit- en afspoeling
aan de waterkwaliteit en klimaat robuuste
dooradering) zodat er minder fosfor en
van nutriënten door
inrichting van de Gelderse Vallei. Alternatief A
stikstof afspoelt en meer water
het instellen van
scoort daarom positief op de aspecten
bovenstrooms wordt vastgehouden. Er
bufferzones. In de
klimaatadaptatie, areaal natuurgebied en
is meer ruimte nodig voor de natuurlijke
bufferzones wordt
natuurkwaliteit. Ook voor alternatief A geldt dat
dynamiek van het water. De versterking
niet bemest.
als gevolg van de bufferzones en beekherstel
van kleine wateren is goed te
een negatieve invloed kan ontstaan op
combineren is met het vasthouden van
Herstel van de
landbouwareaal en het landbouwperspectief.
water.
beekdalsystemen
Beekherstel kost namelijk doorgaans meer
(vergroten water-
ruimte en brengt de natuurlijke dynamiek van
Het gebied kan positief bijdragen aan
vasthoudendheid)
het water terug.
meerdere opgaven wanneer wordt gekozen voor een gevarieerd beekdalsysteem met agrarisch beheerde gras – en hooilanden. Aangeraden wordt om hierbij de focus te leggen op het realiseren van een aaneengesloten gebieden (verbinden grotere en kleinere natuurgebieden in de Vallei). Hierdoor kan een soortenrijke gradiënt ontstaan van vochtige graslanden, natte bossen en houtwallen. De bufferzones rondom KRW-watergangen (en de haarvaten) bieden ook locaties voor extra bomen (bossenstrategie).
59/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaatregel
alternatieven?
Natuur:
Waar alternatief A inzet op robuust
In noordelijke deel van dit landschap
Natuurherstel en
systeemherstel, zet alternatief B op het
zijn er kansen voor groenblauwe
realiseren NNN/
verminderen van emissies door technische
dooradering op
GBDA
stalinnovaties. Uit onderzoek van de WUR
agrarisch/landgoedgebied met
blijkt dat met via innovaties de emissie van
erfbeplantingen, kleine
Hoofdmaatregel:
ammoniak met 41-50 % kan worden
landschapselementen, houtwallen en
Natuurherstel en de
gereduceerd ten opzichte van de emissie van
beekbegeleidend bos. Het stimuleren
herinrichting van het
2019 wanneer alle landbouwbedrijven de best
van landschapselementen in het
beekdalengebied
beschikbare technieken en maatregelen
agrarisch gebied is een maatregel dat
naar meer
inzetten. De grootste bijdrage komt van
goed inpasbaar is en weinig negatieve
natuurlijke en
innovaties die zich richten op emissiereductie
effecten heeft.
klimaatbestendige
in de stal en mestopslag. Alternatief B heeft
beekdalsystemen
echter geen invloed op het benodigde
In het zuidelijk deel ligt het Natura
met bijhorende
hydrologisch herstel, specifiek bij het Natura
2000-gebied Binnenveld, waar
ecologische
2000-gebied Binnenveld, en scoort daarom
hydrologisch systeemherstel essentieel
verbindingen.
licht positief (i.p.v. positief). Alternatief A scoort
is. Hiervoor kan gewerkt worden aan
positief op alle natuuraspecten vanwege de
hogere (meer dynamische) slootpeilen
voorgetelde bufferzone, inzet op de
en een beperking van onttrekkingen
verduurzaming van de landbouw en robuust
rondom het natuurgebied. Ook een
systeemherstel. Ook hier geldt dat dit ten koste
brede stikstofzone is noodzakelijk,
kan gaan aan het landbouwareaal (negatief)
waarbij enkel (stal)innovatie niet
en toekomstperspectief (licht negatief). Ook
voldoende is.
archeologie is als negatief beoordeeld vanwege de grondwerkzaamheden die nodig zouden zijn bij alternatief A. Landbouw:
Net als bij het Groene Hart en Eemland wordt
Aanbevolen wordt om een stikstofzone
verduurzaming van
bij alternatief A een stikstofzone van 250 m
in van circa 250 m rondom
de intensieve
voorgesteld, en bij alternatief B een
stikstofgevoelige Natura 2000-
veehouderij, en
stikstofzone van 100 m. Uit de beoordeling van
gebieden. De uitstoot van agrarische
verminderen
de alternatieven blijkt dat in de 100 m
bedrijven binnen deze contour hebben
emissies.
weliswaar de meeste reductie wordt
doorgaans de meeste invloed op de
opgeleverd, maar dat een bredere zone
stikstofgevoelige Natura 2000-
Hoofdmaatregel:
noodzakelijk is voor het behalen van de
gebieden. Het is daarnaast wel van
Alternatieve
natuurdoelen. Daarom scoort alternatief A
belang om ook buiten de stikstofzone
landbouwvormen en
positief bij het aspect Natura 2000, ook omdat
de ‘deken’ aan te pakken door de
stikstofzones
het alternatief hydrologisch herstel bevat. Dit
dierdichtheid/veestapel te verminderen
beïnvloedt echter wel het landbouwareaal en
ofwel een ammoniaknorm in te stellen.
perspectief van de landbouw, vandaar de negatieve beoordelingen. Omdat alternatief B
Verder is, naast andere maatregelen
alleen maatregelen gericht op stikstofdepositie
van Rijk en provincie, maatwerk
voorstel scoort het licht positief.
rondom Natura 2000-gebieden om tot een verdere reductie van emissies te komen.
60/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Thema (opgaven)
Wat blijkt uit de beoordeling van de
Aanbevelingen (MMA)
en hoofdmaatregel
alternatieven?
Landbouw
Alternatief A zet in op het stimuleren van
Omdat met het toepassen van voer- en
natuurinclusieve en biologische landbouw en
managementmaatregelen en
Perspectief voor de
extensiveren van intensieve landbouw (lagere
(stal)innovaties al veel verduurzaming
landbouw
veedichtheid). Omdat dit alternatief veel ruimte
en stikstofreductie kan opleveren,
zou vragen voor o.a. beekherstel en
zonder veel negatieve effecten, wordt
verduurzaming nodig is binnen de
aanbevolen om hier grootschalig op in
landbouwsector om robuust systeemherstel te
te zetten. Wel zal dit niet toereikend
realiseren, wordt dit alternatief als negatief
zijn voor het behalen van de
beoordeeld op het aspect
stikstofdoelen en lost het niet de
landbouwperspectief. Ook omdat er (nog) geen
hydrologische knelpunten op.
geschikte alternatieve verdienmodellen beschikbaar zijn. Alternatief B is gericht op het behoud van de intensieve landbouw zonder het opstellen van (stikstof)normen, maar het stimuleren van het toepassen van innovaties en voer- en managementmaatregelen. De landbouwaspecten scoren daarom neutraal.
6 Effectbeoordeling (ontwerp) UPLG 6.1
Proces om te komen tot een ontwerp UPLG en de rol van het MER
In deze paragraaf wordt beschreven hoe tot keuzes in het ontwerp UPLG is gekomen, en welke rol het MER daarbij heeft gehad. Het MER is vanaf de totstandkoming van de Kaderstellende notitie als procesinstrument ingezet bij de ontwikkeling van het UPLG. Gedurende het proces van het opstellen van het UPLG heeft het MER inzicht gegeven in de wijze waarop de provincie met het programma haar (milieu)kwaliteiten kan behouden, versterken of toevoegen. De afronding van de fase waarin het meest ‘milieuvriendelijke alternatief’ is beschreven, is van belang geweest voor aanscherping van onderdelen van het ontwerp UPLG. Deze fase heeft namelijk het inzicht opgeleverd dat naast maatregelen in de gebieden een geborgde generieke aanpak – bijvoorbeeld voor stikstof, natuurarealen en het vernatten van het veen – een belangrijk element is om te komen in de richting van het doelbereik. Daarnaast is het beleid in het UPLG gebaseerd op een grote hoeveelheid van (milieu)onderzoeken. Deze onderzoeken zijn ook gebruikt voor het MER. Waar relevant wordt hieraan in het UPLG, in het MER of in de bijlagen van beide aan gerefereerd.
6.2
Het Ontwerp-UPLG
Het ontwerp-UPLG is in MER-termen het zogenaamde voorkeursalternatief (VKA). Gedurende het opstellen van het MER is het UPLG doorlopend in ontwikkeling geweest. Het (concept)ontwerpUPLG zoals beoordeeld in dit MER kan daarom in beperkte mate afwijken, maar dekt in combinatie met de aanbevelingen in hoofdstuk 7 wel de volledige reikwijdte. In de verdere tekst wordt voor het (concept)ontwerp-UPLG kortweg de afkorting UPLG gebruikt. De kern van de aanpak in het UPLG wordt beschreven in de zogenaamde ‘structurerende principes’. Structurerende principes zijn de uitgangspunten die het UPLG meegeeft aan de 61/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
uitvoering in het landelijk gebied. Ze dienen daarbij als richtingaanwijzer voor de (ruimtelijke) keuzes die op gebiedsniveau worden gemaakt. Het UPLG beschrijft in totaal 17 structurerende principes. Het zijn drie meer algemene ruimtelijke structurerende principes, en 14 themagerichte structurerende principes. In onderstaande tabel staat een samenvatting van de structurerende principes. In het UPLG zijn ze nader uitgewerkt en toegelicht. In dit MER wordt onderscheid gemaakt tussen het beleid in het UPLG dat autonoom is, en het beleid dat nieuw is. Het nieuwe beleid is hetgeen waar nog besluitvorming over moet plaatsvinden. Het autonome beleid is al vastgesteld beleid, dat in het UPLG wordt overgenomen of gestimuleerd. In dit MER wordt voor de beoordeling van het UPLG enkel het nieuwe beleid beoordeeld. Al het nieuwe beleid in het UPLG vormt samen het VKA. In onderstaande tabel wordt per structurerende principe beschreven wat het relevante autonome beleid is, en vervolgens wat het nieuwe beleid, ofwel de te beoordelen voorgenomen ontwikkeling is. Het VKA bevat alleen de themagerichte structurerende principes, de eerste drie algemene structurerende principes worden dus buiten beschouwing gelaten.
62/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Structurerende principes zoals opgenomen in
Autonome ontwikkeling of al vastgesteld beleid of
het UPLG
instrument
Nieuwe beleid in het UPLG en ruimtelijke uitwerking (VKA)
Structurerend principe 4: Maximale inzet op
Stroomgebiedbeheerplannen KRW, Provinciaal
Het UPLG bevat geen aanvullend beleid gericht op de KRW. Dit betreft een separaat traject waar
KRW-doelen
waterbeleidsplan 2022-2026, Provinciaal Water en
door de Gedeputeerde Staten (GS) al een besluit over is genomen.
Bodem Programma 2022-2027, Provinciaal uitvoeringsprogramma impuls maatregelen KRW 20252027, Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) en het Provinciaal programma invasieve exoten (financieren onderzoek naar bestrijdings- en beheermethoden) Structurerend principe 5 (ruimtelijk): Ruimte voor
Deltaprogramma Centraal Holland, Blauwe Agenda (dit
Het aanwijzen van zoekgebieden waterberging langs het Amsterdam-Rijnkanaal regionale
water
gaat om maatregelen die leiden tot het langer
zoekgebieden (in het regionaal watersysteem) en poldergebieden voor water op maaiveld (circa
vasthouden van zoetwater op de Heuvelrug), Nota
10-15 %). Dit zijn richtinggevende besluiten, die in het vervolg nader worden uitgewerkt.. Formele
Ruimte, Ontwikkelperspectief NOVEX Groene Hart en
besluitvorming loopt in het spoor van de omgevingsvisie en verordening (2026).
NOVEX Utrecht-Amersfoort en het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie 2025-2028 Structurerend principe 6 (ruimtelijk):
De Blauwe Agenda en Natura 2000-beheerplannen
Grondwatersysteem in balans Structurerend principe 7: vitale bodem
Het UPLG zet in op hydrologisch herstel van de Natura 2000-gebieden en de Heuvelrug. Het onderdeel gericht op drinkwaterwinning is autonoom beleid.
Provinciaal Water en Bodem Programma 2022-2027 en
Met het UPLG zet de provincie Utrecht stimulerend beleid voort t.a.v. goed beheer
de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL)
landbouwbodems, o.a. via het UMDL en kennisprogramma’s. De provincie brengt de bodemkwaliteit van landbouwbodems in beeld en werkt samen met de waterschappen om Bedrijfsbodem- en waterplannen te stimuleren in de landbouw. In en rondom natuurgebieden gaat de provincie samenwerken met de terreinbeheerders en de waterschappen aan verbetering van het watersysteem zodat basenrijk grondwater of oppervlaktewater de bodem kan bufferen.
Structurerend principe 8 (ruimtelijk): Integrale
KRW, 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn
In het UPLG zijn zoekgebieden voor waterberging in beekdalen opgenomen, waarna daarbinnen
aanpak beekdalen
En realiseren resterende NNN-opgave
een kleiner gebied wordt gerealiseerd voor waterberging en beekherstel (maatwerk), beekherstel resterende 40 % van de beektrajecten en realisatie groenblauwe dooradering deels in beekdalen. 63/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Structurerende principes zoals opgenomen in
Autonome ontwikkeling of al vastgesteld beleid of
het UPLG
instrument
Structurerend principe 9: Natuurherstel Natura
Natura 2000-beheerplannen
2000-gebieden
Nieuwe beleid in het UPLG en ruimtelijke uitwerking (VKA)
In het UPLG wordt gekozen via middels de beheerplannen in te zetten op systeemherstel waarbij ook maatregelen buiten de grenzen van de Natura 2000-gebieden worden opgenomen. Dit heeft samenhang met SP10 (overgangszones). Daarnaast is ervoor gekozen om voor de Utrechtse Heuvelrug een onderzoek uit te voeren naar de natuurkwaliteit en benodigde maatregelen.
Structurerend principe 10 (ruimtelijk):
Natura 2000-beheerplannen
Overgangsgebieden rondom de Natura 2000-
Het kiest voor het vaststellen van overgangsgebieden voor alle Natura 2000-gebieden, gericht op vier soorten maatregelen: stikstof, hydrologie, connectiviteit, vergroten natuurareaal.
gebieden
Stikstof: Er wordt voor stikstof een breedte van 250 m gehanteerd bij alle
De omvang van de overige zones hangt af van de gebiedsspecifieke eigenschappen
stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (habitatrichtlijn)
en knelpunten in het Natura 2000-gebied
Connectiviteit: in de overgangszone wordt de connectiviteit verbeterd t.b.v. specifieke HR-soorten
Areaal natuur: voor herstel van kwetsbare habitats en soorten is extra natuurareaal nodig. Rondom Binnenveld en Kolland & Overlangbroek, Het Noorderpark en Rijntakken gaat het in totaal om circa 200 ha
Hydrologie: o.b.v. onderzoek wordt de omvang van de zone en de maatregelen bepaald
Structurerend principe 11 (ruimtelijk): Generieke normering stikstof
-
Voor de reductie van de ammoniakemissie veroorzaakt door de landbouwsector sturen het UPLG provinciebreed op een reductie van de ammoniakemissie met als doel het behalen van de 46 %. Voor grondgebonden veehouderij wordt ingezet op reducties door voer- en managementmaatregelen, geborgd via een emissieplafond per hectare. Voor de nietgrondgebonden veehouderij wordt ingezet op stalinnovaties (met als uitgangspunt toepassing van de beste beschikbare technieken) en managementmaatregelen om emissies te reduceren. Deze reductie wil de provincie Utrecht via de Omgevingsverordening borgen middels een emissieplafond per gerealiseerde dierplaats voor niet grondgebonden veehouderij met als doeljaar 2035.
64/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Structurerende principes zoals opgenomen in
Autonome ontwikkeling of al vastgesteld beleid of
het UPLG
instrument
Structurerend principe 12: Gebiedsspecifieke
-
reductie van stikstofemissie en -depositie
Nieuwe beleid in het UPLG en ruimtelijke uitwerking (VKA)
Rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden wordt op twee manieren aan een reductie van stikstofemissie en -depositie gewerkt, namelijk:
Een stikstofzone van 250 m rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (het Habitatrichtlijn deel daarvan) met binnen deze zone beperkte mestaanwending. Stimuleringsmaatregelen ter ondersteuning van emissiereductie worden in een bredere zone ingezet
Via een maatwerkaanpak de stalemissies van bedrijven met een groot aandeel in de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied reduceren. Bijvoorbeeld door verduurzamen, omschakelen of verplaatsten of -beëindiging
Structurerend principe 13 (ruimtelijk): Realisatie
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
In het UPLG dat de realisatie van VHR plaatsvindt binnen gebieden met de functie natuur, dus de
van de indicatieve VHR-arealen.
Groene Contour (provinciaal beleid)
gebieden die al wel van functie zijn veranderd, maar die nog niet zijn ingericht en in de nog te
Aanvalsplan Grutto
realiseren delen van het Natuurnetwerk Nederland die nog van functie moeten veranderen. Er is niet gekozen voor aanvullend areaal, maar bij de realisatie van natuur wordt zo veel mogelijk gekozen voor een natuurtype dat aansluit bij de VHR-doelen. Er wordt dus gezocht naar het combineren van de VHR-opgave met de bestaande opgaven. Voor de hectares die nodig zijn voor de weidevogelgraslanden met functie natuur ziet het UPLG in potentie in de weidevogelkerngebieden en de omliggende weidevogelgebieden. Dit is een streven, maar geen besluit.
Structurerend principe 14: Kwaliteitsverbetering
Natuur Netwerk Nederland
van bestaande natuur.
Provinciale Strategisch Bosbeleid. (Kwaliteitsverbetering bestaand bos)
De kwaliteitsverbetering van de natuur in het NNN is geen aanvullend beleid.
In het UPLG is een kaart opgenomen met essentiële percelen natuur. Dit zijn percelen waarvan op basis van ecologische inzichten is bepaald dat deze essentieel zijn voor de realisatie van het NNN en de Natura 2000 doelstellingen, waar aan de orde in combinatie met KRW-doelen. Daarbij is kritisch gekeken of percelen noodzakelijkerwijs omgevormd moeten worden naar natuur om de doelen te halen of dat met andere maatregelen zoals extensivering of het opzetten van het waterpeil kan worden volstaan. Ook is afgewogen of de natuur echt essentieel op die plek moet worden gerealiseerd of dat dit ook op andere naburig gelegen percelen zou kunnen en er dus geen dwingende reden is om precies dat perceel als essentieel aan te wijzen. Op basis 65/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Structurerende principes zoals opgenomen in
Autonome ontwikkeling of al vastgesteld beleid of
het UPLG
instrument
Nieuwe beleid in het UPLG en ruimtelijke uitwerking (VKA)
van de kaart kan nog niet direct tot realisatie worden overgegaan22. Hiervoor worden nog aparte ruimtelijke procedures doorlopen. Structurerend principe 15 (ruimtelijk): Versterken
Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb)
Het UPLG zet in op het verhogen van groenblauwe dooradering in landelijk gebied en de
biodiversiteit in agrarisch gebied
UMDL
Uitbreiding van het areaal agrarisch gebied en verzwaren agrarisch beheer in weidevogelkerngebieden.
22
Structurerend principe 16 (ruimtelijk): Uitstoot
Regionale Veenweide Strategie (In een klein deel van
In het UPLG staan vier beleidslijnen gericht op de veenweidegebieden:
broeikasgassen uit veenbodems
het veenweidengebied (circa 10 %) stelt dat op
Verder stimuleren van de aanleg van waterinfiltratiesystemen
‘Slimme plekken’ verdere vernatting plaatsvindt en
Sturing op kleinere droogleggingen via de inzet van het RO-instrumentarium
daarmee een transitie in grondgebruik.
Verdere vernatting in klein deel veenweidengebied (circa 10 %)
Toekomstperspectief en lange termijnvisie op de agrarische sector in veenweide
Structurerend principe 17: Perspectief voor de
De Visie Landbouw en Voedsel is begin dit jaar
Het UPLG bevat geen nieuwe maatregelen of beleid. De stimuleringsmaatregelen voor
landbouw
vastgesteld en de Utrechtse Monitor Duurzame
natuurinclusieve landbouw is geen besluit, maar een ambitie. Er is wel de keuze gemaakt
Landbouw (UMDL)
middelen voor stimuleringsmaatregelen beschikbaar te stellen.
Er is sprake van voorbereidingsbeslissing is als bedoeld in artikel 6.3 van de Algemene wet bestuursrecht 66/147
Kenmerk
6.3
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Beoordeling UPLG
In onderstaande paragrafen wordt per milieuthema een effectbeoordeling beschreven. Ook wordt op hoofdlijnen het doelbereik beschreven. Eerst wordt per thema beschreven welk (nieuw) beleid in het VKA (het UPLG) relevant is. In dit MER wordt per thema vervolgens alleen het beleid beoordeeld waar sprake is van een raakvlak met het thema. Per maatregel of relevant beleid uit het VKA wordt het effect beschreven. De beoordeling is altijd ten opzichte van de referentiesituatie. De autonome trend kan voor een aspect, bijvoorbeeld voor het aspect waterkwaliteit, negatief zijn. Wanneer de effecten positief zijn, wordt het effect als positief beoordeeld, ook wanneer de toekomstige situatie niet optimaal blijft als gevolg van de (sterke) autonome trend. Een alternatief, of het voorkeursalternatief, kan tegelijkertijd positief bijdragen en alsnog niet leiden tot doelbereik. Dit wordt nader toegelicht in de doelbereik toets. Tezamen wordt per milieuthema een netto beoordeling gegeven aan de hand van de vijfpuntenschaal (zie paragraaf 3.2). De beoordeling is hoofdzakelijk kwalitatief, en waar mogelijk kwantitatief op basis van onderliggende onderzoeken. Waar relevant wordt een uitspraak gedaan op gebiedsniveau. Zoals beschreven in paragraaf 3.2.2. wordt bij de beoordeling in beeld gebracht in hoeverre de doelen van het UPLG met de gemaakte keuzes worden bereikt.
Dit betreft een kwalitatieve inschatting van het doelbereik. Op basis van deze beoordeling wordt een inschatting gemaakt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieen:
Het te behalen doel is nog erg onzeker Het te behalen doel is enigszins zeker Het te behalen doel kent een grote mate van zekerheid
6.3.1 Effectbeoordeling Oppervlaktewater Dit aspect is gericht op veranderingen in de ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater, en de mate waarin positief wordt bijgedragen aan de KRW-doelstellingen. In Utrecht zijn 60 wateren aangewezen als KRW-oppervlaktewaterlichamen. Relevant beleid in het UPLG Het beleid van het UPLG is niet primair gericht op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het beleid van het UPLG heeft wel invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit, waaronder het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, ecologisch slootbeheer en beekherstel. Ook het sturen op emissievermindering vanuit de melkveehouderijen, via doelsturing, is een relevante maatregel. Met behulp van het UMDL wordt binnen de fruitteelt gestuurd op het verminderen van gewasbeschermingsmiddelen, de uitrol van dit instrument wordt in dit MER gezien als autonoom beleid. Ook door het beoogde beekherstel en maatregelen in het stroomgebied wordt een effect op waterkwaliteit verwacht. Ten slotte heeft ook de voorgenomen slootpeilverhoging in het veenweidegebied (Groene Hart en Eemland) invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater. De effecten worden hieronder toegelicht.
67/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Effecten In het oppervlaktewater dat nog niet aan de KRW-doelen voldoet is onder andere vaak sprake van te hoge gehalten aan nutriënten zoals fosfaat. Voor het behalen van de KRW-doelen is het daarom van belang de oppervlakkige uit- en afspoeling vanuit de landbouw naar het oppervlaktewater via het ondiepe grondwater te minimaliseren. Dit wordt middels het UPLG op meerdere manieren gedaan. Beekherstel: Voor het realiseren van beekherstel is meer ruimte nodig voor de beek, waarvoor de percelen, vaak landbouwpercelen, verworven moeten worden. Deze beekdalmaatregelen bijdragen bij aan een verbetering van de waterkwaliteit (en -kwantiteit). Door de WUR is ingeschat dat in de Gelderse Vallei een reductie aan N-uitspoeling ontstaat van minder dan 20 % bij een bufferzone met een breedte van 100 m23. Hoe de zones rondom de beken worden ingericht, wordt vastgesteld bij de nadere uitwerking. Het UPLG richt zich niet enkel op het realiseren van bufferzones en beekherstel rondom de KRW-watergangen, maar werkt aan een integrale aanpak met maatregelen in het gehele stroomgebied van de beken. Daarbij worden meerdere instrumenten ingezet zoals agrarisch natuurbeheer met randenbeheer, groenblauwe dooradering, natuurvriendelijk slootkantenbeheer, de eco-regeling voor agrariërs en de aanleg van nieuwe landschapselementen langs perceelsgrenzen.
Het daadwerkelijke effect op reductie van nutriënten is onbekend, maar de verwachting is dat een significante reductie aan uitspoeling en afspoeling ontstaat. Uit voorgenoemde analyse van de WUR blijkt echter dat zelfs met brede bufferzones en extensivering van de landbouw geen doelbereik wordt behaald in 2027, maar mogelijk pas in 2045. Dat komt door de lange na-ijltijden in het bodem- en watersysteem, met name voor fosfor. Natuurvriendelijke oevers: De provincie Utrecht heeft het voornemen om met het UPLG de (groen)blauwe dooradering in het agrarisch gebied te vergroten met gemiddeld 3.5 % (de restopgave). Dit leidt ook tot een grotere connectiviteit van de watereenheden. Natte landschapselementen zoals natuurvriendelijke oevers bieden natuurlijke filtratie, meer biodiversiteit en erosiebestrijding. Met de realisatie van natuurlijke oevers ontstaat ruimte voor oeverplantgroei en daarmee habitat voor vissen en macrofauna. Dat werkt positief op de biologische waterkwaliteit. Het beperkt ook de schade aan oevers door de rivierkreeft en een stevig begroeide oever kalft minder snel af bij hogere of wisselende slootpeilen. Het verbinden van natuurgebieden kan ook onbedoeld leiden tot verspreiding van invasieve exoten (zoals Amerikaanse rivierkreeft) in andere gebieden. Deze exoten verdringen dan gewenste soorten waterplanten, vis en/of macrofauna.
23
Kansen voor stikstofaanpak voor doelbereik van de KRW voor nutriënten, Wageningen University & Research, 06-10-2021
68/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Vernattingsmaatregelen veenweidegebied: Het vernatten van gebieden om bodemdaling tegen te gaan of leefgebied voor weidevogels te creëren, kan een tijdelijk negatief effect hebben op de waterkwaliteit door meer uitspoeling bij vernatting van het perceel.24 In een onderzoek naar peilopzet veenweidegebieden door Sweco is onderzoek gedaan naar het effect op de waterkwaliteit.25 Geconcludeerd wordt dat globaal gezien de oppervlaktewaterkwaliteit naar verwachting verslechtert omdat de belasting op het watersysteem toeneemt (uitloging fosfaat en stikstof). Het remmen van de bodemdaling via hogere grondwaterstanden leidt op langere termijn netto tot minder veenafbraak en daarmee tot minder uit- en afspoeling van nutriënten uit de bodem naar de sloot en minder baggervorming in veensloten. Het uitgangspunt van het UPLG is dat uitspoeling wordt geminimaliseerd door jaarlijks het peil met maximaal 2 cm te verhogen. Bij peilopzet in veenweidegebieden bestaat daarnaast het risico op oeverafkalving. Dit komt omdat veel sloten steil zijn en er onvoldoende stevig wortelende vegetatie staat dat de oever in stand kan houden met een hoger peil. Ten slotte geldt voor het veenweidegebied dat mogelijk de noodzaak bestaat (tijdelijk, in droge perioden) gebiedsvreemd water aan te voeren om het water op peil te houden. Extra wateraanvoer leidt ook tot een extra aanvoer van stoffen in het water.
Afhankelijk van de concentratieverhoudingen van het gebiedseigen water en het gebiedsvreemde water kan dit gunstig of ongunstig zijn voor de ecosystemen. Het stimuleren van biologische en natuurinclusieve landbouw kan ook een positief effect hebben op uit- en afspoeling van nutriënten, maar het effect is onzeker. Doelsturing ammoniakemissies: Met het beleid van het UPLG wordt gestuurd op verminderen van emissies via voer- en managementmaatregelen. Hiervoor wordt gemonitord op het ureumgehalten in de tankmelk en de uren weidegang per jaar. De verwachte reductie heeft een positieve invloed op de waterkwaliteiten, specifiek de nutriëntgehalten. Gewasbeschermingsmiddelen: In de provincie Utrecht zijn in het oppervlaktewater normoverschrijdingen aangetroffen voor gewasbeschermingsmiddelen. In het UPLG zijn geen aanvullende regels opgenomen (aanvullend op UMDL en vastgestelde KRW-maatregelen) voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In veel waterlichamen overschrijden de gehalten arseen, kobalt, seleen, zilver en soms ook zink de norm. Op deze parameters wordt naar verwachting geen verbetering verwacht als gevolg van het UPLG. Het UPLG is voornamelijk gericht op verminderden van emissies uit de landbouw (nutriënten).
Samenvatting effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect oppervlaktewaterkwaliteit.
24
Notitie Handelingsperspectief Kaderrichtlijn Water provincie Utrecht Deelrapportage Waterkwaliteit, Technische toelichting Peilopzet veenweidegebieden Provincie Zuid-Holland, Sweco, 04-09-2024, 510020315-001 25
69/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Tabel 6.1 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG
Effect
Beekherstel
Voor beekherstel is ruimte nodig, dat dient als een (kleine) bufferzone langs KRW-beken met minder afspoeling van nutriënten als gevolg
Natte landschapselementen zoals
Natte landschapselementen zoals natuurvriendelijke oevers bieden
natuurvriendelijke oevers
natuurlijke filtratie, meer biodiversiteit en erosiebestrijding. Het is niet vastgesteld dat op de locaties met sterke slootpeilverhoging ook natuurvriendelijke oevers gerealiseerd worden om afkalving te voorkomen. De natuurvriendelijke oevers verminderen de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen doordat de oever stevig begroeid is.
Doelsturing ammoniakemissies
Hiermee wordt de netto stikstofuitstoot verminderd, wat ten goede komt aan de waterkwaliteit.
Peilverhoging in veenweidegebieden
Peilverhoging kan leiden tot tijdelijke, al wel jarenlange, mobilisatie van fosfaat dat terechtkomt in het oppervlaktewater.
Tabel 6.2 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG