CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna

Commissie Ruimtelijke Zaken 14 september 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Hoef Westzijde 41, raadsvoorstel 49/21 (21.45 uur)5.412 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO T.a.v. dhr. T. Oostrom ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Datum

21 augustus 2019

Kenmerk

BE/2019/501/r

Uw kenmerk

Email d.d. 23 juli 2019

Auteur(s)

S. Schuuring

Collegiale toets

K.J. Rebergen

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan De Hoef Westzijde 41 te De Hoef Aan De Hoef Westzijde 41 te De Hoef is een voormalige boerderij bestaande uit een woning en zeven bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens vier of mogelijk vijf bijgebouwen (afhankelijk van de sloopmeterregeling) op de planlocatie te saneren ten behoeve van de realisatie van een woning. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkelingen en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan De Hoef Westzijde 41 te De Hoef. De planlocatie bestaat uit: • Een woning (W), opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en zadeldak met dakpannen; • Schuur (A), opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en zadeldak met rieten dakbedekking; • Schuur (B), opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en zadeldak met golfplaten; • Schuur (C), opgetrokken uit houten panelen en plat dak met bitumen dakbedekking; • Schuur (D), opgetrokken uit gemetselde opbouw zonder spouw met damwand beplating en zadeldak met golfplaten; • Schuur (E), opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw, houten betimmering en zadeldak met golfplaten; • Schuur (F), opgetrokken uit gemetselde/houten en damwand muren en zadeldak met golfplaten en; • Hooiopslag (G), opgetrokken uit 2 damwand muren en piramidedak met golfplaten. In figuur 2 is een kaart opgenomen met daarin de diverse gebouwen gemarkeerd. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. In de beoogde ontwikkelingen worden schuren C t/m F en mogelijk ook hooiopslag G worden verwijderd ten behoeve van de realisatie van een woning. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een veenweidegebied met weilanden, sloten, lintbebouwing en rivieren. De planlocatie ligt ca.

40 m ten westen van de rivier de Kromme Mijdrecht en ca. 10,5 km ten zuidoosten van de snelweg A4.

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan De Hoef Westzijde 41 te De Hoef (bron: arcgis.com).

Figuur 2

De planlocatie bestaat uit een woning (W), schuren (C t/m F) en hooiopslag (G) (bron: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen het saneren van schuren C t/m F en mogelijk hooiopslag G en het kappen van enkele bomen ten behoeve van de realisatie van een woning. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, mogelijk kappen van bomen, transport (afvoer) van materiaal en groen; terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straaten hoveniers)werkzaamheden.

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 22 Celsius en windkracht 1-2 (Bft).

3

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis

Konijn

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is.

4

Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen beschermde vaatplanten voor (NDFF, 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: braam, klimop, madelief, paardenbloem, raaigras en tamme kastanje. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn.

In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor de waterspitsmuis geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De waterspitsmuis leeft in een gebied met schoon, niet te voedselrijk water met een aanzienlijke ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bodem bedekkende vegetatie is een voorwaarde. Eveneens dienen in de oevers voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn. Binnen het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Grenzend aan het plangebied is een kavelsloot gelegen. Echter is deze aan de aan het plangebied grenzende zijde beschoeid, waardoor eventuele waterspitsmuizen hier geen mogelijkheid hebben om aan land te komen. Tevens ontbreekt het functioneel leefgebied van de soort binnen het plangebied. De aanwezigheid van de waterspitsmuis binnen het plangebied is derhalve uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis.

Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. De te slopen bijgebouwen zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur.

5

In de aanwezige bebouwing is geen spouw aanwezig. In schuur B zijn enkele scheuren aanwezig in de muur, maar door het ontbreken van een spouw leiden deze niet tot een geschikte verblijfplaats. De aanwezige damwandplaten in schuur D en hooiopslag G hebben zeer lage openingen (lager dan 50 cm boven de grond) en leiden niet tot afgesloten ruimtes met een stabiel microklimaat. Door het ontbreken van een dakbeschot is er in de te slopen bebouwing ook geen ruimte onder het dak waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen aantreffen. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De aanwezige bomen zijn geïnspecteerd op potentiële openingen als ingerotte holtes, spleten en andere openingen welke kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Dergelijke openingen zijn niet waargenomen. Negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen kunnen uitgesloten worden. Hoewel het is uitgesloten dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden deze niet aangetast.

In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Binnen de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De planlocatie grenst aan een kavelsloot, die aan de zijde van de planlocatie is beschoeid.

In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieën: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF, 2009-2019). Voor de heikikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen (Creemers & Van Delft, 2009). Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor aquatisch habitat binnen de planlocatie ontbreekt. In de directe omgeving van de planlocatie ontbreekt schrale grond met ruige vegetatie. Tevens is het water van de aangrenzende sloot door loslopend vee relatief voedselrijk. Bovendien kunnen amfibieën vanuit de aangrenzende sloot het plangebied niet bereiken door de oeverbeschoeiing. De aanwezigheid van de heikikker binnen de planlocatie is derhalve uitgesloten. Voor zover bekend komen er geen reptielen voor in de directe omgeving van de planlocatie (NDFF, 2009-2019).

Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten.

6

Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen bevindt zich geen oppervlaktewater. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van de platte schijfhoren bekend (NDFF, 2009-2019). Binnen de planlocatie zijn geen watergangen aanwezig. In de aangrenzende watergang ontbreekt watervegetatie, waardoor hier geen geschikt leefgebied aanwezig is. Tevens vinden er geen werkzaamheden plaats aan deze watergang. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. Enkele waargenomen soorten betreffen: boerenzwaluw, ekster, houtduif en Turkse tortel.

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en buizerd kan uitgesloten worden. Door verharding is de planlocatie ongeschikt als foerageergebied van roofvogels en uilensoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De te slopen bebouwing hebben allen daken zonder dakpannen of dakbeschot, waardoor hier geen nestgelegenheid is voor de huismus.

Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen van binnenuit geïnspecteerd, hierbij zijn geen nesten of nestmateriaal aangetroffen. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Volgens de bewoner zijn in de woning in het verleden huismussen waargenomen. Het is hierbij aannemelijk dat er huismusnesten onder de woning bevinden. Deze zullen echter behouden blijven. De afstand van de woning naar schuur C, de dichtstbijzijnde te slopen schuur, is 15 m. Deze afstand is dusdanig groot dat er geen sprake is van verstoring van huismussen. Tevens adviseert Blom Ecologie B.V. om de werkzaamheden buiten het broedseizoen op te starten, wanneer de huismus minder sterk gebonden is aan nestlocaties. De beoogde ontwikkelingen leiden tot beperkte aantasting van groene delen, namelijk het kappen van enkele solitaire bomen. Solitaire (hoge) bomen maken geen deel uit van het functioneel leefgebied van huismussen. Deze bevinden zich meer in groenblijvende hagen en dichte struiken. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake.

7

De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3 m. Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. In landelijk gebied zijn gierzwaluwen vrij zeldzaam. Er zijn geen openingen aangetroffen waardoor gierzwaluwen een geschikte ruimte kunnen bereiken. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. In schuur B en hooiopslag G zijn boerenzwaluwnesten aangetroffen, waarvan drie in schuur B en twee in hooiopslag G.

Deze zullen in de beoogde ontwikkelingen behouden blijven. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,1 km ligt het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en op 8,1 km van het Natura 2000-gebied Botshol (figuur 3). De planlocatie ligt op een afstand van circa 20 m ten westen van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4).

Figuur 3

8

De planlocatie ligt op een afstand van 4,1 km tot het Natura 2000-gebied Naam (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 3

De planlocatie ligt op een afstand van circa 20 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).

De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van vier of vijf bijgebouwen en de realisatie één woning, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. Door de beoogde ontwikkelingen gaat de planlocatie de bestemming ‘agrarisch’ verliezen, welke zal worden omgezet naar ‘wonen’. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en zeer beperkte toename in stikstofuitstoot (projecteffect). Over de langere termijn zal met de nieuwbouw aannemelijk sprake zijn van een relatief lagere stikstofuitstoot door het verlies van de agrarische bestemming. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er geen effecten t.a.v. de stikstofdepositie zullen optreden. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. Uiterlijk in september 2019 komt er nieuwe versie uit van de AERIUS Calculator beschikbaar.

De huidige versie werkt nog met een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar, terwijl ook effecten tussen de 0 en 0,05 inzichtelijk gemaakt dienen te worden. Dit rekenmodel wordt in het najaar landelijk voorgeschreven als rekeninstrument voor de toestemmingverlening. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. Deze komen tegelijk met de voorgeschreven calculator beschikbaar. De herbeoordeling d.m.v. de herziene AERIUS Calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: •

•

•

Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld (bron:ww.tauw.nl).

9

Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om uw plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Uit herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: • •

•

Dat er ook zonder drempelwaarde géén toename van depositie wordt berekend, óf: Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten

Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Tot de vernieuwde AERIUS Calculator er is, verlenen het Rijk en provincies geen toestemming voor activiteiten die extra stikstofdepositie veroorzaken in Natura 2000-gebieden. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het kappen van bomen is niet meldingplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Binnen de beoogde werkzaamheden vinden mogelijk kapwerkzaamheden plaats (afhankelijk van de exacte locatie van de nieuwe vrijstaande woning). Deze vallen onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.

Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

10

Conclusies Samenvatting De te slopen bebouwingen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Tevens zijn er ten tijde van het veldbezoek een aantal boerenzwaluwnesten aangetroffen, deze zullen echter behouden blijven in de beoogde ontwikkelingen. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Ten aanzien van stikstofdepositie dient separaat een Aerius-berekening te worden uitgevoerd. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort -

-

-

-

-

-

n

n

n

+

-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat andere soort

-

+

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

4,1 km

geen

AERIUS

Natuurnetwerk Nederland

20 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

nee

Bomen

ja

ja

nee

n

-

broedvogels (j)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

broedvogels (a)

Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels de AERIUS calculator te worden vastgesteld of er sprake is van een melding- of vergunning plicht ten aanzien van stikstofdepositie. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde sloop van vier of mogelijk vijf bijgebouwen en realisatie van een woning aan De Hoef Westzijde 41 te De Hoef leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan De Hoef Westzijde 41 te De Hoef uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

11

Vervolgstap(pen) Bij het uitvoeren van de beoogde ontwikkeling vinden er geen overtredingen plaats in het kader Wet natuurbescherming, indien onderstaande maatregelen in acht genomen worden. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).

Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. • Ten aanzien van stikstofdepositie dient te worden bepaald of het project leidt tot een toename van stikstofdepositie. Hierbij dient zowel het projecteffect (uitvoering van werkzaamheden) als de gebruikssituatie te worden berekend. Indien dit niet mogelijk is of er blijft na berekening onduidelijk of er daadwerkelijk sprake is van een effect wordt geadviseerd om de AERIUS calculator te gebruiken die (naar verwachting) in september 2019 beschikbaar wordt gesteld.

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

12

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

13

14

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

Achterzijde van schuur A

Figuur 2

Schuur B

Figuur 3

Schuur C.

Figuur 4

Schuur D (rechts) en E (links).

15

16

Figuur 5

Schuur F.

Figuur 6

Hooiopslag G.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10506748/1