CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Politieke commissie 15 januari 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Overige punten: UPLG54.317 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 7

Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) 2026 – 2035 25 november 2025 31 oktober 2025

Samen voor een sterk landelijk gebied

Disclaimer: Deze pdf is niet de rechtsgeldige versie van dit programma. Per 06-01-2026 is het Ontwerp-UPLG in te zien in het Omgevingsloket.

Inhoudsopgave Voorwoord ............................................................................................................................................................ 3 Samenvatting ....................................................................................................................................................... 4 1. Inleiding ........................................................................................................................................................... 10 1.1 Samenwerken aan een vitaal landelijk gebied in Utrecht ............................................................................. 10 1.2 Status en planperiode ................................................................................................................................. 12 1.3 Milieueffectrapportage (MER) ......................................................................................................................13 1.4 Participatie ................................................................................................................................................. 14 1.5 Structuur en leeswijzer ................................................................................................................................ 15 2.

De opgaven en doelen ...................................................................................................................................... 16 2.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 16 2.2 Hardheid van de doelen .............................................................................................................................. 16 2.3 Grootste urgentie ........................................................................................................................................ 17 2.4 Samenvattende tabel UPLG-doelen ........................................................................................................... 18 3. Structurerende principes .................................................................................................................................. 21 3.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 21 3.2 Drie algemene structurerende principes......................................................................................................

21 3.3 Water en bodem ......................................................................................................................................... 25 3.4 Natuur .........................................................................................................................................................33 3.5 Klimaat ....................................................................................................................................................... 47 3.6 Landbouw ................................................................................................................................................... 53 4. Ontwikkelrichting per Utrechts landschap ....................................................................................................... 65 4.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 65 4.2 Groene Hart ................................................................................................................................................ 65 4.3 Eemland ......................................................................................................................................................

71 4.4 Utrechtse Heuvelrug (inclusief Langbroekerwetering) .................................................................................75 4.5 Kromme Rijngebied en Schalkwijk .............................................................................................................. 80 4.6 Gelderse Vallei ............................................................................................................................................ 83 5. Uitvoering ........................................................................................................................................................ 88 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 88 5.2 Gebiedsgerichte aanpak ............................................................................................................................. 88 5.3 Governance en rolverdeling ........................................................................................................................ 90 5.4 Prioritaire gebieden ....................................................................................................................................

94 5.5 Instrumentarium ......................................................................................................................................... 95 5.6 Financiën .................................................................................................................................................. 102 5.7 Monitoring en evaluatie ............................................................................................................................ 104 6. Samen vooruit ............................................................................................................................................... 109 Bijlagen ..............................................................................................................................................................110

2

Voorwoord "Hier kunnen we opnieuw beginnen", wijst agrariër Jan Dorrestijn. Ik zie zijn trotse blik. We staan bij een nu nog verlaten boerderij in de buurt van Amerongen. "Hier ligt onze toekomst." Binnenkort verhuizen de koeien van de familie Dorrestijn naar deze locatie. Een van de elf kinderen zal het melkveebedrijf straks op de nieuwe locatie gaan runnen. Het bedrijf gaat een duurzame toekomst tegemoet én blijft in de familie, dat staat als een paal boven water. De verhuizing is nodig omdat de ‘oude’ boerderij van de familie, slechts een kilometer verderop, te dicht bij een Natura 2000-gebied ligt en de stikstofuitstoot van de koeien daar de natuur bedreigt. Dankzij een kavelruil kan de familie Dorrestijn door met het bedrijf, schakelen ze om naar biologisch, is hun grond minder versnipperd én wordt de natuur hersteld. Een win-winsituatie voor de boer, de natuur en de provincie, zoals we het graag zien. Nederland zit op slot. We staan met elkaar voor een flinke opgave; de natuur moet worden hersteld en de stikstofuitstoot moet omlaag. Daarnaast moet de water- en bodemkwaliteit verbeterd worden en wordt er hard gewerkt aan een vitale en duurzame landbouwsector. We werken samen toe naar een toekomst waarin het buitengebied duurzaam én economisch rendabel is. De komende jaren zullen er daarom veranderingen plaatsvinden in het landelijk gebied.

Dat vraagt om meer dan plannen en ambities: het vraagt om grond, om kennis en inzet van agrariërs en natuurorganisaties en om een provincie die regelingen mogelijk maakt en partijen met elkaar verbindt. Wat we bovenal nodig hebben, is de wil om het samen te doen. We hebben elkaar nodig om deze opgave waar te maken. Soms betekent dat het verdelen van pijn, maar het betekent zeker ook het delen van de opbrengsten. Want als de natuur herstelt, kunnen we weer vergunningen verlenen, kunnen we agrariërs perspectief bieden, wegen en huizen bouwen en Nederland van het slot halen. Als gedeputeerde, maar ook als inwoner van onze provincie, voel ik me erg betrokken bij de toekomst van het landelijk gebied. Ik zie van dichtbij dat het niet goed gaat met onze natuur en ons klimaat. Daar maak ik me zorgen om — niet alleen als bestuurder, maar ook als ouder die zich afvraagt wat we onze kinderen straks nalaten. Die zorgen zijn niet uniek voor mij — dat realiseer ik me heel goed. Ook agrariërs leven al jaren met zorgen en onzekerheid. Er is een groeiend gevoel van klemzitten, van gebrek aan perspectief. De PAS-meldersproblematiek legt een enorme druk op boeren die wel vooruit wíllen, maar niet kunnen. En juist daarom hebben wij als provincie besloten om duurzame landbouw een volwaardige, vierde pijler van dit UPLG te maken.

Want de opgaven rond natuur, water en klimaat kúnnen niet zonder de landbouw — en al helemaal niet zonder de mensen die daarin dagelijks hun werk doen. De totstandkoming van dit UPLG was geen eenvoudige route. Drie jaar lang is er gesproken, gedemonstreerd, meegedacht en meebeslist. We hebben goed geluisterd naar zorgen, signalen, en verhalen die we hoorden op het erf, in de dorpen, uit de sector. We hebben heftige emoties gezien en gevoeld — op het Provinciehuis, maar bijvoorbeeld ook tijdens de protesten bij de Galgenwaard. En die geluiden zijn niet weggewuifd, maar meegewogen. Adviezen hebben we meegenomen en zijn, waar mogelijk, verwerkt. En daarmee is het niet af. Want als we willen dat dit programma slaagt, dan moeten we blijven luisteren, blijven uitleggen, en vooral: blijven samenwerken. Een gegarandeerde uitkomst kan ik niet geven, hoe graag ik dat ook zou willen. We leven in een snel veranderende wereld, waarin ook het Rijk regelmatig haar koers wijzigt. Toch blijven de doelen staan. Dit UPLG beschrijft hoe we, ondanks die onzekerheden, het Utrecht van de toekomst willen vormgeven. Niet iedereen zal zich in alle onderdelen herkennen, maar zolang er voor iedereen íets inzit en we op die basis samen aan de slag gaan, heb ik er alle vertrouwen in dat we de toekomst van ons landelijk gebied veilig kunnen stellen — stap voor stap, met heldere afspraken en concrete acties.

Voor nu én voor later. Voor onszelf en de generaties na ons. Net als bij de familie Dorrestijn. Mirjam Sterk Gedeputeerde Transitie Landelijk Gebied, Natuur en Landbouw, Groen Groeit Mee en Europa

3

Samenvatting Waarom het Utrechts Programma Landelijk Gebied? Er zijn provincies met prachtige open landschappen waar je heerlijk kunt fietsen in de lange leegte. En provincies met eindeloze bossen waar je in kunt verdwalen. Weer andere met knusse besloten landschappen met houtwallen en paadjes. En de provincie Utrecht heeft dat allemaal! Landschappelijk is Utrecht één van de meest afwisselende provincies van ons land. Hier in het hart van Nederland hebben we de prachtige veenweiden van het Groene Hart én de weidsheid van Eemland én de besloten bossen van de Heuvelrug én het rustieke rivierenlandschap van het Kromme Rijngebied én de bijzondere variatie in de Gelderse Vallei. Binnen deze landschappen kent Utrecht ook nog eens een gevarieerde en sterke landbouwsector die zorgt voor voedsel, werkgelegenheid en landschapsbeheer. We willen deze diversiteit aan landschappen met de bijbehorende rijke natuur goed beschermen. Zodat we het landelijk gebied op een goede manier kunnen doorgeven aan toekomstige generaties. Tegelijkertijd hebben we ook zorgen: in het landelijk gebied staat de kwaliteit van onze leefomgeving onder druk. Zo verarmt de natuur door te veel stikstof, heeft een groot deel van het veenweidegebied last van ernstige bodemdaling en uitstoot van CO 2 uit de bodem en is de waterkwaliteit op veel plekken niet op orde.

Het resultaat is dat de vergunningverlening stagneert, met grote gevolgen voor woningbouw, energietransitie en landbouw. Alleen als we de natuur kunnen herstellen en de waterkwaliteit kunnen verbeteren, ontstaat er weer ruimte om te ondernemen. Dan kunnen we weer vergunningen verlenen, agrariërs perspectief bieden, wegen en huizen bouwen en de provincie van het slot halen. Daar moeten we nú mee aan de slag. Dit is niet alleen onze provinciale ambitie, we zijn ook gebonden aan harde (inter-)nationale afspraken vanuit bijvoorbeeld Europese richtlijnen en het Klimaatakkoord.

Een sterk landelijk gebied Het Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) omvat beleid voor het landelijk gebied voor de komende tien jaar (2026 – 2035). Behoud en versterking van het landelijk gebied voor nu en voor toekomstige generaties, dat is het uitgangspunt. Dat is een ingewikkelde puzzel waarbij we verschillende belangen hebben moeten afwegen. Een centrale rol in het ontwerpprogramma is weggelegd voor de landbouw. De landbouwsector is de belangrijkste economische sector in het buitengebied en van oudsher ook de drager van het landschap. Een economisch rendabele en duurzame landbouw is voor de lange termijn de basis voor een gezond en leefbaar landelijk gebied.

Combineren en samenwerken Het Ontwerp-UPLG omvat vier grote thema’s: water en bodem, natuur, klimaat en landbouw. Wij hebben deze thema’s zoveel mogelijk gecombineerd. Het idee is dat maatregelen elkaar op die manier kunnen versterken en dat één plus één daardoor meer dan twee is. Deze integrale manier van werken vereist samenspraak en samenwerking. Een groot voordeel hierbij is dat we in Utrecht voortbouwen op een jarenlange traditie van samenwerking die wij dan ook als basis zien voor zowel de totstandkoming als de uitvoering van het UPLG.

Onze aanpak In het Ontwerp-UPLG beschrijven we per thema onze aanpak. Meestal bouwt dit voort op bestaand (inter)nationaal en provinciaal beleid. In enkele gevallen gaat het om nieuw beleid. De kern van onze aanpak hebben we beschreven in 17 'structurerende principes’, de richtingwijzers van onze aanpak. In figuur 1 zijn de structurerende principes weergegeven, verdeeld over de vier thema's.

4

Figuur 1. Overzicht van de structurerende principes verdeeld over de vier UPLG-thema’s

Landbouw Het behoud van een vitale landbouwsector vinden we als provincie essentieel. De landbouw is een onmisbare partner bij het produceren van voedsel en het verbeteren van de kwaliteit van het landelijk gebied. Alleen samen met de landbouw kunnen we werken aan de andere drie thema’s uit het UPLG. Daarbij maken we graag gebruik van de kennis, het vakmanschap, de innovatiekracht en de creativiteit van de sector. We willen toekomstbestendig boeren mogelijk maken door agrariërs en plattelandsinitiatieven die bijdragen aan verbetering van natuur, waterkwaliteit en klimaat te faciliteren en te belonen. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn de nadruk op eigen verantwoordelijkheid en ruimte voor ondernemerschap. Zo ontwikkelen we een ‘Ondernemersprogramma Landbouw’ dat helpt bij het maken van individuele keuzes om te komen tot een rendabele en duurzame bedrijfsvoering. Een ander voorbeeld is de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) die agrariërs door middel van doelsturing en kennisdeling helpt om stappen te zetten richting meer natuurinclusieve kringlooplandbouw. Daarnaast zijn er instrumenten beschikbaar om de verdeling in grondbezit te herschikken en om herwaardering van grond te realiseren. Een groep agrariërs die wij specifiek aandacht zullen blijven geven, zijn PAS-melders en interimmers die al jaren buiten hun schuld om zonder geldige vergunning werken.

Er zullen de komende periode meerdere subsidies worden opengesteld en we zijn betrokken bij verschillende pilots. Om de vergunningverlening weer op gang te krijgen, gaan we per 1 januari 2027 bovendien werken met een doelvoorschriftenvergunning. Dat is een vergunning die zich richt op ‘output’ (zoals uitstootbeperking van ammoniak) in plaats van ‘middelen’ (zoals stalmaatregelen en aantal dieren).

Natuur We werken in het UPLG op verschillende manieren aan het behoud en herstel van natuur en meer biodiversiteit. Juridisch gezien is het herstellen van de Natura 2000-gebieden het belangrijkst. Door de problematiek in deze gebieden zit de vergunningverlening momenteel immers ‘op slot’. In en rondom Natura 2000-gebieden gaan we daarom aan de slag met systeemherstel. Dit betekent dat we maatregelen willen nemen die de natuurlijke 5

processen in en rondom het gebied herstellen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het versterken van het bodem- en watersysteem, het onderling verbinden van natuurgebieden en het verlagen van de milieudruk. Dit is maatwerk per Natura 2000-gebied. Daarnaast zetten we in op uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het aanleggen van nieuwe bossen. Ook stimuleren we agroforestry en natuurinclusieve landbouw met kleinschalige landschapselementen en levendige sloten en oevers die als groenblauwe aders door het landschap lopen. In de open polders zal weidevogelbeheer centraal staan. Voor de realisatie van de NNN- en de Natura 2000-doelstellingen is het noodzakelijk dat sommige agrarische percelen van functie veranderen naar natuur. In het Ontwerp-UPLG staat welke percelen wij aanwijzen als ‘essentiële percelen natuur’.

Stikstof Voor natuurherstel in de Natura 2000-gebieden is het verlagen van de stikstofuitstoot cruciaal. Daarvoor stellen we een algemene aanpak en een gebiedsaanpak voor. Bij de algemene aanpak sturen we op een provinciale vermindering van de stikstofuitstoot in de landbouw van 46% in 2035 ten opzichte van 2019. Dat willen we op twee manieren realiseren: • Binnen de grondgebonden veehouderij kunnen agrariërs via voer- en managementmaatregelen de ammoniakuitstoot flink beperken. Dit kan gemeten worden via de combinatie van de hoeveelheid ureum in de melk en het aantal uren weidegang. Onder andere de Kringloopwijzer kan helpen bij het monitoren van de voortgang. Als deze aanpak op vrijwillige basis de komende jaren voldoende effect heeft, is het instellen van een algemene emissienorm – van maximaal 40-42 kg ammoniak per hectare per jaar vanaf 2035 – hoogstwaarschijnlijk niet nodig. Een besluit hierover wordt genomen in 2029 op basis van de peiljaren 2026, 2027 en 2028. Mocht dit wel nodig blijken, dan zal deze norm vanaf 1 januari 2030 ingaan. • Voor de niet-grondgebonden veehouderij - zoals legkippen, varkens en kalveren - hanteren we een emissienorm per dier in bestaande stallen. Om dit te bereiken, zijn stalinnovaties zoals luchtwassers noodzakelijk.

Aangezien veel stikstof dichtbij de bron neerdaalt, nemen we binnen de gebiedsaanpak verschillende maatregelen: • We stellen een stikstofzone voor van 250 meter rondom zes van de negen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden (het Habitatrichtlijndeel). Agrariërs mogen in deze zone slechts beperkt mest uitrijden en geen kunstmest gebruiken. Het betreft de volgende zes Natura 2000-gebieden: Binnenveld, Botshol, Lingegebied & Diefdijk Zuid, Oostelijke Vechtplassen, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Zouweboezem. • Bínnen alle negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (het Habitatrichtlijndeel) mag helemaal niet meer bemest worden, tenzij dit nodig is voor de natuur. • Voor alle negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt bovendien een maatwerkaanpak stalemissies. Bedrijven met grote stallen en veel vee zullen hun uitstoot verder moeten verlagen. Dit kan ook buiten de stikstofzone van 250 meter het geval zijn.

Water en bodem Voor het thema water en bodem richten we ons in het Ontwerp-UPLG allereerst op schoon water waarbij we te maken hebben met de Europese Kaderrichtlijn Water waar we in 2027 aan moeten voldoen. We verbeteren de waterkwaliteit door minder gebruik te maken van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en door sloten en oevers meer natuurvriendelijk in te richten en te beheren. We houden rekening met het veranderende klimaat door ervoor te zorgen dat we water vast kunnen houden voor tijden van droogte en door ruimte te reserveren voor de opvang van piekbuien. Verder werken we aan de beschikbaarheid van voldoende zoet water. In het ontwerpprogramma staan ook maatregelen waarmee we het grondwatersysteem weer meer in balans willen brengen, onder andere voor de Utrechtse Heuvelrug. Dat wil zeggen dat we op de hogere delen van de 6

Utrechtse Heuvelrug de grondwatervoorraad vergroten door ervoor te zorgen dat meer regenwater in de bodem kan infiltreren en dat dit op de flanken beter kan worden vastgehouden. In de beekdalen werken we aan systeemherstel door de afvoer van water te vertragen en de kwaliteit van het water te verbeteren. Dit doen we in samenhang met het realiseren van de natuuropgaven. Tot slot streven we naar een vitale bodem. We vinden het belangrijk om agrarische ondernemers en terreinbeherende organisaties te ondersteunen bij duurzaam bodembeheer en bodemvitaliteit mee te nemen in de gebiedsprocessen. Een gezonde bodem is beter in staat water vast te houden, is goed voor de natuur en is belangrijk voor de voedselproductie.

Klimaat Klimaatverandering leidt tot meer droogte en grotere wateroverlast. Met als gevolg schade aan de natuur, afname van de biodiversiteit en problemen in de landbouw. Het is en blijft daarom van groot belang om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Ongeveer een derde van de provincie Utrecht bestaat uit veengrond. Door oxidatie van het veen en inklinking van de veenbodem daalt de bodem op veel plekken tussen 2 mm en 10 mm per jaar en vindt er ongewenste uitstoot van koolstofdioxide (CO2) plaats. Om de uitstoot van CO2 te verminderen en de bodemdaling af te remmen, zetten we de aanpak uit de Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse Veenweiden uit 2022 voort in het UPLG. Dit betekent dat we doorgaan met de gebiedsgerichte aanpak die zich richt op het verhogen van grondwaterstanden. Op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten, voegen we ook kleidek-op-veengebieden aan deze opgave toe. Er is echter een behoorlijke versnelling van onze aanpak nodig om de (inter-)nationaal afgesproken klimaatdoelen tijdig te realiseren. In het veenweidegebied streven we daarom naar een gemiddelde grondwaterstand in de zomer van 40 cm onder het maaiveld. We blijven daarbij zoeken naar milieuvriendelijke vormen van waterinfiltratie en naar manieren om ruimtelijk beleid in te zetten om dit doel te bereiken.

Dit alles met de belangrijke randvoorwaarde van voldoende beschikbaarheid van zoet water. We realiseren ons dat bovenstaande een vereenvoudiging is van de praktijk. Door hoogteverschillen in het landschap kunnen sommige percelen bijvoorbeeld te nat worden. Het is daarom belangrijk hier op gebiedsniveau maatwerk aan te houden. Naast CO2 krijgt ook methaan onze aandacht. We verminderen methaanemissies uit veehouderij door mee te koppelen met andere opgaven en maatregelen, zoals het stimuleren van extensivering, innovatie en doelsturing. Dit gaan we monitoren.

Maatwerk per landschap De diversiteit aan landschappen vormt de basis van het Ontwerp-UPLG. We onderscheiden in Utrecht vijf grote landschappen: het Groene Hart, Eemland, de Utrechtse Heuvelrug, het Kromme Rijngebied en Schalkwijk en de Gelderse Vallei. Door op het niveau van de verschillende landschappen de structurerende principes samen te brengen, kunnen we opgaven en maatregelen elkaar laten ondersteunen en versterken. Niet alle thema’s en bijbehorende structurerende principes spelen overal. Hieronder geven we per landschap aan waar we de focus op aan willen brengen. Op uitvoeringsniveau is dit overigens altijd maatwerk per gebied. Een aantal generieke maatregelen, zoals de maatregelen rondom stikstof, gelden voor alle landschappen en worden niet apart benoemd.

7

Figuur 2. De vijf landschappen

Groene Hart ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Verminderen uitstoot broeikasgassen uit (kleidek-op-) veenbodems en afremmen bodemdaling Beter omgaan met te veel en te weinig water Verbeteren van de waterkwaliteit Herstel van de Natura 2000-gebieden Realisatie nieuwe natuur (NNN) Versterken en uitbreiden weidevogelgebieden Versterken en uitbreiden van groenblauwe dooradering Landbouw meer natuurinclusief en aangepast aan nattere omstandigheden

Eemland ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Verminderen uitstoot broeikasgassen uit (kleidek-op-) veenbodems Verbeteren van de waterkwaliteit Versterken en uitbreiden weidevogelgebieden Versterken en uitbreiden groenblauwe dooradering Landbouw meer natuurinclusief en aangepast aan nattere omstandigheden

Utrechtse Heuvelrug ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Hydrologisch systeem bestand maken tegen impact van droogte en wateroverlast Revitalisering van de bossen en aanleg nieuw bos op de flanken Herstel van kwelafhankelijke natuur op de flanken Herstel Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek en de Rijntakken Realisatie nieuwe natuur (NNN) op de flanken Versterken van de groenblauwe dooradering

Kromme Rijngebied en Schalkwijk ▪ ▪ ▪ ▪

Behoud van goede landbouwgebied Verbeteren van de waterkwaliteit Beter omgaan met te veel en te weinig water Versterken en uitbreiden van groenblauwe dooradering

Gelderse Vallei ▪ ▪ ▪

Verduurzaming van de intensieve veehouderij Beter omgaan met te veel en te weinig water (o.a. zoekgebieden waterberging) Versterken en uitbreiden groenblauwe dooradering 8

▪ ▪ ▪

Herstel van de beekdalsystemen, inclusief realisatie nieuwe natuur (NNN) Verbeteren van de waterkwaliteit Herstel Natura 2000-gebied Binnenveld

Aan de slag Bij de uitvoering van UPLG willen wij, net als in de afgelopen jaren, zoveel mogelijk gebruik maken van de kracht, kennis, betrokkenheid en energie in een gebied. Daarom zetten we de gebiedsgerichte aanpak voort waarin we werken op basis van openheid, vertrouwen en helderheid over de bewegingsruimte voor het gebied. Door de urgentie van een aantal opgaven is er op sommige onderdelen echter meer sturing noodzakelijk. Hierbij hanteren wij als filosofie ‘strak waar het moet, ruimte geven waar het kan’. We gaan voor kwaliteit in ons beleid en in de uitvoering. Maar we zijn ook realistisch: het is onmogelijk om overal met alle opgaven direct aan de slag te gaan. Het hoeft ook niet allemaal in één keer klaar te zijn. Voor sommige maatregelen is de termijn kort, andere maatregelen kunnen geleidelijk worden doorgevoerd. En er zijn ook nog maatregelen die verder moeten worden uitgewerkt. Daar hebben we vooral onze medeoverheden hard bij nodig. Met het wegvallen van een deel van de financiering vanuit het Rijk is de lange termijn financiering van het UPLG onzeker. Voor de eerstkomende jaren hebben we als provincie in totaal ongeveer €280 miljoen aan Rijksgeld gekregen voor het uitvoeren van maatregelen. Er is ook een groot aantal bestaande geldstromen die we kunnen gebruiken, zoals voor het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).

Ondertussen blijven we bij het Rijk aandringen op het beschikbaar stellen van aanvullende middelen. In het Ontwerp-UPLG benoemen we vier gebieden die prioriteit krijgen wanneer vanuit beperkte middelen keuzes gemaakt moeten worden. Het betreft: • Natura 2000-gebieden met overgangsgebieden • veenweidegebieden • beekdalen • Utrechtse Heuvelrug (inclusief het Langbroekerweteringgebied) Maar ook buiten deze gebieden zijn er volop mogelijkheden om aan de slag te gaan. Een deel van het geld dat we van het Rijk hebben gekregen voor de UPLG-maatregelpakketten is in de hele provincie inzetbaar. Denk bijvoorbeeld aan de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) en groenblauwe dooradering.

Utrecht gaat door Het opstellen van het Ontwerp-UPLG was geen eenvoudig traject. Drie jaar lang is er meegesproken, meegedacht en meebeslist. We hebben goed geluisterd naar zorgen, signalen en verhalen die we hoorden op het erf, in de dorpen en uit de landbouwsector. We hebben heftige emoties gezien en gevoeld op het Provinciehuis, maar bijvoorbeeld ook tijdens de protesten bij Galgenwaard. Die geluiden hebben we niet weggewuifd maar meegewogen. Adviezen zijn meegenomen en, waar mogelijk, verwerkt. Maar we zijn er nog niet. Want als we willen dat het UPLG slaagt, dan moeten we blijven luisteren, blijven uitleggen, en vooral: blijven samenwerken. In Utrecht zijn we trots op onze traditie van samenwerken in het landelijk gebied. Samen met partners, maatschappelijke organisaties en medeoverheden hebben we de afgelopen jaren veel bereikt als het gaat om het verbeteren van bijvoorbeeld de waterkwaliteit, uitbreiding van het NNN, de aanleg van groenblauwe dooradering en verduurzaming van de landbouw. Op basis van deze samenwerking willen we met het UPLG ook de volgende stappen zetten en een heldere koers kiezen. Want als de natuur herstelt en de waterkwaliteit verbetert, kunnen we weer vergunningen verlenen om agrariërs perspectief te bieden, wegen en huizen te bouwen en de provincie van het slot te halen. Samen voor een sterk landelijk gebied.

Samen voor een provincie waar huidige en toekomstige generaties goed en gezond kunnen wonen, werken en recreëren.

9

1. Inleiding 1.1 Samenwerken aan een vitaal landelijk gebied in Utrecht Ons landelijk gebied - van de polders in het westen via de Heuvelrug en het rivierenland tot de Gelderse Vallei in het oosten - is enorm waardevol. Daarom willen we onze rijke natuur en het afwisselende landschap beschermen zodat we het op een goede manier door kunnen geven aan toekomstige generaties. Maar er zijn ook zorgen: de natuur gaat achteruit, nog steeds verdwijnen er planten en dieren en de waterkwaliteit is niet op orde. Ook de landbouw zit klem en kan zich niet ontwikkelen omdat geen vergunningen kunnen worden verleend. Dat geldt ook voor andere sectoren zoals woningbouw en de energietransitie. Als we de natuur herstellen en de waterkwaliteit verbeteren, ontstaat weer ruimte om te ondernemen. Daar moeten we nú mee aan de slag. Stilstand is achteruitgang, daarom pakt de provincie Utrecht door. Met het Utrechts Programma Landelijk Gebied pakken we de (inter)nationaal afgesproken doelen op het gebied van 1) bodem & water, 2) natuur en 3) klimaat in onderlinge samenhang op. De ontwikkelingen naar een duurzame toekomstbestendige landbouw nemen we in dit plan als vierde thema volwaardig mee. Bij het herstellen van de natuur, het verbeteren van de waterkwaliteit en alle andere opgaven in het landelijk gebied heeft de agrarische sector immers een belangrijke rol.

Een duurzame en toekomstbestendige landbouw is onmisbaar voor de toekomst van ons landelijk gebied. De voorgeschiedenis Het opstellen van dit UPLG is eind 2022 gestart als uitwerking van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). De opdracht van het Rijk aan de provincies was destijds om in een Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG) aan te geven hoe de (inter)nationaal afgesproken doelen op het gebied van bodem en water, natuur en klimaat in onderlinge samenhang worden aangepakt. Op 5 juli 2023 is het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) samen met zes maatregelpakketten in concept ingediend bij het Rijk. Aanvankelijk zou het UPLG een nadere uitwerking zijn van het Nationaal Programma Landelijk gebied (NPLG), zoals iedere provincie dat zou doen. Met de komst van het – inmiddels demissionaire kabinet Schoof is dit NPLG en het daarbij behorende Transitiefonds Landelijk Gebied echter vervallen. Voor de ingediende maatregelpakketten zijn gelukkig wel rijksmiddelen beschikbaar gekomen, voor Utrecht in totaal 282,7 miljoen Euro. Dit bedrag bestaat uit 249,5 miljoen Euro uit het NPLG-traject en 33,2 miljoen Euro uit traject Programma Natuur-fase 2. Veranderde context In november 2024 heeft de regering in een Kamerbrief de contouren van een nieuwe aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN) geschetst.

Het demissionaire kabinet committeert zich ook bij deze nieuwe aanpak aan de (inter)nationaal afgesproken doelen, maar legt nieuwe accenten. Doelsturing voor individuele bedrijven staat centraal bij het behalen van milieu- en klimaatdoelen. Voor het oplossen van de stikstofproblematiek heeft het kabinet tegen deze achtergrond in april 2025 het ‘Startpakket’ vastgesteld dat Nederland ‘van het slot’ moet halen. Kern van het pakket is dat extra geld beschikbaar komt voor de versnelling van eerder in gang gezette maatregelen. Ook wordt een aanpassing van het vergunningstelsel en de aanpak via doelsturing aangekondigd. Dit pakket is echter onvoldoende om Nederland van het slot te halen. Dit blijkt uit verschillende reacties en ook uit een advies van de landsadvocaat dat samen met de brief van de Minister is gepubliceerd. Meer is nodig om op een geborgde manier de natuur in de Natura 2000-gebieden te herstellen. Verder met het UPLG Wat niet is veranderd, is de inhoudelijke context van het UPLG. De opgaven waar we voor staan zijn nog steeds immens en kunnen geen uitstel gebruiken. Ook de agrarische sector heeft binnen deze context houvast nodig en perspectief voor de toekomst. Daarom hebben we in Utrecht besloten om wél door te gaan met het UPLG, met oog voor de veranderde context.

We bouwen verder op de vele inspanningen van de afgelopen jaren en de resultaten die we daarbij samen met onze gebiedspartners (medeoverheden en maatschappelijke organisaties) hebben geboekt. Zodat er continuïteit in beleid is en duidelijkheid en zekerheid voor boeren, burgers en bedrijven.

10

Op 26 september 2025 is de Ontwerp Nota Ruimte aan de Tweede Kamer aangeboden. Het ontwerp ligt vanaf 6 oktober t/m 15 december ter inzage. De Ontwerp Nota ruimte gaat o.a. in op de noodzaak om te voldoen aan internationale wet- en regelgeving. Hierin zitten meerdere haakjes ter ondersteuning van de doelen en structurerende keuzen van het UPLG. Denk bijvoorbeeld aan herstel van het water- en bodemsysteem, versterken van robuuste ecologische verbindingen, aanpak veenweiden en integrale aanpak van beekdalen. Doelen op basis van (inter)nationale afspraken De (inter)nationaal afgesproken doelen op het gebied van water, natuur en klimaat staan aan de basis van dit UPLG. Ze zijn vastgelegd in onze nationale wet- en regelgeving, of in harde bestuurlijke afspraken. De termijn voor de realisatie van de verschillende doelen is zeer verschillend: sommige doelen moeten al in 2027 zijn gerealiseerd, voor andere gelden streefdata als 2030, 2035, 2040 of 2050. Het niet realiseren van een aantal doelen kan op korte termijn tot juridische consequenties leiden, of heeft dat al. Deze doelen hebben daarom binnen dit UPLG de allerhoogste prioriteit, zoals het op orde krijgen van de Natura 2000-gebieden. Dit is uiteraard nodig voor het natuurherstel, maar ook om de vergunningverlening weer op gang te krijgen. Daarnaast zijn ook de KRW-doelen op korte termijn zeer dringend.

We hebben hier te maken met internationale verplichtingen waar we in 2027 al aan moeten voldoen. Opgaven in samenhang oppakken De meeste opgaven zijn niet nieuw. Op onderdelen zijn we al jaren bezig, zoals de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de maatregelen die zijn gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit. Ook de landbouwtransitie is al langer gaande. De opgaven op het gebied van natuur, water, klimaat en landbouw zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een belangrijke meerwaarde van het UPLG is dan ook dat de opgaven in samenhang met elkaar en gebiedsgericht worden opgepakt. Hierdoor ontstaan nieuwe mogelijkheden. Dit maatwerk kan ontstaan via een gebiedsgerichte aanpak, in nauw overleg met de grondeigenaren en betrokken organisaties. Dit Ontwerp-UPLG beschrijft de richting die wij willen opgaan en onze aanpak om daar te komen. De opgaven die voor ons liggen zijn talrijk en ingrijpend, stilstaan is geen optie. Met de middelen die wél beschikbaar zijn, kunnen we aan de slag en zijn we ook al mee aan de slag. De goede samenwerking met onze gebiedspartners zetten we hierbij graag voort. Urgentie van het stikstofdossier Wat betreft vergunningverlening zit Nederland - en ook de provincie Utrecht - grotendeels op slot.

Dit als gevolg van de Raad van State uitspraak van 29 mei 2019 waarin de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) onverbindend werd verklaard. Recente Raad van State uitspraken over intern salderen (december 2024) benadrukken nogmaals de urgentie en de onontkoombaarheid om tot substantiële reductie van stikstofemissies te komen. Daarnaast is het Rijk door de Rechtbank Den Haag in de Greenpeacezaak gesommeerd om de depositie op habitattypen van de Urgente Lijst al in 2030 onder de KDW te brengen. Een oplossing voor het stikstofvraagstuk is randvoorwaardelijk om de natuur te herstellen, maar ook om de vergunningverlening voor PAS-melders en andere (agrarische) ondernemers en voor allerlei andere urgente maatschappelijke ontwikkelingen (zoals woningbouw en energietransitie) weer op gang te brengen. Een geborgd natuurherstel is ook nodig om als bevoegd gezag weerbaar te zijn tegen intrekkings- en handhavingsverzoeken. Omdat een aanzienlijk deel van de deposities op Utrechtse Natura 2000-gebieden van buiten de eigen provincie komen, kunnen we het benodigde natuurherstel niet bereiken zonder aanpak in andere provincies en/of door het Rijk. We kunnen het niet alleen Het vraagt flinke inspanningen om deze vraagstukken op te lossen. We kunnen dat als provincie niet alleen. We moeten het samen doen.

We hebben onze mede-overheden, en ook maatschappelijke partners, grondeigenaren en het bedrijfsleven nodig. Wij hebben allen onze bijdrage te leveren vanuit onze eigen kennis, rol en verantwoordelijkheid. Ook van de zijde van het Rijk is een stevige inzet nodig. Allereest vraagt de materie om een consistent en consequent rijksbeleid gericht op het realiseren van de doelen. Daarnaast vergt het overzichtelijke wet- en regelgeving, adequaat instrumentarium en voldoende financiële middelen, ook voor de lange termijn. 11

Het is onwaarschijnlijk dat we met alleen de maatregelen uit het -UPLG voldoende natuurherstel in alle Natura 2000-gebieden kunnen bereiken voor 2035. Wat stikstof betreft kunnen we naar verwachting niet in alle gevallen voldoen aan de zogeheten additionaliteitsvereiste voor vergunningverlening. Met het UPLG leveren wij wél onze proportionele bijdrage aan het natuurherstel. Dit zal ertoe leiden dat we deels van het vergunningenslot raken; maar dit zal niet overal het geval zijn. Z0nder een adequaat rijksbeleid kunnen we met alleen de maatregelen uit dit UPLG Utrecht niet overal ‘van het slot halen’. Toch gaan we door, om alvast belangrijke stappen in de goede richting te zetten en in de verwachting dat het Rijk en buurprovincies nog met aanvullend beleid komen.

1.2 Status en planperiode Planperiode en actualisatie/ evaluatie van het UPLG De planperiode voor het UPLG is de periode 2026 tot en met 2035. We kiezen voor deze doorlooptijd van 10 jaar, omdat dit een termijn is waar de meeste UPLG-doeljaren binnen vallen. Dit laat onverlet dat een aantal doelen eerder moet worden gerealiseerd. Het UPLG zal iedere vier jaar worden geactualiseerd en bijgesteld op basis van evaluaties. In 2028 is een eerste evaluatie van het UPLG voorzien. Deze evaluatie zal worden uitgevoerd op basis van te zijner tijd vast te stellen ‘evaluatietermen’. Relatie met de Omgevingswet en de Omgevingsvisie Dit UPLG is geen losstaand plan. Het is een programma onder de Omgevingswet. Dit betekent onder meer dat het programma wordt gepubliceerd in het omgevingsloket (Digitaal Stelsel Omgevingswet) en GS het programma eerst in ontwerp vaststellen en iedereen gelegenheid heeft tot het indienen van zienswijzen op het ontwerp. In 2026 worden de gewijzigde provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening vastgesteld. Het UPLG en de lopende wijziging van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening zijn in nauwe onderlinge afstemming tot stand gekomen. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid, in het UPLG wordt dit beleid verder uitgewerkt. De Omgevingsverordening wordt onder meer gewijzigd om het behalen van de doelen van het UPLG te ondersteunen.

Het UPLG is een beleidsprogramma, met veel aandacht voor de verbinding naar de uitvoering. Op onderdelen is het een beleidsmatige uitwerking van de Omgevingsvisie, anderzijds bevat het concrete maatregelen voor het realiseren van de doelen. Het zit daardoor op het grensvlak van beleid en uitvoering. Een programma onder de Omgevingswet is zelfbindend. We hebben de uitdrukkelijke wens om de doelen in samenwerking te halen met de mede-overheden, waarbij ieder zijn eigen taken en verantwoordelijkheden heeft en ook eigen instrumenten. Het UPLG bevat niet alleen nieuw beleid, het bundelt ook bestaand beleid dat in eerdere trajecten is vastgesteld. Kaders meegegeven door PS Dit Ontwerp-UPLG is conform de Omgevingswet door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Het maatschappelijk belang van het programma is groot en wij hechten zeer aan de zienswijze van Provinciale Staten. Het Ontwerpprogramma is dan ook samen met de Plan MER in november 2025 ter consultatie aan PS aangeboden. Provinciale Staten zijn tussentijds ook met grote regelmaat betrokken, onder meer via het vaststellen van de kaders. Zo is op 26 juni 2024 de Kaderstellende Notitie voor het Utrechts Programma Landelijk Gebied vastgesteld door Provinciale Staten.

Met deze notitie is de volgende ambitie voor het UPLG vastgesteld: ‘We zetten met onze gebiedsgerichte aanpak samen met onze partners de komende jaren in op een ontwikkeling naar een vitaal, toekomstbestendig, circulair, natuurinclusief en klimaatneutraal landelijk gebied waar de grote opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat zijn gerealiseerd en waar toekomstperspectief voor de landbouw wordt geboden’. Als uitwerking van deze ambitie zijn door Provinciale Staten tien kaders meegegeven voor het UPLG. Raakvlakken met andere programma’s Het UPLG staat niet op zichzelf. De provincie Utrecht werkt samen met haar gebiedspartners in het landelijk gebied aan grote provinciale opgaven, breder dan de UPLG-opgaven. Daarmee raakt het UPLG aan veel andere (in ontwikkeling zijnde) provinciale programma’s, zoals bijvoorbeeld de Visie Landbouw en Voedsel en bijbehorend uitvoeringsprogramma, het Beleidsprogramma Natuur, Strategisch Bosbeleid, het Bodem- en Waterprogramma, het Impulsprogramma Kaderrichtlijn Water, het provinciale programma klimaatadaptatie en het programma Groen Groeit Mee. Ook stuurt het in de invulling van de actualisatie van de Natura 2000-beheerplannen. Figuur 3 geeft een beeld bij de vele andere provinciale programma’s, projecten en beleidsontwikkelingen waar het UPLG aan raakt. 12

Figuur 3. Provinciale programma’s, projecten en beleidsontwikkelingen waar het UPLG aan raakt. Dit overzicht is niet uitputtend. N.B. Dit figuur is gebaseerd op de Omgevingsvisie 2021, bij de aankomende wijziging van de Omgevingsvisie zullen een aantal thema’s van naam en indeling veranderen. Uitvoering Het UPLG is een belangrijk sturend document voor de uitvoering van ons beleid in het landelijk gebied, waarbij we werken op basis van een gebiedsgerichte aanpak, in afstemming met de andere relevante thema’s die buiten de scope van het UPLG vallen. Dit betekent dat het onder andere zijn doorwerking zal hebben in de uitvoeringsagenda’s die voor de negen deelgebieden binnen de provincie worden opgesteld (zie hoofdstuk 5) en de uitvoering in de gebiedsprocessen.

1.3 Milieueffectrapportage (MER) Gelijktijdig met het opstellen van het ontwerp-UPLG is door een ingenieursbureau in opdracht van de provincie een Milieueffectrapportage (MER) opgesteld. Het doel hiervan is tweeledig: • inzichtelijk maken van de effecten van het UPLG-beleid en de bijbehorende maatregelen op de leefomgeving; • nagaan of het voorgestelde beleid bijdraagt aan het halen van de gestelde doelen. Omdat het UPLG een programma is onder de Omgevingswet, vormt het kader voor enkele mer-plichtige activiteiten uit het Omgevingsbesluit, zoals aanleg van nieuw bos en de herinrichting van het landelijk gebied. Het opstellen van een strategisch milieueffectrapport (planMER)) is in dat geval verplicht, omdat het beleid uit het UPLG nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Als eerste stap in de mer-procedure is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) PlanMER-UPLG opgesteld. De NRD beschrijft de werkwijze van de PlanMER en doet een aanzet tot de alternatieven die opgesteld zullen worden. Deze NRD heeft in juni-juli 2024 ter inzage gelegen. In totaal zijn er acht zienswijzen op ingediend. De NRD is tezamen met een Nota van Beantwoording op 28-1-2025 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. 13

Omdat in de NRD geconcludeerd is dat het beleid van het UPLG ook kan leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, is tegelijkertijd met het MER ook een Passende Beoordeling voor deze gebieden uitgevoerd. Hierin worden de mogelijke effecten van het nieuwe beleid op de Natura 2000-gebieden in beeld gebracht. Het MER geeft de (milieu)-informatie die nodig is om een besluit te nemen over de vaststelling van het UPLG. Een besluit waarbij de milieubelangen op basis van het MER volwaardig zijn meegewogen. De beoordeling biedt inzicht in welke keuzes het meest gunstig zijn vanuit milieuoogpunt. In MER-termen: het ‘Meest Milieuvriendelijke Alternatief (MMA)’. Op basis hiervan zijn aanbevelingen gedaan voor het op te stellen UPLG. Het Ontwerp-UPLG is in MER-termen het Voorkeursalternatief (VKA). Het MER richt zich op nieuw beleid. Bestaand beleid wordt in principe niet beoordeeld. In het MER is niet alleen gekeken naar de gevolgen van het nieuwe beleid uit het UPLG voor het milieu, maar ook naar andere aspecten van de leefomgeving, zoals landbouw, gezondheid en dierenwelzijn. Het MER is vooral op regionaal en provinciaal niveau uitgewerkt. Vanwege het abstractieniveau van het UPLG heeft de MER zich beperkt tot een kwalitatieve beoordeling, gebaseerd op deskundigenoordeel.

Doordat het MER en het Ontwerp-UPLG gelijktijdig en interactief zijn opgesteld, zijn de aanbevelingen vanuit het MER grotendeels meegenomen in het Ontwerp-UPLG. Zie verder het “PlanMER Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG)” in Bijlage XII.

1.4 Participatie Onze partners bij de uitvoering zijn waterschappen, gemeenten, landbouw0rganisaties en natuurorganisaties. Zij hebben op verschillende momenten tijdens de totstandkoming van het concept-UPLG hun ideeën, meningen en zorgen kunnen delen. Er zijn hackathons, bestuurlijke overleggen, webinars en informatieavonden georganiseerd en we hebben input ontvangen van het Rijk en van verschillende kennisinstellingen. Daarnaast heeft een informele schriftelijke reactieronde in het najaar van 2023 geresulteerd in ruim 150 reacties. Deze zijn behandeld in de Reactienota. Nadat in de zomer van 2024 duidelijk werd dat het NPLG en bijbehorend Transitiefonds werden stopgezet, zijn de teksten grondiger herzien en nogmaals besproken met onze gebiedspartners. Dit is gebeurd via een ambtelijk deskundigenteam en verschillende bestuurlijke overleggen in groter en kleiner verband. In de eerste helft van 2025 zijn conceptteksten gedeeld en besproken met onze partners en is hier nog input op meegegeven. Het proces met de verschillende participatiemomenten is weergegeven in figuur 4.

Figuur 4. Totstandkoming UPLG via participatie

14

1.5 Structuur en leeswijzer Dit rapport volgt een structuur die bestaat uit vier stappen, namelijk: Stap 1) het benoemen van de doelen, Stap 2) het uitwerken daarvan in structurerende principes, Stap 3) de doorwerking in de Utrechtse landschappen en Stap 4) de uitvoering. Ter toelichting het volgende (zie ook figuur 5). Stap 1. Doelen De doelen van het UPLG komen voort uit (inter)nationale wet- en regelgeving en harde bestuurlijke afspraken. Een enkele keer hanteren we ook doelen die niet wettelijk zijn vastgelegd, maar die wel nodig zijn om de wettelijke doelen te halen. Dit hoofdstuk trekt hiermee de buitenlijnen van het speelveld, daarbinnen is er bewegingsruimte. Stap 2. Structurerende principes De tweede stap die we in dit UPLG maken (hoofdstuk 3), betreft het vaststellen van een aantal structurerende principes. Structurerende principes dienen als ‘richtingaanwijzer’ voor de (ruimtelijke) keuzes die op gebiedsniveau moeten worden gemaakt. Dit betreft dus Utrechts provinciaal beleid om bij te dragen aan de doelen die in hoofdstuk 2 zijn weergegeven. De structurerende principes zijn soms van toepassing op de hele provincie, andere zijn alleen van toepassing op specifieke gebieden. Doelen en structurerende principes liggen in elkaars verlengde. Daarom wordt ook bij ieder structurerend principe toegelicht welke doelen hiermee nader worden ingevuld. Stap 3.

Doorwerking in de landschappen De derde stap die we maken (hoofdstuk 4) is die naar de concrete betekenis van de opgaven en structurerende principes voor de verschillende Utrechtse landschappen. Utrecht kent vijf verschillende landschappen en dat vergt maatwerk. Per landschap wordt eerst aangegeven welke opgaven hier het meest specifiek zijn, om deze vervolgens te vertalen in een lange termijn-ontwikkelrichting (gericht op 2050), gevolgd door de structurerende principes die het meest specifiek zijn voor dat landschap en concrete maatregelen waar we al snel mee aan de slag kunnen. Stap 4. Uitvoering Het vierde en laatste ingrediënt dat aan deze bestuurlijke strategie wordt toegevoegd, is die van de uitvoering. In dit hoofdstuk beschrijven we de gebiedsgerichte aanpak, de governance, prioritering, het instrumentarium, de financiën en monitoring/evaluatie.

Figuur 5. Structuur van het UPLG

15

2. De opgaven en doelen 2.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de opgaven en doelen die aan de basis staan van dit UPLG. Deze zijn gebaseerd op de belangrijkste (inter)nationale opgaven op het gebied van water, bodem, natuur en klimaat. Door te werken aan deze doelen dragen we via het UPLG bij aan de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, een klimaatbestendig water- en bodemsysteem, vitale bodems, en herstel en uitbreiding van onze natuur. Deze zaken zijn noodzakelijk om het landelijk gebied verder te kunnen ontwikkelen voor toekomstige generaties De landbouw heeft een sleutelrol in het halen van veel UPLG-doelen. Deze rol kan zij alleen vervullen als ook perspectief wordt geboden aan de sector: een duurzame bedrijfsvoering met voldoende verdienvermogen. Daarom voegen we in het UPLG ‘perspectief voor de landbouw’ als vierde pijler toe. Dit sluit aan bij het doel zoals dat wordt opgenomen in de gewijzigde provinciale Omgevingsvisie 2026: ‘we streven naar een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en dierwaardig zijn (kringlooplandbouw) en dicht bij de inwoners staan (2050).’ In figuur 6 zijn de UPLG-doelen uitgezet in de tijd. Dit figuur laat zien dat sommige doelen al binnen enkele jaren gerealiseerd moeten worden. Zie bijvoorbeeld de KRW-doelen (2027) en de afronding van de NNN (2027).

Deze hebben uiteraard al een lange aanlooptijd, we zijn er al jaren mee bezig. Andere doelen liggen verder weg, in 2030 of 2035. De planperiode van dit UPLG is 2026 tot en met 2035, maar er wordt ook een doorkijkje gegeven naar 2050. De lange termijn doelen zijn immers belangrijk als stip op de horizon, ze geven aan waar we uiteindelijk uit moeten komen.

Figuur 6. Overzicht UPLG-doelen uitgezet in de tijd

2.2 Hardheid van de doelen In de gebiedsprocessen wordt vaak gevraagd welke doelen ‘hard’ en urgent zijn, welke ruimte ze bieden voor maatwerk en welke doelen prioriteit krijgen boven anderen andere doelen vanwege hun juridische status en urgentie. Zoals uit onderstaande toelichting blijkt, is slechts globaal aan te geven welke verplichting ‘harder’ is dan een andere verplichting. Dit heeft te maken met de aard van de verplichting. Zo is er onderscheid wanneer een verplichting gebaseerd is op wetgeving of wanneer deze gebaseerd is op politieke afspraken. Juridisch gezien is de verplichting gebaseerd op wetgeving harder, maar bestuurlijk gezien kan een politieke afspraak ook hard zijn. Daarnaast kan de hardheid van een verplichting afhankelijk zijn van de gevolgen in brede zin: juridisch, politiek, financieel maar ook maatschappelijk. Uiteindelijk zal bij de politieke besluitvorming over het prioriteren van doelen, niet alleen de juridische hardheid van een verplichting de richting bepalen, maar zullen ook andere overwegingen een belangrijke rol spelen. 16

Om hier enige duiding te geven, wordt in onderstaand schema weergegeven wat de belangrijkste verplichtingen zijn op Europees niveau en hoe deze doorwerken in nationale wetgeving en provinciaal beleid. Daarbij geldt nadrukkelijk bovenstaande kanttekening dat verschillende overwegingen een rol spelen in de uiteindelijke besluitvorming. Uit dit schema kan daarom niet de conclusie worden getrokken dat een doel dat vanuit beleid komt ‘minder van belang’ is dan een doel dat uit de wet volgt. Beleid is in veel gevallen noodzakelijk om een bepaald doel te bereiken en kan nodig zijn om aan verplichtingen te voldoen. Europees niveau Kaderrichtlijn Water (KRW) Nitraatrichtlijn Europese Natuurherstelverordening (NHV) Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)

Europese bodemmonitoringsrichtlijn Europese klimaatwet (verordening)

Omgezet in nationale wetgeving Richtlijn geïmplementeerd in Omgevingswet Richtlijn geïmplementeerd in Meststoffenwet Rechtstreeks werkend en maatregelen worden uitgewerkt in een Nationaal Natuurplan Richtlijn geïmplementeerd in Omgevingswet

Richtlijn, momenteel nog niet van kracht/geïmplementeerd Rechtstreeks werkend en via Klimaatwet

Doorwerking in provinciaal beleid KRW, water en bodem Nitraat Een bijdrage op provinciaal niveau aan het Nationaal Natuurplan Natura 2000-gebieden, NNN, Groene Contour, GBDA, soortenbescherming flora en fauna Strategisch bosbeleid, emissies broeikasgassen veenbodems, bodemdaling, CO2 opslag

Tabel 1. Juridische grondslag van de verschillende doelen

2.3 Grootste urgentie Het niet realiseren van een aantal doelen kan op korte termijn juridische consequenties krijgen, of heeft dat al. Het realiseren van onderstaande doelen heeft binnen dit UPLG daarom de allerhoogste prioriteit. ▪

▪

Natuurherstel in de Natura 2000-gebieden: De grootste urgentie ligt bij het op orde krijgen van de Natura 2000-gebieden. Dit is nodig voor natuurherstel en om de vergunningverlening weer op gang te krijgen. Dit betekent dat we urgent aan de slag moeten met de herstelmaatregelen in en rondom deze gebieden met als doel de kwetsbare soorten en habitats weer in een Gunstige Staat van instandhouding te brengen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het terugdringen van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. De KRW-doelen. We moeten alles op alles zetten om deze doelen zo goed mogelijk te realiseren. Wat we hierbij voor ogen houden is dat de primaire verantwoordelijkheid en de realisatiestrategie voor de KRW wat betreft de oppervlaktewateren niet via het UPLG loopt. Die loopt via het Rijk, de stoomgebieden en de formele lijn richting EU. Het UPLG verbindt opgaven op provinciaal niveau, draagt bij aan de restopgave voor nutriënten, gewasbescherming en hydrologie en is daarmee wel een onmisbare schakel. Wij zetten ons daarom via de extra acties en maatregelen zoals beschreven in het provinciale Uitvoeringsprogramma Impuls KRW 2025-2027 maximaal in om de KRW-doelen te realiseren.

17

2.4 Samenvattende tabel UPLG-doelen Tabel 2 hierna geeft weer wat de doelen precies zijn (waar mogelijk kwantitatief) met daarbij het doeljaar en de restopgave. De restopgave laat zien welke afstand er nog is tot het te realiseren doel. Dit is indicatief en soms zijn de gegevens (nog) niet beschikbaar (in dat geval weergegeven als een streepje). De provincie Utrecht is gecommitteerd aan de wettelijke doelstellingen. Mochten die na publicatie van het UPLG wijzigen, zullen we daarin meegaan. Een uitgebreide toelichting op de doelen is te vinden in bijlage II (Doelen en opgaven). Daarnaast is ook toelichting te vinden in Bijlage V (Natuurarealen VHR) en Bijlage VI (Strategisch bosbeleid). Opgave Water en Bodem

KRW: grond- en oppervlaktewater

KRW: Natura 2000-gebieden

Klimaatbestendig bodem- en watersysteem

Vitale bodem

Provinciaal doel Voldoen aan de KRW-doelen voor oppervlaktewaterlichamen en voor grondwaterlichamen: ▪ Oppervlaktewaterlichamen: normen/ doelen met resultaatverplichting op het gebied van nutriënten (fosfor en stikstof), biologie (waterplanten, fytoplankton, macrofauna en vis), gewasbeschermingsmiddelen en metalen ▪ Grondwaterlichamen: normen/ doelen met resultaatverplichting voor chemische kwaliteit en waterkwantiteit. ▪ Overige wateren: inspanningsverplichting doelen waterplanten. Hydrologische condities voor (grondwaterafhankelijke) Natura 2000-gebieden moeten op systeemniveau in orde zijn voor Gunstige Staat van Instandhouding van de kwetsbare soorten en habitats. Een volledig gerealiseerde waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting van het landelijk gebied in verband met opvangen weersextremen, zowel droogte als piekbuien. Onderdeel hiervan is een duurzame inpassing van drinkwaterwinningen. Gezonde bodems in 2050. Bodem- en Waterprogramma 20222027 provincie Utrecht: ▪ Bijdragen aan een verbeterde sponswerking van de bodem, zodat deze meer water vasthoudt en de vochtlevering in

Termijn

Restopgave

2027

De restopgave verschilt per doel. Zie de kaarten en toelichting in de KRW-bijlage

2027

2050

De hydrologische condities verschillen per Natura 2000gebieden. Bij veel Natura 2000gebieden zijn maatregelen nodig.

Doelstelling is kwalitatief, restopgave niet aan te geven.

2050

Doelstelling is kwalitatief, restopgave niet aan te geven.

2027 18

▪

droge tijden verbetert. Een vitale bodem in bosgebieden tot stand brengen door de verzuring van de zandgronden af te remmen en een gevarieerder bos te realiseren.

Natuur

Natura 2000gebieden

VHRareaalopgave (extra arealen t.o.v. ijkjaar 2019) VHRareaalopgave (extra arealen t.o.v. ijkjaar 2019) VHRherstelopgave (binnen bestaande natuur) VHRherstelopgave (binnen bestaande natuur)

Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelen waarmee we bijdragen aan de Gunstige Staat van Instandhouding (GSvI) op landelijk niveau Deze doelen verschillen per Natura 2000-gebied en staan benoemd in de aanwijzingsbesluiten.

Verslechterings -verbod: Nu Instandhouding s-doelen: 2030

Er is voor veel habitats sprake van verslechtering ten opzichte van de referentiedatum (dit is de datum van plaatsing op communautaire lijst door de Europese Commissie).

848 ha natuur en 14.160 ha agrarische natuur voor 30% van benodigd oppervlakte voor een GSvI

2030

647 ha natuur en 10.600 ha agrarische natuur

Ruim 2800 ha natuur en ruim 47.000 ha agrarische natuur voor 100% van benodigd oppervlakte voor een GSvI.

2050

Bijna 2.500 ha natuur en ruim 43.000 ha agrarische natuur

Herstelmaatregelen op 111 ha in bestaande natuur

2030

111

Herstelmaatregelen op 367 ha tussen 2030-2050.

2050

367 ha

Reductie stikstofemissie (de deken)

Emissiereductie (stal en veld) stikstof van 2.359 ton NH3. Dit staat gelijk aan 46% reductie van stikstofemissies

2035 (referentie-jaar 2019)

Tussen 2019 en 2025 is er al 10%-14% gereduceerd op de stikstofemissies in Utrecht. Daarmee komt de restopgave op ca 34%.

Reductie stikstofdepositie (KDW-normen)

50% van het areaal met stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden in Nederland moet in 2030 onder de kritische depositiewaarde en 74% in 2035

2030/2035

Restopgave verschilt per Natura 2000-gebied (zie bijlage Natura 2000-gebieden) 1784 ha nieuwe natuur, waarvan 507 ha nu nog een agrarische functie heeft. 1277 ha is al wel van functie veranderd maar moet nog worden ingericht (stand van zaken 1-1-2025).

2900 ha

Natuurnetwerk Nederland

4.381 ha nieuwe natuur

2027 (peiljaar 2011, incl. Vijfheerenlanden)

Groene Contour

3000 ha nieuwe natuur (waarvan 500ha aan zwevende Groene Contour, dat wil zeggen dat de locatie ervan nog niet is vastgelegd in de Omgevingsverordening.

2040 (peiljaar 2011)

19

Bos Bos Groenblauwe dooradering (GBDA)

Groenblauwe dooradering (GBDA)

1500 ha nieuw bos, waarvan 1000 ha binnen het NNN en Groene Contour en 500 ha daarbuiten. Revitalisering bestaande bossen 10% van het areaal landelijk gebied (= ca. 8000 ha)

Helft van de restopgave (helft van 5600ha = 2800 ha).

2040 (peiljaar 2021)

1405 ha, waarvan 976 binnen het NNN en 429 daarbuiten.

2040 2050

7% van het areaal, ofwel ca. 5600 ha

2030 (peiljaar 2023)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16491644/1