CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Informatienota beantwoording technische raadsvragen herziening APV 2022

Commissie Algemeen Bestuurlijke Zaken Financiën 11 november 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Integrale herziening Algemene Plaatselijke Verordening De Ronde Venen, raadsvoorstel 62/21 (21.00 uur)1.788 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Informatienota raad AAN DATUM ORGANISATIEONDERDEEL PORTEFEUILLEHOUDER BEHANDELEND AMBTENAAR

TOESTELNUMMER

de gemeenteraad 2 november 2021 DV Maarten Divendal Anita Hubers / Marjolijn Beems 29 1768 / 55 1547

REGISTRATIENUMMER TER INZAGE BIJLAGE(N)

Onderwerp Technische vragen Raadsvoorstel herziening Algemene Plaatselijke Verordening De Ronde Venen 2022

Waarom naar de raad Ter beantwoording van de gestelde technische vragen naar aanleiding van het raadsvoorstel over de herziening van de Algemene Plaatselijke Verordening De Ronde Venen 2022 (hierna: APV 2022).

Inleiding In het kader van de herziening van de APV is uw raad in de gelegenheid gesteld om technische vragen te stellen. Deze vragen worden hieronder schriftelijk beantwoord.

Kernboodschap De gestelde vragen worden hieronder beantwoord. 1. a. Is het juist dat in Integrale herziening Algemene Plaatselijke Verordening De Ronde Venen 62/21 helemaal niets is opgenomen m.b.t. regels die gelden voor de directe omgeving van de camperlocatie nabij het Veenweidebad? Graag ook uitleg. Welke technische verklaring is er voor het blijkbaar ontbreken aan toezicht, controle en handhaving? b. Bieden artikel 2:47 en 2:47a van de APV dan toch technisch gezien onvoldoende aanknopingspunten om tegen de bovengenoemde zaken op te treden? De APV biedt voor de gehele gemeente handvatten om handhavend op te kunnen treden. De camperlocatie nabij het Veenweidepad valt daar ook onder. De artikelen 2:47 en 2:47a van de APV zijn toereikend om handhavend op te kunnen treden tegen bijvoorbeeld het dumpen van afval. Daarnaast biedt artikel 4.1.4, eerste lid, van de Verordening Fysieke Leefomgeving in de daar genoemde gevallen mogelijkheden om handhavend op te treden.

Informatienota raad - documentnummer: 41293

De meldingen van overlast zijn bekend en hebben de aandacht van de handhavingsmedewerkers. Daarnaast bestaat het voornemen de camperplaats te laten vervallen, gelet op de gemelde overlast en landelijke trend waarbij gemeenten geen eigen of openbare gratis camperplekken meer hebben. 2. Wat is de invulling van de omschrijving "in enig opzicht van slecht levensgedrag is" en regelt onze APV deze invulling voldoende? / Wat verstaat u onder ‘slecht levensgedrag’? De wetgever heeft niet nader omschreven wanneer sprake is van "in enig opzicht van slecht levensgedrag". De beoordeling of iemand van slecht levensgedrag is, is daarmee vaak onderdeel van een geschil bij de rechter. De Raad van State laat daarbij grote ruimte aan het betreffende bestuursorgaan voor de beoordeling van de feiten en omstandigheden. Bij het ontbreken van beleid, moet het voor eenieder evident zijn dat sprake is van slecht levensgedrag. Uit de Dienstenrichtlijn vloeit voort dat het voor de exploitant – de dienstverrichter – mogelijk moet zijn om zich vooraf op de hoogte te stellen van de wijze waarop dit criterium wordt ingevuld.

Als er geen vastgesteld beleid is moeten, wil er sprake zijn van slecht levensgedrag, er gedragingen hebben plaatsgevonden, waarvan het voor eenieder evident is dat met dergelijke gedragingen niet is voldaan aan het vereiste dat betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Alleen dan is er in die situatie geen sprake van strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. Om nadere invulling te geven aan het begrip "in enig opzicht van slecht levensgedrag", is de burgemeester voornemens om beleidsregels vast te stellen. In die beleidsregels moet worden opgenomen wat onder slecht levensgedrag wordt verstaan en welke feiten en omstandigheden worden meegewogen. 3. In artikel 2:79 van de APV wordt gemeld dat de burgemeester kan optreden bij ernstige hinder en herhaaldelijke overlast. Wat is de duidelijke definiëring/ omschrijving van de onderstreepte begrippen die gebruikt wordt in situaties waar het hier over gaat Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken.

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de door het bestuursorgaan aan de overtreder opgelegde verplichting om een geldsom te betalen, tenzij binnen de gestelde termijn wordt voldaan aan de in de beschikking opgenomen last. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere

Informatienota raad - documentnummer: 41293 - pagina 2

geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Aan zo’n besluit moet een stevig dossier ten grondslag liggen. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. De raad regelt in de APV in welke gevallen de burgemeester in ieder geval toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. Per situatie zal door de burgemeester moeten worden afgewogen welke herstelsanctie het meest passend is. De burgemeester kan in beleidsregels vastleggen hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Een van de genoemde gevallen is “ernstige vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf”. De last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft. Dit komt overeen met de praktijk. De bestuursdwang of dwangsom is de laatste jaren in een enkel geval opgelegd bij een kwestie van hinder en overlast, juist omdat het een ultimum remedium is.

Het ging daarbij om een persoon met multiproblematiek, ook met het oog op het tegengaan van maatschappelijke teloorgang. Er wordt bij jeugd vaak een beroep gedaan op streetcornerwork, de persoonsgebonden aanpak, wijkagenten, anders mogelijk buurtbemiddeling. Streven is een multidisciplinaire aanpak waar in gesprek gegaan wordt met de inwoner zelf, de gemeente, politie, indien van toepassing bijv. Groen West. 4. Wat is de motivatie om in artikel 2.25a de aantallen in lid c dn d substantieel te verhogen? Het aantal personen en de grootte van de te plaatsen kleine objecten zijn aangepast op verzoek van de Veiligheidsregio Utrecht. Zij hebben op voorstel van onder andere gemeente De Ronde Venen de advisering bijgesteld. Dit is gedaan om jaarlijks terugkerende kleine evenementen in tenten (zoals bijvoorbeeld een bijbelvakantieweek) niet jaarlijks te verplichten vergunning aan te vragen. Daarbij is door de VRU de volgende motivering gegeven: 'Uw gemeente heeft ervoor gekozen om een ondergrens te stellen wat betreft het aantal aanwezige personen voor de afweging of er sprake is van een melding of vergunning. Die grens die uw gemeente heeft gedefinieerd ligt op 100 personen (artikel 2:25, lid 1, sub c). Voor wat betreft deze grens adviseert de VRU adviseert 150, gelet op de AMvB Brandveilig Gebruik en Basishulpverlening Overige Plaatsen (BGBOP).

Mocht het evenement dan in een bouwsel (lees tent) plaatsvinden, dan is er sprake van een meldingsplicht op grond van deze AMvB. Ten aanzien van het plaatsen van kleine objecten stelt de APV van uw gemeente een grens van maximaal 10m2 om in aanmerking te komen voor een melding. Wat betreft deze grens adviseert de VRU adviseert 25 m2, gelet op de AMvB Brandveilig Gebruik en Basishulpverlening Overige Plaatsen (BGBOP).’ 5. Lid 7 van artikel 2.29 luidt nu: “Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) wel van toepassing.”. U maakt daarvan “Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.”

Informatienota raad - documentnummer: 41293 - pagina 3

Waarbij u alleen het woord “niet” geel markeert. Er zitten echter meer verschillen tussen deze twee teksten: waarom zijn die niet gemarkeerd? Waarom is “op de ontheffing” gewijzigd in “op de aanvraag om ontheffing” (wat iets anders is)? Waarom is “wel” nu gewijzigd in “niet” (was dat een fout in eerder versie?). Kortom graag een nadere duiding van deze voorgestelde wijziging. Artikel 2:29 lid 7 is aangepast conform de modelverordening van de VNG. Gemeenten moeten de LSP toepassen bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De LSP is de van rechtswege verleende vergunning: als de gemeente bij een vergunningaanvraag te laat of niet reageert, dan wordt de vergunning stilzwijgend verleend. De LSP kan alleen worden uitgesloten bij een dwingende reden van algemeen belang. Dit moet dan wel bij wettelijk voorschrift worden bepaald (APV) en worden gemotiveerd. In gevallen waarin de LSP op grond van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet van toepassing zou zijn, maar er dwingende redenen van algemeen belang zijn om daar een uitzondering op te maken, wordt de toepasselijkheid van de LSP uitdrukkelijk uitgezonderd. Dit geldt voor de artikelen 2:25, 2:28, 2:29, 2:39, 2:41, 2:72, 3:3, 5:15 en 5:18 van de APV. De Ronde Venen volgt de VNG hierin. Per abuis was dit voor artikel 2:29 eerder niet het geval.

De zinsnede ‘op de ontheffing’ is gewijzigd naar ‘op de aanvraag om een ontheffing’ conform de modelverordening van de VNG. Het betreft een redactionele verbetering. Aangezien het geen inhoudelijke wijziging betreft, maar enkel een tekstuele verbetering, is deze niet geel gearceerd. 6. Wat is de motivatie van de aanpassingen in artikel 3.7? Dit artikel is aangepast conform de modelverordening van de VNG. In de ledenbrief VNG 20/053 wordt de volgende uitleg gegeven: ‘De in het eerste lid genoemde weigeringsgronden dienen als aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Dat is in de aanhef tot uitdrukking gebracht. In het eerste lid is onderdeel b geschrapt en zijn de overige onderdelen verletterd. Door de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregel (Stb. 2014/131) is niet langer sprake van ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag of de voogdij, maar van beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij. Artikel 3:7, eerste lid, onder b, is daarom geschrapt. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. (Voor de Drank- en Horecawet was één van de weigeringsgronden destijds ook dat degene die de vergunning aanvraagt niet uit het ouderlijk gezag mag zijn gezet. Dit vereiste is in 2015 vervallen.)’

Consequenties N.v.t.

Informatienota raad - documentnummer: 41293 - pagina 4

Communicatie N.v.t.

Vervolg Op 11 november 2021 wordt de APV besproken in uw commissievergadering ABZ/F/SI.

Informatienota raad - documentnummer: 41293 - pagina 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10731226/1