Bijlage 7 – Toelichting – Bijlage 1. Aanmeldnotitie Donkereind 24-24a VinkeveenBijlage 12-09-2025
Tekst van het document
Buro SRO B.V. 3525 AA Utrecht
Gemeente De Ronde Venen t.a.v. het college van burgemeester en wethouders Postbus 250 3640 AG Mijdrecht
Utrecht, Ons kenmerk: Betreft:
12 september 2025 SR230010 Verzoek m.e.r.-beoordelingsbesluit Donkereind 24 – 24a, Vinkeveen
Geacht college, Hierbij verzoeken wij u namens initiatiefnemer om een besluit te nemen op deze aanmeldnotitie voor het realiseren van het project Donkereind 24 -24a in Vinkeveen. Met het beoogde plan wordt een grondgebonden paardenhouderij gerealiseerd met bijbehorende voorzieningen, met in eerste instantie maximaal 6 paarden jonger dan 3 jaar. Tevens worden met het voorliggende bestemmingsplan een bedrijfswoning en een bestaande vrijstaande woning meegenomen. Voor de vrijstaande woning (Donkereind 24a) is op 25 mei 2021 een omgevingsvergunning verleend voor een woning met een maximale inhoudsmaat van 1.100 m³. De voormalige bedrijfswoning (Donkereind 24) is gesloopt, waarbij de monumentstatus is komen te vervallen. Voor de nieuwbouw van de bedrijfswoning is op 7 april 2022 een omgevingsvergunning verleend. Een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals het realiseren van (bedrijfs-)woningen, staat vermeld als activiteit op de zogenaamde D-lijst (D11.2) van het Besluit milieueffectrapportage. Bij een ontwikkeling van 2.000 of meer woningen is het verplicht een m.e.r. op te stellen. Het voorgenomen plan is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling omdat het gaat om het toekennen van een bestemming aan twee reeds vergunde (bedrijfs-)woningen gaat. Het voorliggende plan ziet hoofdzakelijk toe op het oprichten van een paardenhouderij.
De oprichting van een paardenhouderij is opgenomen in categorie 14 onder 12 onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage; 100 stuks paarden of pony's (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld (Rav cat. K.2 en K.4). Er wordt in het onderhavige initiatief in de eerste fase uitgegaan van maximaal 6 jonge paarden (jonger dan 3 jaar), terwijl op termijn de mogelijkheid voor maximaal 20 paarden (jonger en/of ouder dan drie jaar) wordt geboden, waarmee het voorliggende plan steeds ruim onder de genoemde grenswaarde blijft. Dit betekent dat er volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de voorliggende ontwikkeling wordt tevens een ontheffing aangevraagd in het kader van de Wet natuurbeheer. In de in te dienen aanvraag en meer specifiek in de berekeningen voor de emissie van stikstof is rekening gehouden met de (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging aan Burgemeester Padmosweg 147 te Wilnis. Dit extern salderen wordt gezien als mitigerende maatregel. In artikel 7.2a van de Wet milieubeheer (Wmb) is bepaald dat: 1. Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende
beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, waarop de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport, als bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is. 3. Tot een activiteit als bedoeld in het eerste lid behoort een activiteit als bedoeld in dat lid die plaatsvindt in de exclusieve economische zone. Een externe salderingsmaatregel is een mitigerende maatregel die alleen in een passende beoordeling (en niet in een voortoets) mag worden betrokken. In dit geval is in het geval van 20 paarden sprake van een externe salderingsmaatregel (vgl. ABRvS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054) en moet een passende beoordeling worden gemaakt. Als een passende beoordeling voor een bestemmingsplan opgesteld wordt, geldt als hoofdregel dat er ook een plan-milieueffectrapportage (plan-m.e.r.) moet worden opgesteld. Artikel 7.2a lid 2 van de Wmb bepaalt echter dat er categorieën kunnen worden aangewezen waarbij de verplichting tot het opstellen van een m.e.r. niet geldt. Hiervoor is artikel 3 van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) van belang. Dit artikel bepaalt: 1.
Als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 7.2a, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de vaststelling of wijziging van een plan waarvoor bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming en: a. dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden indien: i. 1°. voor dat plan een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; ii. 2°. de omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is; en iii. 3°. het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling of wijziging van dat plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft; of b. waarbij sprake is van kleine wijzigingen van een plan en het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat die wijzigingen geen aanzienlijke milieueffecten hebben. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een plan dat betrekking heeft op een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet. 3. Het bevoegd gezag houdt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°, en onder b, rekening met de criteria van bijlage II bij Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG 2001, L 197) en raadpleegt daarvoor: a.
de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, aangewezen op grond van artikel 7.2, derde of vierde lid, van de wet waarop het plan betrekking heeft; en b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan. 4. Het bevoegd gezag betrekt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, de context van het plan dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben. 5. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°, en onder b, met de bijbehorende motivering op in het plan.
pagina 2 van 10
Uit artikel 3 lid 1 van het Besluit m.e.r. volgt de uitzondering voor de verplichting tot het maken van een m.e.r. voor lokale (gemeentelijke) plannen die het gebruik bepalen van ‘kleine gebieden’ (lid 1 sub a) en voor ‘kleine wijzigingen’ (lid 1 sub b). Voor die plannen kan in eerste instantie worden volstaan met een m.e.r.-beoordeling. Er zijn enkele voorwaarden om gebruik te mogen maken van de uitzondering voor ‘kleine gebieden’. Ten eerste moet het gaan om een plan waarvoor een bestuursorgaan van de gemeente het bevoegde gezag is. Daaraan wordt in dit geval voldaan. Ten tweede moet het gaan om een (plan)gebied dat in verhouding tot het totale grondgebied van het bevoegd gezag (gemeentelijk grondgebied) klein is. Over de vraag wat onder ‘kleine gebieden’ moet worden verstaan is al rechtspraak. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1054), 29 december 2010, (ECLI:NL:RVS:2010:BO9187) en 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3910) oordeelde de Afdeling dat sprake was van een klein gebied. De uitspraak van 29 december 2010 ging over een bestemmingsplan voor de uitbreiding (met 650.000 m³) van een bestaande stortplaats (met een capaciteit van 2.000.000 m³) en enkele ondergeschikte nevenactiviteiten. Daarover heeft de Afdeling expliciet geoordeeld dat dit plan ziet op een klein gebied op lokaal niveau.
In de uitspraak van 21 december 2022 stelt de Afdeling vast dat de omvang van beide plangebieden ongeveer 1% van het grondgebied van elk van de betrokken gemeenten betreft. De Afdeling oordeelt daarom dat de plannen betrekking hebben op het gebruik van een ‘klein gebied’ zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 aanhef en onder a, onder 1 en 2 van het Besluit m.e.r. De gemeente De Ronde Venen heeft een totale oppervlakte van 116.98 km². Het plangebied is niet groter is dan 1% van de totale oppervlakte van gemeente De Ronde Venen, daarmee is er sprake van een klein gebied als bedoeld in artikel 3 lid 1 aanhef en onder a Besluit m.e.r. Gezien het voorgaande bestaat er geen verplichting om een m.e.r. op te stellen en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Conform de gewijzigde regelgeving van 7 juli 2017 moet voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is: • • •
door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; de initiatiefnemer het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.
De aanmeldnotitie heeft tot doel het bevoegd gezag een besluit te laten nemen omtrent de m.e.r. De aanmeldnotitie moet daarom inzicht geven in de gewenste activiteit, de verwachte milieugevolgen en het tijdspad. Voorliggende aanmeldnotitie voorziet hierin, waarmee wordt voldaan aan de in bijlage III bij de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) aangegeven omstandigheden. Deze omstandigheden hebben betrekking op: 1. de kenmerken van de activiteit; 2. de plaats van de activiteit; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.
pagina 3 van 10
1. Kenmerken van de activiteit Omvang van het project Het voornemen is om op de planlocatie aan het Donkereind 24 in Vinkeveen, een kleinschalige, grondgebonden paardenhouderij, met bijbehorende voorzieningen op het terrein te realiseren. Het betreft een grondgebonden agrarische activiteit, passend in het aanwezige agrarische landschap. Het doel is om ter plaatse maximaal 20 paarden te houden. De paarden worden veelal in Spanje ingekocht, op deze locatie verder getraind en daarna weer doorverkocht. Beoogd wordt om meerdere paarden per jaar te verkopen. Het plangebied wordt hoogwaardig ingericht met een representatieve stal met meerdere paardenboxen, een rijbak en enkele bijbehorende ruimten, zoals een kantine, kantoorruimte en opslag voor hooi en materiaal. Er worden twee aan elkaar geschakelde gebouwen als hoofdgebouw voorzien. Er wordt daarnaast een nieuwe bedrijfswoning (Donkereind 24) gebouwd op dit perceel. Deze bedrijfswoning is toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan en is reeds vergund. Daarnaast maakt de bestaande woning Donkereind 24a deel uit van het voorliggende bestemmingsplan. Deze woning is vergund en gerealiseerd en wordt met het voorliggende plan formeel geregeld. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie van het plangebied.
Landschappelijke inpassing met 6 paarden (bron: Beeldkwaliteitplan, d.d. 31-03-2025)
Gezien het voorgaande is de omvang van het initiatief relatief beperkt. Cumulatie met andere projecten Het project is een opzichzelfstaande ontwikkeling. Er is geen relatie met andere ontwikkelingen direct aangrenzend aan de planlocatie. Daarnaast zijn er in de verder omgeving, voor zover bekend, geen andere ontwikkelingen. Derhalve kan er geconcludeerd worden dat er geen negatieve cumulatieve effecten optreden met andere projecten.
pagina 4 van 10
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen In de aanlegfase, bij de graafwerkzaamheden, wordt de bodem voor een beperkte diepte mogelijk afgegraven. Er wordt gestreefd naar het behoud van de grond binnen het plangebied. Voor de bouw worden de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (hout, beton, metaal). Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Productie van afvalstoffen Als gevolg van het project zal er mogelijk een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. In lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval zal ook hier het afval in toenemende mate gescheiden worden afgevoerd. Dit resulteert in een kleinere hoeveelheid stoffen die feitelijk als afvalstoffen gezien moeten worden. De milieugevolgen zijn dermate beperkt dat deze geen aanleiding geven tot het laten opstellen van een milieueffectrapportage. Verontreiniging en hinder Met het voorgenomen plan worden geen bedrijven of inrichtingen gerealiseerd die mogelijk kunnen leiden tot verontreinig van de bodem en of het grondwater. Hinder wordt voorkomen door de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk gedurende kantoortijden plaats te laten vinden. De omgeving zal hierdoor minimale hinder ondervinden van geluid- en trillingsoverlast.
In de omgeving van het projectgebied zijn met name andere woningen en agrarische en niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, waardoor de grondgebonden paardenhouderij passend zijn in de omgeving en geen significante hinder op zal leveren. Er zijn geen bijzondere kenmerken ten aanzien van verontreiniging en hinder. Het risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen en technologieën De stoffen of technologieën die toegepast worden bij de bouwwerkzaamheden brengen geen verhoogd risico op ongevallen, anders dan de gebruikelijke risico’s bij bouwwerkzaamheden, met zich mee. Het project heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een Bevi-inrichting binnen het plangebied. Er worden namelijk woningen gerealiseerd. Er zijn geen bijzondere kenmerken ten aanzien van dit aspect.
2. Plaats van het project Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden of dat het initiatief een negatieve invloed heeft op het omliggende milieu in de omgeving. Plaats van de activiteit Het plangebied van het voorliggende initiatief gelegen aan Donkereind 24/24a in Vinkeveen. De planlocatie ligt in de lintbebouwing van het buurtschap Donkereind, ten zuiden van Vinkeveen en ten oosten van Wilnis en Mijdrecht. Het plangebied is onderdeel van perceel 292 en 293, welke kadastraal bekend zijn onder de kadastrale gemeente Vinkeveen, sectie G. Het plangebied bestaat uit twee stroken (agrarisch) land. De oppervlakte van het plangebied is circa 23.000 m².
pagina 5 van 10
Begrenzing plangebied (bron: Buro SRO/ruimtelijkeplannen.nl) Bestaand grondgebruik Voorheen was er op de planlocatie bebouwing aanwezig in de vorm van een agrarisch bedrijf. Het betrof een bedrijfswoning en kassen. Alle voormalige bedrijfsbebouwing is volledig gesaneerd inclusief alle overbodige terreinverhardingen. In de huidige situatie zijn de twee stroken land van het plangebied grotendeels onbebouwd en braakliggend. Binnen het plangebied is de bestaande woning (Donkereind 24a) van initiatiefnemers aanwezig. Deze is gerealiseerd op basis van een op 25 mei 2021 verleende omgevingsvergunning verleend voor een woning met een maximale inhoudsmaat van 1.100 m³. De voormalige bedrijfswoning (Donkereind 24) is gesloopt, waarbij de monumentstatus is komen te vervallen. Voor de nieuwbouw van de bedrijfswoning is op 7 april 2022 een omgevingsvergunning verleend. Deze bedrijfswoning is nog niet gerealiseerd. Relatieve rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. De locatie bevindt zich niet in beschermde natuurgebieden of in een gebied waar milieunormen worden overschreden, zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland of grondwaterbeschermingsgebieden. Er zijn geen effecten ten aanzien van natuurlijke hulpbronnen.
Opnamevermogen van het natuurlijke milieu Ten aanzien van het opnamevermogen van het natuurlijke milieu zijn Natura 2000-gebieden in de omgeving van belang. In de gebruiks- en bouwfase kunnen er effecten ten aanzien van Natura 2000-gebied optreden door een toename in stikstofdepositie. De potentiële effecten op kwetsbare gebieden worden in hoofdstuk 3 nader toegelicht.
3. Kenmerken van de potentiële effecten De effecten van het project zijn lokaal van aard. De meest verstrekkende effecten zijn te verwachten op het gebied van geluid in de aanlegfase. Deze effecten zijn tijdelijk van aard en hebben daarmee, mede gezien de ruime afstand tot kwetsbare gebieden, geen belangrijke gevolgen. In het kader van de planologische procedure zijn allerlei zaken onderzocht, waaronder ook de milieueffecten van verschillende aspecten. Navolgend wordt een beknopt overzicht van de onderzoeksresultaten weergegeven. Bodem Het voorliggende plan maakt geen wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik mogelijk. Derhalve is er in het kader van het bestemmingsplan in eerste instantie geen pagina 6 van 10
bodemonderzoek uitgevoerd. In februari 2021 is er reeds een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locaties Donkereind 24 en 24a. Naar aanleiding daarvan is voor de locatie Donkereind 24 een Verkennend onderzoek asbest NEN5707 uitgevoerd. In dat verband is geen asbestverdacht materiaal op of in de grond aangetroffen. Een bodem onderzoek kan wel aan de orde zijn als er ten behoeve van de realisatie van de grondgebonden paardenhouderij, wanneer er in de grond wordt gewerkt of als grond moet worden afgevoerd. Dit onderzoek komt in het kader van de Omgevingsvergunningen nader aan de orde. Gezien het voorgaande is de bodem geschikt voor de beoogde woonfunctie ter plaatse van Donkereind 24a van het plangebied. Het toekomstig gebruik voor de paardenhouderij brengt daarnaast geen verhoogd risico op bodemverontreiniging met zich mee. Gesteld kan worden dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen worden verwacht ten aanzien van het aspect bodem zijn. Luchtkwaliteit Het project is niet aan te merken als een NIBM-project. Daarmee is verdere toetsing aan het aspect luchtkwaliteit vanuit de wet- en regelgeving niet noodzakelijk. Desondanks is de luchtkwaliteit in de omgeving bekeken. Hieruit blijkt dat de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof niet worden overschreden.
Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Geluid Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuw geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder mogelijk. Het betreft bestaande (bedrijfs-)woningen. De beoogde paardenhouderij is in het kader van de Wet geluidhinder geen gevoelige functie. Derhalve is daarvoor geen akoestisch onderzoek nodig. en zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect geluid. De paardenhouderij veroorzaakt mogelijk wel geluidsoverlast als gevolg van de bedrijfsvoering. De toename van verkeersbewegingen per etmaal is beperkt en zal niet leiden tot geluidsoverlast. Daarnaast is gelet op de situering van de stal midden op het perceel de afstand tot gevoelige objecten minimaal 100 meter. Daarmee is het te verwachten dat er ook hiervan geen geluidsoverlast zal optreden voor de gevoelige bestemmingen in de omgeving. Gesteld kan worden dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen vanuit het aspect geluid zijn. Externe veiligheid Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied één risicovolle inrichting is gelegen. Door de grote afstand (circa 800 m) tot het plangebied leidt dit niet tot belangrijke milieugevolgen. In de omgeving van het plangebied loopt een buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen.
De afstand tot deze buisleiding is circa 750 m, deze afstand is dusdanig groot dat er geen risico is ten aanzien van deze buisleiding. Verder zijn er geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig in de omgeving van het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling worden daarnaast geen risicovolle inrichtingen of andere risicobronnen gerealiseerd. Gesteld kan worden dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zijn ten aanzien van het aspect externe veiligheid.
pagina 7 van 10
Milieuzonering Met de beoogde ontwikkeling worden zowel milieubelastende activiteiten als milieugevoelige activiteiten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de planlocatie liggen verschillende bedrijven en gevoelige functies. Navolgend wordt beschreven wat de effecten van de omliggende bedrijfsactiviteiten op de beoogde woningen zijn. Daarnaast wordt beschreven wat de effecten van paardenhouderij op de omliggende gevoelige bestemming zijn. Aan het Donkereind is een aantal bedrijven gevestigd. In het geldende bestemmingsplan is hier een maximum categorie van 3A met een richtafstand van 30 m (in gemengd gebied) toegestaan. Het huidig equivalent is milieucategorie 3.1. Voor alle bedrijvigheid wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. In de omgeving zijn verder veelal woonpercelen aanwezig, die geen belemmeringen opleveren voor het onderhavige initiatief. Voorts hebben omliggende gronden een agrarische bestemming (geen intensieve veehouderijen). Er worden met het onderhavige bestemmingsplan geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt (het bestemmingsplan omvat bestaande (bedrijfs-)woningen). Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit agrarische activiteiten in de omgeving ten aan zien van de beoogde gevoelige functies. De eisen voor geurhinder als gevolg van het houden van paarden in dierenverblijven zijn gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij.
Het houden van paarden kan namelijk worden aangemerkt als het 'in werking hebben van een veehouderij'. Een paardenhouderij veroorzaakt een zekere geurbelasting. Voor paardenhouderijen gelden vaste afstanden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijven gelegen binnen de bebouwde kom en bedrijven daarbuiten. De voorliggende situatie is buiten de bebouwde kom gelegen. De afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object dient minimaal 50 meter te zijn buiten de bebouwde kom, gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf. Aanvullend op de afstandseis voor het emissiepunt bepaalt de Wet geurhinder en veehouderij verder dat de afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van het geurgevoelige object ten minste 25 meter bedraagt buiten de bebouwde kom. Een buitenbak, paddock, stapmolen of longeerbak, maar ook de weide, zijn niet aan te merken als een dierenverblijf, aangezien de dieren hier niet langdurig verblijven. Zo wordt de paddock alleen voorzien van zand, zonder andere voorzieningen waarmee de paddock niet geschikt is als dierenverblijf waar dieren langdurig verblijven.
Gelet op de situering van de stal op het perceel waarin de paarden worden gehouden, het dierenverblijf, namelijk in het midden van het perceel (zoals ook aangegeven in het Beeldkwaliteitsplan en op de verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan), is de afstand ten opzichte van geurgevoelige objecten in de directe omgeving minimaal 100 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Gelet op het voorgaande is het niet te verwachten dat bedrijvigheid die wordt mogelijk gemaakt significant negatieve effecten heeft op de omgeving. Er zijn dan ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten aanzien van het aspect milieuzonering. Waterhuishouding Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een toename aan verharding. Het verhardingsoppervlak neemt met de beoogde ontwikkeling toe, maar niet met een oppervlakte groter dan 5.000 m². In het buitengebied geldt er een vrijstelling tot deze grens en is watercompensatie niet nodig.
pagina 8 van 10
Hemelwater wordt opgevangen en vertraagd afgevoerd naar nabijgelegen oppervlaktewater. Afvalwater zal worden afgevoerd via het bestaande vuilwaterriool. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. De ontwikkeling heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het watersysteem in de omgeving. Ecologie Vanuit het aspect ecologie zijn soortenbescherming en gebiedsbescherming van belang. Voorliggende ontwikkeling heeft plaats in een plangebied waar sprake is van een braakliggend terrein: alle opstallen zijn al gesloopt. Er worden ook geen bomen of andere opgaande beplanting verwijderd en de sloten worden in tact gelaten. Bovendien is het terreingedeelte waar gebouwd gaat worden opgehoogd, zodat gesteld kan worden dat er geen ecologische waarden in het geding zullen zijn. Om hierover meer zekerheid te verkrijgen wordt in het vervolgstadium nog een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Er zal tijdens de bouw- en inrichtingswerkzaamheden voorzichtig gehandeld worden met aanwezige flora en fauna, conform de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.
Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De algemene zorgplicht kan gezien worden als fatsoenseis die voor iedereen geldt. De beoogde ontwikkeling leidt in de gebruiks- en bouwfase tot een verhoogde emissie van stikstof. Om te onderzoeken of de verhoogde uitstoot van stikstof leidt tot een overschrijding op Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening opgesteld voor de gebruiks- en bouwfase. Uitgaande van ten hoogste 6 paarden jonger dan 3 jaar, blijkt uit de AERIUSberekeningen dat de totale emissie voor de bouwfase en voor de gebruiksfase geen verschillen hoger dan 0,00 mol/ha/j oplevert op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen sprake is van belangrijke negatieve effecten ten aanzien van het aspect ecologie.
Archeologie Het plangebied wordt in het archeologisch beleid van de gemeente De Ronde Venen aangemerkt als een gebied met 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b' en 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 6'. Voor de geldende verwachtingswaarde is opgenomen dat in de zone nabij Donkereind geen onderzoek nodig is als de verstoring kleiner is dan 100 m² en niet dieper dan 30 cm. Het onderhavige plan voorziet in deze zone in de vernieuwing van de bedrijfswoning, waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verleend. De gronden waar de aanpassingen gepland zijn, zoals de oprichting van de paardenstal, hebben een lage archeologische verwachting, waar een vrijstellingsgrens gehanteerd wordt van 10.000 m². Met de beoogde ontwikkelingen wordt deze oppervlaktenorm niet overschreden. Dus is geen archeologisch onderzoek nodig. Het is daarmee niet te verwachten dat archeologische waarden als gevolg van de uitvoering van project verloren gaan. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft ten aanzien van het aspect archeologie.
pagina 9 van 10
4. Conclusie Op grond van artikel 7.19 van de Wet milieubeheer wordt geconcludeerd dat er geen m.e.r. behoeft te worden opgesteld en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling die wordt ingevuld middels de voorliggende aanmeldnotitie. De vormvrije m.e.r.-beoordeling geeft antwoord op de vraag of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Uit voorliggende beschouwing blijkt dat de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Daarmee bestaat er geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Het volgen van een m.e.r.-procedure zal niet leiden tot een andere conclusie. Dit geeft in voldoende mate inzicht in de milieueffecten om deze volwaardig mee te kunnen wegen in het nog te nemen besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Donkereind 24 en 24a, Vinkeveen’. Mocht u naar aanleiding van dit verzoek nog vragen hebben dan kunt u uiteraard met ons contact opnemen.
Met vriendelijke groet, Buro SRO
pagina 10 van 10