Bijlage 7 Quickscan Wnb Herenweg 54 Vinkeveen 13-10-2023
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Herenweg 54 te Vinkeveen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Status:
Definitief
Project:
2023-1053
Datum:
13 oktober 2023
Samensteller:
ing. J. Bruining
Collegiale toets:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Buro SRO B.V.
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
18
3.3
Houtopstanden
20
4 Samenvatting
21
4.1
Soortenbescherming
21
4.2
Gebiedsbescherming
21
4.3
Houtopstanden
21
5 Conclusie
22
5.1
Conclusie
22
5.2
Uitvoerbaarheid
22
5.3
Vervolgstappen
22
5.4
Te treffen maatregelen
22
1 Inleiding Aan de Herenweg 54 te Vinkeveen is een legakker met voormalige kantine gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande kantine op de planlocatie te slopen ten behoeve van een woning. Verderop de legakker wordt de bestaande watergang doorgetrokken tot en met de naastgelegen legakker, hierbij worden bruggen gerealiseerd. Ook wordt een brug aangelegd aan de Herenweg om de te realiseren woning te bereiken. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Herenweg 54 te Vinkeveen. 4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Herenweg 54 te Vinkeveen (figuur 1.2). De voormalige kantine bestaat uit 1 bouwlaag, opgetrokken uit bakstenen muren met een golfplaten dak. De kantine is in gebruik als geitenstal en materiaalopslag. De stal is omgeven door een aantal bomen en een weide aan beide zijden. De rest van de legakker is bedekt met bosschage. De legakker is rondom omgeven door oppervlaktewater met beschoeide oevers. Bij de naastgelegen legakker wordt ook de watergang doorgetrokken, hier zijn aanlegplekken, ligusterheggen en gras aanwezig. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Herenweg 54 te Vinkeveen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de legakkers van de Vinkeveense plassen en het dorp Vinkeveen met omliggende agrarische percelen. De planlocatie is gelegen in de zuidelijke hoek van de Vinkeveense plassen. Op circa 320 m ten Noorden van de planlocatie ligt de N201.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de voormalige kantine te slopen.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie. Hier is de op de naastgelegen legakker gesitueerde woning te zien.
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft sloop van de voormalige kantine ten behoeve van de realisatie van een woning met bijbehorende brug naar de Herenweg en het doortrekken van de watergang op hetzelfde en naastgelegen perceel. Op de noordelijk gelegen legakker moet een deel van de bosschage wijken voor de watergang, op de zuidelijk gelegen legakker enkel een deel van de ligusterhagen. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout ten behoeve van de watergang; doortrekken bestaande watergang: graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Architekten- en ingenieursbureau H.W. van der Laan b.v.).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 20 september 2023 en is uitgevoerd door ing. J. Bruining en ir. C.F. van der Vlugt. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 20 Celsius en windkracht 5 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld in Wnb art. 3.5 lid 2 wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
8
4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid
te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift.
Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
9
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. *Vanaf 1 september 2024 zijn de bunzing, haas, hermelijn, wezel en het konijn niet meer vrijgesteld.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas*
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn*
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing*
Huisspitsmuis
Veldmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Vos
Dwergspitsmuis
Konijn*
Wezel*
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. 10
Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de knolspirea (NDFF 20132023). Knolspirea groeit op zonnige, vrij droge, niet bemeste, neutrale (kalk)graslanden, bermen en bosranden (FLORON Verspreidingsatlas, 2023). Er is 1 waarneming bekend van de plant circa 670 m ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De planlocatie is een goed onderhouden, begraasde (en bemeste) weide met bosschage omgeven door water. De voedselrijke, zeer natte veengrond biedt geen geschikte groeiplaats voor de knolspirea. Het voorkomen van knolspirea op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten. De planlocatie bestaat uit een legakker omgeven door water met beschoeide oevers. Rond de voormalige kantine en langs de oever zijn een aantal bomen aanwezig, zowel naaldbomen (o.a. conifeer) als loofbomen (o.a. schietwilg).
De weide op de planlocatie is toegankelijk voor de geiten, aan de weide grenst een bosschage die de rest van de legakker bedekt. De planlocatie heeft een zeer natte, eutrofe veenbodem. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: boterbloem, Chinese bruidssluier, gewone hoornbloem, grote weegbree, hondsdraf, hortensia, koninginnekruid, oranje havikskruid, teunisbloem en wolfspoot. Tussen de voormalige kantine en de zuidelijke oever is een klein deel verhard middels tegels. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Rondom de voormalige kantine staan naaldbomen en loofbomen, onder andere conifeer, zoete kers en schietwilg. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bosspitsmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er, ten tijde van het opstellen van de quickscan, vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanaf 1 september 2024 zal in Utrecht voor de wezel, bunzing, hermelijn, haas en konijn de vrijstelling van de Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen niet meer gelden. Derhalve wordt een beoordeling ten aanzien van deze soorten gemaakt. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
12
De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen die voornamelijk te vinden zijn in kleinschalige structuurrijk (cultuur)landschappen met voldoende dekking, schuil- en foerageermogelijkheden. De wezel mijdt natte gebieden. De bunzing en met name de hermelijn hebben een voorkeur voor waterrijke gebieden. Dit oppervlaktewater wordt door de bunzing en hermelijn benut als foerageergebied, hierbij is een begroeide oever zonder oeverbeschoeiing van belang om veilig het water te kunnen betreden (Bouwens, 2017). De dichtstbijzijnde waarnemingen van de bunzing is bekend op 1,6 km ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De dichtstbijzijnde waarneming van de hermelijn is bekend op 1,2 km ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De dichtstbijzijnde waarneming van de wezel is bekend op 1,1 km ten westen van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De planlocatie heeft oeverbeschoeiing rondom, een door geiten begraasde weide, een bosschage en aanlegplekken. Door de ligging van het plangebied, aan de rand van de Vinkeveense dorpskern, is het plangebied voor kleine marterachtigen enkel via het water te bereiken. De oeverbeschoeiing maakt het daarbij lastiger voor de kleine marterachtigen om de legakker vanaf het water te betreden.
Bij een bosschage met jong groen, aanwezigheid van geiten en daardoor kale weide, zijn schuilmogelijkheden voor kleine marterachtigen afwezig op de legakkers. Door het ontbreken van essentiële onderdelen van functioneel leefgebied van kleine marterachtigen is de aanwezigheid van kleine marterachtigen op de planlocatie uit te sluiten. Mede door de schaal van de beoogde ruimtelijke ingreep wordt voor kleine marterachtigen geen essentieel leefgebied aangetast. Negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen ten gevolgen van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn derhalve uitgesloten. De haas en het konijn zijn te vinden in (half)open landschappen zoals akkers, weilanden, bosranden, heide en duingebieden. Ze mijden vochtigere terreinen, de haas is van oorsprong een steppebewoner en het konijn kan in een te natte bodem geen hol graven (Zoogdiervereniging, 2023). De planlocatie is in gebruik als aanlegplaats en een kleine door geiten begraasde weide op een zeer natte veenbodem. De planlocatie is omgeven door woningen, andere legakkers en water. De dichtstbijzijnde waarneming van de haas is bekend op circa 550 m ten westen van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De dichtstbijzijnde waarneming van het konijn is bekend op circa 1,5 km ten noordwesten van de planlocatie (NDFF 20132023). Het korte gras en natte bodem bieden voor de haas en het konijn geen schuilmogelijkheden.
Door de geïsoleerde ligging van de planlocatie, de aanwezigheid van verstoring, de begroeiing op de planlocatie en de zeer natte bodem wordt de aanwezigheid van de haas en het konijn niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van de haas en het konijn ten gevolgen van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn derhalve uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en (vanaf 1 september 2024) niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bosmuis, bruine rat, huismuis, huisspitsmuis en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 20132023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
13
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Er wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep een deel van een bosschage verwijderd ten behoeven van het doortrekken van de watergang. Dit deel van de bosschage bestaat voornamelijk uit relatief jonge bomen die, door het ontbreken van vorengenoemde openingen, niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen (figuur 3.1). De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
Figuur 3.1 De te verwijderen bosschage ten behoeve van de (op de achtergrond zichtbare) door te trekken watergang. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Op de planlocatie is een voormalige kantine aanwezig die in huidig gebruikt dient als geitenstal en opslag. Dit gebouw bestaat uit 1 bouwlaag, is opgetrokken uit bakstenen muren met luchtspouw zonder stootvoegen en heeft een golfplaten (licht schuin) dak. In de bebouwing zijn geen openingen aanwezig welke leiden tot de dakruimte. Aan de noordzijde van het gebouw is een gat in de muur aanwezig onder de daklijst. Deze opening heeft geen vrije aanvliegroute, door de aanwezigheid van een overkapping, de wilgen aan de oever en conifeer aan de andere zijde. Tevens bevindt de opening zich op een hoogte van circa 2,5 meter van de grond, waardoor deze niet van voldoende hoogte is voor vleermuizen. Ook is er spinrag in de opening aanwezig, dit wijst erop dat de opening niet in gebruik is door vleermuizen.
Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis.
14
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt een deel van een bosschage verwijderd. Gezien de waterrijke (verglijkbare) omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Van aantasting van een essentieel foerageergebied van vleermuizen wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, groene kikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 20132023). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De rugstreeppad is een typische pionierssoort die bij voorkeur meerdere levensstadia doorbrengt op dynamische ruderale, braakliggende terreinen met zanderige vergraafbare grond en schuilmogelijkheden in de vorm van bijvoorbeeld puin of bouwmateriaal. Snel opwarmende, ondiep (tijdelijk) water is bij uitstek geschikt voor de voortplanting omdat hier geen concurrentie of predatie is van vissen, andere amfibieën of insecten.
De rugstreeppad is een slechte zwemmer en komt dus ook niet voor in brede en grotere watergangen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De planlocatie bestaat uit legakkers met zeer natte veenbodems, omringd door (brede) watergangen met een lage dynamiek. De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad is bekend op circa 1,5 km ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Door de lage dynamiek, afwezigheid van vergraafbare bodems en omliggende open watergangen wordt het voorkomen van de rugstreeppad op de planlocatie uitgesloten. Gezien de afstand tussen de dichtstbijzijnde waarneming en de planlocatie zijn maatregelen om kolonisatie van de rugstreeppad ten tijde van de werkzaamheden te voorkomen niet benodigd. Van negatieve effecten ten aanzien van de rugstreeppad wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Door de combinatie van de watergangen, open weide en bosschage op de legakkers is het niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie.
Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang vind haar thuis in structuur- en waterrijke gebieden waar verschillende biotopen samen komen om alle levensstadia te voltooien. Van belang zijn oppervlaktewateren voor de jacht, rustige open plekken om te zonnen, relatief natte hopen organisch materiaal voor eiafzet en droge beschutte plaatsen voor overwintering. Grote wateren en natte gebieden worden gemeden omdat hier niet alle biotopen aanwezig zijn om alle stadia van de levenscyclus te kunnen doorlopen. De planlocatie is gelegen aan de Vinkeveense plassen aan de ene zijde en een woonkern aan de andere zijde. Open plekken zijn in gebruik, waardoor er verstoring aanwezig is. Er zijn geen hoger gelegen drogere delen op de planlocatie. De dichtstbijzijnde waarneming van de ringslang is bekend op circa 380 meter ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2013-2023).
Door de ligging aan de open wateren van de Vinkeveense plassen, gebrek aan drogere overwinteringsstructuren, onverstoorde open plekken om te zonnen en hopen organisch materiaal wordt het voorkomen van de ringslang op de planlocatie niet verwacht. Van negatieve effecten ten aanzien van de ringslang wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake.
15
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de kwabaal (NDFF 2013-2023). De kwabaal heeft een voorkeur voor koel en zuurstofrijk water, de soort komt dan ook voor rivieren, beken, meren en plassen met voldoende diepte. De volwassen dieren prefereren een watertemperatuur lager dan 12°C. Voortplanting vindt plaats in de winter, bij lage watertemperaturen van 0° - 5°C. Schuilplekken zijn onder stenen, boomwortels, holtes, holle oevers of tussen vegetatie. De ondiepe delen van de Vinkeveense plassen worden te warm voor de kwabaal en zijn geen geschikt paai- of opgroeihabitat (Spikmans, F., F. Smith, J. Kranenbarg & A. de Bruin, 2018). De beoogde ruimtelijke ingreep omvat realisatie van oppervlaktewater. Aan beide zijden van, haaks op de legakkers, loopt een watergang. Deze water wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep doorgetrokken.
Door de aanwezige oeverbeschoeiing zijn geen holtes, wortels of holle (afgeslagen) oevers op de planlocatie. Door het ontbreken van functioneel habitat is het voorkomen van de kwabaal op de planlocatie uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van de kwabaal wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Er is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, ekster, fuut en wilde eend. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De geitenstal op de planlocatie heeft een golfplaten dak, die aan de dakvoet is afgesloten en daarmee geen toegankelijke dakruimte heeft voor de huismus.
Betreft de te verwijderen groenstructuren gaat het om een klein deel van de bosschage van de noordelijk gelegen legakker en een klein deel van de ligusterhagen op het zuidelijk gelegen perceel.
16
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De bebouwing op de planlocatie heeft geen geschikte invliegopening op voldoende hoogte voor de gierzwaluw, het gaat hier om 1 bouwlaag met een goothoogte onder de 3 meter. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op de planlocatie.
De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten wegens de grootte van eventueel bejaagbaar gebied en afwezigheid van- of kleine hoeveelheid aan prooidieren. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
17
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Botshol’ en op circa 6,3 km het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 3.2).
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Botshol’ en circa 6,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een voormalige kantine, realisatie van een woning, doortrekken van bestaand wateroppervlak en aanleg van bruggen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. De planlocatie is tegen het Natuurnetwerk Nederland gelegen (figuur 3.3). Op een afstand van circa 3,4 km ligt de Groene contour (figuur 3.4). Weidevogelkerngebied is gelegen op een afstand van circa 1 km van de planlocatie (figuur 3.5). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. 18
Figuur 3.3 De planlocatie is gelegen tegen ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
Natuurnetwerk
Nederland
(bron:
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,4 km tot de Groene Contour (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
19
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Weidevogelkerngebied (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, welke onderdeel uitmaken van een bosschage met een oppervlakte van meer dan 1000 m2 of. De houtopstanden vallen niet onder één van de uitzonderingen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is derhalve noodzakelijk. Tevens geldt er een herplantingsplicht. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
20
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Groene contour Weidevogelkerngebied
3 km 0m 3,4 km 1 km
Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tevens geldt er een herplantingsplicht.
21
5 Conclusie 5.1
Conclusie De sloop van de voormalige kantine, realisatie van een woning, realisatie oppervlaktewater en aanleg van bruggen aan de Herenweg 54 te Vinkeveen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Betreft houtopstanden dient er een melding in het kader van de Wnb gedaan te worden en geldt er een herplantingsplicht.
5.3 Vervolgstappen Voor de kap van de bosschage ten behoeve van de realisatie van de watergang geldt een meldingsplicht in het kader van de Wnb. Tevens dienen de te kappen houtopstanden binnen 3 jaar herplant te worden.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde graafwerkzaamheden ten behoeve van de te realiseren watergang leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.
De graafwerkzaamheden ten behoeve van de te realiseren watergang dienen in één werkrichting te worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
22
23
Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Spikmans, F., F. Smith, J. Kranenbarg & A. de Bruin, 2018. Kansen voor de kwabaal in het Vinkeveense Plassen gebied. Kwaliteit leefgebieden en geschikte herstelmaatregelen, RAVON, 85 p. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.bij12.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
24
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De zuidelijk gelegen legakker, in de figuur is een deel van een legakker te zien met de woning die in huidige staat behouden blijft.
Figuur 2
De locatie op de zuidelijk gelegen legakker waar de beoogde watergang is voorzien.
25
Figuur 3
Zicht op het noordoosten, vanaf de zuidelijk gelegen legakker. Een representatief beeld van de op de planlocatie aanwezige bosschage.
Figuur 4
De opslagruimte in de voormalige kantine, het dak heeft dakbeschot.
26
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 27