Bijlage 5 Nader onderzoek ringslang
Tekst van het document
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
G&G-rapport 2020-053
Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving
L. Hartog M. van Straaten
2020
Opdrachtgever Mees Ruimte & Milieu
G&G-rapport 2020-053
Datum Versie
24 juli 2020 V1
Gecontroleerd door: T.S. van der Meer
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
4
1.1
Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 4
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 4
1.3
Ligging van het plangebied ...................................................................................... 4
1.4
Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 5
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 5
Methode
6
2.1
Algemeen ................................................................................................................. 6
2.2
Reptielen .................................................................................................................. 6 2.2.1 Ringslang ................................................................................................................... 6
3
Resultaten 3.1
4
7
Ringslang .................................................................................................................. 7
Effectbeoordeling en maatregelen 4.1
10
Ringslang ................................................................................................................ 10
5
Conclusies en aanbevelingen
11
6
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
12
7
Bijlagen
13
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
4
1
Inleiding 1.1
Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen om op een braakliggend terrein aan de Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen een woning te realiseren. Het plangebied ligt in gemeente De Ronde Venen in Utrecht. Het is mogelijk dat Ringslangen verblijven op het terrein. De aanwezigheid van deze potentie werd aangegeven in een eerder uitgevoerde quickscan (VAN DER MEER, 2019). Om dit nader te onderzoeken heeft Mees Ruimte & Milieu opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar aanwezigheid van Ringslangen. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode mei-juli 2020. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van Ringslang binnen het plangebied.
1.3
Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het braakliggend terrein ligt aan de noordkant van de doorlopende weg de Baambrugse Zuwe. Het plangebied ligt tussen een andere woonkavel en een jachthaven en grenst aan de wateren van de Vinkeveense Plassen.
Ligging van het plangebied aan de Baambrugse Zuwe.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
1.4
5
Geplande werkzaamheden Het plan is om bebouwing te ontwikkelen op het braakliggende plangebied. Op de kavel zal één woning gerealiseerd worden. Het plangebied grenst aan de waterkant aan een oude steiger. In de bestaande plannen zijn nog geen werkzaamheden aan deze steiger opgenomen. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem of de oevers en het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen of licht verstoring optreden van (beschermde) soorten. Het onderzoek is onderdeel voor de benodigde (partiële) herziening van het bestemmingsplan.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn en of een ontheffing van de Wnb noodzakelijk is. Ten slotte bevat hoofdstuk 5 de conclusies en eventuele aanbevelingen. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 6 tenslotte, geeft een overzicht van de gebruikte literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
6
2
Methode 2.1
Algemeen Het onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd volgens landelijk erkende soortprotocollen en soortenstandaards of landelijk geadviseerde inventarisatiemethoden, tenzij hieronder anders aangegeven. Deze protocollen schrijven het aantal bezoeken en de periodes van onderzoek voor.
2.2
Reptielen
2.2.1
Ringslang Het onderzoek is uitgevoerd conform de door RAVON (Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland) aanbevolen onderzoeksopzet. Het accent van het onderzoek heeft gelegen op het waarnemen van Ringslangen en het onderzoeken van aanwezigheid van potentieel zomerbiotoop, winterbiotoop en potentiele eiafzetplaatsen van de Ringslang. In de periode mei - juli zijn drie bezoeken uitgevoerd in het zomerbiotoop, namelijk op 26 mei, 24 juni en 13 juli 2020. Dit onderzoek is met name uitgevoerd op warme dagen na een koudere periode. Bij dit onderzoek gaat het om het waarnemen van Ringslangen die zich opwarmen in de zon. De dagen waarop het onderzoek is uitgevoerd waren dan ook zonnige dagen zonder dat de temperatuur al te snel opliep. Omdat de slangen tijdens dergelijke weersomstandigheden dan wat meer tijd nodig hebben om het lichaam op temperatuur te krijgen, zijn ze relatief lang waarneembaar. Later in het jaar als de omgevingstemperatuur snel oploopt verdwijnen Ringslangen al snel in de vegetatie. De methode om Ringslangen te zoeken bestaat uit het voorzichtig naderen van open plaatsen tussen ruigtekruidenvegetatie, open plekken op of nabij riethopen of opgeslagen materialen, laag gemaaide wegbermen en/of tussen de basaltblokken langs een dijk. Op deze manier is de trefkans van Ringslangen tijdens hun opwarmperiode hoog en kan men ze karteren.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
3
7
Resultaten 3.1
Ringslang Tijdens de drie afzonderlijke veldbezoeken werden in het plangebied geen Ringslangen aangetroffen. Ook zijn geen geschikte broeihopen aangetroffen die kunnen dienen als eiafzetplaatsen. Op het terrein is afwisseling aanwezig van droge en natte plekken wat op zich een gunstige factor is voor de aanwezigheid van Ringslangen, echter het gebied is overwegend dominant begroeid met een dichte rietruigte. Hierdoor zijn vrijwel geen open en zon beschenen plaatsen aanwezig waar Ringslangen zich kunnen opwarmen. Voor de koudbloedige dieren zijn dergelijke opwarmplaatsen van cruciaal belang om actief te kunnen worden. Enkele schaarse open plekken bestaan uit een gemaaid pad richting het elektriciteitshuisje en enkele open plekken door aanwezige stelconplaten en losliggend puin. Ondanks speciale aandacht gericht op deze open plekken werden geen Ringslangen waargenomen. Tijdens de bezoeken werd ook naar Ringslangen gezocht onder materialen zoals houtplaten, pallets, plastic en rubber afval zonder resultaat. Hierbij werden ook geen sporen zoals vervellingshuiden aangetroffen. Het leefgebied van de Ringslang bestaat uit verschillende deelgebieden waar de dieren tijdelijk aanwezig kunnen zijn. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen de volgende deelbiotopen: zomerbiotoop, voortplantingsbiotoop en winterbiotoop.
Het zomerbiotoop bestaat veelal uit gebieden die een grote afwisseling kennen tussen droge en natte biotopen. Kleinschalig beheer van graslanden, (volks)tuinen zoals begrazing, maaien en aanbrengen van composthopen kunnen gunstig zijn voor Ringslangen. Op het menu staan vrijwel uitsluitend amfibieën waarbij Kleine watersalamander, Gewone pad en groene kikkers belangrijke prooisoorten zijn. Belangrijk in het voortplantingsbiotoop is het aanbod van eiafzetplaatsen. Hiervoor maken Ringslangen voornamelijk gebruik van hopen organisch materiaal waarin broeiwarmte ontstaat. Aanleg van broeihopen voor Ringslangen zijn in veel gevallen succesvol gebleken en bestaan uit bladafval, maaisel en twijgen al dan niet in combinatie met stalmest. Een combinatie van zomerbiotoop met voedselgebied en het voortplantingsbiotoop is het meest gunstig voor Ringslangen. Onder deze omstandigheden is er sprake van een goed voedselaanbod voor de net uitgekomen juveniele slangen. Winterverblijven zijn meestal aanwezig in duidelijk afgescheiden deelgebieden. Afhankelijk van de situatie kan de Ringslang winterverblijven hebben in steenhopen, dijktaluds, knaagdierholen, hout-
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
8
en stobbenwallen. Een stabiele temperatuur in het winterverblijf is erg belangrijk waarbij de omstandigheden niet te vochtig mogen zijn. Voor migratie tussen deelbiotopen maken Ringslangen gebruik van trekwegen in de vorm van lijnvormige wateren zoals sloten, vaarten en kanalen. Ringslangen zijn erg mobiel en kunnen afstanden van circa drie kilometer door marginaal gebied overbruggen. De hierboven besproken factoren voor een geschikt leefgebied ontbreken grotendeels in het plangebied. Hierdoor is het zeer onwaarschijnlijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van Ringslangen in de directe omgeving. Voorts maken de steile oever welke bestaat uit een betonrand en metselwerk de oever onaantrekkelijk voor Ringslangen om vanuit het water toegang te verkrijgen tot het terrein. In de meeste gevallen zorgen Ringslangen dat ze in directe nabijheid blijven van dekking biedende vegetatie waarin ze bij gevaar kunnen wegvluchten. Bij een dergelijk open geëxposeerde oever is dit niet mogelijk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
9
Impressie van het plangebied, rietruigte met Harig wilgenroosje (boven) en hoge beschoeiing (onder).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
10
4
Effectbeoordeling en maatregelen De eventuele aanwezigheid van Ringslangen of andere soorten nabij en binnen het plangebied kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.
4.1
Ringslang Er zijn geen Ringslangen waargenomen in of nabij het plangebied. Ook sporen of de aanwezigheid van broeihopen werden niet aangetroffen. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Ringslang.
4.2
Overige aanwezige soorten -Vogels Vogels met niet jaarrond beschermde nesten, kunnen in het plangebied tot broeden komen. Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
5
11
Conclusies en aanbevelingen Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van Ringslangen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig om voor deze soort ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Als daarnaast gewerkt wordt conform de gestelde beperkingen en restricties in de eerder uitgevoerde ecologische quickscan (VAN DER MEER, 2019), worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
12
6
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten soorten – natuurbescherming. Kennisdocumenten geraadpleegd op www.bij12.nl. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & Euro-pean Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. HERDER, J.E., J. HAMERS & K. DEKKER, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen 1980-2010. Landschap NoordHolland, Heiloo / Stichting RAVON, Nijmegen. RAVON WERKGROEP MONITORING, 1997. Handleiding voor het monitoren van amfibieën in Nederland. Stichting RAVON, Nijmegen. VAN DELFT, J.J.C.W., R.C.M. CREEMERS & A.M. SPITZEN-VAN-DER-SLUIJS, 2007. Basisrapport Rode Lijst Amfibieën en Reptielen volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Stichting RAVON, Nijmegen. VAN DER MEER, T.S., 2019. Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G QS2019-159.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
7
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
13
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 1.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
+ + + +
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna. in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna. in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4
De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.
Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
Zie Bijlage 1.2.1 ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 1.2.2
Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 1.2.3 ghhghj
Zie Bijlage 1.2.3 ghhghj Geen ontheffing mogelijk ghhghj
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk ghhghj
kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 2 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen
ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd.
Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-053
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl