Bijlage 5: Memo Duurzaamheidsverplichtingen Gemeente De Ronde Venen
Tekst van het document
HaskoningDHV Nederland B.V. Legal
Notitie / Memo Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door
Ivar Dorst Lars Volborth 10 juni 2025 Click to enter "CopyTo" BK5924-101-101-RHD-ME-1 Alleen voor intern gebruik Jelle Thijssen
Onderwerp:
Duurzaamheidsverplichtingen gemeente Ronde Venen
Inhoudsopgave 1 Introductie en vraagstelling ............................................................................................................... 1 2 Verplichte en aanvullende wettelijke eisen voor verduurzaming ...................................................... 2
2.1
Energie (elektriciteit) ........................................................................................................ 2
2.2
Warmte ............................................................................................................................ 4
2.3
Gebouwen en energieprestatie gebouwen....................................................................... 4
2.4
Industrie .......................................................................................................................... 6
2.5
Mobiliteit .......................................................................................................................... 6
2.6
Circulariteit ...................................................................................................................... 7
2.7
Adaptatie ......................................................................................................................... 8
3
Conclusie en aanbeveling................................................................................................................. 9
1
Introductie en vraagstelling
Gemeente De Ronde Venen heeft behoefte aan een onderbouwd inzicht van de wettelijke verplichtingen voor de gemeente met betrekking tot verduurzaming. Het gaat om regelgeving die nationaal of internationaal (Europees) is vastgesteld en verplichtingen bevat voor gemeenten. Omgevingsplanregels met betrekking tot verduurzaming vallen bijvoorbeeld buiten de scope. Het onderzoek wordt gedaan in het kader van de herijking van het spoorboekje klimaatneutraal en circulair De Ronde Venen. In deze notitie worden de thema’s energie, warmte, gebouwen, industrie, mobiliteit en adaptatie besproken. De landbouwsector is in deze notitie uitgezonderd. In deze notitie wordt aangegeven welke doelstellingen (minimaal) verplicht zijn, welke maatregelen optioneel zijn, voor welke maatregelen de gemeente het bevoegd gezag is, dan wel welke wettelijke mogelijkheden er zijn om aanvullende duurzaamheidseisen op te stellen. Afgesloten wordt met een concluderende pagina met praktische adviezen met betrekking tot het toepassen van de verduurzamingseisen door de gemeente.
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
1/9
2
Verplichte en aanvullende wettelijke eisen voor verduurzaming
Hieronder worden per thema de eisen voor verduurzaming voor gemeenten beschreven. De overkoepelende verplichting voor Nederland betreft de verplichting uit artikel 2, eerste lid onder a, van de Klimaatwet. Daarin staat dat Nederland overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Europese klimaatwet de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert. Voor sommige thema’s geldt een landelijke streefdoelstelling op langere termijn. Bijvoorbeeld een streven naar een circulaire economie in 2050. Deze doelstelling zorgt (op korte termijn) niet voor directe verplichtingen voor gemeenten maar heeft op termijn mogelijk implicaties voor gemeenten. Landelijke doelstellingen die op gemeentelijk niveau momenteel geen impact hebben, worden ook benoemd. 2.1
Energie (elektriciteit)
Verplichtingen Gemeenten hebben diverse rollen bij het ontwikkelen van projecten in de energietransitie, zoals in de vergunningverlening, het wijzigen van omgevingsplannen of als uitvoerder en stimulator van het duurzame opwek of energie(besparings-) beleid. Met betrekking tot verplichtingen voor gemeenten is medewerking verlenen aan en het uitvoeren van acties die in de Regionale Energiestrategieën (RES) zijn afgesproken. RES zijn documenten die provincies, waterschappen, gemeenten en organisaties gezamenlijk opstellen waarin ze keuzes maken in de duurzame opwek van elektriciteit (zon en wind) en warmte. Gemeente De Ronde Venen is aangesloten bij RES U16, die bestaat uit 16 Utrechtse gemeenten, de provincie Utrecht en vier waterschappen. Gemeente De Ronde Venen is gesprekspartner geweest en is in die hoedanigheid gehouden aan collectieve afspraken uit de RES. De afspraak met betrekking tot elektriciteit bestaat (vooralsnog) uit het bodvan de RES U16 in 2030 onder meer een hoeveelheid van 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. De regio heeft zoekgebieden aangewezen waarbinnen gezocht wordt naar plekken voor windmolens en zonnepanelen (zie afbeelding 1).
Afbeelding 1: De kaart van de regio U16 met zoekgebieden.1 De gemeenteraad heeft tijdens de raadsvergadering van 5 juli 2021 besloten over de inbreng van de gemeente in de RES, welke zijn uitgewerkt in het Beleidsplan grootschalige zonnevelden De Ronde Venen 2023 en in de Uitvoeringsregels beleid Grootschalige Zonnevelden. De gemeenteraad heeft het RES-bod van de gemeente Ronde Venen vastgesteld op 0,114 TWh opwekcapaciteit in 2030. De
1 Bron: RES U16 1.0 (https://www.energieregioutrecht.nl/het+bod+van+de+res+u16/default.aspx).
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
2/9
capaciteit is grofweg onderverdeeld in 0,03 TWh op grote daken en 0,09 TWh zon op land (ongeveer 95 hectare). De ambitie voor 2030 moet uiterlijk in 2025 worden vergund om voor 2030 gerealiseerd te zijn. De gemeenteraad heeft 9 zoekgebieden aangewezen waar zonnevelden kunnen komen, welke staan in bijlage 1 van het Beleidsplan grootschalige zonnevelden De Ronde Venen 2023 (zie afbeelding 2 hieronder). Gemeente De Ronde Venen dient te handelen overeenkomstig haar eigen beleid. 2
Afbeelding 2: De gemeenteraad heeft 9 zoekgebieden aangewezen waar zonnevelden kunnen komen. 3 Energiebesparende maatregelen die in de volgende alinea worden besproken, zijn verplicht voor gemeentelijk vastgoed. De gemeente als bevoegd gezag Artikel 3.83 en 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat verplichte maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik voor bedrijven indien het jaarlijkse elektriciteitsverbruik > 50.000 kWh en/of gasverbruik >25.000 m3 aeq (aardgasequivalenten) is. Voor bepaalde gebruiksfuncties wordt verplicht alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar te treffen. De gemeente is het bevoegd gezag voor de handhaving van de energiebesparingsplicht. De Minister heeft de handhaving makkelijker gemaakt door invoering van de informatieplicht. Bedrijven moeten nu aangeven dat de wettelijke plicht tot energiebesparing nageleefd wordt. Er is een wettelijke informatieplicht voor bedrijven, te handhaven door de gemeente.
2 Volgt uit artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3 Bron: Beleidsplan grootschalige zonnevelden De Ronde Venen 2023.
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
3/9
De verplichtingen voor de gemeente als bevoegd gezag, bestaan uit het toezien op naleving van de informatieplicht door de gegevens (voortkomend uit de hierboven genoemde informatieplicht) te beoordelen en eventueel maatwerkvoorschriften op te leggen en de gemeente dient handhavend op te treden bij overtredingen (bijvoorbeeld via een last onder dwangsom of bestuursdwang). De beginselplicht tot handhaving houdt in dat een bestuursorgaan in de regel verplicht is om een overtreding van wettelijke voorschriften te handhaven, en is van toepassing bij herstelsancties. De zorgvuldigheidsplicht uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gebiedt het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Voorgaande betekent dat van gemeenten wordt verwacht dat zij handhavend optreedt en bij het nemen van het besluit zorgvuldigheid betracht. Optioneel In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten een regierol krijgen voor (met name) de gebouwde omgeving, en dat de randvoorwaarden daarvoor onder andere via wetgeving zullen worden georganiseerd. De Energiewet die waarschijnlijk volgend jaar in werking treedt, regelt zaken die de gemeentelijke uitvoering raken. Het geeft de gemeente voornamelijk een faciliterende rol (en geen verplichtingen om programma’s op te stellen).
De Energiewet maakt het bijvoorbeeld mogelijk voor inwoners en bedrijven om zelf opgewekte energie met elkaar uit te wisselen zonder tussenkomst van een energieleverancier. Ook hebben provincies en gemeenten de mogelijkheid gekregen bij verordening te bepalen dat initiatiefnemers van zonne- en windparken de inspanningsverplichting voor lokaal eigendom goed moeten motiveren. 2.2
Warmte
Verplichtingen De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw), die naar verwachting in werking treedt op 1 januari 2026, biedt naast kaders en bevoegdheden voor gemeenten in de warmtetransitie, de concrete verplichting elke 5 jaar het warmteprogramma (voorheen transitievisie warmte) te herijken. In het warmteprogramma staat een beschrijving van het tijdspad van verduurzaming per gemeente, wijk, buurt of dorpskern (het schaalniveau staat vrij). Het warmteprogramma krijgt een juridische status onder de Omgevingswet. Het Rijk kan specifieke instructieregels stellen voor de inhoud van dit programma. Het doel is om uiterlijk 31 december 2049 de laatste woningen van het aardgas gehaald te hebben. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) komt een artikel te staan op grond waarvan het vanaf die datum verboden is een bestaand gebouw aangesloten te hebben op aardgas. Uiterlijk 31 december 2026 dient het Warmteprogramma van De Ronde Venen te zijn herijkt. Optioneel De gemeente krijgt de bevoegdheid om maatwerkregels in het omgevingsplan op te nemen, waardoor gebouwen (in bepaalde wijken) eerder van het gas af moeten. 2.3
Gebouwen en energieprestatie gebouwen
Bij bestaande gebouwen zit een deel van de verduurzamingsslag bij energieverbruik ten behoeve van warmte op gebiedsniveau. Dat is in de paragraaf hiervoor aan bod gekomen. Deze paragraaf richt zich op het andere deel van de verduurzaming: de bouw en verbouw van gebouwen zelf en de energieprestatie van gebouwen. Onderscheid wordt gemaakt door gebouwen in eigendom van de gemeente en gebouwen die niet in eigendom zijn van de gemeente maar wel op het grondgebied van de gemeente staan.
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
4/9
I. Gebouwen in eigendom van of worden gebruikt door de gemeente: Europese verplichtingen In de Europese Richtlijn energieprestatie van gebouwen IV (EPBD IV) wordt onder meer het begrip zeroemission building (ZEB) voor de gebouwde omgeving geïntroduceerd. Emissievrije gebouwen worden de nieuwe standaard voor nieuwe gebouwen. Vanaf 1 januari 2028 geldt voor nieuwe gebouwen die eigendom zijn van of die door overheidsinstanties worden gebruikt, dat zij geen emissies uit fossiele brandstoffen meer mogen uitstoten. In 2050 moeten alle bestaande gebouwen een ZEB zijn.4 Nationale verplichtingen In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten hun maatschappelijk vastgoed voor 2050 verduurzamen. Vanuit de Sectorale Routekaart Gemeentelijk Maatschappelijk Vastgoed is het doel om 49% CO2-reductie in 2030 en 95% CO2-reductie in 2050 te realiseren ten opzichte van 1990. Gemeenten hebben de verplichting om te zorgen dat elk gemeentelijk kantoorgebouw groter dan 100 m2 vanaf 1 januari 2023 is voorzien van een energielabel dat minimaal voldoet aan energieklasse C. Ook kantoren in eigendom van gemeenten moeten voldoen aan deze energielabelverplichtingen.5 Gemeenten hebben de vrijheid om hierin ambitieuzere doelen te stellen. II. Andere gebouwen Bovengenoemde plicht geldt vanaf 1 januari 2030 voor alle andere nieuwe gebouwen. III.
Alle gebouwen Europese verplichtingen De Europese Commissie wil dat alle landen in de EU de utiliteitsgebouwen verduurzamen. Daarvoor heeft de Commissie 2 minimumniveaus opgesteld in de EPBD IV. De niveaus moeten de in 2020 slechtst presterende utiliteitsgebouwen verbeteren en verduurzamen. De regels moeten voor de zomer van 2026 op nationaal niveau concreet worden uitgewerkt. De 2 minimum energieprestatieniveaus: Vanaf 2030 moet de energieprestatie van alle utiliteitsgebouwen beter zijn dan van de slechtst presterende 16% uit 2020. Vanaf 2033 moet de energieprestatie van alle utiliteitsgebouwen beter zijn dan van de slechtst presterende 26% uit 2020. Nationale verplichtingen De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) is een van de instrumenten die wordt ingezet om een volledig circulaire bouweconomie te realiseren. De milieu-impact van de materialen die gebruikt worden in een gebouw wordt weergegeven in een MPG-score. Deze score komt tot stand door de maatschappelijke kosten van emissies te delen door het bruto vloeroppervlak (BVO) en door de geschatte levensduur van het gebouw. De eenheid komt daarmee uit op €/m²/jaar. Deze MPG-score is opgenomen als wettelijke eis in het Bbl voor gebouwen met een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl).
Een woonfunctie heeft een milieuprestatie van ten hoogste 0,8 en een kantoorgebouw heeft een milieuprestatie van ten hoogste 1 (mits de totale gebruiksoppervlakte groter is dan 100 m2 en het kantoorgebouw geen deel uitmaakt van een gebouw met andere gebruiksfuncties dan de kantoorfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan). 4 Zie paragraaf 2.5 voor nieuwe eisen aan gebouwen met betrekking tot laadfaciliteiten. 5 Gemeenten kunnen ondersteuning krijgen verschillende regelingen, zie
https://www.rvo.nl/onderwerpen/verduurzaming-utiliteitsbouw/maatschappelijk-vastgoed/gemeentelijk
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
5/9
Het toezicht hierop vindt in de regel plaats door de gemeente als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit, en kan meelopen in de reguliere procedures voor de bouwregelgeving. Vanaf 1 juli 2026, wordt in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een minimum energieprestatie-eis voor de meeste huurwoningen gesteld, die ingaat op 1 januari 2029. Verhuurders krijgen tot 1 januari 2029 de tijd om de huurwoningen met de EFG-labels aan te pakken. Wanneer dit niet gebeurt, dan kan de gemeente vanaf 1 januari 2029 handhaven om ervoor te zorgen dat verhuurders de huurwoning verbeteren naar tenminste label D. Daarbij zal de gemeente beschikken over bestaande handhavingsinstrumenten, zoals de mogelijkheid tot het aanschrijven van verhuurders, eventueel onder last van een dwangsom.6 2.4
Industrie
Optioneel Vaak is de provincie bij complexe bedrijven het bevoegd gezag voor milieubelastende activiteiten. De gemeente is meestal bevoegd gezag voor algemene rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor een milieubelastende activiteit (bij niet-complexe bedrijven). Wanneer de gemeente het bevoegd gezag is, kan zij in het kader van duurzaamheid en uitstoot maatregelen nemen. Dit omvat onder andere het verbeteren van toezicht op emissies en het scherp vergunnen van IPPC-installaties (grote industriële installaties). Gemeenten kunnen emissiegrenswaarden opnemen die zo dicht mogelijk bij de onderkant van de BREF-range liggen.7 Wanneer de gemeente het bevoegd gezag is, kan zij in het kader van duurzaamheid en uitstoot maatregelen nemen. De gemeente is het bevoegd gezag voor de energiebesparingsplicht voor bedrijven (zie onder paragraaf 1.1). 2.5
Mobiliteit
Verplichtingen De Richtlijn 2019/1161 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (Clean Vehicles Directive) verplicht decentrale overheden om bij de aanschaf van nieuwe voertuigen een minimaal deel uitstootvrije of schone voertuigen in te kopen. De Clean Vehicles Directive stelt specifieke percentages aan schone en uitstootvrije voertuigen die ingekocht moeten worden elke keer als een (decentrale) overheid door middel van een overheidsopdracht voertuigen inkoopt. De richtlijn is van toepassing op aanbestedingen door middel van overeenkomsten tot koop, huur, huurkoop en lease van wegvoertuigen maar ook op aanbestedingscontracten voor personenvervoer. De procentuele eisen voor Nederlandse overheden zijn als volgt:
6 Brief van de minister van VRO, 7 maart 2025, referentie 2025-0000161704. 7 Zie voor meer informatie: Gemeenten en SLA-doelen voor de industrie - Schone lucht akkoord
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
6/9
Afbeelding 3: de procentuele eisen voor Nederlandse overheden. Bron: https://europadecentraal.nl/onderwerp/vervoer/clean-vehicles-directive/ Gemeente als bevoegd gezag Sommige nieuwbouw van gebouwen moet voorzien worden van laadpalen. Ook voor parkeervakken bij bestaande utiliteitsbouw en industrie wordt verplicht laadinfrastructuur aangelegd. Ook zijn er straks verplichtingen om te zorgen voor parkeerplaatsen voor fietsen. De herziene eisen voor het plaatsen van laadpalen bij gebouwen uit de nieuwe EPBD IV moeten nog worden opgenomen in het Bbl. De eerste eisen uit deze EPBD IV gelden vanaf halverwege 2026. Wanneer het om een nieuw utiliteitsgebouw gaat dat binnen of buiten (op hetzelfde bouwwerkperceel) meer dan 10 parkeervakken heeft, dan moet er minimaal 1 oplaadpunt zijn. Ook moet minimaal één op de vijf parkeervakken een leidingdoorvoer voor oplaadpunten hebben (artikel 4.160b, lid 2 van het Bbl). Optioneel Op basis van de Wegenverkeerswet en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is het mogelijk een nul-emissiezone in te stellen die van toepassing is op bedrijfs- en vrachtauto’s. De gemeente kan voor een (afgebakende) zone op haar grondgebied bepalen dat die niet toegankelijk is voor bedrijfs- en vrachtauto’s die schadelijke stoffen uitstoten.
Tevens is het mogelijk om regionale mobiliteitsprogramma’s te ontwikkelen waarmee duurzame mobiliteit wordt gestimuleerd. Zie voor meer informatie de Handreiking Regionale Mobiliteitsprogramma’s. 2.6
Circulariteit
Geen verplichtingen In deze paragraaf worden verplichte en optionele duurzaamheidsinitiatieven met betrekking tot circulariteit waarvoor de gemeente aan de lat staat besproken. Circulariteit met betrekking tot bouwmaterialen is in paragraaf 1.3 besproken. In overeenstemming met de doelstelling van de EU om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te realiseren, zoals opgenomen in de Green Deal, diende de Europese Commissie in maart 2022 het eerste pakket maatregelen in om de overgang naar een circulaire economie te versnellen, zoals aangekondigd in het EU-Actieplan voor de circulaire economie. Circulaire initiatieven bestaan vooralsnog met name uit actieplannen en nog niet uit concrete wetgeving. Circulair Materialenplan Het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) beschrijft het afvalstoffenbeheer in Nederland, met de bescherming van mens en milieu voorop. Bedrijven en bevoegde gezagen, zoals omgevingsdiensten en gemeenten, houden rekening met het LAP bij besluiten en decentrale regelgeving. Het LAP krijgt binnenkort een
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
7/9
opvolger die meer gericht is op circulariteit: het Circulair Materialenplan (CMP). Daarin wordt de basis van het LAP uitgebreid naar de voorkant van de keten, met meer aandacht voor de hogere treden van de afvalhiërarchie. Het CMP zal een overzicht bieden van wetgeving voor circulariteit, onder meer bedoeld voor beleidsmakers en uitvoerders van de wetgeving bij overheden. Het CMP is nog niet gepubliceerd en in werking. Er zijn geen verplichtingen voor gemeenten met betrekking tot circulariteit. Optioneel: De nationale overheid werkt toe aan een netwerk van circulaire ambachtscentra, zo volgt uit het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030. Een circulair ambachtscentrum is een locatie of netwerk waarbij partijen samenwerken aan het verminderen van afvalstromen en het realiseren van hoogwaardig product- en materiaalhergebruik. Het Rijk biedt specifieke uitkeringen aan gemeenten voor circulaire ambachtscentra met als doel een landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra in 2030. Zie voor meer inspiratie over wat gemeenten kunnen doen in het kader van circulariteit: “Circulair beleid voor gemeenten, Inspiratie op handelingsperspectief” van de Natuur en Milieufederatie Utrecht (2019) en “Inspiratie voor gemeenten: op weg naar een circulaire economie” van de Natuur en Milieufederaties (2021).
Klaar voor de toekomst In 2050 moet het verbranden van recyclebaar materiaal volledig verleden tijd zijn. Dat vraagt om ingrepen aan de voorkant van de keten waarvoor gemeenten aan de lat staan. Gemeenten dragen immers zorg voor het ophalen van huishoudelijk afval. Gemeenten dienen inwoners nu al te stimuleren het afval goed te scheiden, door het aanbieden van passende inzamelmethoden en door communicatie, gedragsbeïnvloeding en financiële prikkels. Het Rijk gaat gemeenten helpen om afval beter te scheiden, bijvoorbeeld door het opstellen van uniforme lijsten met wat wel en niet in gescheiden afvalstromen terecht mag komen.8 2.7
Adaptatie
In het kader van het Deltaprogramma Ruimtelijk Adaptatie is afgesproken dat decentrale overheden (gemeenten, waterschappen en provincies) iedere 6 jaar een klimaatstresstest (DPRA-stresstest) uitvoeren.9 De stresstest laat zien hoe kwetsbaar een gebied is voor de verschillende gevolgen van klimaatverandering. De eerste stresstest is uitgevoerd in 2018. In de aanloop naar de tweede ronde klimaatstresstesten vanaf 2025 is de “Bijsluiter”, met specifieke eisen voor de test, geactualiseerd en verbeterd, op basis van ervaringen uit de eerste ronde stresstesten. Als de resultaten van de stresstest beschikbaar zijn, starten gemeenten, waterschappen, provincies en Rijkswaterstaat per regio een risicodialoog met alle relevante gebiedspartners en stellen zij een adaptatiestrategie op. Nadat overheden de adaptatiestrategie hebben opgesteld, maken ze een uitvoerings- en investeringsagenda voor hun regio. De gemeente is verplicht iedere 6 jaar een klimaatstresstest uit te voeren, een risicodialoog aan te gaan en mee te werken aan een adaptatiestrategie.
8 Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030. 9 Zie voor meer informatie over de klimaatstresstest: https://klimaatadaptatienederland.nl/stresstest/
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
8/9
3
Conclusie en aanbeveling
Voor gemeenten gelden verschillende acties die zij proactief dient uit te voeren. Gemeenten zijn verplicht: medewerking te verlenen aan en het uitvoeren van afspraken die in de Regionale Energiestrategieën (RES) zijn gemaakt; elke 5 jaar het warmteprogramma (voorheen transitievisie warmte) te herijken; zich bij aankoop van gebouwen te voldoen aan de daarvoor geldende milieu- en duurzaamheidseisen; om bij de aanschaf van nieuwe voertuigen een minimaal deel uitstootvrije of schone voertuigen in te kopen; iedere 6 jaar een klimaatstresstest uit te voeren, een risicodialoog aan te gaan en mee te werken aan een adaptatiestrategie. Voor verschillende thema’s gelden geen concrete verplichtingen voor gemeenten. Het kan in die gevallen zo zijn dat de gemeente het bevoegd gezag is voor bijvoorbeeld vergunningaanvragen of handhavings- en toezichtstaken. Bij het nemen van besluiten is de gemeente verplicht de benodigde kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Het wordt daarom aanbevolen over verschillende thema’s relevante kennis op te doen teneinde de taken afdoende uit te voeren. Het is daarmee geen verplichting, maar zo wordt goed voorbereid om te kunnen acteren op initiatieven vanuit burgers en bedrijven.
10 juni 2025
BK5924-101-101-RHD-ME-1
9/9