Bijlage 5 Aangepaste Ruimtelijke Onderbouwing Lange Coupure 1A - 14 november 2022
Tekst van het document
Lange Coupure 1A
Lange Coupure 1A
Lange Coupure 1A
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Doel en aanleiding van het project 1.2 Begrenzing 1.3 Vigerend planologisch regime 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 15 17
Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.2 Bodem 4.3 Natuurwaarden 4.4 Geluid 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Externe veiligheid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Verkeer en parkeren 4.9 Water 4.10 Beoordeling m.e.r-plicht
19 19 20 20 23 23 23 24 25 25 26
Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Afweging goede ruimtelijke ordening 5.2 Economische uitvoerbaarheid 5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31 31 31 31
Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing
33
Bijlage 1
Ecologisch onderzoek
35
Bijlage 2
Advies ruimtelijke kwaliteit erfinrichting
43
Bijlage 3
Plattegronden
47
Bijlage 4
Overzichtstekening
51
3
Lange Coupure 1A
4
Lange Coupure 1A
Ruimtelijke onderbouwing
5
Lange Coupure 1A
6
Lange Coupure 1A
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doel en aanleiding van het project
De eigenaar van het perceel Lange Coupure 1A in Abcoude wenst de bestaande bebouwing op het perceel te vervangen en te vergroten. De initiatiefnemer heeft op deze locatie een hoveniersbedrijf en is van plan om het bestaande gebouw van 110m2 (met een bouwhoogte van 5.85 meter) te slopen en een nieuw bedrijfsgebouw van 450m2 met een bouwhoogte van 7 meter hiervoor in de plaats te bouwen, zodat het gebouw bruikbaarder is voor zijn bedrijf. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan omdat de maximale maatvoering van 15% van het bouwvlak wordt overschreden. Het nieuwe gebouw behelst 40% van het bouwvlak. Deze overschrijding komt mede doordat de bestaande vergunde buitenopslag in de nieuwe situatie zal verdwijnen door inpandig de zaken op te slaan. Zodoende dient door de initiatiefnemer een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Overeenkomstig met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, art. 2.12) dient hierbij een goede ruimtelijke onderbouwing te worden aangeleverd door de initiatiefnemer. Voorliggend rapport bevat de ruimtelijke onderbouwing ter ondersteuning van de voorgenomen ontwikkeling.
1.2
Begrenzing
Het plangebied Lange Coupure 1A ligt in het buitengebied van Abcoude, ten zuiden van Abcoude. Ten oosten van het perceel ligt de spoorlijn Amsterdam-Utrecht. Het perceel is kadastraal aangemerkt als Baambrugge sectie 02 - A - 3655. Het plangebied betreft één van de agrarische erven welke liggen in het lint van Lange Coupure. Op onderstaande afbeeldingen zijn de ligging en de begrenzing/ bestaande indeling van het plangebied weergegeven
Ligging plangebied in gemeente De Ronde Venen
7
Lange Coupure 1A
Luchtfoto begrenzing/ inrichting bestaand plangebied (plangebied rood omlijnd)
1.3
Vigerend planologisch regime
Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Herziening Buitengebied Abcoude, vastgesteld op 5 juni 2014. Het perceel is bestemd als Bedrijf en heeft de dubbelbestemming 'Waarde Schootsvelden'. Voor de locatie is de functieaanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen. Daarnaast is als maatvoering 'maximum bebouwingspercentage: 15%' opgenomen. De bebouwing mag maximaal 10 m hoog zijn voor de bedrijfswoning en 8 meter voor de bedrijfsbebouwing. De goothoogte ligt op 3 meter. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.
Vigerend bestemmingsplan Herziening buitengebied Abcoude
8
Lange Coupure 1A
Na de sloop van de bestaande bebouwing zal er een nieuw gebouw worden gebouwd, dat een grotere oppervlakte heeft dan de bestaande bebouwing. Hiermee wordt het maximum bebouwingspercentage van 15% overschreden. De bebouwde oppervlakte van het bouwvlak wordt 40%. Het initiatief is daardoor in strijd met het bestemmingsplan. De nieuwe situatie met toe te voegen bebouwing is verder uitgewerkt in paragraaf 2.2. Tevens wordt er bebouwing gerealiseerd in een schootsveld, wat op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Voor de beoogde ontwikkeling dient daarom een uitgebreide Wabo-procedure (artikel 2.12 Wabo) te worden doorlopen. Ten behoeve van de procedure dient een goede ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld, voorliggend rapport voorziet hierin.
1.4
Leeswijzer
De ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd. Na de inleiding in hoofdstuk 1 wordt vervolgens in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. De beleidskaders worden in hoofdstuk 3 behandeld. In hoofdstuk 4 komen de uitvoeringsaspecten aan bod. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
9
Lange Coupure 1A
10
Lange Coupure 1A
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige en toekomstige situatie
Huidige situatie
Op dit moment zijn twee gebouwen aanwezig op het perceel die door het hoveniersbedrijf gebruikt worden. Totaal betreft dit circa 110 m2 aan bebouwing Daarnaast vindt (vergunde) buitenopslag plaats. De bebouwing is in 1970 gerealiseerd. Het bedrijf is sinds reeds 30 jaar op de locatie aanwezig. Op onderstaande afbeelding is de luchtfoto van het plangebied met daarop de huidige situatie weergegeven.
Luchtfoto huidige situatie
11
Lange Coupure 1A
Inrichting perceel huidige situatie
2.2
Toekomstige situatie
Er wordt een nieuw gebouw van ca. 450 m2 gerealiseerd. Dit gebouw bevat een multifunctionele bedrijfsruimte, die dienst kan doen als werkplaats en opslag van materiaal. Buitenopslag is dan niet meer toegestaan. Ook worden een bij de functie hoveniersbedrijf behorend kantoor, een daarbij behorende bijeenkomstruimte, kantine en een bijbehorende spreekkamer gerealiseerd. Het nieuwe gebouw krijgt een hoogte van circa 7 meter en wordt voornamelijk in hout uitgevoerd, zodat het gebouw aansluit bij de karakteristieken van de omgeving. Het bouwplan voldoet verder aan de duurzaamheidseisen van BENG (energielabel A+++). De bomen aan de noordzijde van het perceel blijven behouden. Het erf achter het nieuwe gebouw wordt gebruikt voor het parkeren van auto's, manouvreren van verkeer, laden en lossen en voor het stallen van materialen en materieel. Ook kunnen enkele proefopstellingen/voorbeeldtuinen op het terrein gerealiseerd worden. De functies van het terrein zijn verder uitgewerkt in Bijlage 2.
12
Lange Coupure 1A
Indeling nieuwe gebouw
Ten behoeve van het initiatief is een erfinrichtingsschets met een advies voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit opgesteld, waaraan de omgevingsvergunningaanvraag dient te voldoen. Dit advies is opgenomen in Bijlage 2.
Erfinrichtingsschets, Ervenconsulent Mooisticht, 2020
13
Lange Coupure 1A
14
Lange Coupure 1A
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskaders
Rijksbeleid
NOVI Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn vier nationale belangen waar het Rijk op wil sturen en richting geven: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkelingen van het land. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Voorliggende onderbouwing is niet strijdig met de ambities en prioriteiten van de NOVI.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht
Op 10 maart 2021 is de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In deze Omgevingsvisie legt de provincie haar integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. De provincie wil dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft, ook in 2050. Daarbij staat zij voor een flinke uitdaging: het aantal inwoners, woningen, banen en verplaatsingen groeit fors. Het grondgebied is te klein om al deze ruimtevragers los van elkaar een plek te bieden. De grootste opgave is daarmee de vraag hoe wij de verschillende functies ruimtelijk met elkaar kunnen combineren. Ook zal het nodig zijn om prioriteiten te stellen en keuzes te maken. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van de
15
Lange Coupure 1A
gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is er een inclusieve en circulaire provincie Utrecht: waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. Deze zeven thema’s vragen om een brede blik. Ze staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven- en ondergrond. Deze worden bezien vanuit het algemene belang, de integrale aanpak en de lange termijn. De zeven thema’s zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor de opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. Dit bereiken we door nieuwe ontwikkelingen te combineren en te concentreren,zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Al deze thema’s zijn in verband te brengen met het streven naar een duurzame, circulaire en in alle opzichten gezonde en vitale provincie. Dit betekent dat herbruikbaarheid van grondstoffen en producten ontstaat en dat waardevernietiging en verlies aan biodiversiteit wordt voorkomen.
Kortom: met de ambities in deze Omgevingsvisie dragen wij bij aan het verbeteren van de brede welvaart waarbij wij onder brede welvaart zowel de kwaliteit van leven in het hier en nu verstaan, als die van latere generaties of die van mensen elders in de wereld. Planspecifiek Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuw gebouw voor een hoveniersbedrijf mogelijk op een locatie in het buitengebied. Bij de ontwikkeling van dit gebouw dient rekening gehouden te worden met de pijler 'Levend landschap'. In de omgevingsvisie is het plangebied in het kader van dit thema op verschillende wijzen aangeduid. Ten aanzien van de pijler 'Levend landschap' is voor voorliggend initiatief een landschappelijke inpassing opgesteld (Bijlage 2).
3.2.2
Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht
Op 10 maart 2021 is, samen met de provinciale omgevingsvisie, de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsverordening legt de beleidsthema's zoals uitgewerkt in de provinciale omgevingsvisie vast in concrete regelgeving. Voor dit plan zijn met name de regels met betrekking tot de cultuurhistorische waarden in het plangebied van toepassing (artikel 7.2 en 7.7). Ten aanzien van de zones is behoud door ontwikkeling het uitgangspunt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van de linies is het behouden en versterken van de openheid van de voormalige inundatiegebieden en van de samenhang tussen de elementen van de linie van groot belang. Wel wordt afgeweken van de zone Landelijk gebied, omdat de bebouwing met meer dan 20% wordt uitgebreid. Volgens de Verordening kan worden afgeweken van het verbod op uitbreiding van de bebouwing onder de volgende voorwaarden: De ontwikkeling is kleinschalig; de ontwikkeling voorziet in een toename van 20 % van bebouwing op een klein perceel in het buitengebied. Gelet op de aard en de omvang van het initiatief is de ontwikkeling als kleinschalig aan te merken. Er is sprake van economische noodzaak als aangetoond wordt dat de uitbreiding nodig is voor de continuïteit van het bedrijf; Dat is hier het geval. Het bedrijf heeft als doel om toekomstbestendig te worden door een kwaliteitsverbetering door te voeren.
De bestaande bebouwing is verouderd. Een hoveniersbedrijf past op deze locatie, want de locatie is goed bereikbaar voor alle verkeer t.b.v. het optimaal functioneren. Verder is de ligging centraal gelegen binnen het werkgebied, dus minimum aan
16
Lange Coupure 1A
verkeersbewegingen en reistijden. De agrarische omgeving past goed bij de bedrijfsvoering en doelgroep/opdrachtgevers. Zand, aarde en overige vergelijkbare gebruiksmaterialen hebben enige ruimte nodig en worden met regelmaat los gestort, wat hier geen nadelige consequenties heeft voor de omgeving, andere gebruikers en infrastructuur. Bomen, struiken, gras en overige aanverwante groenvoorzieningen kunnen hier zonder consequenties voor de omgeving worden geleverd en tijdelijk opgeslagen. Het tijdelijk opkuilen van planten kan hier ook op natuurlijke wijze. Een hoveniersbedrijf heeft vrij veel ruimte nodig gezien de gebruiksproducten en het materieel. Deze inrichting van het erf en geluidsproductie kan/zal op een bedrijventerrein als niet passend beoordeeld worden en leiden tot reacties. Kortom deze locatie is passend voo rhet bedrijf. Nieuwbouw is in dit kader danook het meest wenselijke scenario. Verplaatsing naar een bedrijventerrein om uit te breiden is hier niet mogelijk en daarnaast niet passend voor deze functie. Zonder te investeren in de huidige bedrijfslocatie zal de groeiontwikkeling van Snoek Tuinen de komende jaren stagneren. De concurrentiepositie van Snoek Tuinen zal verzwakken en leiden tot minder gegunde opdrachten, minder jaaromzet en verliesgevende resultaten.
Om de continuïteit van Snoek Tuinen te borgen is het dus van cruciaal belang om te investeren in de huidige bedrijfslocatie. Met het oog op het marktgebied van Snoek Tuinen is de ligging van de huidige bedrijfslocatie ideaal. Zo is het perceel goed bereikbaar en kunnen werkplekken snel worden bereikt. Minder reistijd betekent immers minder kosten die aan opdrachtgevers moeten worden doorbelast of voor eigen rekening moeten worden genomen. Hetgeen de concurrentiepositie verstevigt en mede de investeringsbereidheid van Snoek Tuinen verklaart. De aangeleverde economische onderbouwing is door de provincie Utrecht akkoord bevonden en wordt door de gemeente onderschreven. De economische noodzakelijkheid van uitbreiding op deze locatie is aangetoond De ontwikkeling zorgvuldig wordt ingepast; Mooisticht (in samenspraak met Landschap Erfgoed Utrecht) heeft de inpassing van het plan verder uitgewerkt en daarmee akkoord gegeven op de geplande bebouwing binnen de schootsvelden. Die uitwerking is daarmee onderdeel van de omgevingsvergunning (zie Bijlage 2). Een zorgvuldige inpassing is hiermee gewaarborgd. Conclusie Het initiatief voorziet in de realisatie van bebouwing waar dit in de eerste instantie niet is toegestaan. Onder voorwaarden kan er echter wel bebouwing worden toegevoegd/ uitgebreid. In dit kader is er een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld.
Het inrichtingsplan is opgenomen in de bijlage. De ontwikkeling is daarmee niet strijdig met de provinciale omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie De Ronde Venen De structuurvisie geeft richting aan de toekomst van de gemeente tot 2030. Binnen deze structuurvisie worden vitale dorpen en kernen genoemd. Een van de thema's is werken, waarvoor het doel is om een goed ondernemersklimaat aan te bieden met een diversiteit aan vestigingslocaties. De realisatie van het nieuwe gebouw is noodzakelijk voor een gezonde bedrijfsvoering. Daarmee is het initiatief in lijn met de Structuurvisie.
17
Lange Coupure 1A
18
Lange Coupure 1A
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoeringsaspecten
Archeologie en cultuurhistorie
Het gebied heeft geen archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Vanuit cultuurhistorie is de dubbelbestemming 'Waarde - Schootsvelden' opgenomen in het geldende bestemmingsplan Herziening Buitengebied Abcoude. Dit is ter bescherming van de Stelling van Amsterdam gedaan. De zichtlijnen hiervan moeten intact blijven of verbeterd worden. Dit is bij de voorgestelde ontwikkeling het geval. Daar is expliciet rekening mee gehouden. Vanaf de Stelling van Amsterdam (gelegen aan de noordzijde van het plangebied) is het perceel nauwelijks zichtbaar door bomenrijen en de bebouwing op het perceel van Lange Coupure 1, beiden gelegen aan de noordzijde van het perceel. Het vervangen van de huidige bebouwing door een groter gebouw tast daarmee de zichtlijnen op geen enkele manier aan. Daarnaast past de nieuwe architectuurvorm beter in het landschap dan de huidige bebouwing. In Bijlage 2 is het erfinrichtingsadvies opgenomen van Mooisticht (in samenspraak met Landschap Erfgoed Utrecht). Het initiatief zal conform dit advies gerealiseerd worden. Zowel de gemeente als de provincie is expliciet akkoord gegaan met deze bebouwing binnen de schootsvelden. De vervanging van de bestaande bebouwing door een groter gebouw binnen de de dubbelbestemming 'Waarde - Schootsvelden' is onderdeel van deze afwijkingsprocedure van het bestemmingsplan.
De provincie is hier expliciet mee akkoord gegaan, mits de bebouwing (spanten, gevels en dak) in hout wordt gerealiseerd en wordt afgestemd met Mooisticht (in overleg met Landschap Erfgoed Utrecht). Hieraan wordt voldaan. Mooisticht (in samenspraak met Landschap Erfgoed Utrecht) heeft de inpassing van het plan verder uitgewerkt (zie Bijlage 2) en daarmee akkoord gegeven op de geplande bebouwing binnen de schootsvelden. Die uitwerking is daarmee onderdeel van de omgevingsvergunning. Daar komt bij dat de zichtrelatie in de schootsvelden ook voor de Lange Coupure 1a niet meer aan de orde is door bebouwing op de Molenweg 19B, 20, 22 en de Lange Coupure 1 inclusief de bestaande bomenrij langs het erf op de Lange Coupure 1a. Het afwijken van deze bepaling is eerder (in overleg met provincie) toegepast aan de Molenweg 22 Abcoude, wat een vergelijkbare situatie is. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Stelling van Amsterdam weergegeven. Op de afbeelding is te zien dat er geen zichtlijnen worden aangetast richting het Fort Abcoude. De zichtlijnen worden ter plaatse al onderbroken door het bedrijf op het perceel Lange Coupure 1.
19
Lange Coupure 1A
Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Fort Abcoude (rode speld)
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering.
4.2
Bodem
Als een gevoelige functie aanwezig is, dient onderzocht te worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een gevoelige functie houdt in dat meer dan 2 uur per dag mensen verblijven op het perceel. Dat is hier niet het geval. De werkzaamheden van het hoveniersbedrijf worden op locatie van cliënten uitgevoerd. Bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt zoveel mogelijk met een gesloten grondbalans gewerkt.
4.3
Natuurwaarden
4.3.1
Wettelijk kader en beleid
Europese richtlijnen De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De
20
Lange Coupure 1A
Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden. Wet natuurbescherming Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten. De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.
De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden. Gebiedsbescherming De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast. Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden: a. b. c.
er zijn geen alternatieve oplossingen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege: 1. 2.
argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan. Soortenbescherming De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten: a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten; Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen. b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn; Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te
21
Lange Coupure 1A
vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen. c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage van de wet opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen. Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan: a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk; b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied; c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.
Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud. Houtopstanden Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland. 4.3.2
Onderzoeksresultaten
Flora en fauna Om de effecten op soortenbescherming en gebiedsbescherming te toetsen is een onderzoek uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 1. Voor gebiedsbescherming is hieruit gekomen dat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Voor soortenbescherming dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Daarnaast is het ook van belang dat rekening wordt gehouden met de overwinteringsperiode van de rugstreeppad. Hiervoor dienen tijdens deze periode geen materialen te worden verplaatst en er wordt aangeraden om een amfibiescherm rondom de bouwplaats te plaatsen. In dat geval kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is het noodzakelijk de effecten van het initiatief op beschermde gebieden te beoordelen. In dit geval is het noodzakelijk om naar de effecten van stikstof op omliggende gevoelige Natura-2000 gebieden te kijken. Gelet op de aard van het initiatief en de ligging ten opzichte van stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden zijn er geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van het initiatief. 4.3.3
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.
22
Lange Coupure 1A
4.4
Geluid
De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In een ruimtelijk plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Conclusie Met de voorliggende ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Een geluidsonderzoek in het kader van de Wet geluidshinder (Wgh) kan derhalve achterweg blijven.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleidskader De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verplicht om, in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening', aan te tonen dat toekomstige en bestaande bewoners en gebruikers een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, maar ook dat bestaande bedrijven niet in hun belangen worden geschaad. Hiertoe kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelige functie noodzakelijk zijn. Die afstand wordt 'milieuruimte' genoemd. Milieuzonering omvat het stelsel van verschillende gradaties van milieuruimte, die rondom verschillende typen bedrijven noodzakelijk is, ingedeeld in zogenaamde milieucategorieën. Milieuzonering werkt wederkerig. Dat betekent dat nieuwe bedrijven afstand moeten houden tot gevoelige objecten, maar ook dat nieuw te ontwikkelen (gevoelige) objecten voldoende afstand moeten houden tot bestaande bedrijven. Die afstand is noodzakelijk, omdat de bedrijfsvoering van een bestaand bedrijf kan worden aangetast of er hinder kan ontstaan voor bewoners en gebruikers wanneer er onvoldoende afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies bestaat. Ter bepaling van de noodzakelijke afstanden zijn het 'Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer' (oftewel het Activiteitenbesluit) en de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 leidend.
Onderzoek en conclusie De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een wijziging op het gebied van milieubelasting. Het perceel zal in de toekomst namelijk de functie als hoveniersbedrijf behouden. Zodoende levert het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen op.
4.6
Externe veiligheid
Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Basisnet externe veiligheid transportroutes (Bevt);Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Per 1 april 2015 is het Basisnet externe veiligheid transportroutes (Bevt) met bijbehorend informatiesysteem Basisnet in werking getreden. In Basisnet staan gegevens over het vervoer van
23
Lange Coupure 1A
gevaarlijke stoffen over de grote vaar-, spoor- en autowegen opgenomen. Het Bevt vervangt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS). Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan.
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omlijnd
Conclusie Het gebied ligt in de nabijheid van de spoorlijn Amsterdam - Utrecht. Dit is een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het aantal personen dat aanwezig is op het perceel neemt niet toe. Om die reden vormt externe veiligheid geen belemmering voor het plan.
4.7
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m³, NO2 of PM10) als 'niet in betekende mate' wordt beschouwd. Het plan betreft het herinrichten van een bestaand bedrijfsperceel van een hoveniersbedrijf. Verslechtering van de luchtkwaliteit is daardoor niet aan de orde.
24
Lange Coupure 1A
Conclusie De voorgestelde ontwikkeling kan worden gezien als een nibm-project, gezien de beperkte ontwikkeling die plaats vindt. Daarom hoeft er niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig.
4.8
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf wordt de verkeerssituatie ter plaatse beschreven. Parkeren Het initiatief voorziet in de realisatie van een gebouw van 450 m2 oppervlakte. Op basis van CROW Publicatie 381, uitgaande van een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied, zijn er per 100 m2 bedrijfsoppervlakte 1,3 parkeerplaatsen noodzakelijk. Totaal moet bij dit initiatief voorzien worden in 5,8 parkeerplaatsen. Ter plaatse wordt voorzien in 7 parkeerplaatsen. Dit is in lijn met de kentallen. Op het perceel werken 8 personen die in de nabijheid van Abcoude wonen. 2 á 3 personen komen vaak met de fiets naar werk, overdag zijn er vaak 4 á 5 personenauto's aanwezig op het perceel. Voor bezoekersparkeren is op het voorerf een zone bestraat met grasbestrating. Hier zal incidenteel gebruik van worden gemaakt, maar is overmatig gedimensioneerd (ca.30 M1 > 2.50M1 per auto is 12 parkeerplekken). De bedrijfsbussen van het hoveniersbedrijf zijn gedurende de dagsituatie onderweg of op de werklocaties en worden bij voorkeur buiten de werkuren binnen de bebouwing gestald. Op het perceel is voldoende parkeergelegenheid voorzien. Verkeer Op basis van de zelfde kentallen van Publicatie 381 voorziet het bedrijf in 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. In dit geval voorziet het bedrijf in naar boven afgerond 26 verkeersbewegingen per etmaal.
De bestaande infrastructuur kan deze verkeersdruk prima verwerken. Nader onderzoek of aanpassingen aan de bestaande infrastructuur zijn niet noodzakelijk. Conclusie Het plan is ten aanzien van verkeer en parkeren uitvoerbaar.
4.9
Water
Nationaal waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid voor de periode 2009-2015. Het NWP beschrijft welke maatregelen genomen moeten worden om Nederland ook in de toekomst veilig en leefbaar te houden en om de (economische) kansen die water biedt te benutten. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, per 1 juli 2008 verankerd in art. 3.1.6 lid 1 sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Keur AGV 2019 De Keur is één van de instrumenten die de waterbeheerder ter beschikking staat om de doelstellingen van het waterbeheer te behalen. Ruimtelijke ontwikkelingen en werkzaamheden rondom en in watergangen en waterkeringen en hun beschermingszones moeten daarom onder andere worden getoetst aan de Keur AGV 2019. Plangebied Het gaat om een reeds bestaande functie. Op het erf zijn twee kleine, geschakelde loodsen aanwezig. Om de loodsen is verharding aanwezig. De beide loodsen worden vervangen door één schuur van ca. 450 m2. Omdat het perceel reeds verhard is, neemt het aandeel verharding ten opzichte van de huidige situatie niet toe. De waterhuishoudkundige situatie op het perceel wijzigt niet. Watertoets
25
Lange Coupure 1A
De watertoets is een overlegverplichting tussen initiatiefnemer en waterbeheerder(s) en geldt onder andere voor het vaststellen van een bestemmingsplan, of een wijzigings- en uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub a en b Wro. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. In kader van de watertoets dient het plan voorgelegd te worden aan de waterschapbeheerder Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
4.10 Beoordeling m.e.r-plicht Het plangebied was reeds in gebruik voor een hoveniersbedrijf met een gebouw van 110m2 (met een bouwhoogte van 5.85 meter) en vergunde buitenopslag. Het gebouw wordt gesloopt en vervangen door een bedrijfsgebouw van 450m2 met een bouwhoogte van 7 meter. De bestaande vergunde buitenopslag zal in de nieuwe situatie verdwijnen door inpandig materialen op te slaan. M.e.r.-plicht De vraag of sprake is van een m.e.r.-plicht omvat twee subvragen: 1.
2.
Is het plan kaderstellend voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige-activiteiten? In het Besluit m.e.r. kan bedrijvigheid vallen onder categorie D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In het Besluit m.e.r. is geen ondergrens opgenomen, maar er moet wel sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). Ook daarvan is geen definitie beschikbaar. Het begrip “stedelijk ontwikkelingsproject” laat ruimte voor interpretatie en functioneert daardoor als een soort achtervang voor stedelijke ontwikkelingen met mogelijke aanzienlijke milieugevolgen. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is onder meer afhankelijk van de volgende factoren, zo blijkt uit de jurisprudentie (bron: https://blogomgevingsrecht.nl/jurisprudentie/stedelijk-ontwikkelingsproject-in-de-praktijk/): - De omvang van de ontwikkeling; hoe groter, hoe eerder sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject; - Is er sprake van functiewijziging of behoud van bestaande functie(s): - Is er sprake van uitbreiding van een bestaand bouwwerk of een nieuw bouwwerk; - Ligging; in stedelijk gebied of niet; - Vormgeving en opzet; ingepast in het bestaande gebied of niet.
Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. In onderhavig geval gaat het om een toename van 310 m2 aan bedrijfsbebouwing. Vanwege deze geringe omvang is de sloop en vergroting van de bebouwing het bestaande hoveniersbedrijf geen stedelijk ontwikkelingsproject en valt daarmee niet onder de D-lijst van het Besluit m.e.r. (D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Ook zijn uit de voorgaande paragrafen geen 'aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu' gebleken. Het plan is daardoor niet kaderstellend voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige-activiteiten Kan het plan leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een nabijgelegen Natura 2000-gebied? Wanneer dit niet op voorhand kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en geldt daarmee ook een m.e.r.-plicht. Deze vraag staat los van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Overigens geldt voor de m.e.r.-plicht wel een uitzondering voor kleine gebieden en wijzingen op grond van artikel 7.2a, lid 2. Het plangebied valt op basis daarvan onder 'kleine gebieden en wijzigingen'.
In onderstaand schema is het bovenstaande nogmaals schematisch weergegeven.
26
Lange Coupure 1A
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit het voorgaande blijkt dat voor deze omgevingsvergunning geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden doorlopen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. De onderdelen van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn evenwel beschreven. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling geschiedt aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....' De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 1. 2. 3.
de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).
Kenmerken van de activiteit Op dit moment zijn twee gebouwen aanwezig op het perceel die door het hoveniersbedrijf gebruikt worden. Totaal betreft dit circa 110 m2 aan bebouwing Daarnaast vindt (vergunde) buitenopslag plaats. In plaats daarvan wordt een nieuw gebouw van ca. 450 m2 gerealiseerd. Het nieuwe gebouw krijgt een hoogte van circa 7 meter. Het bouwplan voldoet verder aan de duurzaamheidseisen van BENG (energielabel A+++). Ten behoeve van het initiatief is een erfinrichtingsschets met een advies voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit opgesteld, waaraan de omgevingsvergunningaanvraag voldoet. Dit advies is opgenomen in Bijlage 2. Het plan voorziet daarmee in uitbreiding van het oppervlak aan bedrijfsbebouwing van een bestaand hoveniersbedrijf met 310 m2. De kenmerken van de activiteit, zijn reeds behandeld in hoofdstuk 1, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. Plaats van de activiteit Zoals in 1.2 is aangegeven ligt Lange Coupure 1A ligt in het buitengebied van Abcoude, ten zuiden van Abcoude. Ten oosten van het perceel ligt de spoorlijn Amsterdam-Utrecht. Het perceel is kadastraal aangemerkt als Baambrugge sectie 02 - A - 3655. Plaats van de activiteit in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet
27
Lange Coupure 1A
in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden, in dit geval Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur), Natura 2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als erf voor het bestaande hoveniersbedrijf. Deze bestaande functie en dit bestaande grondgebruik blijft gehandhaafd, maar het plan voorziet in uitbreiding van het oppervlak aan bedrijfsbebouwing van een bestaand hoveniersbedrijf met 310 m2. Het genoemde onder het tweede aandachtsstreepje is in dit geval niet aan de orde. De nieuwe inrichting van het gebied heeft geen effect op natuurlijke hulpbronnen, zoals mineralen, ertsen, fossiele brandstoffen. Wat betreft het genoemde onder het derde aandachtsstreepje ligt het plangebied niet in het NNN of een Natura 2000-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de waarden en kenmerken van de NNN. Voor meer informatie wordt verwezen naar de onderstaande tabel en Bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing. Het plangebied is verder gelegen in een agrarisch gebied, aan een bestaande weg.
Op basis van het bestemmingsplan buitengebied gelden geen bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische of archeologische bepalingen voor het plangebied, met uitzondering van de schootsvelden (zie paragraaf 4.1). Hier wordt nader op ingegaan bij Kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: het bereik van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de autonome ontwikkelingen. De mogelijke milieueffecten worden indien aan de orde aan de hand van de verschillende relevante thema's beschreven. Voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn autonome ontwikkelingen niet bekend. De referentiesituatie is dan ook overeenkomstig de bestaande situatie. Vanwege de aard van de ingreep wordt nader aandacht besteed aan de potentiële (milieu)effecten die kunnen optreden op water, bodem, archeologie, cultuurhistorie, geluid, verkeer, luchtkwaliteit, externe veiligheid en natuur in onderstaande tabel. In die tabel is per milieuaspect aangegeven welke invloed de uitbreiding van het bebouwingsoppervlak met 310 m2 heeft.
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de voorgaande paragrafen van Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten. Aspect
Invloed uitbreiding bebouwingsoppervlak met 310 m2
Water
Het gaat om een reeds bestaande functie. Op het erf zijn twee kleine, geschakelde loodsen aanwezig. Om de loodsen is verharding aanwezig. De beide loodsen worden vervangen door één schuur van ca. 450 m2. Omdat het perceel reeds verhard is, neemt het aandeel verharding ten opzichte van de huidige situatie niet toe. De waterhuishoudkundige situatie op het perceel wijzigt niet. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op de waterhuishouding.
Bodem
Een gevoelige functie houdt in dat meer dan 2 uur per dag mensen verblijven op het perceel. Dat is hier niet het geval. De werkzaamheden van het hoveniersbedrijf worden op locatie van cliënten uitgevoerd. Bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt zoveel mogelijk met een gesloten grondbalans gewerkt. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op de bodem.
28
Lange Coupure 1A
Archeologie
Het gebied heeft geen archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op de archeologische waarden.
Cultuurhistorie
Vanuit cultuurhistorie is de dubbelbestemming 'Waarde - Schootsvelden' opgenomen in het geldende bestemmingsplan Herziening Buitengebied Abcoude. Dit is ter bescherming van de Stelling van Amsterdam gedaan. De zichtlijnen hiervan moeten intact blijven of verbeterd worden. Dit is bij de voorgestelde ontwikkeling het geval. De bebouwing (spanten, gevels en dak) wordt in hout gerealiseerd. Mooisticht (in samenspraak met Landschap Erfgoed Utrecht) heeft de inpassing van het plan verder uitgewerkt (zie Bijlage 2) en daarmee akkoord gegeven op de geplande bebouwing binnen de schootsvelden. Daar komt bij dat de zichtrelatie in de schootsvelden ook voor de Lange Coupure 1a niet meer aan de orde is door bebouwing op de Molenweg 19B, 20, 22 en de Lange Coupure 1 inclusief de bestaande bomenrij langs het erf op de Lange Coupure 1a. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op de cultuurhistorische waarden.
Geluid
Geluidsgevoelige objecten worden niet mogelijk gemaakt. Woningen liggen op voldoende afstand. Er zijn geen geluideffecten te verwachten.
Verkeer
Het betreft een bestaand hoveniersbedrijf. Het bedrijf voorziet in 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. In dit geval voorziet het bedrijf in naar boven afgerond 26 verkeersbewegingen per etmaal. De bestaande infrastructuur kan deze verkeersdruk prima verwerken. Kortom, er zijn geen negatieve effecten te verwachten.
Luchtkwaliteit
De voorgestelde ontwikkeling kan worden gezien als een nibm-project, gezien de beperkte ontwikkeling die plaats vindt. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten.
Externe veiligheid
Er worden geen (beperkt) kwetsbare objecten toegelaten en geen risicovolle bedrijven. Het gebied ligt in de nabijheid van de spoorlijn Amsterdam Utrecht. Dit is een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het aantal personen dat aanwezig is op het perceel neemt niet toe.
Natuur - Flora en fauna
Om de effecten op soortenbescherming en gebiedsbescherming te toetsen is een onderzoek uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 1. Voor soortenbescherming dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Daarnaast is het ook van belang dat rekening wordt gehouden met de overwinteringsperiode van de rugstreeppad. Hiervoor dienen tijdens deze periode geen materialen te worden verplaatst en er wordt aangeraden om een amfibiescherm rondom de bouwplaats te plaatsen. In dat geval kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Natuurgebieden
beschermde In het kader van gebiedsbescherming is het noodzakelijk de effecten van het initiatief op beschermde gebieden te beoordelen. In dit geval is het noodzakelijk om naar de effecten van stikstof op omliggende gevoelige Natura-2000 gebieden te kijken. Gelet op de aard van het initiatief en de ligging ten opzichte van stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden zijn er geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van het initiatief.
Conclusie Op voorhand zijn geen negatieve effecten te verwachten.
29
Lange Coupure 1A
30
Lange Coupure 1A
Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1
Afweging goede ruimtelijke ordening
De nieuwe bebouwing valt geheel in het bouwvlak, echter de toegestane hoeveelheid m2 wordt behoorlijk overschreden. Op het moment is er een vergunning aanwezig voor buitenopslag. Op basis van de benodigde m2 (economische continuïteit), het in de nieuwe situatie tegengaan van buitenopslag (dat betekent dat die 'opslag' binnen in de hal gerealiseerd gaat worden), de afwezigheid van negatieve gevolgen voor het milieu en de betreffende locatie heeft het college, in goed overleg met de provincie, de afweging gemaakt dat de uitbreiding op deze locatie stedenbouwkundig en cultuurhistorisch verantwoord is.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het terrein zal op de zelfde manier gebruikt worden zoals de afgelopen 10 jaar, zodoende is er geen sprake van planschade.
5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerpbesluit op de omgevingsvergunning zal ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend.
31
Lange Coupure 1A
32
Lange Coupure 1A
Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing
33
Lange Coupure 1A
34
Lange Coupure 1A
Bijlage 1 Ecologisch onderzoek
35
Beknopte natuurtoets Lange Coupure 1a projectnummer: 002.33.50.00.00 Onderwerp:
Beknopte natuurtoets Lange Coupure 1a Abcoude
Datum:
25-08-2020
Inleiding KADER De initiatiefnemer is voornemers om de bebouwing op het terrein van Lange Coupure 1A te Abcoude te slopen ten behoeve van de bouw van een nieuwe loods. Hiertoe wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Om de uitvoerbaarheid van het project te toetsen is de voorliggende beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het doel van de beknopte natuurtoets is om na te gaan of aanvullend onderzoek ten aanzien van beschermde soorten en gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming 1
(Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Hiertoe is een veldbezoek uitgevoerd door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs en tevens is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Tijdens het veldbezoek is de bebouwing zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde geïnspecteerd. Het bezoek heeft plaats gevonden op 11 augustus 2020. De weersomstandigheden waren: onbewolkt, droog, zwakke wind en circa 26 °C. PROJECTGEBIED Het projectgebied heeft betrekking op het erf van Lange Coupure 1A te Abcoude. Dit perceel grenst aan de westzijde aan de weg Lange Coupure en wordt aan de overige zijden omgeving door graslandpercelen die in agrarisch gebruik zijn. Op het erf zijn twee kleine, geschakelde loodsen aanwezig. De westelijke loods heeft een golfplaten zadeldak en heeft stenen muren zonder spouwmuur en aan de kopse kanten tevens houten gevelbetimmering. De oostelijke loods is opgetrokken uit metalen damwandplaten. Om de loodsen is verharding aanwezig en aan de zuidzijde tevens enkele kleine begraasde graslandpercelen. Aan de noordrand van het projectgebied staat een elzensingel en verder is ten westen van de loodsen een solitaire treurwilg aanwezig. Permanent oppervlaktewater ontbreekt in het projectgebied.
1
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van
(Europese) natuurgebieden.
Het plan bestaat uit de sloop van de twee loodsen ten behoeve van de nieuwbouw van een grotere, nieuwe loods die wordt gebruikt als opslagruimte door een hoveniersbedrijf. Hierbij wordt ook verharding verwijderd en grond vergraven. De bomen in het projectgebied blijven behouden bij de uitvoering van het plan.
Impressie van het projectgebied op 11 augustus 2020.
Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreft: -
alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);
-
dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
-
nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. INVENTARISATIE 2
Uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna blijkt dat binnen een straal van een kilometer rond het projectgebied verschillende beschermde diersoorten bekend zijn (NDFF, 11 augustus 2020 17:24:02). Het betreft met name vogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen.
2
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF is de meeste complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft
informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens.
datum 25-08-2020
projectnummer 002.33.50.00.00
2
Het projectgebied heeft qua vegetatie betrekking op begraasd grasland, verhard terrein en een elzensingel. In het projectgebied zijn tijdens het veldbezoek onder andere gestreepte witbol, paardenbloem en grote brandnetel aangetroffen. De opgaande beplanting bestaat uit zwarte elzen en een solitaire treurwilg. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen en deze zijn ook niet te verwachten gezien de voedselrijke grond en de inrichting van het terrein. Uit de omgeving van het projectgebied is het voorkomen van verschillende soorten vogels met jaarrond beschermde nesten bekend zoals huismus en gierzwaluw (NDFF). In de twee kleine schuren zijn geen invliegopeningen aanwezig voor huismus en gierzwaluw. Er zijn dan ook geen nesten of andere sporen in de schuren aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. In de elzensingel is tijdens het veldbezoek wel een nest van ekster aangetroffen. Ook waren 2 eksters in het projectgebied aanwezig, dus de kans is groot dat het nest nog in gebruik is door ekster. De kans is daarom zeer klein dat dit nest in gebruik wordt genomen door ransuil, een soort met jaarrond beschermde nestplaats, die wel gebruik maakt van oude nesten van ekster. Bovendien waren geen braakballen of andere sporen aanwezig die duiden op de aanwezigheid van ransuil.
Een jaarrond beschermde nestplaats van ransuil kan dan ook uitgesloten worden. Mogelijk foerageren soorten als kerkuil en sperwer wel af en toe in het projectgebied. In het projectgebied kunnen behalve ekster een aantal andere algemene vogelsoorten tot broeden komen, waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, zoals vink, winterkoning en merel. In de schuren zijn geen geschikte invliegopeningen voor vleermuizen aangetroffen. Bovendien ontbreken in de schuren voor vleermuizen geschikte besloten ruimtes die als verblijfplaats kunnen dienen. Ook in de bomen in het projectgebied zijn geen voor vleermuizen geschikte holtes, spleten of stukken loszittende schors aangetroffen. Vleermuisverblijfplaatsen kunnen worden uitgesloten in het projectgebied. Wel kunnen vleermuizen het projectgebied gebruiken als foerageergebied. Te verwachten zijn soorten die in relatief open gebieden kunnen foerageren, zoals de uit de omgeving bekende soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF). De opgaande beplanting in het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een doorgaande structuur en zal daarom geen onderdeel vormen van een belangrijke vliegroute van vleermuizen. Het projectgebied vormt geschikt leefgebied voor een aantal algemene grondgebonden zoogdiersoorten, zoals bosmuis, huisspitsmuis, veldmuis en egel.
Voor deze soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb. Nietvrijgestelde (en dus beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten zijn niet bekend uit de omgeving van het projectgebied (NDFF). Van deze soorten zijn tijdens het veldbezoek ook geen sporen of potentiële verblijfplaatsen aangetroffen.
datum 25-08-2020
projectnummer 002.33.50.00.00
3
Het is niet uitgesloten dat een aantal algemene amfibieënsoorten zich voortplanten in watergangen om het projectgebied. Het plangebied kan daarom onderdeel vormen van het landbiotoop van soorten als gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Voor deze algemene amfibieënsoorten geldt in de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de omgeving van het projectgebied is de niet-vrijgestelde amfibieënsoort rugstreeppad bekend (NDFF). Het is niet uitgesloten dat één of enkele exemplaren van deze soort aanwezig is in het plangebied. Voor deze soort is namelijk geschikt landbiotoop aanwezig in de vorm van een hoop zand en opgeslagen materialen waaronder rugstreeppadden kunnen wegkruipen. Gezien de inrichting van het projectgebied en het omringende gebied en/of de geïsoleerde ligging kan de aanwezigheid van beschermde reptielen, vissen en ongewervelden uitgesloten worden. TOETSING Er zijn geen nesten aangetroffen of te verwachten van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Wel gebruiken soorten als kerkuil en sperwer het projectgebied mogelijk als foerageergebied. De voor deze soorten belangrijke opgaande beplanting en graslanden blijven behouden bij uitvoering van het project. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten treden dan ook niet op.
Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels in het projectgebied en de directe omgeving kunnen worden vernietigd of verstoord. Dit is bij wet verboden. Vernietiging en verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. De zandhoop en opgeslagen materialen die voor rugstreeppad geschikt zijn als landbiotoop, blijven behouden bij uitvoering van het project. Wel moeten de opgeslagen materialen ten minste gedeeltelijk verplaatst worden. Om negatieve effecten op individuen van rugstreeppad uit te sluiten, dient dit buiten de kwetsbare overwinteringsperiode van rugstreeppad te gebeuren, dus buiten de periode half oktober tot en met eind maart. Daarnaast dient een amfibieënscherm om de bouwplaats van de nieuwe loods worden aangebracht. Rugstreeppad is een pioniersoort die snel nieuw leefgebied kan koloniseren op bouwplaatsen met kale zandgrond en laagtes waarin water blijft staan. Indien deze soort zich vestigt op de bouwplaats, moeten de werkzaamheden stilgelegd worden.