Bijlage 4 - verordening 2023 + rode wijzigingen
Tekst van het document
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt, onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw. A.1. Nieuwbouw Nieuwbouw is noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar is.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.2. Vervangende bouw Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een tweetal situaties: 1. de slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw, of 2. een herschikkingsoperatie.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
1. Slechte conditie gebouw Investeringen in onderhoud leiden altijd tot een levensduurverlenging. Deze schommelt tussen de 20 en 40 jaar. Voor de bouwkundige rapportage is als eis gesteld een rapportage op grond van NEN 2767. Met NEN 2767 wordt een objectief criterium gehanteerd om vast te stellen of er een aanspraak bestaat op vervangende nieuwbouw. Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de volgende conditieschalen: Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit; Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende veroudering; Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen; Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar; Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren; Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5 kan worden gerangschikt. Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is. Op basis van NEN 2767 worden de verschillende keuzes en bevindingen doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes vindt een afweging plaats tussen kwaliteit, kosten en risico's.
Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Om in aanmerking te komen voor vervangende nieuwbouw is in de modelverordening gekozen voor [conditie (bijvoorbeeld 5)] omdat […]. Dit betekent dat als sprake is van een bouwkundige rapportage met conditie 5 (of 6) in principe een bevoegd gezag in aanmerking komt voor vervangende nieuwbouw, tenzij wordt vastgesteld dat in de afgelopen jaren het onderhoud niet op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te zetten. 2. Herschikkingsoperatie
Vervangende nieuwbouw kan ten tweede het gevolg zijn een herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen: - bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten; - fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden afgestoten; - vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen wordt/worden.
Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet. A.3. Uitbreiding Uitbreiding wordt toegekend als de bestaande capaciteit van het schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv.
medegebruik toekennen.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.4. In gebruik nemen van een bestaand gebouw In gebruik nemen van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is afhankelijk van de volgende factoren: - het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet relevant; - de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen. - de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Het college kan besluiten tot het bekostigen van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud,
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
vermeerderd met (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw. In gebruik nemen is ook mogelijk: - als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt; - bij een herschikkingsoperatie; o als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening; o als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is. A.5. Verplaatsen tijdelijk gebouw Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het college een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een nieuwe voorziening.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri), 11 pt heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.6. Terrein Terrein is een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het programma.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.7. Eerste inrichting Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een school voor basisonderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor voortgezet onderwijs. Uitgangspunt is dat de bekostiging van de eerste inrichting is gekoppeld aan het besluit waarbij het aantal m2 bruto vloeroppervlakte wordt uitgebreid, dus bij het toekennen van de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Bij vervangende nieuwbouw bestaat geen aanspraak op toekennen eerste inrichting. De eerste inrichting in het te vervangen schoolgebouw kan worden ‘meegenomen’. In afwijking van het geformuleerde uitgangspunt zijn er omstandigheden waarbij een bevoegd gezag aanspraak heeft op uitbreiding van eerste inrichting, zonder dat het gebouw fysiek wordt uitgebreid. Dit betreft de volgende situaties: - een bevoegd gezag heeft geen aanspraak op uitbreiding van het schoolgebouw, omdat de school in een (school)gebouw is gehuisvest waarvan de capaciteit groter is dan de ruimtebehoefte, bijv.
capaciteit is 1.000 m2 en de ruimtebehoefte is 800 m2; op het moment dat de school in dit (school)gebouw is gehuisvest heeft het college besloten om de eerste inrichting toe te kennen voor een bvo van 800 m2; als gevolg van toename van het aantal leerlingen bestaat aanspraak op uitbreiding met 100 m2; deze uitbreiding is groter dan de drempelwaarde en het bevoegd gezag heeft aanspraak op uitbreiding van de eerste inrichting; - een bevoegd gezag heeft aanspraak op uitbreiding van het schoolgebouw met bijv. 100 m 2, maar besluit de uitbreiding niet fysiek te realiseren; de gewenste huisvesting als gevolg van een toename van het aantal leerlingen wordt opgevangen binnen de bestaande accommodatie(s). In beide situaties bestaat dus aanspraak op het bekostigen van uitbreiding van de eerste inrichting.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Niet Superscript/ Subscript
inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend. A.8. Medegebruik Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen. Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te hebben: - in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de leerlingenprognose), en - de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is). De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de verordening is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg’.
Dit criterium sluit aan bij de verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente De Ronde Venen 2015.] De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik wordt afzonderlijk vastgesteld. - Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs en een school voor voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor medegebruik. - Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd, maar waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendoms- en huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik. - Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Vet, Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe bewoner In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening van de gemeente.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.9. Herstel van constructiefouten Herstel van constructiefouten is een voorziening huisvesting onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
van State was van oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn 7 van een constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud. Het herstel van een constructiefout is eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd gezag als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100, 8 tweede lid, van de WPO en artikel 6.10, tweede lid, van de WVO-2020. De verordening schrijft verder voor dat de noodzaak van het herstel van de constructiefout moet blijken uit een door het schoolbestuur te overleggen bouwkundig rapportage, die moet zijn opgesteld door een daartoe gecertificeerde, onafhankelijke constructeur. In de praktijk doet zich regelmatig de vraag voor of een voorziening wel herstel van een constructiefout betreft en of er feitelijk geen sprake is van (regulier, voor rekening van het schoolbestuur komend) onderhoud. Overwogen kan worden om in een dergelijke situatie: - Een onafhankelijke gecertificeerd deskundige te laten onderzoek of er daadwerkelijk sprake is van een constructiefout (en niet van onderhoud) en de kosten van dit onderzoek te delen; - Vooraf af te spreken dat het advies van de deskundige bindend of bepalend is voor het besluit tot het al dan niet toekennen van de aangevraagde voorziening.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri)
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief, Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri) heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri)
A.10. Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden is van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van het bevoegd gezag komen.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een derde.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
B.1. Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikgeving Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik moet maken. Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college overleg met het bevoegd gezag.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
B.3. Eerste inrichting
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
7 LJN BJ7202, Raad van State, 200809152/1/H2. 8 BX8979, Raad van State, 201200195/1/A2.
Aanvullend meubilair voor het inrichten van het lokaal bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand lokaal: - met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt vergroot, of - vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal bewegingsonderwijs. In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging eerste inrichting verstrekt. B.5. Medegebruik De mogelijkheid van medegebruik in een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op basis van het rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het rooster bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet onderwijs.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Bijlage II – Prognosecriteria Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is het bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is. heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan. Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m2 bruto vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel geregistreerd. Deel A – Vaststellen capaciteit De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m 2 bruto vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld of het (school)gebouw: a. te maken heeft met leegstand, of b. moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is (aanvullende ruimtebehoefte, deel C). De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden doorgegeven.
Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt het college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen. Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het college vragen om de capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen, dan registreert het college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die geschikt is als op minder onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt het college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.1.2 en A.1.3. Dislocaties Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij een van de locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt wordt als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen het bevoegd gezag en het college.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.1.4. Terrein De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.1.5. Inventaris Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de uitbreiding met het aantal m2 bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is dat op [datum (bijvoorbeeld 1 januari 2015)] de eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag tot die datum aanspraak maakte.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.1.6. Lokalen bewegingsonderwijs Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor basisonderwijs of het aantal lesuren voor een school voor voortgezet kan worden ingeroosterd.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.1.6.2. Terrein De terreinoppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs. Als het lokaal bewegingsonderwijs: - inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; - als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk geregistreerd; - ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk geregistreerd; - onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk geregistreerd.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
A.1.6.3. Inventaris De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het bewegingsonderwijs. Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte noodzakelijk is.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
B.1. Lesgebouwen De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs en een school voor voortgezet onderwijs] wordt gebaseerd op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m2 bruto vloeroppervlakte per leerling. Een school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een vaste voet, die afhankelijk is van: - de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, en - de leerweg van de school voor VMBO of praktijkschool.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
B.1.1. School voor basisonderwijs De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste voet (200 m 2) en de som van het aantal leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m2 per leerling. Onderdeel hiervan is een speellokaal. Er kan voor worden gekozen om in de
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
berekeningsmethodiek een toeslag toe te kennen in verband met de aanwezigheid van een achterstandsscore. In de verordening is hiervoor een formule opgenomen. B.1.2. School voor voortgezet onderwijs Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met de m2 bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke profielen in het VMBO. Of sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven beschikking. Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt, Niet Cursief
B.2. Lokalen bewegingsonderwijs De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal groepen wordt bepaald aan de hand van het aantal feitelijke groepen van leerlingen van 6 jaar en ouder. Beschikt de school voor basisonderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft gerealiseerd.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld: stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A) stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B) stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit – vastgestelde ruimtebehoefte 9 stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de drempelwaarde stap 5 is de uitkomst van stap 4: - lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen voorziening, - gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 9
Drempelwaarde: - 55 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor basisonderwijs; - 10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m 2 voor een school voor voortgezet onderwijs.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief, Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri)
alleen gebruiken als het college hiervoor toestemming verleent, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een huurvergoeding te betalen. Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van het aantal m2 uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor, dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een interne aanpassing of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een eventuele (beperkte) uitbreiding.
Op het moment dat wordt vastgesteld dat de investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te breiden. In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de bestaande capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt toegekend: - de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening gehouden met de drempel van 10%; - de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het aantal m 2 dat de 10% overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de 10 bestaande capaciteit opvangen . C.1 en C.2. Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van: - korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning; - 4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde huisvesting; - langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde huisvesting. C.3. Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven. De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden gerealiseerd. De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke oppervlakte voor een school voor 10
LJN BW5954, Raad van State, 201107376/1/A2.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri), Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri) heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
basisonderwijs is opgenomen in deel D. Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook. De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving, medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening. C.4. Lokalen bewegingsonderwijs De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering Algemeen Artikel 102, derde lid, van de WPO en artikel 6.12, derde lid, van de WVO-2020 verplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting (artikel 114 van de WPO en artikel 5.22 van de WVO-2020. Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Deel A – Indexering De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de verordening).
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
Deel B – Normbedragen Vergoeding voorbereidingskrediet In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een 8 procent van het normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage, of op 8 procent van het geraamde bedrag van de feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag van de vastgestelde bekostiging.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouw aard De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn incl. BTW. Voor levensduur verlengend onderhoud wordt het bedrag gebaseerd op 65% van de kosten voor (vervangende) nieuwbouw.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief, Tekstkleur: Rood
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief, Tekstkleur: Rood
heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri) heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
Het aantal m² wordt berekend volgens Bijlage III Deel B.
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt als volgt vastgesteld: a. per onderwijssoort en/of profiel bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte; b. per onderwijssoort en/of profiel berekenen de vergoeding op basis van het onder a vastgestelde verschil in capaciteit, en c. vaststellen de hoogte van de vergoeding.
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht. Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor inrichting van het terrein , verhuizen en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren. A.2. Kosten voor terreinen De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat in ieder geval de kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de gemeente komen. Bij vervangende nieuwbouw moet mogelijk het schoolterrein worden heringericht en het schoolgebouw worden gesloopt. De kosten van herinrichting maken onderdeel uit van de kosten van terrein. Sloop kan zijn omdat op de plaats de vervangende nieuwbouw moet worden gerealiseerd, maar ook als de vervangende nieuwbouw elders wordt gerealiseerd. Ook de kosten van het slopen komen dan voor rekening van de gemeente. Krijgt het schoolgebouw een andere bestemming dan is sloop niet aan de orde.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
A.3.7. Toeslag voor verhuiskosten bij vervangende nieuwbouw Op grond van dit artikel bestaat voor alle onderwijssectoren aanspraak op de vergoeding voor de verhuiskosten. Deze vergoeding is afhankelijk van of de school al dan niet tijdens de realisatie van de vervangende nieuwbouw gebruik kan blijven maken van de bestaande locatie. Is hier sprake van, dan bestaat aanspraak op bekostiging van één verhuizing; is hier geen sprake van, dan op bekostiging van twee verhuizingen. De vergoeding is in beide situaties gelijk aan de feitelijke kosten.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
C. Tijdelijke voorziening Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn: - als eerste voorziening (nieuwbouw); - voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en - voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een vergelijking tussen de kosten van: - tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente voorziening, en - aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van tijdelijke huisvesting,
waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te kopen lokalen. Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op de: - kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk is); - korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding wordt toegekend, of - periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur. D. Eerste inrichting De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs bestaat uit een startbedrag, incl. een aantal m2 bvo en een bedrag per m2. Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen noodzakelijk: als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen voor dure ruimte (bijv.
werkplaats of specifieke ruimte) wordt het verschil in inventariskosten gecompenseerd; als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief, Niet Verbreed met / Versmald met heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
E. Lokalen bewegingsonderwijs De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in bedragen voor: - nieuwbouw; - uitbreiding, en - eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair. - eigenaarsvergoeding voor gebruik van een niet gemeentelijke accommodatie
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief, Niet Verbreed met / Versmald met
Ingevolge artikel 126 van de Wet op het primair onderwijs worden vergoedingsbedragen voor het gebruik van een gymnastiekzaal vastgesteld. De bedragen bevatten een vergoeding voor onderhoud aan de binnenzijde van het gebouw, de materiële instandhouding alsmede een vergoeding voor vervanging en aanpassing van onderwijsleerpakket en meubilair. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het stichtingsjaar van de gymnastiekaccommodatie en de oppervlakte van de oefenzaal.
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik of huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant). Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende vergoeding: – Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de eigenaar vergoed. – Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Vet, Tekstkleur: Rood
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief, Niet Verbreed met / Versmald met heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
– Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal klokuren. – Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding) worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant voldaan.
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
F. Vergoeding feitelijke kosten Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van technische 11 advisering.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
G.1. Huur sportvelden Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van het college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig voor rekening van het bevoegd gezag. De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van acht weken en wordt alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet onderwijs van het sportveld gebruik maakt.
heeft opmaak toegepast: Lettertype: 11 pt
11
BD3606 Raad van State, 200705694/1.
heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood heeft opmaak toegepast: Tekstkleur: Rood
heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) +Hoofdtekst (Calibri)
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief
heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief