Bijlage 4 Natuurtoets soortenbescherming, Antea Group, 17 april 2023
Tekst van het document
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming
projectnummer 0478281.100 definitief 17 april 2023
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming
projectnummer 0478281.100 definitief 17 april 2023
Auteur P. de Hoop
Opdrachtgever KuiperCompagnons B.V. Van Nelleweg 3042 3044 BC ROTTERDAM
Gecontroleerd: C. Schellingen
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
De informatie in voorliggende rapportage is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. datum 1 maart 2023
beschrijving definitief
vrijgave H. van der Kooij
Inhoudsopgave
Blz.
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023
2
1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
1 1 2 2
2 2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.3.10
Effectbeschrijving en -beoordeling Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Toets soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Zaadplanten, varens en bladmossen Zorgplicht Rode Lijst
3 3 6 7 7 8 11 14 17 17 19 20 20 21
3 3.1 3.2
Conclusie Toetsing soortbescherming Zorgplicht
23 23 24
4
Literatuurlijst
25
Bijlage 1 Wettelijk kader Bijlage 2 Methodiek natuurtoets
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
1
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen De gemeente de Ronde Venen is voornemens om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het Vinkeveense Plassengebied. Het plangebied ligt in het noordoosten van de gemeente De Ronde Venen en ten westen van de rijksweg A2 (Provincie Utrecht). In de figuren 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven. Bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. In deze toets worden de eventuele potentiële effecten op beschermde soorten (natuurtoets onderdeel soortenbescherming) in kaart gebracht. Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde soorten. Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. De toetsing aan Natura 2000 (Wnb-gebiedsbescherming) is in een passende beoordeling en separaat stikstofonderzoek uitgevoerd en voor de toetsing aan NNN is een natuurplan en rapport met de invulling NNN compensatie opgesteld. Deze onderwerpen komen daarom niet meer aan bod in de voorliggende natuurtoets.
Amsterdam
Figuur 1.1. Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: Street Smart, kaart 2021.
Blad 1 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Figuur 1.2. Gedetailleerde ligging van het plangebied (zwart omkaderd). Bron: Ecologische Quickscan, 2018.
1.2
Doel Het doel van de natuurtoets onderdeel soortenbescherming is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) soorten die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of in het kader van de Wnb als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten aan de natuurwetgeving; Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven.
Blad 2 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
2
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 wordt ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan de Wnb van beschermde soorten van de provincie Utrecht. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3.2 t/m paragraaf 2.3.8 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Wnb (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.
2.1
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Op 12 september 2022 is vanaf circa 9:00 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door deskundig ecologen van Antea Group bij onbewolkt weer met een temperatuur van circa 20 °C (KNMI). Tijdens het terreinbezoek is het plangebied doorkruist per boot en deels te voet geïnspecteerd. Het plangebied is op grond van de kwaliteiten en het gebruik ingedeeld in deelgebieden. Zie figuur 2.1.
Figuur 2.1. Indeling plangebied in deelgebieden; de deelgebieden zijn aangegeven met letters (A t/m D, X).
Blad 3 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Deelgebied A Dit deelgebied heeft als belangrijkste kenmerk dat het aangesloten is op het vaste land en ook over land bereikbaar is. Aan de Achterbos en Herenweg zijn veel parkeerplaatsen aanwezig, waar de eigenaren van de legakkers hun auto parkeren om vervolgens te voet verder te gaan. Al zijn er ook legakkers die met de auto bereikbaar zijn. Aan de westzijde zijn veel stacaravan aanwezig, naar het oosten betreft het meer diverse opstallen en vakantiewoningen. De inrichting bestaat voornamelijk uit schuttingen en strakke beplanting. De oeverbeschoeiing is veelal strak en intact. In figuur 2.2 is een impressie gegeven van deelgebied A
Figuur 2.2. Impressie van deelgebied A.
Deelgebied B Dit is het grootste deelgebied in omvang en aantal legakkers. De legakkers zijn niet direct over land bereikbaar en liggen grotendeels los van het vaste land. De legakkers hebben overwegend een meer natuurlijke uitstraling. Bijna elk eiland heeft een aanmeersteiger of invaarplek met boothuisje. De bebouwing verschilt per legakker, maar heeft overwegend een tijdelijk karakter. Wellicht door de slechtere bereikbaarheid en minder intensief gebruik. Door de aanwezigheid van elzensingels en veel andere bomen en struiken heeft het gebied een natuurlijkere uitstraling dan deelgebied A. In figuur 2.3 is een impressie gegeven van deelgebied B.
Blad 4 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Figuur 2.3. Impressie van deelgebied B.
Deelgebied C Dit deelgebied bestaat uit legakkers in of nabij kwetsbare zones zoals natuurgebieden. De meeste legakkers zijn niet verbonden met het land, zijn zeer smal en klein. De eilanden zijn deels bewoond ook worden er eilandjes gebruikt om te kamperen. Van alle legakkers hebben deze de meest natuurlijke uitstraling, met ruige opgaande begroeiing. In figuur 2.4 is een impressie gegeven van deelgebied C.
Figuur 2.4. Impressie van deelgebied C.
Deelgebied D De zandeilanden van deelgebied D zijn aangelegd en omringen een relatief grote plas. De eilanden beschikken over aanlegvoorzieningen en diverse zwemplaatsen. Een deel van de eilanden heeft een vaste oeververbinding en is op die manier vanaf land te bereiken. Er mag 3 dagen worden afgemeerd en er is plaatselijk ruimte voor groepskamperen. In figuur 2.5 is een impressie gegeven van deelgebied D.
Blad 5 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Figuur 2.5. Impressie van deelgebied D.
Deelgebied X Deelgebied X bestaat uit ‘Overige gebieden’ bestaande uit het midden en oostelijke deel van de zuidplas, het gebied ten noorden van de Noordplas en Achterbos. Het bestaat uit jachthavens, caravan- en bungalowparken aan de noordzijde, de Zuidplas en het gebied ten zuidwesten van Achterbos. Achterbos is een uniek gebied met veen en water. Een stuk oud cultuurlandschap dat een indicatie geeft van het uiterlijk van de Vinkeveensepolder voordat de Vinkeveensche plassen zijn ontstaan. In figuur 2.5 is een impressie gegeven van deelgebied X.
Figuur 2.6. Impressie van deelgebied X.
2.2
Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats of nemen toe als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: Op legakkers mag een maximale oppervlakte aan bouwwerken van 30 m2 (zone III) tot 40 m2 (zone I en II) gerealiseerd worden en een bebouwingspercentage van maximaal 15%, 20% of 25% per landsdeel van een perceel. Dit betreft voor een (groot) gedeelte reeds aanwezige bebouwing die gelegaliseerd wordt; Rondom de gehele legakker dient een afdoende beschoeiing te worden aangelegd en gehandhaafd. Hier zijn mogelijkheden om een natuurvriendelijke oever aan te leggen; Voor het hele gebied wordt een toename van recreatie verwacht, omdat huisjes in de zomerperiode (april – oktober) mogen worden verhuurd in plaats van gebruik door alleen de eigenaar;
Blad 6 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
-
-
-
Er worden gebouwen gerealiseerd op de zandeilanden (uitbreiden horeca op zandeiland 1 en realisatie multifunctioneel gebouw met horeca (250 m 2), een duikwinkel (250 m2, inclusief opslag) en kantoor (150 m2) op zandeiland 4; Op zandeiland 5 komt de mogelijkheid van toevoegen van seizoensgebonden (mobiele) horeca (50 m2 bvo); Daarnaast komt er een mogelijkheid om in de periode april - oktober met tenten te verblijven op zandeiland 9, 10 en 12; Herinrichting ’t Meertje (Achterbos) en bestemming natuur in plaats van agrarisch in het kader van compensatie NNN; Maatregelen de verkeersdruk te beperken: o om de combinatie van openbaar vervoer & deelfiets (Park & Bike) te stimuleren (er worden echter geen nieuwe parkeerplaatsen aangelegd) zodat de auto’s meer aan de randen van de Vinkeveense Plassen blijven; o Invoeren van Park & Boat om mensen tussen de parkeerplaatsen en de legakkers te verplaatsen; o Voor meer informatie over verkeer, zie notitie Goudappel (separaat document bij Bestemmingsplan en MER). Invoeren van een elektrische vuilwaterboot om afvalwater te verzamelen zodat het afvalwater niet meer in het oppervlaktewater terecht komt. Hiervoor zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als in stikstofonderzoek: o Elektrisch o Eens per week langs alle locaties o Maximale diepgang van ca. 1,0 meter en breedte van ca. 2,0 meter o Lozingspunt moet nog bepaald worden.
De jachthaven is reeds op de riolering aangesloten (uitgangspunt zeilschool Vinkeveense Plassen aanhouden, ten zuiden van N201).
Deze activiteiten leiden tot ruimtebeslag en verstoring van leefgebieden van beschermde soorten.
2.3
Toets soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.
2.3.1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van terreinkenmerken en het verspreidingsgebied van soorten kan de aanwezigheid van een aantal soortgroepen worden uitgesloten. Zo zijn er geen effecten (overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wnb) aan de orde op de beschermde soorten uit de volgende soortgroepen: insecten (vlinders, libellen1, kevers, mieren en haften) en overige soortgroepen
1
Het is wel bekend dat in het plangebied bijzondere waterinsecten voorkomen, waaronder rode-lijstsoorten als Lype phaeopa, vroege glazenmaker en glassnijder (Van Helsdingen & Buizer, 2018).
Blad 7 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
(kreeftachtigen2, weekdieren3 en mieren). Er is voor deze soort(groep)en geen essentieel leefgebied in het plangebied en/ of er zijn geen waarnemingen van deze soorten gedaan in de omgeving en/of er zijn geen negatieve effecten te verwachten. Negatieve effecten zijn op voorhand uitgesloten. Aanwezigheid van de overige soortgroepen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
2.3.2
Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022) (RL = soort is ook rode lijst soort). Categorie 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, Soort Categorie buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust-en verblijfplaats. Buizerd 4 Categorie 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op Gierzwaluw 2 dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk Havik 4 van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de Huismus 2 (RL) nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Ooievaar 3 Categorie 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast Wespendief 4 zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (buizerd, havik, ooievaar4 en wespendief) en gebouwbroedende soorten (huismus en gierzwaluw). Tijdens het terreinbezoek is in de omgeving van het plangebied een overvliegende buizerd waargenomen. Overige soorten met een jaarrond beschermd nest zijn niet waargenomen tijdens het terreinbezoek. Tijdens het terreinbezoek zijn in (de directe omgeving van) het plangebied geen grote nesten in bomen aangetroffen die kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. Echter kan de aanwezigheid van nestplaatsen van boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. Het plangebied kan bovendien onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van boombroedende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nesten. De wespendief en ooievaar worden niet verwacht, maar kunnen op basis van het veldbezoek niet volledig worden uitgesloten.
2 In de Vinkeveense Plassen komen alleen de exoten gevlekte, de geknobbelde en de rode Amerikaanse
rivierkreeft voor. De Europese rivierkreeft (at 3.10 Wnb), die in dit gebied thuis hoort is uitgestorven met de komst van de exoten. 3 De aanwezigheid van platte schijfhoorn is bekend (Inspiratiedocument), echter is deze soort is de laatste vijf jaar niet waargenomen en daarvoor alleen meer dan 1 km vanaf de plangrens. De soort is daarom niet meegenomen in deze toetsing. 4 Op basis van de NDFF is niet bekend of de ooievaar aanwezig is door de aanwezigheid van nestpalen. Oorspronkelijk is de soort een boombroeder.
Blad 8 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Op de zandeilanden - waar werkzaamheden zijn gepland - is bebouwing aanwezig. De daken van deze bebouwing zijn deels bedekt met dakpannen. Dergelijke bebouwing is mogelijk geschikt voor gebouwbroedende huismus, waardoor nestlocaties van de huismus in het plangebied niet kunnen worden uitgesloten. Tevens bevinden zich essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving voor huismus binnen het plangebied, waaronder bijvoorbeeld heggen die kunnen dienen als schuilplaats/overnachtings- en winterverblijfplaats. Voor de gierzwaluw is de bebouwing niet geschikt, aangezien de soort een vrije uitvliegroute van 3 meter nodig heeft onder de uitvliegopening van het nest. Concluderend kan de aanwezigheid van nestplaatsen en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de boom- en gebouwbroedende soorten (buizerd, havik, ooievaar, wespendief en huismus) in het plangebied niet worden uitgesloten. De in tabel 2.1 genoemde soorten vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), welke is verwerkt in de Wnb. Indien nestplaatsen aanwezig zijn, kunnen ze verloren gaan door fysieke aantasting of verstoring. Dit is in overtreding met de gestelde verbodsbepalingen uit de Wnb. Ook aantasting van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving is in overtreding met de Wnb.
Om overtreding van de Wnb te voorkomen, dient allereerst de aan- of afwezigheid van de soorten te worden vastgesteld middels nader onderzoek. Vervolgens kan overtreding voorkomen worden door het voornemen aan te passen (zodat bijvoorbeeld bomen niet gekapt hoeve te worden) of gebouwen anders verbouwd worden c.q. wordt voorzien in tijdelijke voorzieningen voor de huismus in combinatie met het inmetselen van neststenen. Het nader onderzoek bestaat voor de huismus uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2017). Voor de buizerd kan een onderzoek bestaan uit twee delen. In eerste instantie kan een onderzoek uitgevoerd worden naar de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten. De aanwezigheid van een nest of van een rustplaats van een buizerd kan vervolgens worden aangetoond door het uitvoeren van twee tot vier gerichte veldbezoeken. Deze moeten uitgevoerd worden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen (BIJ12, 2017). Voor havik kan dezelfde periode aan worden gehouden.
Voor ooievaar en wespendief zijn -indien deze soorten niet uitgesloten kunnen worden tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten- veldbezoeken nodig in respectievelijk april en juli plus augustus (bron: Sovon). Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van de boombroedende soorten en huismus aan te kunnen tonen, is nader onderzoek noodzakelijk. Voor de huismus bestaat dit nader onderzoek uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2017). Voor de boombroedende soorten kan eerst een onderzoek uitgevoerd worden naar de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten. Voor buizerd en havik kan de aanwezigheid vervolgens aangetoond met twee tot vier gerichte veldbezoeken. Deze moeten uitgevoerd worden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Voor ooievaar en wespendief zijn daarbovenop veldbezoeken nodig in respectievelijk april en juli plus augustus (bron: Sovon). Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Blad 9 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Tabel 2.2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2017-2022) (RL = soort is ook rode lijst soort). Soort Categorie Categorie 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de Boerenzwaluw 5 (RL) plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe Bonte vliegenvanger 5 omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit Boomkruiper 5 beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te Bosuil 5 vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie Ekster 5 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of Grauwe vliegenvanger 5 (RL) ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd. Grote bonte specht 5 Huiszwaluw 5 (RL) Koolmees 5 Pimpelmees 5 Ransuil 5 (RL) Spreeuw 5 Torenvalk 5 (RL) Zwarte kraai 5 Zwarte roodstaart 5
Tijdens het terreinbezoek zijn enkele categorie 5-soorten waargenomen (boerenzwaluw, ekster, koolmees, torenvalk en zwarte kraai). In het noordwestelijke deel van de Noordplas is op legakkers die met bomen zijn begroeid een kleine kolonie blauwe reigers aanwezig (Kos, 2022). Nesten van de categorie 5 vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheid hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De categorie 5soorten vallen daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Tijdens het terreinbezoek zijn enkele algemene broedvogels waargenomen (o.a. merel en houtduif). De bomen, bosschages en overige vegetatie in en rondom het plangebied bieden nestgelegenheid aan deze algemene soorten. In het gebied zijn er oever- en watergebonden algemene broedvogels te verwachten. Bekend is de populatie krooneenden in de Vinkeveense Plassen (Kos, 2022). Op kale legakkers aan de noordwestkant van de Zuidplas broeden visdief en kokmeeuw (Kos, 2022). Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wnb (artikel 3.1).
Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en bouwwerkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli 5) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wnb aan de orde met betrekking tot eventuele kap- en bouwwerkzaamheden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig 5
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
Blad 10 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatiespecifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. De voornaamste effecten voor de algemene broedvogels betreffen ruimtebeslag (beperkt door de 2,4 ha aan bebouwing die het bestemmingsplan mogelijk maakt) en verstoring door recreatie, geluid en verlichting. Effecten die op dit moment ook optreden als gevolg van de recreatie (op de legakkers, op de zandeilanden en op het water). Door de toename aan recreatiedruk neemt de verstoring toe, vandaar ook het belang van zonering en het creëren van een rustgebied in ’t Meertje. Specifiek voor het verblijven met tenten op zandeilanden 9, 10 en 12 zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen. Dit dient nader uitgewerkt te worden aan de hand van de intensiteit van het verblijf, specifieke verblijfsperiodes en – locaties. Vervolgstappen Nader uitwerken intensiteit, verblijfperiodes en locaties van verblijf met tenten op zandeilanden 9, 10 en 12, idem voor seizoensgebonden horeca op zandeiland 5 om te bepalen of er maatregelen nodig zijn om effecten op vogels te voorkomen.
Conclusie uitvoerbaarheid bestemmingsplan in relatie tot beschermde vogels De soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft jaarrond beschermde nestplaatsen en algemene broedvogels. Wat eventuele jaarrond beschermde nestplaatsen betreft, is niet waarschijnlijk dat er geen jaarrondbeschermde nesten zitten. In een eerdere natuurtoets zijn ze uitgesloten en er is veel verstoring. Echter tijdens het veldbezoek, is de aanwezigheid niet uit sluiten (niet alles kunnen zien, maar een deel kunnen bezoeken tijdens de velddag en blad aan de bomen). Bij aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten kan het plan dusdanig anders ingericht worden dat de nesten worden ontzien. Bomen (en de directe omgeving) moeten dan behouden blijven of – bij gebouwen – kunnen tijdelijke maatregelen genomen worden en vervolgens de gebouwen worden voorzien van nestgelegenheden. Met betrekking tot algemene broedvogels dienen de plannen nader uitgewerkt te worden, onder ander met betrekking tot de uitvoeringsperiode, en de omvang van de verstorende activiteit en zijn mogelijk mitigerende maatregelen nodig. De in het bestemmingsplan opgenomen beperking van het bebouwingspercentage van maximaal 15%, 20% of 25% per landsdeel van een perceel voorkomt al een beperking van het verlies aan broedgebied op de eilanden.
Op de zandeilanden is het (verstorend) effect beperkt ten opzichte van de huidige situatie.
2.3.3
Zoogdieren – vleermuizen In tabel z2.3 ijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Blad 11 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Tabel 2.3 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022). Beschermingsregime Rode lijst Soort HR (artikel 3.5) Gewone dwergvleermuis X Ruige dwergvleermuis X Meervleermuis X Rosse vleermuis X -
Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. De gebouwen in het plangebied bevatten mogelijk voor vleermuizen toegankelijke openingen. Openingen kunnen vleermuizen toegang bieden tot de spouwmuur en/of het dak waar ze naar toe weg kunnen kruipen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (o.a. gewone dwergvleermuis en meervleermuis) kan niet worden uitgesloten. In het plangebied zijn tevens bomen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten (o.a rosse vleermuis en ruige vleermuis) niet kan worden uitgesloten.
Alle soorten vleermuizen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). Als gevolg van de plannen worden mogelijk verblijfplaatsen vernield. Dit is dan in overtreding met de Wnb. Om dit echter goed te kunnen beoordelen is het eerst nodig om de plannen verder uit te werken. Hierbij is vooral het gebruik van (toekomstige) verlichting van belang. In het beeldkwaliteitsplan is echter aangegeven dat de gemeente terughoudend is met het toepassen van verlichting. Als de plannen duidelijk zijn, kan pas bepaald worden of er potentieel verblijfplaatsen verstoord raken of worden vernietigd. Mogelijk is nader onderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Vleermuizen gebruiken hun verblijfplaats door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om het plangebied meerdere malen (minimaal vijf keer) verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) te bezoeken voor het vleermuisonderzoek. Vervolgstappen Stap 1 Uitwerken plannen met een verlichtingsplan, indien verlichting wordt veranderd of wordt uitgebreid. Stap 2 Bepalen of er potentieel verblijfplaatsen verstoord raken of worden vernietigd. Stap 3 Nader aanleiding van stap 2 kan bepaald worden of nader onderzoek noodzakelijk is.
Blad 12 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Indien nodig kan de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis) aangetoond met nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol. Dit onderzoek bestaat uit minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober). Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. Omdat de legakkers lijnvormig zijn en vaak met bomen en struweel zijn begroeid worden deze mogelijk als vliegroute gebruikt. In het plangebied zijn geen specifieke lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als essentiële vliegroute. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes kan worden uitgesloten. Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. In het plangebied is sprake van opgaande begroeiing. Het gehele plangebied biedt daarom potentieel foerageergebied voor vleermuizen. Mogelijk maken in delen van de nacht de oeverzones van de zandeilanden en de zandeilanden wel onderdeel uit van foerageergebied van aanwezige vleermuissoorten.
Daarbij is geen sprake van unieke beplanting en/of structuren die enkel in het plangebied aanwezig zijn. Bij aantasting van deze begroeiing blijft er voldoende beschut en geschikt foerageergebied over in de directe omgeving van het plangebied. Er is daardoor geen sprake van essentieel foerageergebied in het plangebied. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten. Conclusie uitvoerbaarheid bestemmingsplan in relatie tot beschermde vleermuizen De soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft de vleermuizen. Bij de aanvraag van een ontheffing, beoordeelt het bevoegd gezag of zij de ontheffing kunnen verlenen. Of de ontheffing verleend wordt, hangt af van een aantal criteria. Wanneer aan onderstaande criteria is voldaan, wordt de ontheffing verleend: - Het project doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie; - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Het project wordt uitgevoerd in het kader van een in de Wnb genoemd wettelijk belang. Hieronder is uitgeschreven dat bij vleermuizen voldaan kan worden aan deze criteria en dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat de ontheffing verleend kan worden.
Dit gebeurt ook voor de andere soorten waarbij de kans bestaat dat door ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt verbodsbepalingen worden overtreden. Afhankelijk van een nadere uitwerking van de plannen kan bepaald worden of nader onderzoek nodig is. Indien daaruit blijkt vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig blijken te zijn, hoeft dit nog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, aangezien bewezen effectieve maatregelen te nemen zijn en deze soortspecifieke maatregelen te combineren zijn met de nieuwe bestemming in, of in de directe omgeving van het plangebied. Daarmee komt de gunstige staat van instandhouding van de soorten niet in het geding. Daarnaast is het project is meestal locatiespecifiek (ter plekke van bijvoorbeeld de legakker die in eigendom is) zodat bij de ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen aangetoond kan worden dat er geen andere bevredigende oplossing is. En de ontheffing kan aangevraagd op basis van het volgende wettelijk belang: in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.
Blad 13 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Als uit dat onderzoek blijkt dat er bepaalde soorten aanwezig zijn, kan hiervoor dus een ontheffing worden aangevraagd (en verkregen). Daarom wordt uitdrukkelijk de conclusie getrokken dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betekent wel dat voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied voorwaarden worden gesteld (en zijn uitgevoerd) aan de wijze en periode van de werkzaamheden en het opnemen/integreren van voorzieningen zoals vleermuiskasten. Gezien er voor vleermuizen gewerkt kan worden met bewezen effectieve maatregelen is er zicht op ontheffingverlening indien aan de orde.
2.3.4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. De potentie voor bever is aanwezig, maar deze soort is nog niet in het gebied waargenomen (Kos, 2022). Tabel 2.4 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022). Beschermingsregime Rode lijst Soort HR Wnb Vrijgesteld Wnb (artikel 3.5) (artikel 3.10) (artikel 3.10) Boommarter X Bosmuis X Bunzing X Kwetsbaar Egel X Gewone bosspitsmuis X Haas X Gevoelig Hermelijn X Kwetsbaar Huisspitsmuis X Konijn X Gevoelig Noordse woelmuis X Kwetsbaar Otter X Ree X Veldmuis X Vos X Waterspitsmuis X Kwetsbaar Wezel X Gevoelig Woelrat X
Boommarter Er is één waarneming van boommarter bekend in de omgeving van het plangebied. Deze is afkomstig van de N201 net ten zuidoosten van het plangebied. De boommarter komt met name voor in bossen, maar is bezig met een opmars in Laag-Nederland en bezet steeds meer kleinere bossen in open gebied. Als voortplantingsplaats gebruiken boommarters oude roofvogelnesten en boomholtes. Deze dienen voldoende groot te zijn en de boom waarin de holte zich bevindt, moet bereikbaar zijn via de kroon van naburige bomen. Dit laat het martervrouwtje toe de veiligheid van het nest te waarborgen door de nestboom steeds via de omweg van aanpalende bomen te verlaten of te benaderen. Naast nestbomen hebben boommarters ook dagrustplaatsen. Dit kunnen bijvoorbeeld duivennesten, andere boomholtes, konijnenholen of takkenstapels zijn. De legakkers in het plangebied zijn of niet bereikbaar of onderhevig aan verstoring en daardoor niet geschikt als leefgebied. Negatieve effecten als gevolg van het voornemen op de beschermde boommarter kunnen worden uitgesloten.
Blad 14 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Otter Ten noorden van het plangebied komen enkele waarnemingen van otters voor (NDFF). De otter is in 2019 langs de Waver waargenomen op circa 1,5 km van het plangebied. De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten (stromende) wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. In het Inspiratierapport Vinkeveense Plassen (Kos, 2022) is het volgende over de otter opgenomen: “Het kerngebied waar de Vinkeveense Plassen onderdeel van uitmaakt, was onderdeel van een robuuste ecologische verbinding tussen de Biesbosch en de randmeren: De Groene Ruggengraat. Hoewel deze robuuste verbinding formeel/planologisch niet meer bestaat, is ter hoogte van de Geuzensloot, nabij Vinkeveen, voor deze verbinding onder de rijksweg A2 een circa 150 m brede onderdoorgang gemaakt. Deze moet onder meer gebruikt kunnen worden door amfibieën en zoogdieren, waaronder de otter. Ook onder de N201 zijn reeds twee faunapassages aanwezig om migratie van diersoorten mogelijk te maken, zie Figuur 4. Ook hierbij is de otter een doelsoort. De legakkers nabij de N201 gelden daarbij als oriëntatie voor otters naar de faunatunnels onder de N201 en de watergebonden onderdoorgangen van de N201.
De verwachting is namelijk dat de otter zich op termijn in de Vinkeveense Plassen zal vestigen, aangezien de soort al is waargenomen in het Naardermeer en de Nieuwkoopse Plassen en ook gewerkt wordt aan ecologische verbindingen tussen gebieden. Nabij het gebied zijn al wel dode otters gevonden als verkeersslachtoffer.” Door de mate van actuele verstoring zullen de voorgenomen ontwikkelingen de kwaliteit van het leefgebied voor de soort niet negatief beïnvloeden. Negatieve effecten als gevolg van het voornemen op de beschermde otter kunnen worden uitgesloten. De maximale invulling van het bestemmingsplan zal ook leiden tot positieve effecten voor de otter. De aanleg van natuurvriendelijke oevers en de herinrichting van het ’t Meertje versterkt het leefgebied van de otter. Noordse woelmuis Er is één waarneming van een dode Noordse woelmuis vanuit de Botshol (Kleine Wije). De soort leeft in hoge vegetaties met voornamelijk grasachtige planten. Vooral in natte terreinen, zoals rietland, moeras en zeer extensief gebruikte weilanden, natte hooilanden en dergelijke. De eilanden van het plangebied zijn te droog en dermate gecultiveerd dat ze ongeschikt zijn voor de soort c.q. de soort heeft dit gebied niet als leefgebied. Negatieve effecten als gevolg van het voornemen op de Noordse woelmuis zijn uitgesloten.
Waterspitsmuis De meest dichtstbijzijnde waarneming van de waterspitsmuis is gedaan bij Waver op circa 1,5 km van het plangebied. Overige vindplaatsen liggen op grotere afstand tot het plangebied. De waterspitsmuis komt voor langs schoon niet te voedselrijk water met goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De soort wordt aangetroffen langs beken, plassen, rivieren en sloten en leeft daar binnen een straal van 500 meter langs het water. Er moeten bovendien voldoende schuilmogelijkheid aanwezig zijn, waarbij het leefgebied van de waterspitsmuis evenwijdig loopt aan een oever. Natuurlijke oevers met riet komen in het plangebied sporadisch voor. Op de eilanden met bebouwing en de zandeilanden is geschikte oevervegetatie afwezig. Het betreft onder andere onderhouden tuinen of intensief gebruikte eilanden met veel bedrijvigheid en aanwezigheid van mensen en honden. Aanwezigheid van de waterspitsmuis kan daar uit worden gesloten. In deelgebieden Achterbos en andere meer natuurlijke onbebouwde gebieden (zoals de eilanden tegen de Groote Wije en Kloosterkolk) kan de soort niet volledig uit worden gesloten, maar hier zijn geen fysieke maatregelen voorzien. Echter, op sommige meer natuurlijke legakkers binnen Vinkeveense Plassen is op basis van het
Blad 15 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
bestemmingsplan ook bebouwing mogelijk en kunnen werkzaamheden aan de beschoeiing plaatsvinden. Dit leidt tot biotoopverlies en daarmee tot een overtreding van de verbodsbepalingen. De aanleg van natuurvriendelijke oevers en de herinrichting van het ’t Meertje versterkt het leefgebied van de waterspitsmuis. Permanente aantasting van de functionaliteit van het gebied als leefgebied van waterspitsmuis is dus niet aan de orde. Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van de waterspitsmuis aan te kunnen tonen op plekken waar op de legakkers wordt gebouwd of aan de beschoeiing van de legakkers zal worden gewerkt, is nader onderzoek noodzakelijk. Het onderzoek naar het leefgebied van waterspitsmuis wordt uitgevoerd volgens het NDFF-protocol ‘17.001- Inventarisatie muizen met inloopvallen’ en de IBN methode (Bergers, P.J.M & M. La haye, 2000). De optimale periode voor dit onderzoek is september tot oktober. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde zoogdieren niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bosmuis en egel etc. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden.
Binnen de provincie Utrecht geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden. Conclusie uitvoerbaarheid bestemmingsplan in relatie tot beschermde zoogdieren (excl. Vleermuizen) De soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft de zoogdieren (excl. vleermuizen). Voor de vrijgestelde soorten kan men de zorgplicht rekening worden gehouden bij de uitvoering. Als gekeken wordt naar beschermde zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen) waarvoor een ontheffingsplicht geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden geconcludeerd dat er bij de waterspitsmuis sprake kan zijn van is overtreding van verbodsbepalingen Wnb. Indien blijkt dat biotoop van de waterspitsmuis wordt aangetast, hoeft dit nog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, aangezien maatregelen te nemen zijn en deze maatregelen te combineren zijn met ontwikkelingen die dit nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt.
Het leefgebied kan plaatselijk worden versterkt en werkzaamheden kunnen buiten de kwetsbare periode van de waterspitsmuis worden uitgevoerd; dat is buiten de voortplantingsperiode (globaal van april tot en met augustus) en buiten de winterperiode (globaal van december tot en met februari). Zie verder paragraaf 2.3.3 voor de alternatievenafweging en het wettelijk belang. Als uit onderzoek blijkt dat de waterspitsmuis aanwezig is, kan hiervoor dus een ontheffing worden aangevraagd (en verkregen). Daarom wordt uitdrukkelijk de conclusie getrokken dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Blad 16 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
2.3.5
Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van amfibieën in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.5 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022). Beschermingsregime Rode lijst HR Wnb Vrijgesteld Wnb Soort (artikel (artikel (artikel 3.10) 3.5) 3.10) Bastaardkikker X Bruine kikker X Gewone pad X Kleine watersalamander X Meerkikker X -
Op basis van het terreinbezoek worden andere beschermde amfibieën dan de genoemde soorten niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. In de NDFF zijn ook geen waarnemingen bekend van andere zeldzamere beschermde amfibieënsoorten. Op de zandeilanden zijn geen geschikte voortplantingswateren voor beschermde amfibieën aanwezig (Kos, 2022). Vrijgestelde amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bruine kikker en gewone pad. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Utrecht geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in dat negatieve effecten zo veel mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden. Conclusie uitvoerbaarheid bestemmingsplan in relatie tot beschermde amfibieën De soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft de amfibieën. Voor de vrijgestelde soorten kan men de zorgplicht rekening worden gehouden bij de uitvoering.
De soorten waarvoor een ontheffingsplicht geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen worden niet in de omgeving verwacht.
2.3.6
Reptielen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van reptielen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.6 Overzicht van waargenomen reptielen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022). Beschermingsregime Rode lijst Soort HR (artikel 3.5) Wnb (artikel 3.10) Ringslang X X
Ringslang Er zijn een aantal waarnemingen van ringslang vooral in het noordelijk deel van het plangebied. De waarnemingen van de soort aan de noordzijde betreft waarschijnlijk dieren uit de Botshol. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de
Blad 17 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Door het ontbreken van goed ontwikkelde (oever) begroeiing is er op veel plekken geen optimaal geschikt biotoop aanwezig. In het Inspiratierapport Vinkeveense Plassen (Kos, 2022) is het volgende over de ringslang opgenomen: “De Vinkeveense plassen staan in directe en indirecte verbinding met slotensystemen in de directe omgeving. De waarde van de Vinkeveense Plassen in dit opzicht is het open water dat leefgebied vormt voor soorten die in kleinere leefgebieden voortplanten en opgroeien. Hierbij gaat het voornamelijk om onder andere reptielen als de ringslang.” Het bestemmingsplan biedt ruimte voor de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers en ook de NNN compensatie zal leefgebied voor de ringslag opleveren. Aanwezigheid van ringslang op de zandeilanden wordt uitgesloten (Mulder & Oosterbaan, 2016 en Kos, 2022) zodat de ontwikkelingen daar geen negatieve effecten hebben op de ringslang. Per saldo worden negatieve effecten als gevolg van het voornemen op de beschermde ringslang worden uitgesloten. Er zijn echter plekken die wel een goed ontwikkelde oeverbegroeiing hebben en die daarmee optimaal geschikt zijn voor de ringslang. Naast de aanwezigheid in de zomerperiode, zijn er plekken geschikt als winterhabitat voor ringslangen. Dit door de ruig begroeide vegetatie, de hoogte van de vegetatie en het water in de buurt.
Er vindt in het bestemmingsplan een uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden plaats op de legakkers, waarbij een verplichting tot de aanleg van oeverbeschoeiing is opgenomen. Als ter plaatse van goed ontwikkelde oeverbegroeiing beschoeiing wordt aanbracht, kan leefgebied (voortplantingsbiotoop en/of overwinteringsbiotoop) verloren gaan. Bovendien kunnen bij zowel aanleg van beschoeiing als bij aanleg van natuurvriendelijke oevers exemplaren geschaad worden. Dat betreft een overtreding van verbodsbepalingen. Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van de ringslang aan te kunnen tonen op plekken waar aan de beschoeiing van de legakkers zal worden gewerkt, is nader onderzoek noodzakelijk. Hierbij kunnen de richtlijnen voor het inventariseren van ringslangen worden gevolgd die opgesteld zijn door RAVON (Wijer et al, 2009). Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde reptielen niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Conclusie uitvoerbaarheid bestemmingsplan in relatie tot beschermde reptielen De soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft de reptielen.
Indien blijkt dat biotoop van de ringslang wordt aangetast of er kans is op doden van individuen, hoeft dit nog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, aangezien bewezen effectieve maatregelen te nemen zijn en deze soortspecifieke maatregelen (bijvoorbeeld aanleg winterbiotoop) te combineren zijn met ontwikkelingen die dit nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt. Werkzaamheden kunnen ook buiten de kwetsbare periode van ringslang (half oktober – half maart) plaatsvinden. Zie verder paragraaf 2.3.3 voor de alternatievenafweging en het wettelijk belang. Als uit onderzoek blijkt dat de ringslang aanwezig is, kan hiervoor dus een ontheffing worden aangevraagd (en verkregen). Daarom wordt uitdrukkelijk de conclusie getrokken dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Blad 18 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
2.3.7
Vissen In tabel 2.7 zijn de waarnemingen van vissen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.7 Overzicht van waargenomen vissen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022). Beschermingsregime Rode lijst Soort HR (artikel 3.5) Wnb (artikel 3.10) Kwabaal X Ernstig bedreigd
Kwabaal De kwabaal komt verspreidt in het plangebied voor, vooral in de diepere delen (die ontstaan zijn door zandwinning) (Kos, 2022). De Vinkeveense Plassen herbergen de grootste populatie van Nederland. De kwabaal kent meerdere bedreigingen en achteruitgang wordt waarschijnlijk veroorzaakt door verbeterde waterbeheersing, habitat achteruitgang6 en het niet toegankelijk zijn van geschikt paaihabitat. Mogelijk speelt ook klimaatverandering en warmwaterlozingen een rol (warmer water) (Beelen, 2009). De geplande maatregelen en activiteiten spelen zich af op land en de randen van de legakkers waardoor effecten op de diepere onderwaternatuur uitgesloten zijn. Het bestemmingplan voorziet niet in opvulling van die diepe delen. Permanente negatieve effecten als gevolg van het voornemen op de beschermde kwabaal kunnen worden uitgesloten. Wel leidt de aanleg van beschoeiing tot verlies aan schuilgelegenheid. Overdag houdt de kwabaal zich schuil tussen boomwortels, stenen en in holtes. De aanleg van takkenbossen en natuurvriendelijke oevers hebben voor de kwabaal ook een positief effect. Omdat de kwabaal een soort is die beschermd is onder art 3.10 is alleen het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen een overtreding van verbodsbepaling. De effecten van toename van verstoring zijn te verwaarlozen.
De kwabaal is een nacht- en schemeringsdier. Bovendien is verstoring geen verbodsbepaling voor art 3.10 soorten (alleen opzettelijk doden en vangen, art 3.10 lid 1a en het opzettelijk beschadigen en vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren, art 3.10 lid 1b) Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van de kwabaal aan te kunnen tonen op plekken waar aan de beschoeiing van de legakkers zal worden gewerkt, is nader onderzoek noodzakelijk. In Onderzoek naar de kwalbaal kan met lichtvallen: dit is een variant op een fuik, maar dan in kleine schaal uitgevoerd met een lichtbron. Hiermee worden ‘fototactische’ vislarven aangetrokken en gevangen. De aanwezigheid van overige beschermde vissoorten is uitgesloten (Kos, 2022). Conclusie uitvoerbaarheid bestemmingsplan in relatie tot beschermde vissen De soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft de vissen. Indien blijkt dat biotoop van de kwabaal wordt aangetast of er kans is op doden van individuen, hoeft dit nog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, 6 Hier wordt vooral onder verstaan: verlies van (paai)habitat door het rechttrekken van beken, het
verdwijnen van holle oevers en het plaatsen van stuwen en gemalen. Ook de afname van peildynamiek, waardoor overstromingen langs beken nauwelijks meer voorkomen.
Blad 19 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
aangezien bewezen effectieve maatregelen te nemen zijn en deze soortspecifieke maatregelen te combineren zijn met ontwikkelingen die dit nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt (en zie verder paragraaf 2.3.3 voor de alternatievenafweging en het wettelijk belang). De werkzaamheden kunnen ook buiten de kwetsbare periode van de voortplanting (april - augustus), bij voorkeur in september-november (minst kwetsbare periode). Deze periode kan zowel eerder als later beginnen of eindigen afhankelijk weersomstandigheden. Als uit onderzoek blijkt dat de kwabaal aanwezig is, kan hiervoor dus een ontheffing worden aangevraagd (en verkregen). Daarom wordt uitdrukkelijk de conclusie getrokken dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
2.3.8
Zaadplanten, varens en bladmossen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van zaadplanten, varens en bladmossen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.8 Overzicht van waargenomen zaadplanten, varens en bladmossen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km)(NDFF, 2017-2022). Beschermingsregime Rode lijst Soort HR (artikel 3.5) Wnb (artikel 3.10) Knolspirea X Kwetsbaar
Knolspirea Aan de Spoordijk ten zuiden van het plangebied is in 2022 knolspirea aangetroffen. De soort is zeldzaam en groeit in zonnige, vrij droge, vaak kalkhoudende, stikstofarme leem-, löss- en mergelbodems. Het plangebied voldoet niet aan de eisen van de soort. Aanwezigheid van knolspirea in het plangebied kan worden uitgesloten en daarmee ook negatieve effecten. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde zaadplanten, varens en bladmossen niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Dit sluit aan bij de bevindingen van het inspiratiedocument (Kos, 2022): “Beschermde planten komen niet voor. De floristische waarde van het gebied is laag. Alleen aan de noordwestkant zijn floristisch enigszins interessante vegetaties aanwezig.” Conclusie uitvoerbaarheid bestemmingsplan in relatie tot beschermde planten De soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft de planten.
2.3.9
Zorgplicht In het plangebied kunnen vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën aanwezig zijn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht voor de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten, net als alle overige in het wild levende dieren en planten, de zorgplicht (zie bijlage 1). Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden dienen te worden voorkomen dan wel te worden beperkt. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan
Blad 20 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.2. Aandachtspunt bij het realiseren van beschoeiing is ook het voorkomen dat de legakkers ontoegankelijke eilanden worden voor bijvoorbeeld zoogdieren. Het realiseren van in/uittrede punten voor fauna kan eventuele negatieve effecten voorkomen.
2.3.10
Rode Lijst Een Rode Lijst is een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De mate van bedreiging is verdeeld over de volgende categorieën: verdwenen uit Nederland, ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar, gevoelig. De term ‘verdwenen uit Nederland’ betekent dat de soort niet meer als broedvogel is vastgesteld ten tijde van het opstellen van de Rode Lijst. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De Minister bevordert onderzoek en werkzaamheden die nodig zijn voor bescherming en beheer. Rode Lijstsoorten hebben geen juridische status en kennen geen wettelijke verplichtingen of een ontheffingsstelsel. Rode Lijst-soorten zijn in het kader van deze ecologische effectstudie van belang vanwege het feit dat ze (veel meer dan beschermde soorten) vaak in hoge mate indicatief zijn voor de totale ecologische kwaliteit van een gebied. Dit is met name het geval doordat ze relatief gevoelig zijn voor factoren als verdroging, verstoring, vermesting etc. Er is een Rode Lijst voor korstmossen, paddenstoelen, mossen, vaatplanten, land- en zoetwaterweekdieren, platwormen, libellen, bijen, steenvliegen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen en krekels, vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren.
Uit de recente verspreidingsinformatie blijkt dat in plangebied in het verleden diverse Rode Lijst soorten zijn waargenomen. Een overzicht van Rode Lijst soorten (exclusief de al eerder behandelde beschermde soorten) is weergegeven in tabel 2.9. Het voornemen kan tot een beperkte aantasting van leefgebied (door ruimtebeslag bij bebouwing en extra verstoring) leiden gezien de beperkte verandering ten opzichte van huidige gebruik, maar ook tot versterking van het leefgebied door natuurvriendelijke oevers.
Blad 21 van 25
Natuurtoets Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 Onderdeel soortenbescherming projectnummer 0478281.100 17 april 2023 KuiperCompagnons B.V.
Tabel 2.9. Overzicht van de Rode Lijst soorten in het plangebied die in de NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2020-2022) (exclusief de beschermde soorten genoemd in de voorgaande paragrafen). Soortgroep Soort Rode Lijst Vogels
Blauwe kiekendief Brilduiker
Gevoelig Gevoelig
Graspieper Grauwe vliegenvanger
Gevoelig Gevoelig
Grote karekiet Grote lijster
Bedreigd Kwetsbaar
Grote mantelmeeuw Grutto
Gevoelig Gevoelig
Keep Kneu
Gevoelig Gevoelig
Koekoek Kramsvogel
Kwetsbaar Gevoelig
Oeverloper Pijlstaart
Gevoelig Bedreigd
Roerdomp Slobeend
Kwetsbaar Kwetsbaar
Smient Spotvogel
Gevoelig Gevoelig
Tureluur Veldleeuwerik
Gevoelig Gevoelig
Visdief Watersnip
Gevoelig Bedreigd
Wilde zwaan Wintertaling
Gevoelig Kwetsbaar
Wulp Zomertaling
Kwetsbaar Bedreigd
Amfibieën
Zwarte stern Rivierdonderpad