Bijlage 3. Reactie van provincie Utrecht op VAB-visie
Tekst van het document
Gemeente De Ronde Venen t.a.v. college van B&W Postbus 250 3640 AG MIJDRECHT
Onderwerp Datum Documentnummer Telefoonnummer E-mailadres Domein/opgave Team
Reactie ontwerp-VAB-visie gemeente De Ronde Venen 10‑12‑2025 UTSP-1737830539-38873 +31634170758 eliza.van.breukelen@provincie-utrecht.nl SLO GRO
Geacht college van burgemeester en wethouders, Via deze brief geven wij onze reactie op de door u aangeboden ontwerp-VAB-visie van de gemeente. Wij stellen de grote inzet en de zorgvuldige manier waarop u de VAB-visie heeft opgesteld zeer op prijs. De heldere analyses en het door u zorgvuldig uitgevoerde participatieproces hebben geleid tot een prettig leesbaar document met een logische opbouw. Wij lezen dat u met de ontwerpvisie dezelfde doelen nastreeft als de provincie, namelijk stoppende boeren meer perspectief bieden, erftransities versnellen en vereenvoudigen en daarmee bij te dragen aan het voorkomen van ongewenst gebruik en stimuleren van toekomstbestendige erven. Op hoofdlijnen onderschrijven wij dan ook uw ontwerp-VAB-visie. In uw aanbiedingsbrief aan ons college vraagt u om expliciet aan te geven op welke onderdelen wij eventueel bezwaar zouden hebben. Ten aanzien van een aantal punten vragen wij dan ook uw aandacht. Aankomende herziening van het provinciale omgevingsbeleid Wij willen u erop attenderen dat begin 2026 de herziening van het omgevingsbeleid (visie, verordening en programma’s) als ontwerp wordt vrijgegeven. Hierin zit ook een voorstel om de regels rondom VAB aan te passen. Voor uw VAB-visie zijn de aanpassingen van de artikelen over nevenfuncties en functiewijziging het belangrijkst.
Wij gaan voorstellen om de mogelijkheden voor nevenfuncties te verruimen waarbij het onderscheid tussen hoofd- en nevenfuncties vervalt. Voor functiewijziging gaan wij een gemeentelijke sloopmetersystematiek faciliteren (komt in de plaats van de regels in de Omgevingsverordening) en wordt de Ruimte-voor-ruimteregeling gewijzigd in een m2-m3-regeling. Verwachting is dat het nieuwe omgevingsbeleid eind 2026 van kracht zal zijn. Wij verzoeken u kennis te nemen van de voorgenomen wijzigingen bij het vaststellen van uw eigen VAB-visie. Dit om te voorkomen dat uw raad een visie vaststelt die mogelijk op korte termijn wordt ingehaald door de tijd. Uiteraard plaatsen wij hierbij de kanttekening dat de herziening zich nog in het concept-/ontwerpstadium bevindt en dat hierover nog besluitvorming moet plaatsvinden. Verschil van inzicht over mate van ontstening Het stemt ons zeer positief dat in uw ontwerpvisie duidelijk naar voren komt dat ontstening van het buitengebied een nadrukkelijk doel van de gemeente is. Enerzijds om leegstand tegen te gaan, anderzijds voor behoud van compacte erven. Dit deel van uw visie onderschrijven wij nadrukkelijk. Echter zien wij over de verdere uitwerking van dit onderwerp wel een verschil van inzicht ontstaan.
In uw aanbiedingsbrief schrijft u dat het voor de gemeente niet in alle gevallen noodzakelijk is om alle voormalige agrarische bebouwing te slopen, met name wanneer (neven)functies een grote ruimtebehoefte hebben. Bij volledige transitie acht u het in uitzonderlijke gevallen acceptabel dat een groot deel van de bebouwing behouden blijft. Daarnaast schrijft u in
1 van 3
uw visie dat ontstening wel een nadrukkelijk doel is, maar dat dit niet te vertalen is naar een eenvoudige formule. Plannen die passen binnen de rekenformule van de provinciale omgevingsverordening passen wat u betreft sowieso, anders is maatwerk (mogelijk) een optie. Dit punt van uw visie schuurt met het VAB-beleid van de provincie. Artikel 9.11 van de omgevingsverordening biedt afwegingsruimte bij functiewijziging van voormalige agrarische bedrijfspercelen. Voor de ruimte-voorruimte-regeling (artikel 9.13) geldt echter wel een striktere saneringsverplichting. Zowel in onze huidige omgevingsverordening als in het concept van de nieuwe verordening is ontstening het uitgangspunt. Daarnaast willen wij meegeven dat het voornemen van maatwerk voor een initiatiefnemer aan de voorkant niet direct duidelijkheid geeft en ook altijd om overleg met de provincie vraagt. Wij delen uw mening niet, dat hiervoor moeilijk een formule is te formuleren. Het overleg in U10-verband over een sloopmetersystematiek maakt duidelijk, dat maatwerk op basis van eenduidige criteria mogelijk is. Het opnemen van kwantitatieve regulering bij kleinschalige woonerven Uw visie op kleinschalige woonerven, waarbij er wordt ingezet op meer en kleinere woningen en minder op grote vrijstaande woningen, ondersteunen wij ten volle.
Wel constateren wij dat u geen kwantitatieve regulering (zoals sloopmeters) hiervoor opneemt. Een dergelijke kwantitatieve begrenzing achten wij noodzakelijk om te voorkomen dat de bedrijfsbebouwing in omvang wordt vervangen door een vergelijkbare hoeveelheid woonbebouwing. Ook hier verwijzen we graag naar het U10-voorstel. Het opnemen van kwantitatieve regulering bij opslag U schrijft in uw beleid een zeer heldere definitie op van zuivere opslag, maar stelt geen kwantitatieve grenzen. De provincie hanteert geen kwantitatieve omvangsbeperkingen bij opslag als hoofdfunctie, maar wél een sloopeis van 50%. Wij zouden deze voorwaarden graag terugzien in uw visie. Daarnaast willen wij u erop attenderen dat met de herziening van het provinciale omgevingsbeleid wordt voorgesteld om opslag als nevenfunctie te beperken tot 1000m2 en binnen de kernrandzones tot 1500m2. Advies om agrarisch gerelateerde productie kleinschalig te houden Onder het kopje ‘agrarisch gerelateerde productie’ zien wij een risico dat grootschalige verwerkingsbedrijven kunnen ontstaan, zoals zuivel- of fruitverwerking of grootschalige opslag van oogsten. Wij adviseren daarom expliciet op te nemen dat het moet gaan om kleinschalige activiteiten om deze situaties te voorkomen.
Definitie van het begrip nevenfunctie Bij het definiëren van het begrip nevenfunctie hanteert u het criterium dat niet meer dan 50% van de inkomsten van het bedrijf uit die activiteit mag worden gegenereerd. Dat is in overeenstemming met de huidige provinciale regels, mits ook sprake is van ruimtelijke ondergeschiktheid. Ons voornemen is echter die ondergeschiktheidseis te laten vervallen. U zou kunnen aangeven of en hoe u met die aangekondigde verruiming zou willen omgaan. Ruimtelijke spelregels In uw visie beschrijft u spelregels voor de ruimtelijke inpassing op het erf voor erftransformatie bij VAB. Het is positief dat u daarin expliciet ‘de kwaliteitswijzer kleine landschapselementen’ en ‘de kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen (gebiedskatern groene hart)’ benoemt. De landschappelijke beschrijvingen en typeringen van de deelgebieden geven een goed beeld en zijn helder geformuleerd. Wel zien we te veel een splitsing van het erf bij het vertalen van deze typering naar een geschetst principe voor transformatie naar een woonfunctie. Uitgangspunt voor de provincie is wonen in een agrarisch ensemble. De plaatsing van de bebouwing rond één toegang en een centraal erf is daarbij het uitgangspunt, zoals ook wordt beschreven in onze ‘kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen’.
Dorpsranden in overeenstemming brengen met kernrandzones U hanteert een zone van 500 meter rond de dorpen als een zone waar soms net wat meer kan. Wij vragen u om in uw visie de kernrandzones uit de provinciale omgevingsverordening te hanteren. Waarbij voor de wat grotere kernen een (indicatieve) zone van 500 meter wordt gehanteerd en bij de kleinere 200 meter.
2 van 3
Tot slot Concluderend constateren wij dat uw ontwerp-VAB-visie in grote lijnen aansluit bij de provinciale ambities en een waardevolle bijdrage levert aan de eerdergenoemde doelstelling van het provinciale VAB-beleid. Hiervoor willen wij nogmaals onze waardering uitspreken. Tegelijkertijd vragen wij u de genoemde punten te heroverwegen, zodat de gemeentelijke visie volledig in lijn is met het provinciale kader en te verwachten beleidswijzigingen. Wij vinden het zeer wenselijk dat uw raad een VAB-visie vaststelt die past binnen het provinciale omgevingsbeleid, om op deze manier sneller de eerdergenoemde doelstellingen van het VAB-beleid te bereiken. Wij zijn ervan overtuigd dat een goede afstemming/samenwerking tussen gemeente en provincie bijdraagt aan een zorgvuldige en toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Wij danken u dan ook voor de mogelijkheid tot het geven van een reactie en ook op deze wijze een verdere invulling geeft aan voorkantsamenwerking. Wij staan ervoor open om hierover met u verder van gedachten te wisselen.
Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Utrecht, Namens hen,
H.P. van Essen gedeputeerde Ruimtelijke Ontwikkeling, Coördinatie Omgevingsbeleid, Energietransitie, Milieu en Bestuur
3 van 3