Bijlage 29. Flora en fauna aanvullend onderzoek
Tekst van het document
Huismus- en vleermuisonderzoek Amstelkade en Mijdrechtse Zuwe te Amstelhoek Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming
1
Colofon
Status:
Definitief
Project:
BE/2020/488
Datum:
6 oktober 2021
Samensteller(s):
ir. ing. K.J. Rebergen
Collegiale toets:
ing. G. Fairhurst
Opdrachtgever:
UBM GROUP De Lairesstraat 51 1071 NT Amsterdam Contactpersoon:
mevr. E. Hendriks
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V./ UBM Group Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
2
Inhoud 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel
4
1.2 Plangebied
5
1.3 Werkzaamheden
5
1.4 Mogelijk aanwezige soorten
6
1.5 Kader Wet natuurbescherming
8
2 Methode .......................................................................................................................................... 9 2.1 Theoretisch kader
9
2.2 Praktische uitvoering
10
2.3 Inventarisaties
12
2.4 Specifieke omstandigheden
12
3 Resultaten ..................................................................................................................................... 13 3.1 Huismus
13
3.2 Vleermuizen
13
3.3 Overige soorten
14
4 Conclusie ...................................................................................................................................... 15 4.1 Huismus
15
4.2 Vleermuizen
15
4.3 Overige soorten
15
4.4 Vervolgstap(pen)
15
5 Bronnen ......................................................................................................................................... 16 Bijlage 1 Overzicht waarnemingen ............................................................................................. 17
3
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Aan de Amstelkade 3 en Mijdrechtse Zuwe 66/68 te Amstelhoek is een perceel met een vrijstaande woning en een 2-onder-1-kap woning gesitueerd. Beide gebouwen hebben aangebouwde schuren. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van een appartementencomplex. Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van beschermde natuurwaarden is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ingreep (Brinkbaumer, 2020).
Figuur 1.1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Amstelkade 3 en Mijdrechtse Zuwe 66/68 te Amstelhoek (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van nestlocaties en essentieel leefgebied van huismus en verblijfplaatsverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet uitgesloten kon worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of de woning daadwerkelijk een functie hebben voor vorengenoemde soorten was aanvullend onderzoek noodzakelijk. UBM Group begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven. Onderzoeksdoel In dit aanvullende onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen centraal gesteld: •
Zijn huismus en vleermuizen aanwezig in het plangebied?
•
Op welke wijze maken de huismus en vleermuizen gebruik van het plangebied? Zijn in het plangebied nesten en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig?
•
Hebben de voorgenomen activiteiten een negatief effect op de voorkomende soorten en/of de functionaliteit van de nesten en/of verblijfplaatsen en leefomgeving van huismus en vleermuizen?
4
1.2
Plangebied De percelen van de woonvlakken zijn verbonden en betreft derhalve één enkele planlocatie (figuur 1.2). De woning aan de Amstelkade 3 (hierna te noemen gebouw 1) is opgetrokken uit (wit geverfde) muren zonder spouw met een zadeldak belegd met dakpannen. De 2-onder1-kap woning aan de Mijdrechtse Zuwe 66/68 (hierna te noemen gebouw 2) is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en zadeldak belegd met dakpannen. Beide gebouwen hebben aangebouwde schuren. Het perceel is deels verhard met ten westen van woning 1 een overwoekerde tuin met zeer laag onderhoudsbeeld en ten zuiden van woning 2 een houtwal met zeer laag onderhoudsbeeld.
Figuur 1.2
1.3
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de bebouwing ten behoeve van de realisatie van een appartementencomplex. Voor de beoogde ontwikkelingen dienen verschillende bomen en struiken verwijderd te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: algemene kap- en snoeiwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
5
Figuur 1.3
1.4
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: MONK Architecten BNA).
Mogelijk aanwezige soorten Uit het oriënterend onderzoek (Brinkbaumer, 2020) is gebleken dat de woningen op de planlocatie geschikt zijn als nestlocatie en leefgebied van huismussen en verblijfplaats van vleermuizen (tabel 1.1). Tabel 1.1
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is (Brinkbaumer, 2020). Soortenbescherming
6
Soortgroep
Beschermingsregime Wet nb
Soortspecifiek onderzoek
Vaatplanten
n.v.t.
Nee
Grondgebonden zoogdieren
n.v.t
Nee
Vleermuizen
Artikel 3.5
Ja
Amfibieën
n.v.t.
Nee
Reptielen
n.v.t.
Nee
Vissen
n.v.t.
Nee
Insecten en andere
n.v.t.
Nee
Vogels Huismus Spreeuw Huiszwaluw
Artikel 3.1 Artikel 3.1 (cat. 5) Artikel 3.1 (cat.5)
Ja Ja Ja
Mogelijk functie plangebied
Verblijfplaatsen
Nestlocaties foerageergebied (huismus)
en
Tabel 1.2
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied (Brinkbaumer, 2020).
Vleermuissoort
Potentie
Boom bewonend
Gebouw bewonend
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Potentiële bebouwing
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis
Nee
n.v.t.
n.v.t.
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Ruige dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Potentiële openingen bomen én bebouwing
in
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Potentiële openingen voldoende grootte bebouwing
van in
Meervleermuis
Nee
Nee
Ja
Geen aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving
Watervleermuis
Nee
Ja
Nee
Geen aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving
Franjestaart
Nee
Ja
Nee
Geen boomholte(s) voldoende inrotting)
Baardvleermuis
Nee
Ja
Ja
Ontbreken verspreiding
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ja
Ja
Teveel lichtverstoring
Rosse vleermuis
Nee
Ja
Nee
Geen boomholte(s) voldoende inrotting)
Tweekleurige vleermuis
Nee
Nee
Ja
Geen hoogbouw met meer dan 7 bouwlagen
Tabel 1.3
openingen
(met
bekende
(met
Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort (Brinkbaumer, 2020). Winter
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Figuur 1.4
in
Middels kierende boeiborden en open stootvoegen kunnen vleermuizen toegang krijgen tot binnenruimtes waardoor potentie voor vorengenoemde soortgroep niet uitgesloten kan worden.
7
Figuur 1.5
Kierende kantpannen op de gevels van gebouw 2. Tussen het overstek en de muren voldoende ruimte om toegang te bieden voor gebouwbewonende vleermuizen.
1.5
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen
en
nationaal
beschermde
soorten,
uiteen
in
drie
verschillende
beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de huismus valt onder de vogelrichtlijn. Binnen de Vogelrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen soorten waarvan het leefgebied en de nestplaats jaarrond beschermd zijn en de overige broedvogels waarvan de nestplaats en het leefgebied enkel beschermd zijn tijdens de broedperiode. Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden (paragraaf 1.3) kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden:
Wnb, art 3.1 lid 2 en 4 (Vogelrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid (huismus) te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels (huismus) weg te nemen. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Wnb, art 3.5 lid 2 en 4 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid (alle vleermuissoorten) te beschadigen of te vernielen.
8
2 Methode 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de huismus zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Voor vleermuizen geldt het Vleermuisprotocol (NGB, 2021) als richtlijn. De richtlijnen worden met enige regelmaat door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van huismus-, en vleermuisonderzoek zoals deze zijn geformuleerd in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017) en het Vleermuisprotocol (NGB, 2021).
Huismus Nest: Aantoonbaar door: - Visueel onderzoek in periode 1 april t/m 15 mei (2x veldbezoek avond/ochtend) - Visueel onderzoek in de periode 10 maart t/m 20 juni (4x veldbezoek avond/ochtend) - Inspectie (oplichten dakpannen) in de periode 15 september/1 maart (1x veldbezoek) Functioneel leefgebied: Bestaat met name uit foerageer en slaapplekken. Wordt vastgesteld door waarnemingen en gedrag van alle aanwezige huismussen. (Kennisdocument huismus BIJ12) Vleermuizen Kraamverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (10 mei) 15 mei t/m 15 juli (20 juli) (2x veldbezoek), waarvan minimaal 1 veldbezoek in juni. Indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Zomerverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 mei t/m 15 augustus (1 december) (2x veldbezoek). Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Vervolg op volgende pagina.
9
Paarverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (15 juli) 15 augustus t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen, territoriaal gedrag en sociale geluiden. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. (Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 & Vleermuisprotocol, januari 2021) Huiszwaluw en spreeuw (cat. 5) De nesten van huiszwaluw en spreeuw (cat. 5) zijn jaarrond beschermd indien er sprake is van ecologische zwaarwegende redenen. Aanwezigheid van nesten van deze soorten wordt vastgesteld door het tellen van in gebruik zijnde nesten. In praktijk gebeurt dit in de periode 1 april tot eind juli, betreffende de broedperiode. Voor beide soorten zijn geen richtlijnen voor inventarisatie opgesteld, maar wordt de inventarisatie uitgevoerd gedurende het aanvullende onderzoek naar overige jaarrond beschermde broedvogels.
2.2
Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. Procedure Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het plangebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische punten, looproute en zichtlijnen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van schuttingen, struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep. De procedure voor ieder veldbezoek is als volgt: 1. Bepalen strategische punten voorafgaand aan start onderzoek. 2. Overleg met collega(‘s), op kantoor, over bezetting strategische punten en looproutes. Als het een vervolgronde betreft worden de resultaten van de eerdere rondes hierin meegenomen; 3. Controle gevels op aanwezigheid van uitwerpselen onder en/of tegen de gevels. Eventueel navraag bij bewoners op (recente) activiteit van huismus en vleermuizen 1; 4. Start/uitvoering onderzoek/bezetting strategische punten en uitvoering conform reactieve onderzoekswijze; 5.
Afronding onderzoek, bespreken met collega(’s), op kantoor, van tussentijds resultaat, eventuele onduidelijkheden over verblijfplaatsen en waarnemingen worden in dit stadia goed ondervangen. 1
Op basis van uitwerpselen kan vaak een goede eerste indruk worden verkregen waar grotere verblijfplaatsen van
vleermuizen aanwezig zijn.
10
Reactieve onderzoekswijze Binnen de kaders van de Kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoekswijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek het aantal onderzoekers, en dergelijke, worden door de diverse onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type verblijfsplaatsen en leefgebied wordt door Blom Ecologie B.V. reactief onderzoek uitgevoerd. Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten en looproutes waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het plangebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Voor huismus geldt dat deze strategische posten veelal liggen nabij geschikt leefgebied. Tijdens het aanvullend onderzoek huismus wordt met name gebruik gemaakt van strategische looproutes waarbij alle potentiële nesten gedurende het veldbezoek visueel gecontroleerd worden.
Hierbij wordt specifiek gelet op de aanwezigheid van territoriaal gedrag, het gebruik van het leefgebied en het in/uit vliegen uit de nesten. Het aanvullend onderzoek vleermuizen wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren. Hierbij blijft de nadruk op de woningen die binnen het plangebied vallen. Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per seizoen de strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is. Afhankelijk van het doel van het aanvullend onderzoek (e.g. kraamverblijfplaatsen, functioneel leefgebied e.d.) wordt de nadruk gelegd op strategische punten (zomerverblijfplaatsen, vliegroutes) of strategische looproutes (paarverblijfplaatsen, winterzwermverblijfplaatsen). Voor alle onderzoeken geldt dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden.
Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en dergelijke. Het aantal factoren dat bepaalt waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route (door bijv. buurtbewoners die de onderzoeker aan de praat houden, bewoners die honden uitlaten of dergelijke) zijn niet of nauwelijks definieerbaar. De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van het Vleermuisprotocol en Kennisdocumenten, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment.
11
2.3
Inventarisaties Veldbezoeken De planlocatie is 6x bezocht door medewerkers van Blom Ecologie B.V. (tabel 2.2). Tijdens deze bezoeken zijn de planlocatie en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van huismus en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is met name gelet op nestindicerend gedrag van huismus, alsmede foeragerende/communicerende vleermuizen. Tevens is gelet op de veelgebruikte structuren door huismus en vleermuis voor het bepalen van het functioneel leefgebied. Tabel 2.2
Veldbezoeken op de planlocatie, met per veldbezoek welke functies onderzocht worden en het aantal waarnemers dat is ingezet. De weersomstandigheden voldeden aan de minimumcriteria zoals opgenomen in de Kennisdocumenten huismus en gierzwaluw en het Vleermuisprotocol (2017).
Veldbezoek
Functie
Aantal
Datum
Zon ▼ ▲
Tijd
Weersomstandigheden
pers. Huismus 1
Nest + leefgebied
1
05-05-2021
06.03
06.30-08.30
5/8, miezer, 4 Bft, 6˚C
Huismus 2
Nest + leefgebied
1
15-05-2021
05.47
06.15-08.15
0/8, droog, 1 Bft, 9˚C
Vleermuizen 1
Kraam + zomer
1
14-05-2021
05.47
03.45-05.45
0/8, droog, 1 Bft, 9˚C
Vleermuizen 2
Kraam + zomer
1
07-06-2021
21.59
21.45-00.00
0/8, droog, 0-1 Bft, 17˚C
Vleermuizen 3
Kraam + zomer
1
29-06-2021
22.06
22.00-00.15
8/8, droog, 2-3 Bft, 15˚C
Vleermuizen 4
Paar
1
01-09-2021
20.26
23.00-01.00
0/8, droog, 2 Bft, 14˚C
Vleermuizen 5
Paar
1
22-09-2021
19.38
20.45-22.45
0/8, droog, 1-2 Bft, 196C
behulp
van
verrekijker.
Gebruikte materialen Het
huismusonderzoek
is
uitgevoerd
met
een
Het
vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een verrekijker en batdetector, type Petterson D-200x/Petterson D-240x. Het type D-240x is heterodyne en heeft een time expansion functie. De time expansion functie maakt het mogelijk de geluidopnames te vertragen waardoor nauwkeurige analyse van de hoogfrequent geluiden uitgevoerd kunnen worden. Geluidswaarnemingen zijn eventueel opgenomen met een opnameapparaat van het merk Roland, type R-07. Indien inventarisatie in het veld niet mogelijk was zijn geluiden geanalyseerd met behulp van de software BATSOUND.
2.4
Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten en Vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek was er (voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan) geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.
12
3 Resultaten 3.1
Huismus Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn geen huismussen waargenomen. Nesten Gedurende het onderzoek zijn geen nesten van de huismus vastgesteld. Functioneel leefgebied Door het ontbreken van huismuswaarnemingen is de aanwezigheid van functioneel leefgebied tevens uitgesloten.
3.2
Vleermuizen Waarnemingen, soorten en aantallen Tijdens de onderzoeksrondes is alleen de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen. Er was tijdens alle rondes vrij weinig vleermuisactiviteit waargenomen. De foeragerende vleermuizen waren slechts kort aanwezig tijdens de rondes. Tabel 3.3
Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken.
Veldbezoek
Soort
Aantal
Gedrag
Vleermuis 1
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
14-05-2021
Gewone dwergvleermuis
1
Overvliegend
Vleermuis 2
Gewone dwergvleermuis
3
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
1
Overvliegend
Vleermuis 4
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
01-09-2021
Gewone dwergvleermuis
1
Overvliegend
Vleermuis 5
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
07-06-2021 Vleermuis 3 29-06-2021
22-09-2021
13
Verblijfplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Vliegroutes en foerageergebieden Tijdens de quickscan is reeds beoordeeld dat er geen essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied voor vleermuizen binnen de planlocatie aanwezig is (Brinkbaumer, 2020). De resultaten van het vleermuisonderzoek onderschrijven deze conclusie (figuur 3.1). De foeragerende vleermuizen betrof vaak een enkel individu die slechts max 10 minuten aan het foerageren was. Daarna trok dit individu verder richting andere foerageergebieden.
Figuur 3.1
Overzicht van de verblijfslocaties van vleermuizen op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS). De weergegeven foerageergebieden zijn niet essentieel.
3.3
Overige soorten Het
zwaartepunt
van
het
onderzoek
ligt
met
name
bij
huismus(nesten)
en
vleermuisverblijfplaatsen. Nesten van overige algemene broedvogels of cat. 5 vogelsoorten worden meegenomen in het onderzoek. Dergelijke nesten zijn niet vastgesteld.
14
4 Conclusie 4.1
Huismus In de periode mei 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in de woningen aan het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen huismusnesten binnen de planlocatie vastgesteld. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor huismus is niet benodigd, alvorens de beoogde ingreep uitgevoerd kan worden.
4.2
Vleermuizen In de periode mei – september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de woningen aan het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van (gebouwbewonende) vleermuizen vastgesteld. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen is niet benodigd, alvorens de beoogde ingreep uitgevoerd kan worden.
4.3
Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus en vleermuizen. Nesten van algemene broedvogels of cat. 5 vogelsoorten zijn niet aangetroffen. De bebouwing en omliggende groenstructuren bieden echter wel potentie voor dergelijke nesten. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli). Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Samenvatting van de nestlocaties/verblijfplaatsen op de planlocatie:
4.4
•
Huismus: 0 nestlocaties;
•
Gewone dwergvleermuis: 0 rust- en verblijfplaatsen;
•
Ruige dwergvleermuis: 0 rust- en verblijfplaatsen;
•
Laatvlieger: 0 rust- en verblijfplaatsen;
•
Spreeuw: 0 nestlocaties
•
Huiszwaluw: 0 nestlocaties.
Vervolgstap(pen) Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Wel dient ten alle tijden rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.
15
5 Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument huismus, Passer domesticus. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. BIJ12, Utrecht NGB, Zoogdiervereniging en GaN, 2021. Vleermuisprotocol, versie januari 2021 Brinkbaumer, M.A., 2020. Quickscan Wet natuurbescherming Amstelkade 3 en Mijdrechtse Zuwe 66/68 te Amstelhoek Blom Ecologie B.V., Waardenburg.
Gebruikte websites www.arcgis.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.vleermuisprotocol.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
Bijlage 1 Overzicht waarnemingen
Figuur 1
Overzicht van de verblijfslocaties van vleermuizen op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS).
17
18