CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Bijlage B Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Donkereind 5a/7, Vinkeveen

Gemeenteraad 7 mei 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan Donkereind 5a 7, Vinkeveen11.530 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

pagina 29 van 37

Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van de bestaande bebouwing gesloopt en een nieuwe woning gerealiseerd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep is voor de planlocatie een quickscan natuur uitgevoerd (BuiTeGewoon, d.d. november 2025, zie bijlage 2). Soortbescherming De bevindingen van de ecologische quickscan hebben niet geleid tot de noodzaak van vervolgonderzoek, mits aan mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van werkzaamheden wordt voldaan. Dit geldt ook voor haas, konijn en kleine marterachtigen, waarvoor de provinciale vrijstelling in 2024 is komen te vervallen, en ringslang, waarvoor na 2023 waarnemingen in de NDFF zijn ingevoerd. Mogelijk is de ingreep verstorend voor broedvogels en het foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Geadviseerd wordt om geen gebruik te maken van bouwplaatsverlichting. Voorafgaand aan het uitvoeren van sloopwerken in de periode van maart tot juli wordt er geacht een broedvogelcheck uit te voeren. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied.

Het dichtstbijgelegen beschermde natuurgebied maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland en bevindt zich op ca. 450 m afstand. Daarnaast ligt het plangebied in een weidevogelkerngebied. In artikel 6.7 eerste lid van de Omgevingsverordening provincie Utrecht is opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen toegestaan zijn, onder voorwaarde dat de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels aantoonbaar per saldo minimaal wordt behouden. Gelet op de huidige situatie binnen het plangebied en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen effect heeft op het leefgebied van weidevogels, wat ook in de quickscan natuur vastgesteld is. Op een afstand van circa 4,8 km ligt het (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied ‘Botshol’. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Uit de ecologische quickscan is gebleken dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden. In aanvulling hierop geldt voor stikstofdepositie dat, gezien de ruime afstand en de beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling, kan worden aangenomen dat er geen negatieve effecten zullen zijn op Natura 2000-gebieden. Bovendien wordt de woning gasloos gebouwd.

Uitstoot van stikstof als gevolg van verwarmingsinstallaties vindt daarmee niet plaats tijdens de gebruiksfase. Naar verwachting zal de depositie op Natura 2000-gebieden lager zijn dan 0,00 mol/ha/j. Geconcludeerd wordt dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie zullen zijn op Natura 2000-gebieden.

pagina 30 van 37

Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1.000 m² of meer of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief.

5.12 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening waterschap Rivierenland de keur en de algemene regels van het waterschap vervangen. De waterschapsverordening bevat de regels van het Waterschap Amstel Gooi en Vecht over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen,

pagina 31 van 37

de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij het Waterschap. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur en de algemene regels. Bovendien bevat de waterschapsverordening regels over lozingen. Lozingen waren eerst op het niveau van de centrale overheid geregeld.

Planspecifiek Watercompensatie In de beoogde ontwikkeling gaat er meer verharding weg dan dat er bij komt. Derhalve is watercompensatie niet aan de orde. Waterkering en oppervlaktewater Voor het plangebied is de legger van het waterschap geraadpleegd. Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering. Wel ligt het plangebied aan een primaire watergang. Hieraan zijn geen wijzigingen voorzien. Dit geldt ook voor het overige oppervlaktewater in en rondom plangebied. Conclusie Onderhavig plan heeft geen negatieve gevolgen voor het watersysteem.

5.13 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.

In bijlage V bij het omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit 2 verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage

pagina 32 van 37

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De 3 hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

▪

Er wordt gebouwd op een locatie waar momenteel al bebouwing aanwezig is.

▪

De omvang van de beoogde bebouwing en het aantal woningen is niet groter dan in de bestaande situatie.

▪

Het gaat om een gebied waar reeds verscheidene stedelijke functies te vinden zijn.

▪

De woningen voldoen aan de BENG-eisen, waardoor het milieueffect beperkt is.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden, leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat een merbeoordeling achterwege kan blijven. Desalniettemin zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, omgevingsveiligheid en natuur, in beeld gebracht in de voorliggende motivering. Hieruit valt te concluderen dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een aanzienlijke invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen...

pagina 33 van 37

6

Juridische aspecten

6.1

Algemeen

Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMROstandaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.

6.2

Verbeelding

Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

6.3

Planregels

Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

▪

toepassingsbereik;

▪

functieomschrijving;

▪

beoordelingsregels bouwactiviteiten;

▪

beoordelingsregels gebruiksactiviteiten;

▪

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

pagina 34 van 37

6.4

Toelichting op functies en locaties

De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente De Ronde Venen, met name het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’. Daarnaast wordt rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden. Tuin - Landschappelijk De gronden in het zuiden van het plangebied, waar de schuur wordt gesloopt en die in de toekomstige situatie onbebouwd zijn, zijn voorzien van het werkingsgebied ‘Tuin -Landschappelijk’. Binnen dit werkingsgebied zijn tuinen, groen en water, behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen toegestaan. Hier mogen uitsluitend erfafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m worden opgericht. Water Het huidige oppervlaktewater binnen het plangebied is voorzien van het werkingsgebied 'Water'. Hier mag niet worden gebouwd, met uitzondering van bestaande bouwwerken. Wonen Het erf behorende bij de woningen is voorzien van het werkingsgebied 'Wonen', waarbinnen woningen en bij deze functie behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en toegangswegen, mogelijk zijn. Daarnaast zijn beroepen of bedrijven aan huis toegestaan.

Hoofdgebouwen mogen opgericht worden binnen de twee bouwvlakken, waarbij voor het zuidoostelijke bouwvlak geldt dat hierbinnen ten hoogste één woning toegestaan is. Er is een voorwaardelijke bepaling opgenomen, waarmee verzekerd is dat de twee schuren/bijgebouwen (oppervlakten van 186 m² en 163 m²) en het oostelijk deel van het zomerhuis (56 m²) gesloopt dienen te zijn voordat de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woning verleend wordt. De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 7 m voor de nieuwe woning. Voor de bestaande woning is aangesloten bij de bestaande rechten. Voor bijgebouwen en overkappingen geldt dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 81,5 m² voor de nieuwe woning in het zuidoosten van het plangebied, wat 50% van de oppervlakte van te slopen zuidelijke schuur is en voortkomt uit de saneringsregelging zoals die toegepast wordt in de gemeente De Ronde Venen. Voor de bestaande woning aan Donkereind 7 is ten hoogste 50 m² aan bijgebouwen en overkappingen toegestaan, waarbij geldt dat op basis van de regeling voor bestaande maten meer toegestaan is, te weten het oppervlak van het te verkleinen zomerhuis en de karakteristieke hooiberg.

pagina 35 van 37

7

Financiële haalbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek Gelet op artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is er geen grondslag voor het verhalen van kosten door de gemeente. De gemeentelijke kosten worden via de legesverordening verhaald. Er wordt wel een overeenkomst over de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, gesloten worden. Het ruimtelijke plan is financieel uitvoerbaar.

pagina 36 van 37

pagina 37 van 37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16726810/1