CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.9 RAAPrap 5126 WILN2 20210505 boorbeschrijvingen

Politieke commissie 19 januari 2023, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: RIB Stand van zaken grondtransporten in onze gemeente (op verzoek van het CDA)44.291 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

RAAP-RAPPORT 5126

Plangebied Buitengebied-West (ter hoogte van Bovendijk 22) te Wilnis Gemeente De Ronde Venen Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Colofon Titel: Plangebied Buitengebied-West (ter hoogte van Bovendijk 22) te Wilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Versie: 05-05-2021 Auteur: dr. D. Peeters Projectcode: WILN2 Bestandsnaam: RAAPrap_5126_WILN2_20210505 Autorisatie: drs. K. Wink

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Er is geen verklaring ontvangen van het bevoegd gezag omtrent goed - of afkeuring van het rapport.

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Samenvatting In opdracht van BGT Wilnisse Zuwe B.V. heeft RAAP in april 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend boo ronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Buitengebied-West (ter hoogte van Bovendijk 22) te Wilnis in de gemeente De Ronde Venen. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag. De plannen bestaan uit het opbrengen van grond op de betreffende agrarische percelen en het verleggen van een weg. Het maaiveld zal ter plaatse van de percelen met maximaal 80 cm worden verhoogd. Ter plaatse van de landbouwweg zal met maximaal 110 cm worden opgehoogd. Voorafgaand aan de ophoging zal de aanwezige toplaag in het plangebied tot circa 30 cm worden vergraven. Het plangebied heeft een grootte van circa 39,5 ha. Naar verwachting wordt in totaal 400.000 m 3 ‘ingeklonken grond’ opgebracht om het eindresultaat te realiseren in verband met zettinge n in de ondergrond. Dit verkennend booronderzoek komt voort uit een door RAAP uitgevoerd bureauonderzoek, waarin een gespecificeerde archeologische verwachting is opgesteld en mogelijke zettingen door de voorziene ophoging uiteen zijn gezet (Peeters, 2021).

Resultaten verkennend booronderzoek Op basis van de 50 uitgevoerde boringen in 4 boorraaien met een maximale onderlinge boorafstand van 20 m blijkt dat het krekenlandschap in het plangebied goeddeels intact is en op geringe diepte onder het maaiveld, direct onder de bouwvoor, aanwezig is. De ligging van de aangetroffen kreken komt in het algemeen goed overeen met de ligging die op basis van het AHN werd verwacht. Op een maximale afstand van 45 m van de kreekgeulen zijn in 13 van de uitgevoerde boringen r elatief dunne lagen, relatief stevige kreekoeverafzettingen aanwezig met een middelhoge archeologische verwachting voor het neolithicum (vanaf 15-35 cm –mv). In 7 van de 13 boringen zijn zulke lagen binnen de voorgenomen maximale ontgravingsdiepte van 30 c m –mv aanwezig. Daarnaast zijn op/naast de geulen hoger liggende kwelderafzettingen aanwezig, die l ithologisch lastig van kreekoeverafzettingen blijken te onderscheiden. Ontgravingen tot 30 cm-mv vormen hiermee een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische sporen of resten. Tijdens het booronderzoek zijn ook lager liggende, dikkere pakketten kwelderafzettingen aangeboord, die vaker zijn overstro omd en waarvoor een lagere archeologische verwachting bestaat. De aangetroffen dieper gelegen wad - en getijdenafzettingen, alsmede de lagen veen in de ondergrond, gaan gepaard met een lage archeologische verwachting.

Aan de basis van 29 boringen, die tot m aximaal 4 m –mv zijn gezet, zijn laat pleistocene-vroege holocene lagen aanwezig in de vorm van dekzand, verspoeld dekzand en beek(dal)afzettingen. In de meeste boringen is het bodemprofiel van het dekzand niet meer intact en elders vertoont dit niveau verspoelingsafzettingen, waardoor de archeologische verwachting voor het mesolithicum en paleolithicum van middelhoog naar laag kan worden bijgesteld. De exacte zettingseffecten (verticale verplaatsing, horizontale verplaatsing en compressie) op de aangetroffen bodemlagen als gevolg van de voorziene ophoging en of de zettingen van de dunne lagen kreekoeverafzettingen binnen ‘acceptabele marges’ zullen vallen zijn zonder geotechnische zettingsberekeningen niet te bepalen. Naar verwachting zal de zetting voornam elijk door lagen binnen de eerste meters onder het maaiveld worden opgevangen en dan voornamelijk door lagen met een slappere consistentie, waarvoor een lage archeologische verwachting bestaat.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[3]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Advies Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen en met name de ontgravingen van de toplaag. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring van kreekoeverafzettingen met een middelhoge archeologische verwachting voor het neolithicum zo goed mogelijk wordt voorkomen. Dat kan door de ontgravingen van de (later terug te plaatsen) toplaag in een zone van 45 m aan weerszijden van de op het AHN zichtbare kreekgeulen te vermijden (figuur 11). Naar verwachting zal het beperken van de ontgravingen van de toplaag tot maximaal 15 cm –mv (in plaats van 30 cm –mv) tot nagenoeg geen verstoring van intacte kreekoevers en hoge kwelders leiden, maar dit kan niet volledig worden uitgesloten. Tijdens het uitgevoerde verkennende booronderzoek bevonden kreekoevers zich binnen 30 cm -mv en duiken ze hoogstens vanaf 15 cm -mv direct onder de bouwvoor op. Deze zones waar kreekoeverafzettingen waarschijnlijk a anwezig zijn hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 17,1 ha. In het overige deel van het plangebied bevinden zich naar verwachting geen kreekoeverafzettingen en hier zullen ontgravingen tot 30 cm –mv niet tot verstoring van zulke lagen leiden.

Indien deze planaanpassing voor de zone van circa 17,1 ha niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Er wordt in dit geval aanbevolen in deze zone (figuur 11) een proefsleuvenonderzoek (conform protocol IVO -P) uit te voeren om de archeologische verwachting voor de kreekoeverafzettingen te controleren, dan wel bij te stellen, en eventueel aanwezige archeologische resten of sporen te documenteren. Voorafgaand aan een proefsleuvenonderzoek dient een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. In het overige deel van het plangebied, waar naar verwachting geen kreekoeverafzettingen aanwezig zijn, wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in deze zone onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overhei d, de gemeente De Ronde Venen, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[4]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 5 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 6 1.2 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 9 1.3 Doel- en vraagstelling ........................................................................................................................ 11

2 Gespecificeerde archeologische verwachting .................................................................................. 12 3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 15 3.1 Methode ............................................................................................................................................ 15 3.2 Resultaten ......................................................................................................................................... 15 3.3 Archeologische relevantie .................................................................................................................. 26

4 Conclusies en advies ...................................................................................................................... 28 4.1 Conclusies en beantwoording onderzoeksvragen ................................................................................. 28 4.2 Advies ............................................................................................................................................... 30 4.3 Tot slot .............................................................................................................................................. 32

Literatuur .......................................................................................................................................... 33 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ......................................................................................... 34

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[5]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van BGT Wilnisse Zuwe B.V. heeft RAAP in april 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Buitengebied-West (ter hoogte van Bovendijk 22) te Wilnis in de gemeente De Ronde Venen (figuur 1). Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag. De plannen bestaan uit het opbrengen van grond op de betreffende agrarische percelen en het verleggen van een weg. Het maaiveld zal ter plaatse van de percelen met maximaal 80 cm word en verhoogd (figuur 2). Ter plaatse van de landbouwweg zal met maximaal 110 cm worden opgehoogd. Voorafgaand aan de ophoging zal de aanwezige toplaag in het plangebied tot circa 30 cm worden verg raven. Het plangebied heeft een grootte van circa 39,5 ha. Naar verwachting wordt in totaal 400.000 m 3 ‘ingeklonken grond’ opgebracht om het eindresultaat te realiseren in verband met zettingen in de ondergrond. Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden.

Dit verkennend booronderzoek komt voort uit een door RAAP uitgevoerd bureauonderzoek (Peeters, 2021), op basis waarvan is geadviseerd om een verkennend archeologisch booronderzoek uit te voeren (conform protocol IVO-O). Hierdoor kan de bodemopbouw in het plangebied gedetailleerd in kaart worden gebracht (waardoor verdere geotechnische zettingsanalyses mogelijk kunnen worden gevoed). Daarnaast kan op basis van dit soort onderzoek worden geëvalueerd of, waar en hoe diep in het plangebied lagen met een middelhoge archeologische verwachting voor het neolithicum aanwezig zijn. Op basis van dit onderzoek wordt een beter begrip van het krekensysteem in het plangebied verkregen. Er is geadviseerd om het archeologisch veldonderzoek in eerste instantie te beperken tot e en viertal boorraaien, die haaks op de geulen en oeverwallen worden gezet . Dit booronderzoek heeft specifiek als doel om de verstoringsgraad/intactheid van het krekenlandschap en de breedte en het karakter van de oeverwallen in kaart te brengen. Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep.

De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. Voorafgaand aan het onderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld en ter goedkeuring aan de bevoegde overheid voorgelegd. Dit PvA is goedgekeurd (op 12-04-2021). Dit PvA diende als

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[6]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

uitgangspunt voor het onderzoek. Het onderzoek is bovendien uitgevoerd conform de geldende richtlijnen van de bevoegde overheid. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

Figuur 1. Aanduiding plangebied (rood kader). Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[7]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 2. Schematische verbeelding van de voorgenomen ingrepen.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[8]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek

Inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Opdrachtgever

BGT Wilnisse Zuwe B.V.

Bevoegde overheid

Gemeente De Ronde Venen

Plaats

Wilnis

Gemeente

De Ronde Venen

Provincie

Utrecht

Centrumcoördinaten (X/Y)

120.225/466.420

Toponiem

Buitengebied-West

Kadastrale gegevens

Gemeente: WNS00, Sectie: E, Perceelnummers: zie figuur 2

Oppervlakte plangebied

39,5 hectare

Afbakening onderzoeksgebied

Tijdens onderhavig onderzoek zijn delen van het plangebied onderzocht

Onderzoeksperiode

April 2021

Uitvoerder

RAAP West

Projectleider

dr. D. Peeters

Projectmedewerkers

drs. J.H.F. Leuvering T.E. de Rijk MA

RAAP-projectcode

WILN2

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer

5007090100

Beheer en plaats documentatie

RAAP regio West te Leiden en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.

Tabel 1. Administratieve gegevens.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[9]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 3. Kadastrale percelen in het plangebied en de omgeving.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[10]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1.3 Doel- en vraagstelling De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats. Daartoe wordt informatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd: Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) 1.

Hoe ziet de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?

2.

Wat is de verspreiding en diepte van bodemverstoringen, bijvoorbeeld als gevolg van de huidige inrichting, kabels en leidingen etc.?

3.

Wat is de verspreiding en de diepte van archeologisch interessante lagen en met name prehistorische kreekruggen (Laagpakket van Wormer)?

4.

Hoe verhouden deze (1 - 3) zich tot de voorgenomen werkzaamheden? Vormen deze voorgenomen ingrepen een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologisch relevante lagen?

5.

Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespeci ficeerde archeologische verwachting bijgesteld te worden?

Algemeen 6.

Is op basis van deze archeologische verwachting (5) in relatie tot de voorgenomen ingrepen archeologisch vervolgonderzoek aan de orde in (delen van) de plangebieden?

7.

Welke methoden zouden bij het archeologisch vervolgonderzoek ingezet kunnen worden?

8.

Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische waarden te worden omgegaan?

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[11]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2 Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van reeds uitgevoerd bureauonderzoek (Peeters, 2021) bestaat de volgende archeologische verwachting. Aard en ouderdom Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Het meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. Jager-verzamelaars In de steentijd (paleolithicum t/m neolithicum) leefden de mensen voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Deze zogenaamde jager-verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een plek. Uit een ruimtelijke analyse blijkt dat hun kampementen in vrijwel alle gevallen waren gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Nabij dergelijke gradiëntzones waren namelijk de meeste voedselbronnen voorhanden en was (drink)water bereikbaar. In het plangebied komen op basis van de beschikbare gegevens waarschijnlijk gradiëntsituaties voor. Het plangebied lag aan de rand van een pleistoceen beekdal, terwijl de diepteligging van de top van het pleistoceen landschap in de DINOboringen in het plangebied tussen 7,7 en 9,65 m –NAP varieert. Zodoende worden mogelijk vindplaatsen van jager-verzamelaars verwacht.

Deze vindplaatsen kenmerken zich door een (oppervlakkige) concentratie van vuurstenen werktuigen en afval. Gezien de landschappelijke ontwikkeling kunnen in de top van het dekzand geen vindplaatsen uit het neolithicum, maar wel uit het paleolithicum of mogelijk het mesolithicum aanwezig zijn. Voor het pleistoceen landschap bestaat in het geval van een goeddeels intact bodemprofiel een middelhoge archeologische verwachting voor het paleolithicum en het vroeg mesolithicum. Vanaf het Atlanticum (vanaf circa 7.300 voor Chr.) kon in de lagere delen van het dekzandgebied een veenpakket (Basisveen) ontstaan als gevolg van een sterke grondwaterspiegelstijging. In principe bestaat voor de milieus waarin veen kon worden gevormd een lage archeologische verwachting voor bewoningsresten of andere vormen van intensief landgebruik. Landbouwers Met de introductie van de landbouw (vanaf het neolithicum) werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mensen. De eerste akkergronden werden aangelegd op de van nature vruchtbaarste gronden. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Het plangebied lag in het neolithicum in een zone waar afwisselend veenvorming zal hebben opgetreden, als waar ook getijdekreken actief waren. Deze kreeksysteme n en oeverwallen kunnen aantrekkelijke plaatsen voor bewoning zijn geweest.

In de directe omgeving van het plangebied zijn relatief smalle en kleiige oeverwallen aangetroffen, die mogelijk minder geschikt zijn geweest dan

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[12]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

bredere zandigere oeverwallen. Het kan echter niet worden uitgesloten dat op zulke kleiige oeverwallen en specifiek oeverwallen van goed-gerijpte klei, net als in Swifterbant, werd gewoond. Het karakter van bewoning op deze kreekruggen is gezien de afwezigheid van gegevens uit de omgeving lastig te bepalen, maar dit kunnen zowel semipermanente bewoning zijn geweest, als seizoenskampen. Voor zulke kleiige kreekoeverafzettingen bestaat een middelhoge archeologische verwachting voor het neolithicum. Voor zones waar geen kreekgeulen aanwezig waren en niet hebben geleid tot actieve erosie en sedimentatie, bestaat een lage archeologische verwachting voor het Basisveen en de periode van de vorming van het Hollandveen, dat zich in de loop van het neolithicum zal hebben gevormd (tot en met de vroege middeleeuwen). Er wordt aangenomen dat de milieus waarin veen zich kon vormen in het algemeen te drassig waren voor langdurige bewoning of andere vormen van intensief landgebruik, zoals akkerbouw. Deze zones kunnen bijvoorbeeld wel zijn gebruikt voor de j acht, de visserij of het verzamelen van voedsel of grondstoffen. Op basis van de afstand tot de Amstelkade, de dichtstbijzijnde ontginningsas, bestaat voor het plangebied een lage archeologische verwachting voor bewoningssporen uit de periode na de ontginningen vanaf de 12e eeuw.

Uit deze periode kunnen wel ontginningssporen, zoals sloten en greppels aanwezig zijn. Waarschijnlijk wijkt het verkavelings - en slotenpatroon in het plangebied niet veel af van het patroon ten tijde van de eerste ontginning van h et landschap in het plangebied. (Diepte)ligging Aangezien in het plangebied veenafgravingen hebben plaatsgevonden kunnen kreekruggen direct onder de bouwvoor worden verwacht. Op basis van verschillen in de maaiveldhoogte en in het plangebied uitgevoerde geologische boringen zijn zulke hoger liggende kreekgeul - en/of oeverafzettingen in enkele specifieke zones te verwachten. Mogelijk worden lager liggende afzettingen van deze kreeksystemen door een laag Hollandveen afgedekt. In zones waar geen kreekgeul/ -oever afzettingen aanwezig zijn wordt op een kleine diepte onder het maaiveld een pakket Hollandveen verwacht. Mogelijk zijn hierin enkele kleilagen (komafzettingen) aanwezig, die waarschijnlijk door de Kromme Mijdrecht of Spengen stroomgordels zijn afgezet , die vanaf 700 voor Chr. in de omgeving actief waren. Op basis van de boringen in het DINOloket is het Basisveen in het plangebied vanaf circa 7-8 m –NAP aanwezig. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat, in het geval dat pakketten Hollandveen direct op Basisveen aanwezig zijn, het onderscheid tussen deze twee fasen van veenvorming lastig te maken is.

In de besproken boringen in het plangebied is de top van het dekzand tussen circa 7,7 en 9,65 m –NAP aangeboord. Er blijkt dus enig hoogteverschil in dit d ekzandlandschap aanwezig, waarbij hoger liggende delen op basis van deze informatie voornamelijk in het oostelijk deel van het plangebied aanwezig zijn. Fysieke kwaliteit In het plangebied hebben veenafgravingen plaatsgevonden, waarbij op zijn minst de t op van het veenpakket is verdwenen. In delen van het plangebied waar kreekgeul - en oeverafzettingen ondiep onder het maaiveld aanwezig zijn, is de top van deze kreekafzettingen mogelijk deels in de bovenliggende bouwvoor opgenomen. In de bouwvoor of anders zins verstoorde lagen zijn geen in situ archeologische resten te verwachten. In het noordelijk deel van het plangebied zijn enkele sloten deels

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[13]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

gedempt, waardoor hier plaatselijk enkele lineaire verstoringen van het bodemprofiel aanwezig zullen zijn. Ter plaatse van door veen afgedekte kreekgeulen en –oevers is door de aanwezigheid van deze afdekkende pakketten mogelijk sprake van een goede conservering van eventueel aanwezige archeologische resten. Hetzelfde kan worden gesteld voor het dekzand, dat in gro te delen van het plangebied door een laag Basisveen zal zijn afgedekt. Op basis van de in het bureauonderzoek geraadpleegde bronnen zijn in het plangebied ruimtelijke verschillen in de bodemopbouw op relatief korte afstand aanwezig, die tot verschilzetting van potentiële archeologische niveaus kunnen leiden. Daarnaast zouden de ontgravingen tot 30 cm –mv plaatselijk tot in de nog ongeroerde kreekgeul- of oeverafzettingen kunnen reiken. Er is in het kader van de bestaande planvorming aanbevolen de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Er is geadviseerd in eerste instantie een verkennend archeologisch booronderzoek uit te voeren (conform protocol IVO-O). Hierdoor kan de bodemopbouw in het plangebied gedetailleerd in kaart worden gebracht (waardoor verdere geotechnische zettingsanalyses mogelijk kunnen worden gevoed).

Daarnaast kan op basis van dit soort onderzoek worden geëvalueerd of, waar en hoe diep in het plangebied lagen met een middelhoge archeologisc he verwachting voor het neolithicum aanwezig zijn. Op basis van dit onderzoek wordt een beter begrip van het krekensysteem in het plangebied verkregen. Hierdoor zou in het geval van smalle en kleiige oeverwallen zonder veel rijping of bodemvorming en/of zonder archeologische indicatoren mogelijk kunnen worden geconcludeerd dat in het plangebied geen archeologische resten worden verwacht en dat vervormingen van deze lagen niet tot verstoring van archeologische resten - of lagen zullen leiden. Er is geadviseerd om het verkennend booronderzoek in eerste instantie te beperken tot enkele boorraaien, die haaks op de geulen en oeverwallen worden gezet om met name de breedte en het karakter van de oeverwallen in kaart te brengen.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[14]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

3 Veldonderzoek 3.1 Methode Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een verkennend booronderzoek. De gevolgde onderzoeksmethode voor het veldwerk is bepaald op basis van het door de bevoegde overheid goedgekeurde PvA (Peeters, 2021). Het veldonderzoek is uitgevoerd tussen 15 en 19 april 2021. Het verkennend veldonderzoek had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid, de mate van bodemverstoring en de diepteligging van het verwachte archeologische niveau in het plangebied. Daarmee wordt de gespecificeerde archeologische verwachting getoetst en waar nodig aangepast en kunnen uitspraken worden gedaan over de gaafheid van archeologisch relevante niveaus. Een specifiek doel van het booronderzoek betrof beter begrijpen van het krekenlandschap en het in kaart brengen van de verstoringsgraad/intactheid van dit landschap en met name de breedte en het karakter van de oeverwallen in delen van het plangebied. In het plangebied zijn in totaal 50 boringen verricht in 4 raaien (raai A -D; figuur 4). Deze raaien zijn min of meer haaks op de (grotendeels op basis van het AHN) verwachte geomorfologische structuren (kreekgeulen) georiënteerd. De maximale onderlinge boorafstand bedroeg 20 m.

Naast de in het PvA uitgezette boringen (1-45) zijn 5 boringen (101-105) uitgevoerd om het boorgrid plaatselijk verder te verdichten en de ligging van kreekoeverafzettingen beter te begrenzen. Er is geboord tot maximaal 400 cm -mv met een Edelmanboor (7 cm) en een gutsboor (3 cm). Ten opzichte van het PvA (waarin iedere vijfde boring tot deze maximale boordiepte zou worden doorgezet), zijn vrijwel alle boringen tot 400 cm –mv uitgevoerd om de diepteligging van het dekzand beter in kaart te brengen. Boring 7 is maar tot 250 cm –mv uitgevoerd, aangezien de gutsboor tijdens het uitvoeren van deze boring is losgeschoten. Boringen 101-105 zijn tot 200 cm –mv uitgevoerd om aanvullende informatie over de aanwezigheid/diepteligging van kreekoevers op deze locaties te verzamelen. De boringen zijn tijdens het veldwerk lithologisch conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatieinstituut, 1989) digitaal beschreven in het boorbeschrijvingssyste em van RAAP (Deborah3 zie bijlage 3) en met behulp van RTK-GPS ingemeten. Van alle boringen is de hoogte bepaald met behulp van RTKGPS. Hoewel het onderzoek een verkennend onderzoek betreft, is het opgeboorde materiaal in het veld door middel van verbrokkeling en versnijding gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals houtskool, vuursteen, aardewerk, metaal, bot, verbra nde leem en fosfaatvlekken).

Tijdens het veldonderzoek is, in het kader van de verwachte zetting door de voorziene ophoging, specifieke aandacht besteed aan de consistentie van de aangetroffen lagen (slap, matig slap, normaal, matig stevig, stevig, compact).

3.2 Resultaten 3.2.1

Veldwaarnemingen

In het maaiveld zijn aanzienlijke verschillen in maaiveldhoogte aanwezig en waarneembaar. Deze hangen grotendeels samen met de aanwezigheid van kreekgeul - en kreekoeverafzettingen. De

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[15]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 4. Boorpuntenkaart.

maaiveldhoogten ter plaatse van de boorlocaties variëren tussen 4,75 m –NAP (boringen 17 en 101) en 6,05 m –NAP (boring 1). Vergeleken met de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de Bovendijk en de golfbaan ten oosten van het plangebied, ligt het plangebied echter aanzienlijk lager. Enkele van de in het plangebied aanwezige sloten zijn oorspronkelijk langer geweest en aantoonbaar deels gedempt. Boring 44 is bijvoorbeeld (onvoorzien) in het verlengde van een van deze sloten uitgevoerd en h ier zijn lagen dempingsmateriaal en slootvulling aangetroffen.

3.2.2

Geologie en bodem

In de ondergrond van het plangebied is een opeenstapeling van landschappen aanwezig, ieder met hun eigen archeologische verwachting. In het plangebied zijn alleen bodemlagen g evormd in de steentijd (jongstens het neolithicum) aanwezig, aangezien in het plangebied nog slechts een dun pakket

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[16]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Hollandveen aanwezig is. De bodemopbouw in het plangebied wordt van beneden naar boven beschreven om de ontwikkeling van het landschap te be schrijven. Dekzand, verspoeld dekzand en beek(dal)afzettingen Aan de basis van 29 van de 50 boringen zijn zandige afzettingen aanwezig (niet in alle boringen is de Basisveen Laag volledig doorboord). Deze lagen zijn in het laat Pleistoceen-vroeg Holoceen gevormd toen het plangebied voorafgaand aan de periode van grootschalige veenvorming aan de rand van een beekdal lag. De aangetroffen lagen bestaan uit dekzand, verspoeld dekzand en lemige afzettingen. De lagen dekzand bestaan voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn zand dat kalkloos is (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Lagen dekzand zijn vanaf 2,9-3,85 m –mv (vanaf 8,9-9,4 m –NAP) aangeboord. Er is enige variatie in de diepteligging van dit dekzand waar te nemen, maar gezien de grootte van het plangebied zijn deze hoogteverschillen relatief klein. In het noordelijk deel van het plangebied is in enkele boringen een A-horizont in het dekzand waargenomen (raai A: boringen 4, 6 en 8, figuur 5; raai D: boringen 40, 43 en 45, figuur 9). Deze lagen bevatten veel plantenresten en zijn

Figuur 5. Zuidwest-noordoost profiel A op basis van boringen 1-18 en 101-102.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[17]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 6. Noordwest-zuidoost profiel B op basis van boringen 19-26 en 105.

matig-sterk humeus, hetgeen illustreert dat deze lagen langer (of nabij) de oppervlakte hebben gelegen. Deze A-horizonten zijn relatief dun (tussen 2 en 9 cm dik). In boring 43 is in de A -horizont een brokje ‘verkit’ zand aangetroffen, waarin nog kleine wortelgangen zichtbaar lijken, dat mogelijk in relatief natte omstandigheden is gevormd. In boring 4 is een B-horizont (inspoelingshorizont) beschreven, die eveneens zwak humeus is en veel plantenresten bevat, maar ook enkele kleine zandbrokjes of –vlekjes. Het bodemprofiel in deze boring is echter niet volledig waargenomen (tussen 297 en 320 cm –mv) zijn zandige lagen uit de guts gezakt, waardoor deze B-horizont mogelijk een dieper doorgedrukt deel van de A-horizont kan betreffen. Dekzand is in principe door de wind afgezet, maar de aanwezigheid van deze brokjes of vlekjes en de aanwezigheid van relatief dunne (restanten van) A-horizonten (AC-profiel, zwakke bodemvorming in lage gronden) illustreert mogelijk enige vorm van verspoeling in dit relatief laaggelegen deel van het dekzandlandschap. De aanwijzingen voor de aanwezigheid van zulke processen is het sterkst voor boringen 29 -32, 36, 38 en 103 in boorraaien C en D. Hier is onder het veen of een leema chtige laag (zie beneden) een laag verspoeld dekzand waargenomen (Formatie van Boxtel; figuur 6 en figuur 8).

In drie van deze boringen ligt deze rommelige laag boven een C-horizont in het dekzand. Deze lagen zijn vaak zwak-matig humeus met plantenresten en bevatten vlekken en/of brokken. De lagen verspoeld dekzand zijn in zes van de zeven benoemde boringen relatief dun (tussen 5 en 10 cm dik). Alleen in boring 29 is een laag

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[18]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

verspoeld dekzand van 45 cm dik aangetroffen. Lagen verspoeld dekzand zijn v anaf 3,3-3,95 m –mv aangeboord (vanaf 8,85-9,5 m -NAP). In boringen 20, 21, 23, 25, 36 en 38 zijn boven het (verspoelde) dekzand en direct onder het Basisveen relatief dunne lemige lagen aangetroffen, die worden gekenmerkt door hun bleke lichtgeel -witte kleur en een hevige reactie bij het druppelen met zoutzuuroplossing (figuur 7). Deze lagen hebben een zandbijmenging, waarbij enige variatie in de hoeveelheid zand aanwezig lijkt te zijn. De lagen zijn relatief dun (tussen 5 en 12 cm dik) en vanaf 3,3 -3,9 m –mv aanwezig (vanaf 9,1-9,5 m -NAP). De boringen waarin deze karakteristieke lagen zijn aangetroffen bevinden zich veelal in de zuidelijke helft van het plangebied (raaien B en C; figuur 6 en figuur 8) en dit houdt waarschijnlijk verband met de ligging van deze zone aan de rand van een oud beekdal. Dit leem is waarschijnlijk deels fluviatiel van oorsprong (en kan mogelijk als ‘beekleem’ worden gezien) en deels gevormd door erosie en

Figuur 7. De bodemopbouw in boring 38 tussen circa 320 en 365 cm –mv: Basisveen boven (beek)leem boven verspoeld dekzand.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[19]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 8. Zuidwest-noordoost profiel C op basis van boringen 27-38.

verspoeling in het beekdal. Indien dit vermoeden dat het beekdalafzettingen betreft juist blijkt, dienen deze lagen aan de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven te worden toegeschreven. Basisveen en bovenliggende veenlagen In alle tot 400 cm –mv doorgezette boringen is een veenpakket aangetroffen, waarvan de basis wordt gevormd door de Basisveen laag. Hoewel zeker in perioden van veelal aaneengesloten veengroei het onderscheid tussen het Basisveen en het jongere Hollandveen niet eenvoudig kan worden gemaakt, zijn de lagen minderaalarm veen, direct boven het (verspoeld) dekzand en de lemige lagen, als Basisveen geïnterpreteerd. Dit is grotendeels gebaseerd op de diepteligging van deze lagen (vanaf 8,29,1 m –NAP; vanaf 2,5-3,9 m –mv) en verschillen tussen deze lagen Basisveen en bovenliggende veenlagen. De lagen die als Basisveen zijn benoemd zijn compacter van consistentie en be staan veelal uit broekveen (in plaats van riet-/zeggeveen). Dit Basisveen is vanaf het Atlanticum (vanaf circa 7.300 voor Chr.) in lager gelegen delen van het dekzandlandschap gevormd. In acht boringen, verspreid over het plangebied (boringen 1, 6, 11, 18, 22, 29, 34 en 36, zijn enkele kleilagen in het veen aangetroffen (figuur 5, 5, 7 en 8). Deze kleilagen betreffen waarschijnlijk grotendeels klapklei, die tijdens latere

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[20]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

zeeinbraken en overstromingen in het veenpakket, dat deels zal zijn gescheurd en zal zijn opgelicht, is afgezet. De lagen veen boven het Basisveen, die breed aan de Formatie van Nieuwkoop zijn toegeschreven, bestaan in het algemeen dus uit iets slapper veen, dat voornamelijk mineraalarm, maar over enkele trajecten kleiig, van aard is. In het noordelijk deel van profiel A is het a angetroffen veenpakket relatief dun en hier zijn boven de benoemde lagen Basisveen geen andere veenlagen aanwezig (figuur 5). Naast dunne kleilagen, zijn in het veenpakket ter hoogte van boringen 1 -8 ook dikkere lagen klei aanwezig, die apart zijn beschreven. De overgangen tussen het veen en de kl ei zijn abrupt en ook deze lagen zijn als klapklei geïnterpreteerd. In boorraai C, ter hoogte van boringen 31-35, en in boringen 45 en 103 (boorraai D) lijken eveneens geen veenlagen boven het Basisveen aanwezig (figuur 8 en figuur 9). De afwezigheid van deze veenlagen gaat gepaard met de aanwezigheid van dieper reikende (ingesneden) wadgeul-, getijden- en/of jongere kreekgeulafzettingen in deze zones. In het kader van de aangetroffen leemlagen in het zuidelijk deel van het plangebied, dient opgemerkt te worden dat in deze zone ook zeer bleek leemachtig materiaal in het veen aanwezig is.

In boring 35 zijn in een laag Basisveen tussen 370 en 400 cm –mv enkele brokjes leem aanwezig, die in dit pakket terecht zijn gekomen en zijn uitgedroogd. In boring 37 zijn zelfs enkele leemlagen van wisselende dikte in een laag veen (Formatie van Nieuwkoop) tussen 280 en 325 cm –mv aanwezig, die in het veen zijn gespoeld. In boringen 1, 11, 27, 33, 34 en 45 zijn lagen veen aangeboord, die aan het Hollandveen Laagpakket zijn toegeschreven. Gezien hun stratigrafische positie direct onder de bouwvoor, die veelal ook venig is, en boven afzettingen van het Laagpakket van Wormer kan worden gesteld dat dit veen zich zal hebben gevormd kort na het min of meer sluiten van de kustlijn (restant van vervening). Getijden- en wadafzettingen In vrijwel alle boringen zijn getijden- en/of wadafzettingen van het Laagpakket van Wormer aangetroffen, die in de loop van het neolithicum zullen zijn gevormd in perioden dat de invloed van de zee in de omgeving groter werd. Hierdoor werd het tot op dat moment gevormde veen door zee inbraken en overstromingen weggeslagen en ontstonden in de omgeving zones met een getijden - of waddenmilieu naast zones waar mogelijk nog veengroei plaatsvond. Het dynamische karakter van de zee-inbraken waardoor het veen deels werd geërodeerd is te herkennen in de samenstelling van de aangetroffen getijdenafzettingen boven het (Basis)veen.

Deze getijdenafzettingen bestaan voornamelijk uit relatief humeuze, uiterst siltige klei met een matig slappe tot normale consistentie. In deze lagen zijn met regelmaat brokken verslagen veen aanget roffen en de overgang van de getijdenafzettingen is waarneembaar erosief of abrupt. In boringen 20, 21, 23 en 24 38 is wellicht sprake van de aanwezigheid van een grotere getijden(inbraak)geul op basis van de aanwezigheid van enkele tot veel dunne detritus- en/of humeuze lagen en de dikte van het pakket getijdeafzettingen (tussen 60 en 110 cm dik; figuur 6). In de andere boringen zijn de lagen getijdenafzettingen dunner en veelal tussen 10 en 30 cm dik. Ter plaatse van de hierboven gepostuleerde getijdengeul in boorraai B lijkt echter relatief extreme omslag van milieu te he bben plaatsgevonden: na het relatief dynamische milieu van de vorming en activiteit van de getijdengeul vond wederom een periode van veenvorming plaats, terwijl in de meeste andere boringen waddenafzettingen de getijdenafzettingen afdekken. De getijdenafzettingen zijn in nabijgelegen boringen vaak min of meer op dezelfde dieptes aangetroffen, maar vertonen in het geheel nogal enige variatie in diepteligging (die min of meer samenhangt met de diepte tot waar het onderliggende veen

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[21]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 9. Noordwest-zuidoost profiel D op basis van boringen 39-45 en 103-104.

opduikt): de top van de getijdenafzettingen is in de boringen tussen 1,3 en 3,4 m –mv aangeboord (tussen 7,2 en 8,6 m –NAP). De wadafzettingen zijn in een milieu gevormd dat ook onder invloed van het getij zal hebben gestaan, maar dat ook met regelmaat (bij laagtij) voor relatief ko rte perioden droog zal hebben gelegen. De aangetroffen waddenafzettingen zijn in het algemeen slapper van consis tentie (slap-matig slap) dan de getijdenafzettingen. De lagen worden vooral gevormd door uiterst siltige klei en soms zwak zandige klei. In de waddenafzettingen zijn minder tot geen veenbrokken aanwezig, maar wel met regelmaat zandlaagjes, humeuze lagen, riet- of andere plantenresten en/of schelpgruis. In enkele boringen zijn min of meer rechtopstaande complete (wad)schelpen aangetroffen, die zich waarschijnlijk in levenspositie bevonden en karakteristiek zijn voor een waddenmilieu (intergetijdenzone). In boringen 13, 17, 33 en 34 zijn zandige lagen met veel kleilaagjes of klei met veel zandlaagjes aangetroffen, die als wadgeul zijn beschreven en in een milieu met sneller stromend water zullen zijn gevormd (subgetijdenzone). De top van de wadafzettingen is in de meeste boringen (zonder dieper ingesneden kreekgeulen) rond 0,75-1,5 m –mv aangeboord (rond 6,5-7,2 m –NAP). Het pakket wadafzettingen is in de meeste boringen 0,8 à 1,3 m dik.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[22]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Kreekgeul-, kreekoever- en kwelderafzettingen Op geringe diepte onder het maaiveld is het krekenlandschap aanwezig dat in grote lijnen aan de maaiveldhoogteverschillen in het plangebied heeft bijgedragen. Dit landschap is (relatief) goed in de bodem bewaard gebleven en in slechts enkele boringen (deels) in de bovenliggende bouwvoor opgenomen. Er zijn tijdens het veldonderzoek drie afzettingsmilieus onderscheiden: kreekgeul -, kreekoever- en kwelderafzettingen. In 18 boringen zijn kreekgeulafzettingen aangetroffen (figuur 10). Deze lagen zijn matig stevig tot matig slap van consistentie en worden voornamelijk gevormd door kalkrijke, uiterst siltige klei met zand- en/of detrituslaagjes. In lager gelegen trajecten komen ogenschijnlijk meer planten- en schelpresten voor. In boringen 13, 14 en 25 zijn lagen kreekgeulafzettingen, bestaande uit zwak -matig siltig zand met kleilaagjes (boringen 13, 14 en 25) aanwezig. In boringen 13 en 25 aan de basis van de geulafzettingen en in boring 14 bovenin dit pakket. De ligging van de boringen waarin kreekgeulafzettingen zijn aangetroffen komt in het algemeen goed overeen met de locaties waar, op basis van het bureauonderzoek en specifiek hoogteverschillen in h et maaiveld (AHN), kreken werden verwacht (figuur 10).

Met name in boorraaien C en D zijn de aangetroffen kreekgeulen relatief smal en alleen in enkele boringen aangetroffen, in de naastgelegen boringen in deze raaien zijn géén kreekgeulafzettingen aanwezig. In het noorden van boorraai A zijn over een grotere afstand van circa 170 m kreekgeulafzettingen aanwezig (tussen boringen 10 en 18; figuur 5). Zoals op het AHN weergegeven heeft een kreekgeul hier mogelijk ook (deels) parallel aan deze boorraai gelopen, hetgeen mogelijk bijdraagt aan de aanwezigheid van zulke afzettingen in een reeks boringen. Daarnaast lijken in deze omgeving verschillende kreekgeulen in het AHN te onderscheiden. Zo lijkt de meest noordelijk gelegen boring 18, waar gelaagde kleiige kreekgeulafzettingen tot in het Basisveen reiken, tot een grote geul te behoren, die grotendeels ten noorden van het plangebied loopt. Het valt op dat de kreekgeulafzettingen in het noordelijk deel van boorraai A het diepst in de onderliggende lagen zijn ingesneden ter hoogte van 11-12, 16 en 18 (tot circa 2,1-3,35 m –mv/tot 7,25-8,35 m –NAP). Hier ligt het maaiveld relatief hoog, maar is ook een min of meer langgerekte depressie aanwezig , die wellicht de loop van de kreekgeulen (of restgeulen van dit systeem) reflecteert.

In boorraai B zijn eveneens over een langere afstand (circa 60 m) kreekgeulafzettingen aanwezig, maar zijn deze het diepst ingesneden in boring 25 (tot circa 3,3 m –mv/tot 8,7 m –NAP; tot in het Basisveen; figuur 6). In boorraai C reiken de aangetroffen geulafzettingen tot 245 cm –mv/tot 8 m –NAP (boring 32; figuur 8) en in raai D zijn de geulafzettingen minder diep ingesneden (tot 0,4 -1,5 m –mv/tot 6,1-7 m –NAP; boringen 43 en 45; figuur 9). Er kan geen duidelijke fasering in de aangetroffen kreekgeulafze ttingen worden aangebracht, maar het lijkt waarschijnlijk dat de geulen voor langere perioden na hun vorming actief zijn geweest. Op basis van onderzoek in het kader van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart wordt gesteld dat de kreken in de o mgeving vermoedelijk in de zogenaamde CalaisII transgressiefase actief zijn geweest (Schrijvers & Van Heeringen, 2016). Zoals mede op basis van het AHN werd verwacht, duiken de kreekgeulafzettingen in boorraai A (waar het maaiveld hoger ligt) wel het hoogst op (in de meeste boringen vanaf 5-5,3 m –NAP). In boorraaien B (hoogstens vanaf 5,75 m –NAP), C (vanaf 6,9 m –NAP) en D (hoogstens vanaf 5,9 m –NAP) zijn de dichtgeslibte kreekgeulen aanzienlijk lager gelegen. In 13 boringen zijn kreekoeverafzettingen waargenomen (figuur 10).

De oeverafzettingen zijn in het algemeen relatief stevig van consistentie (matig stevig) en worden gevormd door uiterst siltige, kalkloze klei met in ongeveer de helft van de boringen een zeer dunne z andlaag of dunne humeuze laag. De

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[23]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 10. De aanwezigheid van kreekgeul-, kreekoever- en kwelderafzettingen in de boringen geprojecteerd boven het AHN.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[24]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

aangetroffen oeverafzettingen in boorraaien B, C en D bevatten jarosietvlekken (die ook in de kwelderafzettinen aanwezig zijn). In boringen 12-15 in boorraai A zijn zulke vlekken niet waargenomen. Wat betreft de ruimtelijke aanwezigheid van oeverafzettingen valt op dat zulke lagen telkens in minstens twee naast elkaar liggende boringen zijn aangetroffen en nabij de kreekgeul in relatief hoog liggende delen van het landschap aanwezig zijn (figuur 10). De kreekoeverafzettingen zijn op locaties direct naast de op het AHN zichtbare (en tijdens het booronderzoek aangeboorde) kreken tot afstanden van maximaal 45 m (boorraai A, boring 14), 10 m (raai B, boring 105), 40 m (raai C, boring 30) en 40 m aanwezig (raai D, boring 41). In boorraaien A en B liggen de oeverafzettingen, met uitzondering van boring 105, op kreekgeulafzettingen (figuur 5 en figuur 6). In raaien C en D liggen de oevers boven kwelderafzettingen (figuur 8 en figuur 9). Hierbij dient opgemerkt te worden dat het onderscheid tussen oever- en kwelder, los van mogelijke stratigrafische verschillen, lithologisch lastig te maken lijkt in boorraaien C en D, waardoor de geïnterpreteerde kreekoeverafzettingen kwelderafzettingen kunnen betreffen. Deze benoemde kreekoeverafzettingen in boringen 30-31 en 41-42 zullen waarschijnlijk op/naast een kreekgeul zijn gevormd.

Tijdens het booronderzoek zijn in aangrenzende boringen (32 en 43), weliswaar kreekgeulen aangetroffen, maar lijken deze te zijn afgedekt d oor kwelderafzettingen. De dynamische milieus waarin deze lagen zijn gevormd zijn echter niet altijd volledig op basis van boringen in kaart te brengen (zo ook het (lithologisch) onderscheid tussen hoger gelegen kwelders en kreekoevers). In alle boringen liggen de benoemde kreekoeverafzettingen direct onder de bouwvoor. In boringen 24 en 26 in boorraai B lijkt de top van de oeverafzettingen in de bouwvoor te zijn opgenomen, aangezien de bovenliggende bouwvoor hier voornamelijk uit klei (in plaats van veen) bestaat. De oeverafzettingen zijn relatief ondiep onder het maaiveld aanwezig: vanaf 15 -35 cm –mv. In 7 van de 13 boringen zijn deze lagen binnen de voorgenomen maximale ontgravingsdiepte aanwezig (30 cm –mv; boringen 14, 15, 25, 26, 30, 31 en 42) en in 2 van de 13 boringen duiken ze ondieper dan 25 cm –mv op (boringen 14 en 26; respectievelijk vanaf 20 en 15 cm -mv). De lagen oeverafzettingen zijn, in vergelijking met onderliggende of naastgelegen kwelderafzettingen relatief dun en tussen 5 en 40 cm dik. In 31 van de 50 boringen zijn kwelderafzettingen aanwezig. Deze kwelderafzettingen zijn in aaneengesloten zones aangetroffen en vormen een relatief dik pakket direct onder de bouwvoor of onder dunne lagen oeverafzettingen.

Het pakket kwelderafzettingen varieert in dikte tussen 25 en 125 cm en is gemiddeld 78 cm dik. De top van deze lagen is tussen 0,1 en 0,6 m –mv aangeboord. Vergeleken met de oeverafzettingen, zijn de kwelderaf zettingen in grotere zones afgezet en ook op grotere afstand van de kreken. Op basis van de uitgevoerde boringen blijkt echter dat kwelderafzettingen in sommige delen van het landschap ook direct langs (en op) geulafzettingen liggen, terwijl hier geen kreekoeverafzettingen zijn waargenomen (boringen 9-10, 43-104 en 103-45; figuur 5 en figuur 9). In het lagunaire landschap lijken dus niet overal goed ontwikkelde oevers langs de kreken aanwezig (of zijn deze niet als dusdanig waargenomen en lithologisch van hooggelegen kwelderafzettingen te onderscheiden). De kwelderafzettingen, die verder weg van de geulen zijn waargenomen, zijn (vergeleken met de oeverafzettingen) veelal lager gelegen en deze lagen zullen bij hoge vloed vaker zijn overstroomd. De kwelderafzettingen zijn in het algemeen iets slapper (voornamelijk normaal tot matig slap) van consistentie, maar direct onder de bouwvoor iets steviger. De kwelderafzettingen bestaan, net als de kreekoevers, voornamelijk uit uiterst siltige klei en ze bevatten jarosietvlekken. Ze zijn in de meeste boringen ontkalkt, maar aan de basis van dikkere pakketten soms nog kalkhoudend (boringen 7-9, 32-33, 38, 45 en 103-104).

Het onderscheid tussen kreekoever- en

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[25]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

laaggelegen kwelderafzettingen kan voornamelijk worden gemaakt op basis van de aanwezig heid van meer humeuze- en/of detrituslagen, meer planten-/rietresten en/of schelpgruis in laatstgenoemde lagen. Bouwvoor en andere verstoorde lagen De bouwvoor in het plangebied reikt tot 10- 55 cm -mv en is gemiddeld circa 30 cm dik. In de meeste boringen wordt deze bouwvoor gevormd door mineraalarm tot zwak kleiig veen met kleibrokken en/of kleine hoeveelheden puinfragmenten (voornamelijk roodbakkend puin). In boring 22 in boorraai C is een scherf roodbakkend geglazuurd aardewerk uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd in de bouwvoor waargenomen. In boringen 9, 10, 24, 26, 43, 45 en 103 bestaat de bouwvoor uit uiterst siltige tot matig zandige, humeuze klei met kleibrokken. Hier lijkt het waarschijnlijk dat een groter deel van de top van de onderliggende kreekgeul- (boringen 10 en 45), kreekoever- (boringen 24 en 26) of kwelderafzettingen (boringen 9, 43 en 103) verstoord is geraakt en in de bouwvoor is opgenomen. In boring 44 is een diepere verstoring aangeboord. Gezien de ligging van de borin g in het verlengde van een sloot betreft dit waarschijnlijk een gedempte sloot. Bij het graven van deze sloot is de bodemopbouw tot in de wadafzettingen verstoord (figuur 9).

3.2.3

Archeologische indicatoren

Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Let wel, het onderzoek betrof een verkennend booronderzoek en had ook niet tot doel archeologische vindplaatsen op te sporen, aangezien de boordichtheid en boordiameter hiertoe ont oereikend waren. Dit geldt zeker voor de perioden die in het plangebied worden verwacht (neolithicum en ouder). Vindplaatsen uit deze perioden worden in het algemeen gekenmerkt door een relatief kleine omvang en een geringe vondstspreiding van voornamelijk vuurstenen werktuigen en afval (zoals vuursteensplinters, houtskool, verbrand/onverbrand bot, verbrande hazelnootdoppen en verbrande leem). De brokjes leem in een laag Basisveen tussen 370 en 400 cm –mv in boring 35 lijken niet verbrand, maar uitgedroogde (beek)leem, die in andere boringen in lagen onder het veen en boven het dekzand aanwezig is. De scherf roodbakkende geglazuurd aardewerk in boring 22 is in een verstoorde laag (bouwvoor) waargenomen en is gezien deze context niet verzameld. Deze scherf kan breed in de late middeleeuwen-nieuwe tijd worden gedateerd en stamt waarschijnlijk uit de periode nadat het plangebied werd ingepolderd en verveend.

3.3 Archeologische relevantie In het plangebied is een opeenstapeling van landschappen aanwezig, ieder met z ijn eigen archeologische verwachting. Aan de basis van de boorprofielen zijn vroeg holocene afzettingen aanwezig in de vorm van door de wind afgezet dekzand, verspoeld dekzand en beek(dal)afzettingen. In slechts een enkele boring is een bodemopbouw van ABC- horizont aangetroffen. In het noordelijk deel van het plangebied zijn slechts in een zestal boringen A-horizonten in het dekzand aanwezig. Deze zijn relatief dun en liggen scherp op onderliggende C-horizonten (AC-profiel). Op basis van deze resultaten en de aanwezigheid van lagen verspoeld dekzand en beekdalafzettingen lijkt het laat pleistocene -vroeg holocene landschap in het plangebied relatief laaggelegen en dus nat te zijn geweest. Hoewel de ligging van het plangebied aan

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[26]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

de rand van een beekdal in principe gepaard gaat met een middelhoge verwachting voor het laat paleolithicum en mesolithicum, blijkt de bodemopbouw in de meeste boringen niet intact en zijn de aangetroffen bodems waarschijnlijk in natte omstandigheden gevormd. Er is geen sprake van een met beekafzettingen opgevuld beekdal, waarvoor een specifieke verwachting op archeologische resten uit natte context geldt. In de aangetroffen lagen veen zijn geen veraarde niveaus aangetroffen. Voor deze lagen bestaat een lage archeologische verwachting voor bewoningssporen of andere vormen van intensief landgebruik. Daarnaast blijkt het veen in de meeste boringen aanzienlijk te zijn geërodeerd door latere zee -inbraken en de activiteit van getijden-, wad- en/of kreekgeulen. De aangetroffen getijden- en wadafzettingen gaan gepaard met een lage archeologische verwachting, aangezien deze niveaus waarschijnlijk dagelijks zullen zijn overstroomd en deze lagen in het algemeen slap van consistentie zijn. Voor de kreekoeverafzettingen, die zich op geringe diepte onder het maaiveld bevinden, bestaat een middelhoge archeologische verwachting voor het neolithicum. Deze lagen bestaan uit goed -gerijpte en relatief stevige klei, die in relatief hooggelegen delen van het krekenlandschap op een afstand tot circa 45 m van de op het AHN zichtbare kreekgeulen is afgezet.

In het algemeen is dit landschap in het plangebied relatief goed bewaard gebleven en slechts in een klein aantal boringen lijkt een groter deel van de top van de kreekoever-, kreekgeul- en kwelderafzettingen in de bouwvoor te zijn opgenomen. Hoewel in de kreekoever- en hoger gelegen kwelderafzettingen (supragetijdenafzettingen) geen laklagen of archeologische indicatoren zijn aangetroffen, gaan vindplaatsen uit het neolithicum gepaard met een geringe vondstspreiding en blijft de middelhoge archeologische verwachting voor deze lagen bestaan. Voor de laaggelegen kwelderafzettingen, die op grotere afstand van de kreken in lager liggende delen van het landschap zijn afgezet, bestaat een lagere archeologische verwachting. Deze lagen zullen vaker zijn overstroomd (intergetijden) en de klei in deze lagen is in het algemeen slapper (normaal tot matig slap) van consistentie.

RAAP-rapport 5126 / versie 05-05-2021

[27]

Plangebied Buitengebied-W est (ter hoogte van Bovendijk 22) te W ilnis, gemeente De Ronde Venen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

4 Conclusies en advies 4.1 Conclusies en beantwoording onderzoeksvragen Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de vraag- en doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: 1.

Hoe ziet de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied eruit? In het plangebied is een opeenstapeling van landschappen aanwezig. Gro fweg van boven naar beneden, betreft dit (verspoeld) dekzand, beek(dal)afzettingen, Basisveen en bovenliggende veenlagen en lagen gevormd in een opeenvolging van een sub -, naar een inter- en supragetijdenmilieu (getijden-, wad-, kreekgeul-, kwelder- en kreekoeverafzettingen)

2.

Wat is de verspreiding en diepte van bodemverstoringen, bijvoo rbeeld als gevolg van de huidige inrichting, kabels en leidingen etc.? Aan het maaiveld is een bouwvoor van gemiddeld 30 cm dik aanwezig. In de boringen is deze bouwvoor minimaal 10 en maximaal 55 cm dik. Het onderliggende landschap bestaande uit kreekgeul-, kreekoever- en kwelderafzettingen lijkt hierbij goeddeels intact. Plaatselijk zijn zulke lagen verstoord door het graven van sloten. Ter hoogte van boring 44 (in het verlengde van een nog bestaande sloot) is een deels gedempte sloot aanwezig, hier reiken dempingslagen en een slootvulling tot 150 cm –mv. Op basis van de uitgevoerde KLICgraafmelding zijn in het plangebied zeer weinig kabels en leidingen aanwezig. Plaatselijk zullen wel drains op geringe diepte onder het maaiveld aanwezig zijn, maar de omv ang van de bodemverstoringen op deze locaties is naar verwachting relatief klein.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12327228/1