Bijlage 2.13 Deeladvies Bodem Aanleg tijdelijke bouwweg Bovendijk 22 Wilnis
Tekst van het document
DEELADVIES BODEM Aan Onderwerp
Olonummer Opsteller advies
Gemeente De Ronde Venen Deeladvies bodem Bovendijk (nabij) 22 in Wilnis: Ophoging landbouwpercelen en het aanleggen van een tijdelijke bouwweg 5604217 Olaf Verhagen
Telefoon behandelaar Datum kenmerk aantal pag.
088 - 022 50 00 8-7-2021 Z/20/173946 / D - 515389 3
Inleiding De gemeente De Ronde Venen heeft de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) verzocht om de aanvraag Omgevingsvergunning (OLO 5604217) te beoordelen op het aspect Bodem. Gevraagd is te toetsen of de vergunningaanvraag compleet is en zo ja, of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Op 7 januari 2021 is door de ODRU per e-mail aan de heer J. Bos (Bosmilieuadvies B.V.) het advies bodem in het kader van de aanvraag Omgevingsvergunning (OLO 5604217) verzonden. De aanvraag omgevingsvergunning betreft het verbeteren en verleggen van de weg en de ophoging en afwerking van landbouwpercelen aan de Bovendijk in Wilnis. In het advies bodem is toen aangegeven dat het onderdeel bodem niet akkoord is. Het is onder andere nodig dat een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de verdachte deellocaties wordt aangeleverd. Ter plaatse van het projectgebied zijn gedempte sloten en dempingen (niet gespecificeerd) gelegen. De sloten zijn gedempt met onbekend materiaal en daarom verdacht op bodemverontreiniging. Op 12 februari 2021 heeft de ODRU van de heer J. Bos (Bosmilieuadvies B.V.) een onderzoeksopzet voor de uitvoering van het bodemonderzoek ter goedkeuring ontvangen. De onderzoeksopzet is akkoord bevonden, hierbij rekening houdende met enkele aandachtspunten: 1.1 Het historisch vooronderzoek zal moeten uitwijzen welke onderzoeksstrategie uit de NEN5740 moet worden gevolgd.
In het onderzoeksvoorstel wordt door het adviesbureau uitgegaan van een onderzoeksstrategie (ONVL). Omdat onbekend is waarmee de sloten zijn gedempt, verwacht de ODRU dat eerder de onderzoeksstrategie VED-HO-L moet worden gevolgd dan de onderzoeksstrategie ONV-L (de uitvoeringsopzet van deze onderzoeksstrategieën zijn overigens wel hetzelfde). Op pagina 1 van het voorstel wordt benoemd dat uiteindelijk de resultaten van het nog uit te voeren vooronderzoek, op basis van de NEN 5725, leidend zijn voor het kiezen van de uiteindelijke onderzoeksstrategie. De ODRU vindt dit een belangrijke voorwaarde binnen de onderzoeksopzet. Het is nodig dat goed wordt beargumenteerd waarom voor een bepaalde onderzoeksstrategie is gekozen. 1.2 Ligging voormalige sloten. Er wordt vanuit gegaan dat indien de voormalige sloten niet zichtbaar zijn in het veld, dat de ligging van een voormalige sloot wordt bevestigd door het plaatsen van een raai (ofwel een aantal boringen op een rij) dwars op de ligging van de voormalige sloot. De (meest) verdachte laag moet worden onderzocht.
Pagina 1 van 3
1.3 Op het Geoportaal zijn ook vlakken van dempingen/ophogingen (niet gespecificeerd) weergegeven. In principe zijn dit ook verdachte locaties. Op het Geoportaal op de website van de ODRU (www.odru.nl) zijn minder voormalige sloten zichtbaar dan ingetekend in de voorgelegde onderzoeksopzet. Mogelijk dat op het Geoportaal meerdere dicht bij elkaar gelegen gedempte sloten als vlakken zijn ingetekend. Dit zal uit het uit te voeren historisch vooronderzoek moeten blijken 1.4 Het is op basis van de NEN 5740 niet nodig dat van 20 peilbuizen het grondwater wordt onderzocht. Indien blijkt dat de voormalige sloten met gebiedseigen grond zijn gedempt, vinden wij als bevoegd gezag een aantal representatieve grondwatermonsters voldoende. Het staat de initiatiefnemer vrij om wel 20 peilbuizen te bemonsteren. 1.5 Indien de locatie asbestverdacht is, is het nodig dat het onderzoek naar asbest in de bodem wordt uitgevoerd conform de NEN5707. In het voorgestelde onderzoek naar asbest in de bodem wordt aangegeven dat bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal bij elk proefgat het gehalte aan asbest (<20 mm) in de grond zal worden bepaald. Conform de NEN5707 kan in bepaalde situaties ook gebruik worden gemaakt van mengmonsters Korte conclusie Thema Bodem
Beoordeling Niet akkoord
Advies 1. De aandachtspunten 1.1 t/m 1.4 zijn voldoende meegenomen in het verkennend bodemonderzoek. 2. Het verkennend onderzoek conform NEN 5740 als voldoende te beschouwen 3. De motivatie waarom de locatie wel of niet verdacht is op het voorkomen van asbest (aandachtspunt 1.5) is onvoldoende. Inhoudelijke onderbouwing 1.1 Historisch onderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725, hierbij zijn de verdachte locaties volgend uit het vooronderzoek verder onderzocht tijdens het verkennend bodemonderzoek. 2.1 Verkennend onderzoek Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740. Tijdens het verkennend onderzoek zijn licht verhoogde gehalten in de grond aangetoond en worden in het grondwater licht tot matig verhoogde gehalten aangetoond. In enkele peilbuizen wordt een sterk verontreiniging aan nikkel aangetoond, deze verhoogde concentraties zijn vermoedelijk te wijten aan voormalige bemesting en de aanwezigheid van organisch materiaal in de bodem. 3.1 Asbestverdacht Ter plaatse van enkele dempingen is puinhoudende grond aangetroffen. Door de aanwezigheid van puin kan de locatie als asbestverdacht worden beschouwd en moet de locatie verder worden onderzocht conform NEN 5707. Wat is getoetst? Verkennend milieukundig bodemonderzoek Bovendijk nabij 22 te Wilnis, B&L Grondmanagement, projectnummer: B-21526, 3-5-2021.
Pagina 2 van 3
Waaraan is getoetst? • Wet Bodembescherming; • Circulaire bodemsanering; • Wet ruimtelijke ordening • Regeling bodemkwaliteit; • Normen voor bodemonderzoek: o NEN5725 (vooronderzoek); o NEN5740 (verkennend bodemonderzoek); o NEN5707(asbestbodemonderzoek).
Pagina 3 van 3