Bijlage 10 - Bijlage bij regels 1. Natuurinrichtingsplan
Tekst van het document
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
Schetsontwerp inrichting NNN perceel Vinkeveen sectie G 119 - Onderdeel via SKNL af te waarderen perceel familie Fokker BTG.RAPP. 2022/23a 20220713
Zuidbroek 149a 2861 LL Bergambacht Tel. 06 – 10301196 Mail info@bui-tegewoon.nl www.bui-tegewoon.nl
1. Aanleiding Aan de zuidgrens van NNN gebied Demmerik ligt een perceel grasland waarover recent overeenstemming is bereikt met de eigenaar, familie Fokker, om tot zelfrealisatie natuur te komen. Onderdeel van de overeenstemming is dat de percelen een inrichtingsslag dienen te krijgen om in natuurbeheer te kunnen nemen. Het beoogde natuurbeheertype betreft kruiden- en faunarijkgrasland (N12.02) en/of vochtig weidevogelgrasland (N13.01). Ten bate van de doelrealisatie dient een inrichtingsplan en een advies voor overgangs- en ontwikkelingsbeheer te worden opgesteld. De onderhavige rapportage voorziet in een schetsontwerp met plandetaillering. 2. Projectgebied Het projectgebied betreft het meest zuidelijk perceel binnen de begrenzing van NNN Demmerik. Het is gelegen ten noorden van de Ter Aase Zuwe. Het perceel is kadastraal bekend als Vinkeveen sectie G nummer 119 en heeft een totaal oppervlakte van 4.37.40 hectare. Door tussenliggende sloten is het perceel op te delen in drie blokken. Het westelijke blok grenzend aan het erfperceel, het middenblok en het oostelijke blok (figuur 1).
Figuur 1. projectgebied en omgeving
3. Actuele situatie Het perceel is actueel in gebruik als gangbaar agrarisch grasland met een regiem van maaien en weiden en mestgiften op derogatieniveau (bron: https://boerenbunder.nl/report/52.19957,4.94527/facts).De vegetatie bestaat uit een grassenmix met een geringe aanwezigheid van algemene graslandkruiden. De oever langs de Ter Aase Zuwe heeft een redelijk ontwikkelde oevervegetatie met kruiden die karakteristiek zijn voor vochtige veengrasland oevers. De oever langs de noordelijk gelegen hoofdwatergang van reservaat Demmerik is meer structuurrijk ontwikkeld, met hoge en half hoge oeverkruiden en grote helofyten. Deze oever wordt zeer extensief geschoond om de optredende erosie van deze oever te beperken. De watergang die de grenssloot vormt met de Ter Aase Zuwe (lokale weg) heeft een beperkte breedte en een wisselende begroeiing van waterplanten. Zowel submerse soorten (gedoornd hoornblad) en drijfbladplanten (gele plomp) zijn lokaal aanwezig. De watergang heeft een geringe diepte. Hoewel het wenselijk is voor aanvang van de inrichting de aanwezige baggerlaag te verwijderen door middel van kwaliteitsbaggeren is extra verdiepen en verruimen van deze watergang minder gewenst.
De stabiliteit van de (smalle) wegberm van de Ter Aase Zuwe bij verdiepen en de erosie gevoeligheid van de oever bij verbreden maken de watergang kwetsbaar bij actief vergraven anders dan het verwijderen van losse baggerspecie. De noordelijke watergang vormt de hoofdwatergang van NNN gebied Demmerik. Deze watergang heeft ook in de huidige situatie al een vrij hoge erosie op de oevers. De combinatie met de sterke holligging en de peilscheidende functie tussen het wegpeil van de Ter Aase Zuwe (-2.69 NAP) en het natuurpeil van NNN Demmerik (-2.15 NAP) maken dat dit een kwetsbare situatie oplevert. Als gevolg van de peilscheidende functie is de noordrand van het perceel door Waterschap Amstel Gooi en Vecht als ‘peilscheiding’ gekwalificeerd. Het waterschap is voornemens binnen enkele jaren langs de noordelijke rand werkzaamheden uit te voeren om tot een stabiele peilscheidende functie te geraken. Detaillering van deze voorgenomen werken zijn momenteel echter nog niet beschikbaar.
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
1
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
Hoogte ligging en waterpeilen Het oppervlakte waterpeil langs de wegsloot bedraagt momenteel -2.69 meter NAP. NNN Demmerik is aangesloten op het waterpeil van de Vinkeveense boezem met een oppervlakte waterpeil van -2.15 NAP. Het westelijke blok heeft een sterk grotere drooglegging dan de beide oostelijk hiervan gelegen percelen. De kering van het water binnen het NNN gebied wordt verzorgt door een smalle hoger gelegen grondrug die in stand dient te worden gehouden (figuur 2).
Figuur 2. Maaiveldhoogte westelijke perceel
De drooglegging is overwegend groot waardoor het perceeldeel minder potentie heeft om als vochtig weidevogelgrasland te functioneren. Ook de nabijheid van het erfperceel heeft een ongunstig effect en valt grotendeels binnen de als verstoorde afstand voor weidevogels aan te merken zone op basis van onderzoek in Friesland (Bruijnzeel L.W. & L.G.M. Schotman 2011). Het perceel kan echter een aanvulling voor weidevogels in NNN Demmerik verzorgen wanneer het beheer op kruidenrijkdom wordt gevoerd, waardoor er een impuls aan de insectenfauna die betekenis heeft als voedsel voor weidevogelkuikens wordt verkregen. Geadviseerd wordt het perceel te beheren als Kruiden- en faunarijkgrasland (N12.02). Zowel het midden als oostelijke blok hebben een sterke holligging. In het oostelijke blok is deze groter dan in het midden blok. Voor beide delen geldt dat het maaiveld in de midden van het perceel lager licht dan het oppervlakte waterpeil van NNN gebied Demmerik. De kering van het water binnen het NNN gebied wordt ook bij deze perceeldelen verzorgt door een smalle hoger gelegen grondrug (figuur 3). Ondanks de nabijheid van de weg waardoor ze niet als broedhabitat zullen functioneren kunnen ze een waardevolle aanvulling aan het weidevogelgebied vormen als foerageergebied voor de adult vogels en in de kuikenfase.
Geadviseerd wordt de percelen als vochtig weidevogelgrasland (N13.01) te ontwikkelen.
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
2
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
Figuur 3. Maaiveldhoogte midden en oost perceel
Fauna (otter)passage Een specifieke voorziening binnen het projectgebied betreft de faunapassage, middels een buis onder de Ter Aase Zuwe, die twee jaar terug door gemeente De Ronde Venen is gerealiseerd. De faunapassage is voorzien van rasters om op de weg raken van dieren te voorkomen. Een dekking biedende in-/uittrede habitat ontbreekt echter waardoor dieren de faunapassage lastig zullen vinden (figuur 4). Nabij een faunapassage wordt idealiter een structuurrijke vegetatie gerealiseerd die dieren onder dekking naar de passage leidt, waardoor minder dieren op onbeveiligde locaties zullen migreren. Voor specifiek de soort otter, maar ook voor andere zoogdieren, is een aantakking vanuit deze structuren op de ingang van de faunabuis in de vorm van een plankverbinding over de sloot gewenst. Hoewel zoogdieren (otters) goed kunnen zwemmen, zullen zij in vrijwel alle gevallen bij het migreren op zoek gaan naar een droge oversteek. De plank verbinding draagt er aan bij dat de dieren binnen de faunarasters langs de weg migreren en de faunabuis ontdekken. De voorgenomen inrichting van het oostelijke blok biedt de mogelijkheid om de aangelegde faunapassage in de weg te optimaliseren door de aanleg van een passende habitat van de direct aangrenzende delen.
Figuur 4 faunapassage Ter AaseZuwe Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
3
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
4. Wensen bij de natuurinrichting Vanuit de natuurambitie bij de provincie Utrecht was er aanvankelijk de wens om de inrichting toe te spitsen op botanische, liefst vochtige en natte grasland natuurtypen. Als gevolg van de het kleine perceeldeel en de peilscheidende functie van het perceel is het niet gewenst de nutriëntenrijkdom van de bodem door afplaggen van de verrijkte toplaag te verlagen. In overleg tussen provincie en familie Fokker is gekozen voor een invulling als Kruiden- en faunarijkgrasland (N12.02) voor het westelijke perceeldeel en Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) voor de beide oostelijke delen. Op deze wijze wordt de meest functionele invulling gegeven in aansluiting op de natuurdoelen van NNN Demmerik. Het westelijke deel zal worden ingericht en beheerd zodat zich algemene kruiden, die hun grootse bloeistadia in de kuikenperiode van weidevogels hebben, kunnen ontwikkelen. De beide oostelijke percelen worden als een vochtige graslandtype ontwikkeld. Als gevolg van de kwetsbaarheid van de peilscheidende functie wordt er niet actief vergraven in de percelen. Om grondwaterstanden omhoog te brengen en een vochtige gradiënt langs greppels te realiseren wordt het greppelsysteem zo ingericht dat de lage delen als gevolg van de holle ligging neerslag langer vasthouden en deels in de bodem laat infiltreren waardoor grondwaterspiegels beter gevoed raken.
Hierdoor zullen lokaal plantensoorten van vochtiger bodem kunnen ontwikkelen en ontstaat in vroeg voorjaar en broedseizoen een aantrekkelijk foerageergebied voor adult weidevogels en later in het seizoen een perceel met opgroeihabitat voor kuikens. De oevers langs de wegsloot, die de scheiding vormt met de Ter Aase Zuwe, worden over een beperkte breedte geprofileerd in een flauw talud. De insteek van het talud bij de watergang wordt boven de waterlijn gehouden om oevererosie te voorkomen. Kopakkers en zones bij de toegangsdam en verbindingsdammen dienen ruim te worden aangevuld met de vrijgekomen grond uit de inrichting, zodat rondgaand beheer mogelijk blijft en separaat de peilscheidende functie in stand wordt gehouden. De zone tussen de noordelijke greppel en de hoofdwatergang van NNN Demmerik wordt gevrijwaard van werkzaamheden en ruim vrijgehouden om de werken aan de peilscheiding die het waterschap voornemens is op een later moment uit te voeren mogelijk te houden. Het realiseren van een in- en uittrede habitat naar de faunapassage is dient onderdeel uit te maken van de werkzaamheden. Vanuit het Staatsbosbeheer is het verzoek gedaan om in het algemeen, maar in het bijzonder bij deze faunahabitat rekening te houden met het beheer.
Tegen de grens met het erf perceel aan de westzijde wordt een poelvormige waterpartij aangelegd met een dieper watervoerend deel aan de noordzijde. Aan de westzijde van de poel wordt een klein deel afgeplagd zodat zich een rijke oever vegetatie met bloeiende soorten kan ontwikkelen.
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
4
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
5. Schetsontwerp inrichting Op basis van de wensen en mogelijkheden van de provincie Utrecht is een inrichtingsschets opgesteld. Deze is tweemaal nadat deze door de provincie met belanghebbende was besproken bijgesteld. Het uiteindelijk ontwerp bestaat voornamelijk uit het profileren van de oever aan de wegsloot zijde, aanpassingen aan het greppelsysteem, de realisatie van de intrede habitat bij de faunapassage, voorzieningen ten bate van de beheerstroken en damverbindingen en de inpassing van een poel ter hoogte van het erfperceel aan de uiterste westzijde van het projectgebied. Vanuit het verschillend karakter van het westelijke perceel ten opzichte van het midden en oost perceel zijn de is de inrichtingsschets voor deze beide deelgebieden geknipt. Ze worden onderstaand schetsmatig weergegeven in figuur 5 en 6.
Figuur 5. Schetsontwerp westelijke perceel langs de Ter Aase Zuwe
Figuur 6. Schetsontwerp midden en oostelijk perceel langs de Ter Aase Zuwe
De voorgestelde werkzaamheden bestaan uit het verwijderen van bagger achterstanden uit de wegsloot en de sloten op de kopeinden van de percelen. Van belang is dat uitsluitend losse bagger wordt verwijderd. Verdiepen / her profileren van deze sloot is ongewenst vanuit het risico van oeverval en erosie. Het verwijderen van de losse bagger kan met een baggerpomp plaatsvinden. Door de werkzaamheden ruim vooruitlopend (minimaal 4 weken) aan de feitelijke inrichting uit te voeren kan deze over het perceel dun worden verneveld.
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
5
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
Ter hoogte van de faunapassage wordt de water gang in beperkte mate verbreed om een goede uitgangspositie voor de beoogde dekking biedende ruigtevegetatie te realiseren. De inrichting van de omgeving van de faunapassage wordt onderstaand in een aparte alinea nader uitgewerkt. Om ruimte te bieden voor lage kruidachtige oevervegetaties wordt de oeverzone aan de zuidzijde langs de wegsloot in een flauw talud geprofileerd naar circa 1:4 á 1:5. Om oevererosie te voorkomen wordt de insteek aan de waterzijde circa 5 centimeter boven het waterpeil van -2.69 NAP gekozen (figuur 7).
Figuur 7. Oever profiel wegsloot
Om migrerende dieren vanuit NNN Demmerik te stimuleren de route naar de faunapassage te volgen wordt aan de westelijke kopakker een smalle zone met riet / grote helofyten gesitueerd. Vanuit de kwetsbaarheid van de peilscheidende functie wordt hier een vooroever verdediging van Geldershout aangelegd op circa 2 meter uit de huidige oeverlijn. De zone tussen deze vooroeververdediging en de huidige oever lijn wordt verondiept tot circa 40 centimeter waterlaag door inbrengen van vrijkomende grond uit de inrichtingswerken. In deze zone worden vervolgens uitgenomen vegetatie delen uit oevers elders in NNN Demmerik ( samenwerken met SBB) geënt om een snelle ontwikkeling te waarborgen. Door deze aanpak wordt er niet in de bestaande (kwetsbare) peilscheidende zone gewerkt. Om bovenmatige aantasting van het open weidevogelgebied te voorkomen bedraagt de lengte van deze strook maximaal 30 strekkende meter vanuit het beheerpad van Staatsbosbeheer aan de oostzijde.
Figuur 7. Vooroever verdediging
In alle deelgebieden worden twee greppels gefreesd. De noordelijke greppel wordt gepositioneerd in relatie tot de benodigde ruimte die het waterschap nodig heeft voor de versterking van de peilscheidende kade. De zuidelijke greppel wordt zodanig ten opzichten van de noordelijke watergang gepositioneerd dat er een effectieve breedte in relatie tot de werkbreedte van de maaimachine overblijft. Om in het middendeel van de percelen van een vochtgradiënt te ontwikkelen en neerslag maximaal ten gunste van het grondwaterpeil te brengen wordt de noordelijke greppel vanaf de beide kopeinden naar het midden aflopend gefreesd. De beide greppels worden verbonden met een duikerbuis. De zuidelijke duikerbuis wordt vanaf het midden afwaterend naar de beide kopeinden gefreesd en aan beide kopeinden van een uitloop duikerbuis naar de wegsloot gebracht (zie pijlen in figuur 5 & 6). De duikerbuis van de noordelijke greppel naar de zuidelijke greppel wordt licht oplopend gepositioneerd. Hierdoor wordt in de noordelijke greppel na neerslag extra water vastgehouden. En is er een hoog frequent natte greppelbodem beschikbaar zonder dat het perceel zal inunderen. Op deze wijze wordt neerslag water vertraagd afgevoerd en de gewenste vochtgradiënt gerealiseerd die foeragerende weidevogels en hun kuikens maximaal kan faciliteren (figuur 8).
Figuur 8. Basis principe inundatie greppel
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
6
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
Vrijkomende grond uit de inrichting wordt benut om de kopakkers op te hogen zodat op droge delen zonder bodembeschadiging gedraaid kan worden met machines en efficiënt beheer kan worden gevoerd. Beheerstroken dienen hierbij minimaal 6.00 meter breed te zijn met een uitloop naar 8.00 meter inde bochtstralen. Kopakkers hebben een diepte van minimaal 20 meter om met aanbouwwerktuig te kunnen draaien op het verhoogde deel. Eventuele overschotten op de grondbalans kunnen desgewenst door familie Fokker op het erf perceel worden benut. Op de toegangsdam naar het erf en de beide westelijk gelegen tussendammen worden landbouwhekken met vleugels geplaats zodat bij noodzaak begrazen (bijvoorbeeld) een winter naweiden met schapen) om verruiging en of een te structuurrijk gewas aan het einde van het seizoen te kunnen beheren. Een specifiek onderdeel betreft de dekking biedende intrede habitat bij de faunapassage (figuur 9).
Figuur 9. Inrichtingsplan bij faunapassage
Als basis wordt een klein deel van de wegsloot hier met circa 1 meter verbreed om de gewenste structuurrijke en winter overstaande vegetatie ruimte te bieden zonder dat dit de smalle sloot belemmerd. In de hoek met het toegangspad van SBB reservaat Demmerik wordt een ruime watergang aangelegd met aan de noordzijde een dieper deel. Door deze maatregel wordt het huidige doodlopende slooteinde waar veel bagger en opgewaaide vegetatieresten bezinken van een zuurstofrijker deel voorzien en wordt snelle verondieping voorkomen. Doordat de waterpartij grenst aan het toegangspad is de komvormige verruiming eenvoudig periodiek met een mobiele kraan te schonen vanaf verharde delen. Aan de randzone wordt een klein struweel ingeplant. Door te kiezen voor laagblijvende soorten die slechts zeer laag cyclisch afgezet hoeven te worden kan het beheer beperkt blijven. Door te kiezen voor bloeiende soorten die ook bessen vormen wordt zowel de insectenfauna als vogel- en kleine zoogdierfauna gefaciliteerd. Gedacht kan o.a. worden aan soorten als vuilboom, wilde liguster, rode kornoelje, sleedoorn, Gelderse roos en egelantier In de randzone van het kleine struweel wordt een ringslang broeihoop gepositioneerd (figuur 10). Door de aanleg van de ringslang broeihoop wordt niet alleen habitat voor de ringslang, maar ook voor amfibieën en ongewervelden aangebracht.
Vanuit beheer kan het vrijkomende materiaal van de overstaande ruigte vegetaties eenvoudig op de locatie waar dit vrij komt functioneel worden verwerkt.
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
7
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
Figuur 8. basisprincipe ringslang broeihoop
Een belangrijk onderdeel van de in- en uittrede habitat naar de faunapassage vormen de loopplanken voor fauna die zowel vanaf het toegangspad van SBB gebied Demmerik als over het in gerasterde deel van de wegsloot noodzakelijk zijn. Vrijwel alle zoogdieren kunnen goed zwemmen, maar alle soorten, waaronder ook otters, zullen steeds eerst zoeken of er een droge oversteek mogelijk is en migreren bij voorkeur lopend. Door plankverbindingen binnen de rasters van de faunapassage aan te bieden wordt de effectiviteit van de faunapassage vergroot. 6. Beheer Het beheer dient plaats te vinden conform de beheerrichtlijnen van de provincie Utrecht voor SNL beheertypen De samenvatting hiervan is in onderstaande tabel weergegeven (Provincie Utrecht 2020). Opgemerkt wordt dat het onderhavige plan is opgesteld voor één perceel met een zeer beperkte oppervlakte en twee natuurbeheertypen. In het bijzonder voor de percentages bij beweiden en maaien dienen deze te worden geïnterpreteerd op basis van het NNN gebiedsniveau en niet op perceelniveau daar dit tot niet een uitvoerbare beheersituatie zal leiden. Natuurbeheertype N12.02 Kruiden- & faunarijkgrasland
Ontwikkeling -Twee á drie keer per jaar maaien en maaisel afvoeren. -Eerste maaibeurt vroeg, aanvankelijk in de tweede helft van mei, later in de eerste helft van juni -Niet beweiden, met uitzondering van n nabeweiding na de laatste maaibeurt tussen 1 september en 1 april -Niet beweiden met paarden -Niet bijvoeren - Niet bemesten -In vochtige situaties een hoog, natuurlijk fluctuerend waterpeil hanteren -Geen gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Instandhouding
-Tenminste een keer per jaar maaien en maaisel afvoeren op klei, veen en voedselrijk zand -Circa 5-10% laten staan, bij elke maaibeurt een ander deel -Bij beweiding: zodanig extensief dat gedurende het gehele groeiseizoen (1 april tot 1 september), verspreid over het gehele perceel, op tenminste 50% van de oppervlakte, planten in bloei of zaadzetting zijn (in ieder geval minder dan 1,5 GVE per hectare op enig moment) -Niet beweiden met paarden -In plaats van seizoensbeweiding is kortdurende begrazing met gescheperde schaapskudde mogelijk -Niet bijvoeren -Niet bemesten -In vochtige situaties een hoog, natuurlijk fluctuerend waterpeil hanteren -Geen gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
8
BRIEFRAPPORTAGE Natuurbeheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland
Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten Ontwikkeling Instandhouding In ieder geval de volgende handelingen niet In ieder geval de volgende handelingen niet uitvoeren: uitvoeren: - Bemesten - Bemesten, met uitzondering van bemesten met - Beweiden op meer dan 33% van de oppervlakte minder dan 5 ton ruige mest per ha per jaar indien op enig moment tussen 1 maart en 1 augustus noodzakelijk om het bodemleven op peil te houden - Beweiden met paarden - Beweiden op meer dan 25% van de oppervlakte op - Maaien en bewerken tussen 1 januari en 15 enig moment tussen 1 maart en 1 augustus juni op meer dan 25% van de oppervlakte - Beweiden met paarden - Beweiden met meer dan 2,0 GVE per ha op - Maaien en bewerken tussen 1 januari en 15 juni op enig moment meer dan 25% van de oppervlakte - Bijvoeren - Beweiden met meer dan 2,0 GVE per ha op enig - Beweiden of maaien zonder nestbescherming moment - Gebruik van chemische onkruidbestrijding- Bijvoeren middelen en biociden - Beweiden of maaien zonder nestbescherming - Gebruik van chemische onkruidbestrijdingDulden: middelen en biociden.
- Een hoog natuurlijk fluctuerend waterpeil dat wordt in stand gehouden dan wel ingesteld om Dulden: de natuurkwaliteit van het natuurterrein en - Een hoog natuurlijk fluctuerend waterpeil dat eventueel omliggende natuurterreinen in stand wordt in stand gehouden dan wel ingesteld om de te houden of te verhogen. natuurkwaliteit van het natuurterrein en eventueel omliggende natuurterreinen in stand te houden of te verhogen.
Voor het overgangs- en ontwikkelingsbeheer worden afwijkingen ten opzichte van de beheervoorwaarden van provincie Utrecht voorgesteld. Als gevolg van de grasdominante situatie, waarin o.a. de grassoort witbol aanwezig is die tot vroege zaadzetting leidt, wordt geadviseerd de eerst maaidatum gedurende drie jaren na de inrichting op 20 mei te plaatsen en drie maaisneden per jaar zonder actieve mestgiften uit te voeren. De interval tussen twee maaisneden dient hierbij circa zes weken te bedragen. Op deze wijze wordt grasdominantie voorkomen en extra voedsel uit de bodem afgevoerd. Indien de hol gelegen delen / greppelranden te vochtig zijn kunnen deze bij maaisneden waarin dit wordt geconstateerd worden overgeslagen om bodembeschadiging te voorkomen. In de late nazomer dient de gehele vegetatie echter steeds minimaal één keer geheel te worden gemaaid en afgeruimd. Desgewenst kan na de laatste maaisneden een naweiden worden uitgevoerd met jong rundvee of schapen om het perceel kort de winter in te laten gaan. De beheerrichtlijn van provincie Utrecht geeft uitsluitend voorwaarden voor het (hoofd)beheertype. Andere aspecten die van belang zijn bij het beheer van het onderhavige perceel betreffen oevervegetaties, greppels en kunstwerken.
Voor het beheren van de oevers adviseren wij onderscheid te maken tussen de noordelijke oever langs de peilgrens en de zuidelijke oever langs de weg sloot. De oever langs de peilgrens mag zich gedurende het groeiseizoen structuurrijk ontwikkelen zodat erosie wordt voorkomen en beperkt. In het najaar dient de oever op hoge stoppel circa 15 centimeter te worden uitgeknipt met een maaikorf waarna de vrijgekomen vegetatie wordt afgevoerd. Bij te extensief beheer zal een uitzicht belemmering voor weidevogels ontstaan en loopranden onder beschutting voor zowel predatoren als soorten die migreren en bij voorkeur via de structuurrijkere delen naar de faunapassage worden gelokt. Dit betreft zowel het overgangsbeheer als het eindbeheer. Voor de oever van de wegsloot wordt geadviseerd tijdens het overgangsbeheer de vegetatie tijdens de eerste maaisnede (eind mei) hoog mee te maaien zodat de bloeipluimen van grassen worden weggemaaid en er geen zaadzetting plaatsvindt en de (gewenste) kruiden tot zaadzetting kunnen komen. Tijdens de tweede of derde maaisnede worden de oevers geheel diep mee gemaaid op een lage stoppel (circa 6 centimeter) zodat de oevers verschralen. Nadat de oever zich tot een lage kruidenrijke oever heeft ontwikkeld kan het eindbeheer worden ingesteld waarbij de oever niet meer wordt getopt bij de eerste maaisnede en eenmalig laat in het seizoen wordt gemaaid.
In beide stadia van het beheer wordt de vrijkomende vegetatie geheel afgeruimd. Het beheer van de greppels bestaat uit het jaarlijks uitfrezen van de greppels. Als gevolg van de holligging en de functie van de noordelijke greppel om delen van het jaar geïnundeerd te blijven dient het frezen van de greppels in deze situatie niet zoals traditioneel in het najaar plaats te vinden maar na het maaien van de tweede snede. Parallel aan het frezen van de greppels en medio oktober dienen de greppelbuizen te worden gecontroleerd en indien nodig ontstopt. De in-/uittrede habitat voor de faunapassage krijgt een extensief beheer. De ruigte vegetatie wordt langs de wegsloot en verbrede waterpartij wordt jaarlijks voor 50% uitgeknipt met de maaikorf. De 50% uit knippen gebeurd in de lengte van de vegetatie en niet in blokken in de breedte. Door dit te combineren met de oever werken aan de noordelijke watergang (zie hierboven) hoeft de maaikorf maar eenmaal te komen. De vrijkomende vegetatie kan op de ringslangbroei hoop worden geplaatst.
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
9
BRIEFRAPPORTAGE Format : D. Buisman 07.2013 / © Bui-TeGewoon I groenprojecten
Het aangeplante struweel bestaat uit soorten met een beperkte hoogte groei wat positief is voor de weidevogels. Als gevolg van de verhoudingsgewijs lage soorten met een trage groei kan worden volstaan met eenmaal in 4 jaar 50% van het struweel af te zetten. De hakcyclus voor de individuele struiken bedraagt hierdoor eenmaal per acht jaar. Het vrijkomend snoeihout kan in het centrale deel van het struweel als ril worden verwerkt en draagt bij aan dekking en beschutting voor migrerende fauna. Jaarlijks dient het faunaraster te worden gecontroleerd op beschadigingen, zodat geen dieren alsnog op de weg kunnen komen. De faunabuis dient tweemaal per jaar te worden gecontroleerd op vrije doorgang. Zwerfvuil binnen het faunaraster dient bij aantreffen direct te worden geruimd. 7. Gebruikte bronnen en literatuur Literatuur: Beek, J.G. van & BIJ12-schrijfgroep [2014] Bijlagen deel 1: bij Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000 / PAS. BIJ12, 2014 Bruijnzeel L.W. & L.G.M. Schotman [2011] Onderbouwing verstoringsafstanden voor weidevogelpopulaties. A&W rapport 1642/Alterra rapport 2184 Heemskerk L. [diverse jaren] Broedvogelinventarisaties reservaat Demmerik Eigen uitgave L. Heemskerk Melman D., & H.
Sierdsema [2017] Weidevogelscenario’s Wageningen Environmental research en Sovon vogelonderzoek, juni 2017 Provincie Utrecht [2012] Weidevogelvisie Provincie Utrecht Bureau Waardenburg, Sovon en GIS provincie Utrecht Provincie Utrecht [13 februari 2020] Beheerrichtlijnen natuurbeheertypen en landschapselementen Provincie Utrecht I 13 februari 2020 - Referentienummer 81FC047A Schippers W, I. Bax & M. Gardenier [2012] Veldgids ontwikkelen van kruidenrijk grasland. Aardewerkadvies, mei 2012 Schippers W & R.J.S. Terlouw [in prep] Module beheer weidevogelgraslanden t.b.v. SNL certificeringen Stichting Part-Ner, 2022 Slaterus R. [2016] Weidevogels in weidevogelkerngebieden in de provincie Utrecht in 2016 Sovon rapport 2016/3l Staatsbosbeheer [2016] Beheerplan Utrechtse Venen 2017 -2029 Eigen uitgave Staatsbosbeheer Terlouw R.J.S. [2017]: Kwaliteitsbeoordeling en optimaliseringsmogelijkheden NNN-gebieden met beheertype N13.01 Vochtig wedevogel grasland in de provincie Utrecht. Bui-TeGewoon | groenprojecten publicatie nummer 2017-29 Geraadpleegde bronnen: www.ahn4.nl www.boerenbunder.nl www.bodemdata.nl www. googleearth.nl www.opentopo.nl www.provincieutrecht.nl/kaarten www.pdok/viewer.nl www.staatsbosbeheer.nl www. waternet.nl Geconsulteerde personen: de heer J. van Dijk, Provincie Utrecht de heer M. van de Valk, Staatsbosbeheer
Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP.2022/23a- Inrichting NNN perceel familie Fokker NNN Demmerik [Vinkeveen G 119]
10