Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 - oorspronkelijke versie
Tekst van het document
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1 Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig 5.3.2 Situatie plangebied In voorgaande subparagraaf zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging.
Tevens wordt opgemerkt dat de functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Op basis van de risicokaart blijkt dat er geen sprake is van risicobronnen in de omgeving. Het gehele plangebied valt daarnaast buiten het brand- en explosieaandachtsgebied van de A2 die ten oosten van het plangebied ligt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
5.4.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.5
Milieuzonering
5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in het lint langs de Baambrugse Zuwe, in een gebied waar sprake is van een sterke functiemenging. Er komen onder andere horecafuncties, woonfuncties en recreatiefuncties voor. Gelet op het vorenstaand wordt gesteld dat het gebied is aan te merken als een ‘gemengd gebied’.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Een jachthaven behoort tot milieucategorie 3.1. De aan te houden richtafstand binnen een omgevingstype 'gemengd gebied' is dan 30 m, voor het milieuaspect geluid. De afstand van de nieuwe appartementen tot aan de jachthaven bedraagt minder dan 30 m. Niettemin is uit oogpunt van milieuzonering hier sprake van een acceptabele situatie, gelet op de volgende feiten:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld • • • • •
de jachthaven is van relatief beperkte omvang, maximaal 140 ligplaatsen; de gehele jachthaven is in privégebruik bij bewoners in de omgeving, van commerciële activiteiten is geen sprake ; door de aard en opzet van de jachthaven is deze niet geschikt voor grote aantallen grote jachten: het merendeel wordt gebruikt voor kleine zeil- en motorbootjes; de jachthaven bestaat, vanwege de vaste toegangssteiger naar het achtergelegen gebied, uit twee gescheiden delen, waardoor er geen 'doorgaand' vaarverkeer mogelijk is; de doelgroep voor de woningen zijn bewoners die bewust de levendigheid van een jachthaven en de daarbij behorende activiteiten opzoeken;
Voor de overige milieuaspecten (geur en gevaar) van een jachthaven geldt een richtafstand van maximaal 10 m. Deze afstand is aanvaardbaar, aangezien binnen deze afstand geen activiteiten plaatsvinden zoals onderhoud of reparatie aan boten dan wel opslag van goederen of brandstoffen. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling hinder ondervindt van de bestaande functies in de omgeving. Woningen worden in dit kader aangemerkt als milieugevoelige functies. In (de omgeving van) het projectgebied ligt naast de jachthaven en de horeca (in vorige paragraaf reeds behandeld) een perceel met een bestemming voor dagrecreatie. Het betreft het perceel naast de Baambrugse Zuwe 230. Binnen deze bestemming zijn de volgende functies toegestaan: groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterpartijen, parkeerplaatsen, ontsluitingsverhardingen, laad- en losvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voorgenoemde functies betreffen geen milieubelastende functies. Daarnaast is in de praktijk er sprake van een groene inrichting van het desbetreffende terrein. Er is geen sprake van milieubelastende functies. Het perceel vormt dan ook geen belemmering. Voor het overige komen er in de omgeving van het projectgebied geen milieubelastende functies voor.
5.5.4 Conclusie Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).
Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2
Situatie plangebied
In de nabijheid van het projectgebied (straal 1.500 m2) is geen (intensieve) veehouderij aanwezig. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op meer dan 1.500 m 2 afstand aan de Donkervlietse Binnenweg 1 te Baambrugge. Dit betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf. De Wet geurhinder en veehouderij vormt hierbij geen belemmering. Daarbij wordt tevens opgemerkt dat tussen het projectgebied en de (planologisch toegestane) veehouderijen, reeds geurgevoelige functies aanwezig zijn. Deze functies zijn voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijen maatgevend. Van belemmeringen voor veehouderijen is dan ook geen sprake. 5.6.3
Conclusie
Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1 Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Botshol’ en ligt op een afstand van 2,5 kilometer van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In dit geval is daarom een stikstofberekening uitgevoerd. De volledige rapportage is in bijlage 8 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste onderzoeksresultaten ingegaan.
Onderzoeksresultaten Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat in de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De afstand bedraagt circa 150 meter. In afbeelding 5.2 is dit weergegeven.
Afbeelding 5.2
Afstand van het projectgebied tot NNN (Bron: Provincie Utrecht)
Gelet op deze afstand (het NNN kent geen schaduwwerking) zijn geen negatieve effecten op het NNN te verwachten. Geconcludeerd wordt dan ook geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In 2021 heeft er een quickscan ecologie plaatsgevonden. De volledige rapportage is als bijlage 12 opgenomen, hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Op basis van deze quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: • Op de onderzochte locatie kan niet worden uitgesloten dat er jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig zijn; • Op de onderzochte locatie kan worden uitgesloten dat er vaste verblijfplaatsen zoals holen en burchten van grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn; • Op de onderzochte locatie kan niet worden uitgesloten dat er vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn; • De onderzochte locatie is mogelijk een belangrijk foerageerbied voor vleermuizen en vervult ook een mogelijk onmisbaar onderdeel van een vliegroute voor vleermuizen Op basis van deze quickscan wordt het volgende geadviseerd: • Laat aanvullend onderzoek op basis van kennisdocumenten en vleermuisprotocol 2021 uitvoeren voor de volgende soorten: huismus, boerenzwaluw, huiszwaluw, gewone dwergvleermuis, ruige
dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis; 5.7.4
Conclusie
Er is een nader onderzoek nodig naar huismussen, boerenzwaluwen, huiszwaluwen, gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, laatvliegers, watervleermuizen en meervleermuizen uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 13 opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt het volgende: Op de onderzochte locatie is tijdens dit aanvullend onderzoek de aanwezigheid vastgesteld van de volgende via de Wnb beschermde diersoorten die de bebouwing benutten als vaste verblijfplaats of jaarrond beschermde nestplaats: • • • •
Gewone dwergvleermuis: Deze soort benut de locatie als: Kraamverblijfplaats. Minimaal 20 vrouwtjes aanwezig. Paar- en zomerverblijfplaats. Minimaal 4 mannetjes aanwezig; Huismus: Van deze soort werden 8 bewoonde en jaarrond beschermde nestplaatsen vastgesteld; Spreeuw: Van deze soort werden 6 bewoonde nesten vastgesteld; Kauw: Van deze soort werden 3 bewoonde nesten vastgesteld.
Voor de vleermuis en de huismus is een ontheffing nodig. Deze ontheffing kan worden verkregen en zal worden vergezeld met een activiteitenplan waarin wordt aangegeven hoe en op welke wijze er mitigerende maatregelen zullen worden genomen. Het aspect 'ecologie' vormt, mits deze ontheffing wordt verkregen, daarmee geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. De ecologische ontheffing is op 8 februari ontvangen. Het aspect ‘ecologie’ is in het kader van het bestemmingsplan daarmee voldoende onderzocht. Met de voorwaarden zoals opgenomen in de ontheffing ten aanzien van compenserende en mitigerende maatregelen wordt in het vervolg van het proces rekening gehouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
5.8
Archeologie
5.8.1
Algemeen
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.2
Situatie plangebied
De gemeente de Ronde Venen heeft een archeologische beleidskaart opgesteld. Deze archeologische beleidskaart vormt de eerste toetsing voor archeologie. Op basis van deze toets wordt bepaald of nader onderzoek noodzakelijk is. In afbeelding 5.3 is de beleidskaart weergegeven. Het plangebied is met de gele contour aangeduid.
Afbeelding 5.3
Uitsnede archeologische beleidskaart (Bron: Gemeente De Ronde Venen)
Volgens de gemeentelijke beleidskaart ligt het plangebied in een archeologisch waardevol verwachtingsgebied. De Baambrugse Zuwe heeft een hoge verwachtingswaarde (AWV 1) en de rest van het plangebied een lagere verwachtingswaarde (AWV 6). De grond ter plaatse van de hoge archeologische verwachtingswaarde wordt geroerd. Het betreft de strook langs de Baambrugse Zuwe, waar reeds verharding gelegen is. De werkzaamheden bestaan met name uit het realiseren van een halfverdiept parkeerterrein. Daarom is door Laagland archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 14 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld 5.8.3
Conclusie
Uit het booronderzoek blijkt dat de natuurlijke bodemopbouw uit een toplaag van zwak kleiig veen op mineraalarm veen bestond. Dit wordt afgedekt door een recent opgebracht zand- en grindpakket met verhardingslagen. Het recente pakket reikt tot een variërende diepte van 50 tot 140 cm -mv. In de boringen zijn geen opgebrachte kleilagen met archeologische indicatoren gevonden en daarom worden in het plangebied geen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht. Over eventuele archeologische waarden in de top van het Pleistocene zand kunnen op basis van het booronderzoek geen uitspraken worden gedaan. Dit niveau zal ook niet verstoord worden, behalve door heiwerkzaamheden. De kans dat hierbij archeologische waarden verstoord worden wordt als laag ingeschat. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.
5.9
Cultuurhistorie
5.9.1
Algemeen
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.9.2
Situatie plangebied
Zoals al eerder aangegeven betreft de Plashoeve een gemeentelijk monument. De Plashoeve kent een lange geschiedenis en heeft verschillende functies gehad, waaronder wonen, een restaurant en een caféfunctie. Het pand bestaat grotendeels uit hout, heeft een verfijnde decoratieve detaillering en een bijzondere uitstraling van een chalet, wat uniek is binnen de gemeente. Het onderhoud van het pand is achterstallig. Uit onderzoek is gebleken dat renovatie een serieuze investering vraagt, wat niet exploiteerbaar is. Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten dat de monumentale status van de Plashoeve behouden blijft, maar dat de mogelijkheid wordt geboden voor verplaatsing aan de Vinkeveense Plassen. De Plashoeve zelf wordt daarom gedemonteerd en verdwijnt volledig uit het plangebied. Omdat het gaat om een monumentaal pand dient de uiterlijke verschijning van het pand behouden te blijven. Daarom zal met de sloop en herbouw nauw contact worden gezocht met de gemeentelijke erfgoedcommissie om het plan af te stemmen. Op deze manier wordt het plan in overeenstemming met de cultuurhistorie en monumentale waarde opgesteld. Voor het overige liggen er in de nabijheid van het plangebied geen gemeentelijke monumenten danwel rijksmonumenten. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan.
Wel ligt het plangebied in een gebied met hoge cultuurhistorische waarden, die zich met name uien in de strokenverkaveling in het lint. In hoofdstuk 3 en bijlage 1 is uitgebreid onderbouwd op welke wijze het plan bijdraagt aan het versterken van deze waarden. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het plan bijdraagt aan de cultuurhistorie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld 5.9.3
Conclusie
Met de monumentale waarde van de Plashoeve wordt uitvoerig rekening gehouden. Voor het overige liggen er in de nabijheid van het projectgebied geen monumenten. Hiermee is het beoogde plan in overeenstemming met het aspect cultuurhistorie.
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.10.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Dit project voorziet in de realisatie van 19 woningen en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld Indien de voorgenomen ontwikkeling wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied van 100 hectare of meer en 2000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. 5.10.3 Situatie plangebied In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht. In voorliggend geval is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze is als bijlage 15 bijgevoegd.
Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet nodig. 5.10.4 Conclusie De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20222027. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn: •
Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. • Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. • Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. • Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden in het beleid twee hoofdlijnen onderscheiden: • Focus op 4 prioriteiten • Werken vanuit 6 basiskwaliteiten De vier prioriteiten zijn: • Waterveiligheid en wateroverlast • Schoon en voldoende oppervlaktewater • Ondergrond • Leefkwaliteit stedelijk gebied De zes basiskwaliteiten zijn: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid en externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld De zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van onze kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. 6.1.4
Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht
In het Waterbeheerplan 2022-2027 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2022-2027 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • • • • • • • • • •
Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;' Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied; Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West); Behoud van de zelfstandige bevoegdheid
Er is sinds 1 november 2019 een nieuwe Keur AGV 2019 van kracht die meer geënt is op de Omgevingswet en ruimte biedt aan maatwerk. De uitgangspunten zijn grotendeels hetzelfde gebleven met voorgaande keur, veranderingen zijn vooral in details en met maatwerk. Keur AGV en legger In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hiermee wil het waterschap de volgende doelen bereiken: • schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren • sterke dijken tegen overstromingen • gezonde waterplanten en vissen De Keur gaat kortom over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken. En welke middelen het waterschap heeft om zijn werk goed te doen. Op grond van artikel 2.3 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur verhard oppervlak uit te breiden met een door het bestuur bij besluit te bepalen oppervlak. In de legger staat wie op welke plek verantwoordelijk is voor onderhoud. Dat kan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn. Maar ook een ander waterschap, de provincie of een boer met akkers langs het water. De legger is voor het waterschap een belangrijk document. Het waterschap gebruikt de legger ook bij het geven van een vergunning. De legger maken we onder andere op basis van de Keur. In de Keur staan de regels van het waterschap voor dijken en het water.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
6.2
Watertoets
6.2.1
Algemeen
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. 6.2.2
Situatie plangebied
Waterkwantiteit Op basis van artikel 2.3 van de Keur geldt een vergunningplicht bij het toevoegen van verhard oppervlak. Onder de 1.000 m2 verharding wordt een vrijstelling afgegeven. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van 1.000 m2 aan verhard oppervlak. Het huidige terrein is immers nagenoeg volledig verhard. Er zal sprake zijn van een afname aan verharding. De ontwikkeling valt daarmee onder de vrijstelling van het AGV. Waterkwaliteit en waterafvoer Het plangebied grenst aan de Vinkeveense Plassen. De Vinkeveense Plassen zijn aangemerkt als een KRWlichaam. Dit houdt in dat de kwaliteit van het water van groot belang is voor Waternet. Na een afstemmingsoverleg met Waternet (uitvoerende instantie van AGV) blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate rekening houdt met het KRW-lichaam. Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. De hemelwaterafvoer zal worden afgekoppeld van de afvalwaterafvoer. Daarnaast wordt onderzocht of het afvalwater aangesloten kan worden op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Hemelwater wordt waar mogelijk eerst vastgehouden in het gebied voordat het wordt afgevoerd.
Er is voldoende ruimte binnen het plangebied beschikbaar om hierin te voorzien. Beschermde gebieden De projectlocatie is niet in of binnen een beschermingszone van een (primaire) waterkering of watergang gelegen. Dit is eveneens te zien op onderstaande afbeelding. Grondwaternorm In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het gemeentelijk grondwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft woningbouw worden de volgende normen gesteld: • • •
woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm; woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm. Bij de onderhavige ontwikkeling wordt met deze normen rekening gehouden.
Afvalwaterketen en riolering Volgens de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, om te zorgen dat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • •
hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem moet bij het Waterschap een vergunning worden aangevraagd op grond van de Keur. Voorbeelden hiervan zijn bij het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. Hier is geen sprake van. 6.2.3
Conclusie
Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: •
Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld •
Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
•
Nadere eisen: Deze regels geven het B&W mogelijkheid om nadere regels te stellen aan de situering van bouwwerken en de situering en het aantal parkeervoorzieningen.
•
Afwijken van de bouwregels: In deze regels zijn bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om op ondergeschikte punten af te wijken van de bouwregels.
•
Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd
•
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: In de archeologische dubbelbestemming is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen die voorziet in de bescherming van de archeologische waarden.
•
Wijzigingsbevoegdheid: In de archeologische dubbelbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die erin voorziet dat de bestemming kan worden gewijzigd, als uit onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet aanwezig zijn.
7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 8) In deze regel zijn bepalingen opgenomen over bestaande afmetingen en maten en ondergeschikte bouwdelen.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In deze regel zijn bepalingen omtrent strijdig gebruik opgenomen.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel zijn bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten te wijzigen.
•
Overige regels (Artikel 12) In dit artikel zijn bepalingen omtrent parkeren, laden en lossen en een regel omtrent verwijzingen naar andere regelgeving opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Opgemerkt wordt dat de regels qua systematiek aansluiten bij het bestemmingsplan “Dorpskernen”. Er is hiervoor gekozen, omdat het huidige planologische regime verouderd is en niet meer aansluit bij de huidige standaarden. Recreatie – Verblijfsrecreatie (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de bestaande recreatieverblijven. Deze zijn in dit bestemmingsplan meegenomen, aangezien deze voorheen onderdeel waren van de jachthaven.
Nu die komt wordt veranderd naar een niet-commerciële jachthaven en een bestemming ‘water’ is het wenselijk om voor de recreatieverblijven een passende bestemming op te nemen, omdat ze verbonden waren met de jachthaven. Gekozen is om aansluiting te zoeken bij de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ zoals die geldt in het bestemmingsplan “Dorpskernen”. De bouw- en goothoogte zijn wel overgenomen van het voorheen geldende bestemmingsplan. Water (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het water. Aangezien de commerciële jachthaven komt te vervallen is een bestemming ‘Water’ logischer. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor water, groenvoorzieningen en specifiek een jachthaven. Ook zijn specifiek de botenloodsen met een aanduiding vastgelegd. Tevens zijn bermen, taluds, bruggen, duikers en nutsvoorzieningen toegestaan. Er mogen uitsluitend steigers en bruggen worden gebouwd. Wonen – Woongebouw (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de woongebouwen. Voor gebouwen zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen een bouwhoogte en aantal woningen is opgenomen. Specifiek is een parkeergarage met een aanduiding toegestaan. Tevens zijn erven en tuinen, dakterrassen, balkons, toegangswegen- en paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water(huishoudkundige voorzieningen) toegestaan, waaronder steigers.
Vrijstaande bijgebouwen zijn op basis van het bestemmingsplan niet toegestaan. In de bouwregels is in de algemene regels bepaald dat ter plaatse van de open te houden stroken tussen de gebouwen ook geen vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken toegestaan. Dit is middels een aanduiding op de verbeelding geregeld. Hiermee worden de doorzichten gewaarborgd. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn maatvoeringen opgenomen. Er zijn nadere eisen opgenomen. Ook kan van de bouwregels op ondergeschikte punten worden afgeweken. In de specifieke gebruiksregels zijn bepalingen omtrent aan-huis-gebonden bedrijfsactiviteiten opgenomen. Specifiek is een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van de landschappelijke inpassing opgenomen. Tevens is specifiek een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van geluid. Deze bepaling borgt dat er aan een voldoende binnenniveau in het kader van geluid wordt voldaan. Waarde – Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b (Artikel 6) Deze bestemming is conform het bestemmingsplan “Dorpskernen” opgenomen ter plaatse van de te verwachten archeologische waarden. Dit komt overeen met de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Er is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden, ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van het vaststellen van een bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Vorenstaande is geregeld in een anterieure overeenkomst. Hiermee is de grondexploitatie anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig. Voor het plan wordt door initiatiefnemer een afdracht gedaan in het vereveningsfonds van de gemeente. Hiervoor zijn afspraken gemaakt tussen initiatiefnemer en gemeente.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Utrecht
Het plan is in het kader van vooroverleg aan de provincie toegezonden. De provincie stemt in met de beoogde ontwikkeling. 9.1.3
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
De watertoets heeft plaatsgevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een positief wateradvies van het waterschap. Daarvoor wordt verwezen naar de watertoetsprocedure opgenomen in paragraaf 6.2.
9.2
Inspraak
In het proces voor dit principeverzoek is participatie een zeer belangrijk punt. De plannen worden in uitvoerig overleg met de buurt afgestemd en opgesteld. Initiatiefnemer heeft hiervoor een adviesbureau Lokahi ingeschakeld. Dit bureau begeleidt initiatiefnemer op het gebied van participatie. Het participatieverslag, is als bijlage 16 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste conclusie en resultaat va het participatieproject ingegaan. Het participatietraject, om te komen tot een gedragen ontwerp voor de herontwikkeling Plashoeve-terrein, is in een afrondende fase. Uiteraard blijft de initiatiefnemer structureel met de buurt communiceren. Niet alleen in de besluitvormingsfase, maar ook in de uitvoeringsfase. Ook blijft het projectteam in gesprek met de woordvoerders, die de verschillende bewonersgroepen vertegenwoordigen, tijdens de verdere (veelal technische) uitwerking van het plan voor de herontwikkeling. De initiatiefnemer JeeGee Vastgoed en de projectpartners blikken terug op een intensief en vruchtbaar participatietraject. Een proces waarin veel tijd en energie is gestoken. De betrokkenheid van de omgeving bij het ontwikkelen van een passend plan voor het Plashoeve-terrein is groot.
Ervaringen in het verleden met een andere initiatiefnemer tijdens planvorming voor herontwikkeling van het terrein, heeft geleid tot zorgen en in eerste instantie beperkt vertrouwen in een succesvolle herontwikkeling. We concluderen dat omwonenden de mogelijkheid om actief mee te denken over de herontwikkeling volop hebben benut. Met de vertegenwoordigers van de bewonersgroepen zijn op meerdere momenten constructieve en positieve gesprekken gevoerd. Uiteraard zijn er gedurende het proces ook zorgen geuit. Door hierover in gesprek te gaan en goed naar elkaar te luisteren, is er gezamenlijk gezocht naar passende oplossingen. JeeGee Vastgoed verwacht met het voorliggende plan dan ook tegemoet te komen aan zorgen, wensen en behoeften van omwonenden. Het is nu aan de gemeenteraad om een besluit te nemen over het al dan niet goedkeuren van het bestemmingsplan. Wij hopen van harte dat de gemeente de betrokkenheid en de mening van de omgeving meeneemt in hun overwegingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
65
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
9.3
Zienswijzen
Het bestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode zijn er verscheidene zienswijzen ingediend. Deze hebben geleid tot enkele wijzigingen in de plannen. In bijlage 17 is hier nader op ingegaan in de ‘Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen’. Het vooroverleg is hiermee afgerond.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
66
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
67
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
Bijlage 1
Stedenbouwkundige onderbouwing
Bijlage 2
Parkeeronderzoek
Bijlage 3
Aanvullend parkeeronderzoek
Bijlage 4
Bezonningsstudie
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 6
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 7
Nader bodemonderzoek
Bijlage 8
Actualiserend vooronderzoek bodem
Bijlage 9
Stikstofberekening
Bijlage 10
Stikstofberekening – projectberekening aanlegfase
Bijlage 11
Stikstofberekening – projectberekening gebruiksfase
Bijlage 12
Quickscan ecologie
Bijlage 13
Nader ecologisch onderzoek
Bijlage 14
Archeologisch onderzoek
Bijlage 15
Vormvrije m.e.r.-notitie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
68
Bestemmingsplan Vinkeveen, Baambrugse Zuwe 167 Vastgesteld
Bijlage 16
Verslag participatie
Bijlage 17
Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
69