Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Ter Aase Zuwe 3c, 3d & 5
Tekst van het document
bestemmingsplan
Ter Aase Zuwe 3c, 3d en 5, Vinkeveen Gemeente De Ronde Venen
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0736.BPP043TZuwe3cden5-va01
Datum:
11 maart 2024
Contactpersoon Buro SRO:
F. M. Polderman | J .J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR2200014
Opdrachtgever:
Mevr. Van Rijn en Dhr. Fokker
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 20 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 20 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 21 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 23 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 24 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
29 4.8 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 30 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 31 4.10 Verkeer en Parkeren ....................................................................................................................................... 34
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 36 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 36 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 36 5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen .......................................................................................................... 38
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 39 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 40 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 7.2 Vooroverleg en inspraak ................................................................................................................................... 40 7.3 Zienswijze .......................................................................................................................................................... 40
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn voornemens de percelen horende bij Ter Aase Zuwe 3c, 3d en 5 opnieuw in te richten. Het plangebied bestaat uit twee percelen met woningen en agrarische bebouwing. Het voornemen bestaat om de bestaande agrarische bebouwing op de percelen te slopen om hier vervolgens twee extra woningen te realiseren. In totaal komt daarmee het aantal woningen in het plangebied op vier te liggen. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied-West', vastgesteld op 21 februari 2019. Binnen het plangebied gelden de bestemmingen 'Wonen', 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' en 'Tuin Landschappelijk'. Tevens geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied'. Binnen de bestemming 'Wonen' is een bouwvlak opgenomen. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Het realiseren van de beoogde woningen is volgens het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Derhalve dient er voor de beoogde ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan gerealiseerd te worden. Het bouwen van een extra woning is mogelijk indien alle bedrijfsgebouwen, geen kassen zijnde, met oppervlakte groter dan 750 m² worden gesloopt. Dit is enkel voor het perceel aan de Ter Aase Zuwe 3c en d het geval. Op het tweede perceel, aan de Ter Aase Zuwe 5, wordt niet voldoende bebouwing gesloopt.
In het kader van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit krijgt het oostelijke deel van het perceel, met een oppervlakte van 40.000 m² een natuurbestemming. Het aanvullen van sloopmeters door het toevoegen van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering is in overeenstemming met het provinciaal beleid en als initiatief door de gemeente De Ronde Venen omarmd.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan Ter Aase Zuwe 3c, 3d en 5, ten zuiden van de kern Vinkeveen binnen de gemeente De Ronde Venen. De Ter Aase Zuwe betreft een lange weg die leidt door de polder Demmerik. De polder wordt gekenmerkt door de karakteristieke strokenverkaveling, welke duidelijk zichtbaar is. De percelen horende bij het plangebied zijn kadastraal bekend onder de percelen 119, 418, 419, 459, 693, 694, 515, en 516 sectie G.
5
Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied, rode omkadering (bron: Google Maps)
Globale begrenzing plangebied rode omkadering, (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het geldend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied-West', vastgesteld op 21 februari 2019 door de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen. Op 23 februari 2023 is de '1e herziening Buitengebied-West' door de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen vastgesteld.
6
De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied-West', plangrenzen binnen witte kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Wonen', 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' en 'Tuin - Landschappelijk'. Tevens gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b', 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 3' en 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 6'. De hiervoor aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. Verder geldt de gebiedsaanduiding 'milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie'. Hiervoor geldt dat bodembewerkingen in agrarische bestemmingen, die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, niet zijn toegestaan. Aan de west- en noordzijde, grenzend aan het plangebied, is de bestemming 'Natuur' gelegen, horende bij natuurgebied Demmerik. Met de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied-West’ is de voormalige agrarische bedrijfswoning reeds als burgerwoning bestemd. Binnen de bestemming 'Wonen' is een bouwvlak opgenomen.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de Ter Aase Zuwe 3c, 3d en 5 te Vinkeveen. De Ter Aase Zuwe is een weg met weinig bebouwing, landbouwgronden zijn typerend voor deze buurt. Bij de kruising bij Donkereind, ten westen van het plangebied, is een aantal bedrijven gevestigd. Op het naastgelegen perceel aan de westzijde staan een aantal bedrijfsgebouwen die behoren bij Ter Aase Zuwe 3. Aan de noordkant grenst het plangebied aan natuurgebied Demmerik, een gebied dat als natuurreservaat is ingericht voor weidevogelen draslandnatuur. Ten westen van het plangebied ligt een toegangsweg vanaf de Ter Aase Zuwe naar het achtergelegen natuurgebied Demmerik. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie weer.
Impressie plangebied (bron: google streetview)
Ter Aase Zuwe 3c en 3d Het meest westelijke perceel, met Ter Aase Zuwe 3c en 3d, betreft het voormalige agrarisch perceel met daarop een tweetal gebouwen gelegen. In de huidige situatie staat midden op de kavel een burgerwoning met een oppervlakte van 150 m². Ten oosten van de woning bevindt zich een grote agrarische schuur van 896 m², horende bij het voormalig agrarisch bedrijf. De burgerwoning, gelegen op het adres Ter Aase Zuwe 3c, is gebouwd in 2010 en is nog in zeer goede staat. Ter Aase Zuwe 5 Het perceel gelegen aan de Ter Aase Zuwe 5 betreft een agrarische perceel met een bedrijfswoning en agrarische bedrijfsbebouwing. De woning is gebouwd in 1973. Het gebied ten oosten van de bestaande bebouwing heeft momenteel nog een agrarische functie. Het naastgelegen perceel wordt verpacht aan een boer.
8
Onderstaande afbeelding toont de huidige bebouwing op de Ter Aase Zuwe 5.
Situatietekening bestaand Ter Aase Zuwe 5
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemers zijn voornemens om in totaal twee nieuwe woningen in het plangebied te realiseren. Echter dient eerst de bestaande agrarische bebouwing op de percelen gesloopt te worden. De beoogde ontwikkeling bestaat uit twee locaties. Onderstaand wordt per locatie het initiatief besproken. Onderstaande afbeelding toont een situatietekening de ontwikkeling
Situatietekening beoogde ontwikkeling Ter Aase Zuwe 3-5
9
Ter Aase Zuwe 3c en 3d Op het perceel dient de in onbruik geraakte voormalige agrarische schuur, met een oppervlakte van circa 900 m², gesloopt te worden. Hiervoor in de plaats wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Door het slopen van de schuur ontstaat er meer openheid, wordt het doorzicht tussen de gebouwen groter en wordt er een storend element (omvangrijke schuur) in het landschap opgeruimd. Bovenstaande tekening geeft de toekomstige situatie weer. Ter Aase Zuwe 5 Op de locatie aan de Ter Aase Zuwe wordt eerst de bestaande agrarische bebouwing gesloopt. Momenteel staan er nog drie gebouwen nabij de woning. Door de sloop van de agrarische bebouwing blijft er op het perceel enkel een voormalige bedrijfswoning over. Met de beoogde ontwikkeling wordt ter plaatse van de meest oostelijk gelegen schuur een nieuwe woning gerealiseerd. Direct naast de bestaande woning wordt beoogd een bijgebouw te realiseren, op de fundering van de gesloopte schuur ter plaatse. Het bijgebouw krijgt een oppervlakte van maximaal 50 m². De rest van het plangebied met een oppervlakte van ruim 40.000 m², wat momenteel nog een agrarische functie heeft, zal een natuurbestemming krijgen om zo een natuurverbinding te vormen met het natuurgebied Groot Wilnis-Vinkeveen. Stedenbouwkundige opzet Het plangebied kan opgedeeld worden in drie delen.
Aan de westzijde van het plangebied wordt een strook naast het toegangspad van Demmerik als klein natuurgebied ingericht. Ten midden van het plangebied komen de woningen. De rest van het plangebied, de oostzijde, wordt ingericht als natuur. Op de plek van de schuur wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. De tweede woning komt achter de meest oostelijke schuur te liggen. Ten opzichte van de huidige situatie wordt het bouwvolume kleiner en vriendelijker qua uitstraling, hierdoor zal het doorzicht naar het aan de noordzijde gelegen natuurgebied worden vergroot. De beoogde woningen zullen bestaan uit één laag en kap. De uitstraling is ingetogen en landelijk. De beoogde woningen komen afwisselend te liggen ten aanzien van de Ter Aase Zuwe. Ten behoeve van een geleidelijke overgang tussen het woonperceel aan Ter Aase Zuwe 3c en het westelijke gelegen natuurbestemming is een strook van 15 m bestemd voor 'Tuin - Landschappelijk'. De bestemming 'Tuin-Landschappelijk' is van belang om de openheid en het groene beeld met beperkte hoeveelheid verharding te garanderen. De bestemming 'Wonen' biedt meer mogelijkheden voor verharding, hogere bijgebouwen en erfafscheidingen. Met het voorgenomen plan is er sprake van een iets bredere zijtuin dan in huidige situatie, echter is het groene beeld en de openheid gegarandeerd in de regels van bestemming 'Tuin - Landschappelijk'.
Hierbinnen zijn enkel bouwwerken toegestaan in de vorm van erfafscheidingen, met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m. Aan de oostzijde van het plangebied komt een gebied van ca. 40.000 m² vrij voor natuurontwikkeling. Dit wordt omgevormd naar natuurgebied. Voor de invulling van het natuurgebied wordt aangesloten op het Natuurplan Demmerik. De naastgelegen en achterliggende kavels worden, in het kader van natuurgebied Demmerik, ingericht als weidevogelgraslanden afgewisseld met nat schraalland, vochtig hooiland en plas dras stroken in samenhang met natuurvriendelijke oevers. Het gebied van 40.000 m² krijgt eenzelfde invulling. Met de beoogde ontwikkeling is het mogelijk om, met een gedeelte van het perceel, aan te sluiten bij het natuurgebied Demmerik en dit natuurgebied een extra impuls te geven. Met het voorgenomen plan grenst het natuurgebied direct aan de openbare weg, de Ter Aase Zuwe. Door de ligging aan de openbare weg wordt het gebied meer beleefbaar en zichtbaar voor de recreant en geïnteresseerden, dit zorgt voor een betere ervaring van natuurgebied Demmerik. In toelichting paragraaf 3.3.4 wordt verder ingegaan op de ligging binnen het natuurgebied Demmerik. Het meest westelijke gedeelte van het plangebied krijgt tevens een natuurbestemming.
Het bestaande beheerpad aan de westzijde van het perceel blijft gehandhaafd en kan ook gebruikt worden voor het beheer van dit perceel. De eigenaar van het perceel horende bij de Ter Aase Zuwe 3c is verantwoordelijk voor het beheer van het natuurgebied in het westelijke deel van het plangebied. Het oostelijke deel van het plangebied krijgt tevens een natuurbestemming. Er is reeds een plan opgesteld voor de inrichting en onderhoud van dit deel van het plangebied door de provincie Utrecht in samenwerking met de eigenaar van Ter Aase Zuwe 5. Dit plan is als bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
10
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.4 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en januari 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied van de voorliggende ontwikkeling ligt niet binnen één van de 14 beschreven onderwerpen uit het Barro. Het Barro is daarmee niet van toepassing op het plangebied.
11
3.1.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.
het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich aan de rand van het 'beperkingengebied' van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' (LIB). Het plangebied valt echter buiten het gebied waar een beperking voor bebouwing geldt. Voor het plangebied geldt wel een maatgevende toetshoogte van maximaal 146 meter NAP. De toetshoogte wordt met de beoogde ontwikkeling niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling veroorzaakt. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van twee woningen, waar in de huidige situatie agrarische bedrijfsbebouwing staat. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling kan de ontwikkeling als een niet stedelijke ontwikkeling worden gezien. Derhalve is het niet noodzakelijk om het plan te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
12
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek De voor dit plan relevante kaartlagen van de Omgevingsvisie provincie Utrecht worden hierna besproken. De kaartlaag 'Provincie Utrecht CO2 neutraal' geldt voor de gehele provincie. Met de beoogde ontwikkeling worden twee woningen gerealiseerd. De woningen zullen gasloos worden gerealiseerd. Mogelijk kan er gedacht worden aan het opwekken van energie door middel van het dak. Ander belangrijk onderdeel van de duurzame leefomgeving is gezondheid. De provincie streeft ernaar dat iedereen in de provincie Utrecht in een gezonde leefomgeving woont, werkt en recreëert. Dit is een belangrijke voorwaarde om een economische topregio te kunnen zijn. Goed wonen en schone lucht, water en bodem zijn aspecten die hierbij van belang kunnen zijn. Uit toelichting hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving. Een deel in het oosten van het plangebied is gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie stimuleert het verbeteren van de natuurkwaliteit binnen en buiten het NNN. Om te komen tot een goede natuurkwaliteit is een goed natuurbeheer en het verbeteren van de abiotische condities van essentieel belang. één groot deel van het perceel, in totaal 40.000 m², krijgt met de beoogde ontwikkeling een
13
natuurbestemming en wordt verbonden met het nabijgelegen natuurgebied. De ontwikkeling ziet dan ook toe op een grote verbetering van de natuur ter plaatse. Momenteel heeft het perceel namelijk nog een agrarische functie. Het toevoegen een van de gronden aan het nabijgelegen natuurgebied ziet toe op een verbetering van het NNN. De beoogde ontwikkeling is daarmee dan ook in lijn met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten.
Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsverordening wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.
Planspecifiek Overstroombaar gebied Op kaart 3 'Watersysteem kaart 2' staat aangeven dat het plangebied in overstroombaar gebied ligt. Daarbij wordt in artikel 2.10 gesteld dat er rekening gehouden moet worden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks geldt dit ook voor individuele woningen en bedrijven. Het plangebied ligt binnendijks waardoor dit artikel voor onderhavig plan niet van toepassing is. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Op kaart 12 ‘Natuur kaart 1' staat aangeven dat het plangebied in het Natuurnetwerk Nederland. Wanneer er met een ontwikkeling sprake is van aantasting van het NNN dient dit gecompenseerd te worden. De beoogde woning komt ter plaatse van een bestaande schuur. Tevens is er voor het gehele gebied een bouwvlak opgenomen. De beoogde ontwikkeling van de woning zal niet het NNN verder aantasten. Compensatie is dan ook niet benodigd.
14
Landschap Groene Hart Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 lid 2 van de Omgevingsverordening dat een ruimtelijk besluit voor gronden bestemmingen en regels moet bevatten ter bescherming van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten. Artikel 7.9 lid 3 van de Omgevingsverordening stelt dat deze gronden geen nieuwe bestemmingen en regels mag bevatten die leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten. De provincie hanteert de volgende kernkwaliteiten voor het Groene Hart:
• • • •
openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.
Voorliggend plan bevat de realisatie van twee woningen. De bestaande bebouwing, op de bestaande woningen na, wordt in de huidige situatie gesloopt. De ontwikkeling ziet toe op een verbetering op de kernkwaliteiten van het landschap. De openheid wordt verbeterd door de sloop van de bestaande bebouwing. Het toevoegen van het oostelijk deel van het plangebied aan de noordelijk gelegen natuurgebied betekent extra bescherming van het weidekarakter. Er zijn verder geen landschappelijke kwaliteiten of groen op het plangebied aanwezig die met de ontwikkeling worden aangetast. Geconcludeerd wordt dat er geen kernkwaliteiten worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de Omgevingsverordening. CHS - agrarisch cultuurlandschap Volgens kaart 15 van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht blijkt dat het plangebied gelegen is in agrarisch cultuurlandschap. De cultuurhistorische waarde van het agrarisch cultuurlandschap ligt vooral in (1) de aanwezige ontginningsstructuur en de ontginningsrichting; (2) de structuur, maatvoering, kenmerken en karakter van de boerderijlinten; (3) het waterbeheersingssysteem. De beoogde ontwikkeling ziet toe op het slopen van bestaande agrarische bebouwing, het toevoegen van twee woningen en het bestemmen van het oostelijke deel van het plangebied als 'Natuur'.
De ontwikkeling ziet niet to op een aanpassing in de structuur van het plangebied. Daarmee wordt de cultuurhistorische waarde verder niet aangetast. Landelijk gebied Het plangebied is gelegen in landelijk gebied. In artikel 9.11 van de Omgevingsverordening wordt gesteld dat een bestemmingplan woningbouw mogelijk kan maken van de 'ruimte-voor-ruimte-regeling'. Hierbij dient minstens 750 m² aan bedrijfsbebouwing voor één extra woning gesloopt te worden. Voor het perceel gelegen aan de Ter Aase Zuwe 3c en 3d, wordt de bestaande schuur met een oppervlakte van 900 m² gesloopt. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden van de artikel 9.11 van de Omgevingsverordening. Voor het perceel gelegen aan de Ter Aase Zuwe wordt niet genoeg bedrijfsbebouwing gesloopt. In artikel 9.11 kan hiervan worden afgeweken mits de ontwikkeling leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit. Om hieraan te voldoen krijgt het oostelijke deel van het plangebied, met een oppervlakte van 40.000 m² een natuurbestemming. Het perceel zal daarmee aansluiten op het noordelijke gelegen natuurgebied Groot Wilnis-Vinkeveen. Het plangebied valt niet binnen andere relevante gebieden van de Omgevingsverordening. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.
15
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030 De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld. Op 29 september 2021 is een aanvulling op de structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie gaat er vanuit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. Initiatieven worden ondersteund. Planspecifiek Voorliggend plan maakt de sloop van de voormalige agrarische bebouwing, het toevoegen van twee woningen en natuurontwikkeling mogelijk. Het initiatief heeft daarmee hoofdzakelijk raakvlakken met de structuurvisie op het gebied van wonen, landschappelijke kwaliteit en natuur. Wonen In de structuurvisie staat het volgende beschreven met betrekking tot de bescherming van het buitengebied: "Om de kwaliteiten van het buitengebied te beschermen wordt bij ontwikkelingen in eerste instantie gekeken naar de mogelijkheden binnen de zogenoemde rode contour." In het algemeen staat bij nieuwbouw de focus op kwaliteit voorop. Onderhavig plan betreft de realisatie van twee vrijstaande woningen buiten de rode contour, maar daarvoor in de plaats wordt wel 1.300 m² aan agrarische bebouwing ter plaatse gesloopt. De ontwikkeling leidt tot een afname aan bebouwing in het buitengebied.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in het buitengebied plaatsvindt, maar dat er wel sprake is van kwaliteitswinst door de toevoeging van 40.000 m² aan natuur. Daarmee wordt voldaan aan de ambitie van de gemeente. Natuur Het gebied valt binnen het Natuurnetwerk Nederland en het natuurgebied Demmerik. Dit betekent dat de aanwezige biodiversiteit en ecologische waarden in de bestaande natuur worden beschermd en waar mogelijk versterkt. Met de natuurontwikkeling van het oostelijke deel van het plangebied wordt in positieve zin bijgedragen aan de kwaliteit van de natuur in de omgeving. Landschappelijke kwaliteit De landschappelijke context speelt een belangrijke rol bij ontwikkelingen in het landschap. De openheid dient bewaard te worden en de karakteristieken van dit landschap, de randen en linten, moeten zichtbaar blijven. Een ontwikkeling moet bijdragen aan de kwaliteit van het landschap. Zoals reeds beschreven in toelichting paragraaf 2.2 wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan het behouden en versterken van het landschap. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de ambities van de gemeente zoals beschreven in de Structuurvisie 2030.
3.3.2 Spoorboekje naar een Klimaatneutrale gemeente in 2040 Op 20 april 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen het 'Spoorboekje naar een Klimaatneutrale gemeente in 2040' vastgesteld. Dit beleidsdocument is het product van de motie aangenomen in juni 2016 waarin aan het college is opgedragen om met een programma te komen met het doel de gemeente in 2040 een klimaatneutrale gemeente te laten zijn. Onder klimaatneutraal verstaat de gemeente: “dat alle activiteiten en processen op het gemeentelijk grondgebied geen bijdrage meer leveren aan klimaatverandering in de vorm van CO2-uitstoot”. Om dit te bereiken zijn in het spoorboekje actieve werkwijzen opgenomen met bijbehorende heldere en haalbare werksporen. Geconcludeerd wordt dat nader onderzoek, afstemming en verdieping nodig is om te bepalen met welke vormen van bronnen (wind, zon, biomassa, geothermie) het beste duurzame elektriciteit en warmte kan worden opgewekt.
16
De ambitie van de gemeente (het feitelijke spoorboekje) kan vervat worden in de volgende twee doelen: 1.
2.
"Sleutel tot een succesvolle realisatie is het activeren van de kracht van de gemeenschap. Dit vraagt om een werkwijze die is gebaseerd op het creëren van bewustwording en het verleiden van de gemeenschap om mee te doen, goede voorbeelden laten zien en trots zijn op bereikte resultaten. Dit vraagt om een aanpak die zowel een stevige en betekenisvolle start maakt en gelijktijdig nadenkt over te zetten grotere vervolgstappen (2 sporen aanpak). Om te komen tot een stevige en betekenisvolle start (spoor 1: Duurzame meters maken) en alvast verdere stappen voor te bereiden (spoor 2: Duurzame meters voorbereiden) is het noodzakelijk om een uitbreiding te maken in de gemeentelijk inzet en hiervoor extra capaciteit en middelen vrij te maken."
Aanvullend op het Spoorboekje heeft de gemeenteraad op 22 februari 2018 kennis genomen van het Transitieplan Elektriciteit. In het transitieontwerp wordt het doel gesteld om de besluitvorming rondom de opwekking van elektriciteit voor te bereiden en daarmee bij te dragen aan een klimaatneutrale gemeente met 100% duurzame elektriciteit. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van twee vrijstaande woningen planologisch mogelijk. Bij de uitwerking van deze woningen dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheidsambities van de gemeente De Ronde Venen. Het voornemen is onder andere materialen van de bestaande bebouwing te hergebruiken ten behoeve van de nieuwe woningen. Bij de verdere planuitwerking zal gekeken worden welke aanvullende duurzaamheidsmaatregelen nog in te passen zijn. Hiermee sluit het project aan op het gemeentelijk beleid voor duurzaam bouwen. 3.3.3 Woonvisie 2025 De Ronde Venen De Ronde Venen wil een vitale gemeente blijven: een bevolking die op peil blijft, met een gezonde samenstelling van jong en oud. Hiertoe wil de gemeente de woningen en woonomgeving zo goed mogelijk aan laten sluiten op de woonwensen en woningbehoefte van de inwoners. De woonvoorraad sluit nu onvoldoende aan bij de woonwensen van de inwoners. Mede hierdoor is er een gebrek aan doorstroming.
De visie richt zich op het bouwen van nieuwe woonmilieus om daarmee de doorstroming te bevorderen. Het richt zich dan ook op de kwaliteit van wonen in de gemeente. Naast woningen zelf zijn voorzieningen zoals winkels, scholen en zorgvoorzieningen belangrijke voorwaarden voor de kwaliteit van wonen in De Ronde Venen. Grondgebonden koopwoningen In de periode 2016-2025 komen er circa 1.200 huishoudens bij volgens de Primos prognose 2015. Als alle huishoudens in 2025 (naar leeftijd, type en inkomen) op een gelijke wijze moeten kunnen wonen als de huishoudens van nu, dan ligt de grootste opgave in de koopsector. De behoefte aan grondgebonden koopwoningen in elk scenario het grootst. In de periode tot 2025 varieert deze toename van 600 woningen bij de economische negatieve variant tot 890 woningen bij de economische positieve variant. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt het bouwen van twee vrijstaande woningen mogelijk. Uit de Woonvisie blijkt dat er een behoefte bestaat naar dit type woningen. Met de kleinschalige ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de vraag naar grondgebonden woningen. 3.3.4 Landschapsnota De Ronde Venen 2030 Het landschap van de Groene Hart gemeente De Ronde Venen wordt gekenmerkt door oude verkavelingspatronen, kleinschalige lintbebouwing en door het landschap lopende rivieren en dijken met in het centrum plassen en legakkers.
Daarnaast telt de gemeente zes forten van de Stelling van Amsterdam wat is opgenomen als UNESCO-werelderfgoed. Om de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden te behouden en versterken heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen op 5 juni 2014 de Landschapsnota De Ronde Venen 2030 vastgesteld. In de nota is het beleid omtrent de omgang
17
met landschappelijke waarden beschreven, in de Structuurvisie De Ronde Venen 2030 en de Woonvisie visie zijn de gewenste ontwikkelingen weergegeven (zie voorgaande paragraven van voorliggend hoofdstuk). Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. Bij deze toetsing dienen initiatiefnemers een stappenplan te doorlopen, de zogenaamde landschapstoets. De Landschapsnota dient primair als uitwerking van het beleid wat is vastgesteld in de Structuurvisie. De Landschapsnota is daarom, net als de Structuurvisie, geldig tot 2030. Elke vijf jaar na de vaststelling van de Landschapsnota vindt een evaluatie plaats. Deelgebiedenkaart en deelgebiedenbeschrijving Op de deelgebiedenkaart en bijbehorende beschrijvingen is weergegeven welke landschappelijke waarden en kenmerken aanwezig zijn en welk (landschappelijk) beleid uit de Structuurvisie van de Ronde Venen van toepassing is op dit deelgebied. Om de verschillende waarden en visies op het grondgebied van De Ronde Venen te duiden, is het gebied van De Ronde Venen opgedeeld in negen deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 4: Veen: landbouw, natuur (EHS), Groot Wilnis Vinkeveen.
Uitsnede Landschapsbeleidskaart(plangebied is rood omcirkeld
Het plangebied is aangemerkt met het kenmerk 'openheid' en 'verkaveling middeleeuws'. Openheid Openheid is het belangrijkste kenmerk van het landschap in De Ronde Venen, vooral dankzij de veeteelt. De landbouw vormt de drager van de kernkwaliteit openheid, die onlosmakelijk verbonden is met het veenweidelandschap en de droogmakerijen. Lijnstructuren zoals dijken en infrastructuur, maar ook lintbebouwing, zorgen langs de randen van deze landschappen voor contrasten in de beleving. Doorzichten op het landschap vanuit de lintbebouwing zijn van groot belang voor de beleving van de openheid. Linten en beplante lijnstructuren zoals kaden en dijken geven letterlijk richting(en) aan de openheid. Tussen lijnelementen zoals water, wegen en dijken moet de bestaande openheid bewaard blijven.
18
Middeleeuwse verkaveling Het oudste type verkaveling is de middeleeuwse verkaveling. Deze is tot stand gekomen tijdens de ontginning van het veengebied van De Ronde Venen in de vroege middeleeuwen. In het westen van De Ronde Venen is dat een opstrekkende, of sterverkaveling, gericht op een middelpunt, nu liggend nabij de kruising N212-Mijdrechtsedwarsweg. Nadat de bebouwingslinten waren gerealiseerd is er ook vanuit deze linten ontgonnen. In het gebied rond Abcoude is veelal sprake van middeleeuwse blokverkaveling, in plaats van een opstrekkende verkaveling, wat mede te maken heeft met de (voormalige) ligging van de rivieren daar. De bestaande middeleeuwse verkaveling is van grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde en moet maximaal behouden worden. Dit betekent dat het dempen, vergraven of aanleggen van watergangen over een lengte van meer dan 10 meter vergunningplichtig is. Het afgraven van veen is altijd vergunningplichtig. Dit heeft namelijk een transformerende werking op het landschap, doordat een grondlaag wordt verwijderd die gedurende vele eeuwen is opgebouwd, en bovendien niet omkeerbaar is. Planspecifiek Met de sloop van de voormalige agrarische schuren en het bouwen van de woningen wordt een bijdrage geleverd aan de beleving van het landschap. De beoogde woningen krijgen een aanzienlijk kleiner volume dan de bestaande bebouwing.
Dit komt ten goede van de doorzichten op het achtergelegen natuurgebied Demmerik en daarmee de openheid van het plangebied. De lijnstructuren en de middeleeuwse verkaveling worden met de beoogde ontwikkeling in stand gehouden en verder niet aangetast. Het noordelijke deel ter plaatse van de woningen krijgt een natuurvriendelijke oever. Het oostelijke deel van het plangebied wordt heringericht als natuurgebied. Hiervoor is een plan opgesteld welke als bijlage bij de planregels van dit bestemmingsplan is toegevoegd. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling aansluit met de landschapsnota. De beoogde ontwikkeling komt ten goede van de openheid en het middeleeuwse verkavelingspatroon wordt met de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling in is lijn met het Landschapsnota De Ronde Venen 2030.
19
4 Milieu- en omgevingsaspecten In een ruimtelijke onderbouwing moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Van belang is te weten of een planvoornemen in overeenstemming is met wettelijke normen. Er wordt aandacht besteed aan de volgende thema's: 1. Milieueffectenrapportage; 2. Bodem; 3. Geluid; 4. Milieuzonering; 5. Luchtkwaliteit; 6. Externe veiligheid; 7. Ecologie; 8. Archeologie en cultuurhistorie; 9. Waterhuishouding; 10. Verkeer en Parkeren.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
20
Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met de beoogde ontwikkeling worden twee extra woningen gerealiseerd. De nieuwe woningen worden conform BENG gebouwd. Er zullen duurzame en niet uitlogende materialen worden gebruikt en afval wordt gescheiden afgevoerd. Het is de standaard bij gemeente De Ronde Venen om met bestemmingsplanprocedures een vormvrije m.e.r. notitie op te stellen. Een aanmeldnotitie is als bijlage bij dit bestemmingsplan toegevoegd (Buro SRO, d.d. 22 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). In het kader van dit ruimtelijk plan zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht.
Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden twee woningen gerealiseerd. Voor een deel van het plangebied is sprake van een wijziging naar strenger gebruik. Derhalve dient er voor de locatie bodemonderzoek plaats te vinden. Ter Aase Zuwe 3c en d Voor het perceel gelegen aan de Ter Aase Zuwe 3c en d is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Linge Milieu bv, Verkennend bodemonderzoek incl. asbest, d.d. 14 mei 2018, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).
21
Grond Er zijn twee mengmonsters van de bovengrond samengesteld. Alle bovengrond van het perceel, wel of niet puinhoudend, wordt als toemaakdek-grond beschouwd. De bovengrond van vier boringen ten westen van de stal is licht puinhoudend. Deze bovengrond is licht verontreinigd met lood, zink en PAK. In de bovengrond van vier boringen ten oosten van de stal is geen puin van betekenis waargenomen. In het mengmonster van deze boringen wordt echter voor lood de tussenwaarde overschreden. In de ondergrond is geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket boven de tussenwaarde verhoogd. Ernst en omvang verontreiniging lood De vier boringen van het matig met lood verontreinigde mengmonster zijn individueel geanalyseerd. De bovengrond van twee van de vier boring blijkt sterk verontreinigd met het metaal. Het criterium voor een geval van ernstige bodemverontreiniging is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³. Over de ernst en omvang van de verontreiniging op het terrein aan de Ter Aase Zuwe kan het volgende worden opgemerkt.
•
Het lood is vermoedelijk gerelateerd aan opgebrachte grond (toemaakdek) en niet zozeer aan puin,
• •
Verontreiniging met immobiele metalen is vaak heterogeen van aard. De kans dat de sterk verhoogde gehaltes op het terrein worden afgeperkt wordt gezien het toemaakdek in de regio beperkt geacht.
Asbest Het asbest-onderzoek betreft de puinhoudende bovengrond aan de westkant van de stal, de onverharde gootlijn ten oosten van de stal en het puinpad ten westen van het pand. Geconstateerd wordt dat asbest zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar is in de licht puinhoudende grond rond de woning en ter plaatse van de oprit. Grondwater Barium en ollie zijn als licht verhoogd in het grondwater. Het metaal barium is landelijk verhoogd en niet specifiek voor de locatie aan de Ter Aase Zuwe zelf. Voor het licht verhoogde olie is geen directe verklaring. Omdat de tussenwaarde niet wordt overschreden is er echter geen aanleiding voor verder onderzoek. Ter Aase Zuwe 5 Voor het perceel gelegen aan de Ter Aase Zuwe 5 is tevens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, Verkennend bodemonderzoek Ter Aase Zuwe 5, d.d. 8 maart 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er sterke verontreinigingen met lood, PAK, koper is aangetoond, evenals lichte verontreinigingen met overige zware metalen.
Omdat plaatselijk voor koper en voor PAK de interventiewaarde overschreden is en voor lood de tussenwaarde, is de uitvoering van een nader onderzoek noodzakelijk om de omvang en ernst van de verontreiniging in kaart te brengen en daarmee om vast te stellen of er sprake is van een saneringsnoodzaak in de zin van de Wet bodembescherming. Hiervan is sprake indien meer dan 25 m³ grond verontreinigd is met gehalten boven de interventiewaarden. Voor de planlocatie is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, d.d. 8 december 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8). In het oostelijke deel van het plangebied is ernstige bodemverontreiniging aangetroffen . Bij de voorgenomen herontwikkeling zullen sanerende maatregelen genomen moeten worden. Een sanering kan bestaan uit het verwijderen van de verontreiniging en/of het afdekken van de verontreiniging met een leeflaag of duurzame afdeklaag. Binnen de verontreiniging kan de verontreinigde grond worden herschikt. Eventuele overtollige grond dient te worden afgevoerd naar een vergunde grondreiniger. Conclusie Ter plaatse van Ter Aase Zuwe 3d is de sterk verhoogde lood in de bovengrond ten oosten van de stal mogelijk een belemmering voor de ontwikkeling. Om de locatie vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt te maken voor de toekomstige bestemmingen ('Wonen' en 'Tuin - Landschappelijk') dient de grond gesaneerd
22
te moeten worden. Er is hiervoor een saneringsplan noodzakelijk voordat de (bouw)werkzaamheden op het terrein kunnen worden uitgevoerd. De kosten welke gepaard gaan met de sanering van de gronden staan niet in de weg aan de realisatie van het plan. De eigenaar van het perceel horende bij de Ter Aase Zuwe 3d is verantwoordelijk voor saneren van de verontreinigde bodem. Als na sanering in de bodem nog gehalten lood hoger dan 200 mg per kilogram droge stof aanwezig is, gelden gebruiksadviezen (folder lood in bodem) om blootstelling aan lood zo veel mogelijk tegen te gaan. Ook ter plaatse van de Ter Aase Zuwe 5 is ernstige bodemverontreining met lood aangetroffen. Bij de voorgenomen herontwikkeling van de locatie zullen sanerende maatregelen moeten worden genomen. De kosten welke gepaard gaan met de sanering van de gronden staan niet in de weg aan de realisatie van het plan. De eigenaar van het perceel horende bij de Ter Aase Zuwe 3d is verantwoordelijk voor saneren van de verontreinigde bodem. De kosten van de sanering zullen niet de financiële haalbaarheid van het plan in het geding brengen. Voor grondverzet binnen het toemaakdek hanteert Gemeente De Ronde Venen specifiek bodembeleid. Door Provincie Utrecht is in 2013 een beleidsnota opgesteld over grondverzet van het toemaakdek. De nota wordt ook gehanteerd door Gemeente De Ronde Venen.
Niet schone grond van locaties met een agrarische bestemming mag onder voorwaarden binnen het gebied van het toemaakdek elders worden hergebruikt indien de kwaliteit van grond ten minste de klasse wonen is. Sterk verontreinigde grond die vrijkomt bij de sanering moeten worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
23
Planspecifiek De ontwikkeling ziet toe op het realiseren van twee woningen. Woningen zijn in het kader van de Wgh geluidsgevoelige objecten. In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante geluidsbronnen in de vorm van industrielawaai en spoorweglawaai. Wel is het plangebied gelegen binnen een onderzoekszone betreft wegverkeerslawaai. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Van Der Boom Advies, d.d. 16 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Toetsing Wet Geluidhinder en hogere waarden De geluidbelasting door wegverkeer op de Ter Aase Zuwe bedraagt ten hoogste 47 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Er zijn geen hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer. Toetsing RO Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. Aan dit toetsingskader kan worden voldaan zonder maatregelen De geluidbelasting door wegverkeer bedraagt ten hoogste 52 dB zonder aftrek. Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit.