Bijlage 1 Re-integratieverordening Participatiewet DRV 2023
Tekst van het document
RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET DE RONDE VENEN 2023
Intitulé De raad van de gemeente De Ronde Venen gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders (raadsvoorstel nr. 038090/2023 van 14 november 2023); gelet op de artikelen 8a eerste lid, aanhef en onderdelen a, c, d en e en tweede lid, en 10b lid 5 en lid 7 Participatiewet, en artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein De Ronde Venen d.d. 6 oktober 2023; besluit vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet De Ronde Venen 2023. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Waarom deze regels? 1. In De Ronde Venen vinden we het belangrijk dat: a. mensen actief mee kunnen doen in de samenleving of aan het werk kunnen gaan; b. mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; c. mensen hun geldzaken op orde hebben. 2. De gemeente moet haar inwoners daarbij helpen. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Zij gelden dus voor de gemeente De Ronde Venen. 3. De regels in deze verordening: a.
zijn opgesteld om de uitgangspunten die in artikel 3 staan beschreven, te bereiken en de moeilijkheden die inwoners kunnen hebben, op te lossen; b. zijn goed leesbaar; c. regelen niet meer dan nodig is; d. houden de administratie van gemeente en inwoners zo eenvoudig mogelijk; e. kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; f. zijn goed afgestemd op elkaar; g. respecteren de wetten, maar kunnen soms net even anders zijn als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen. 4. Bij het toepassen van de regels uit deze verordening, houdt de gemeente rekening met de doelen van de Participatiewet. De gemeente zorgt ervoor dat het besluit dat ze neemt, past bij die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: a. Mensgericht: inwoners voelen zich serieus genomen en merken dat er echt naar hen wordt geluisterd. b. Integraal: dit betekent volledig. De hulp is gericht op het zo snel, eenvoudig en duurzaam mogelijk oplossen van vragen en behoeften. c. Samen: inwoners en gemeente dragen samen de verantwoordelijkheid. 5. De gemeente De Ronde Venen wil vanuit deze kernwaarden het volgende bereiken: a. Het beperken van instroom in de bijstand; b. Het bevorderen van uitstroom uit de bijstand; c. Het bevorderen van participatie.
Artikel 2. Definities 1 Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz). In deze verordening wordt verstaan onder: a. Anw-ers: personen die op grond van de Algemene nabestaandewet een uitkering ontvangen. b. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 6 sub b Pw); c. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Pw; d. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; e. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen uit de doelgroep en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; f. Inlichtingenplicht: de verplichting om wijzigingen in de persoonlijke of werkgerelateerde sfeer die van invloed kunnen zijn op de voorziening te melden bij de gemeente conform art. 17 lid 1 van de Participatiewet, art 13 IOAW, art. 13 IOAZ; g.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; h. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; i. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtsreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; j. Niet-uitkeringsgerechtigden (Nugger): persoon als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder a van de Participatiewet; k. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; l. participatieladder: een meetinstrument waarmee je van iedere burger kunt vaststellen wat diens mate van (arbeids)participatie in de samenleving is. m. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; n. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; o.
sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie; p. startkwalificatie: een havo of vwo-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee; q. loonkostensubsidie: subsidie, zoals bedoeld in artikel 10d van de wet; r. tijdelijke loonkostensubsidie: tijdelijke financiële compensatie om de werkgever financieel in staat te stellen een geschikte kandidaat de gelegenheid te geven zich te ontwikkelen en te bewijzen in het werk, alsmede ter compensatie van de lagere arbeidsproductiviteit van de kandidaat en eventuele noodzakelijke begeleiding op de werkvloer; s. voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; t. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie;
u. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; v. wet: Participatiewet (afgekort Pw); w. WSP Groot-Amsterdam: een samenwerkingsverband van UWV en de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, De Ronde Venen en Uithoorn. Artikel 3. Uitgangspunten 1. Bij het aanbieden van voorzieningen op grond van deze verordening hanteert het college de volgende uitgangspunten: a. het doel van deze verordening is dat mensen betaald werk verkrijgen. Het kan daarbij gaan om voltijd of deeltijd werk. Het college sluit met de ondersteuning aan bij de kansen en mogelijkheden die inwoners van De Ronde Venen hebben; b. de doelgroep is in eerste instantie zelf verantwoordelijk om activiteiten te ontwikkelen, gericht op arbeidsinschakeling of, zolang dat niet mogelijk is, gericht op maatschappelijke participatie; c. de doelgroep is verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden; d. als het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid nog niet mogelijk is, worden voorzieningen aangeboden om belemmeringen met betrekking tot re-integratie weg te nemen; e.
voorzieningen worden aangeboden vanuit een integraal perspectief van duurzame zelfredzaamheid en het terugdringen van het beroep op een uitkering; f. indien volledige uitstroom naar het oordeel van het college nog geen reële mogelijkheid is, kan het college van de uitkeringsgerechtigde verlangen dat die (onbetaalde) activiteiten naar vermogen onderneemt. 2. Indien bijstand wordt verleend aan een gezin, behoren de meerderjarige gezinsleden ook tot de doelgroep. 3. Bij de inzet van re-integratievoorzieningen wordt prioriteit gegeven aan: a. die voorzieningen die naar het oordeel van het college het meest efficiënt zijn; b. bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op de inschakeling in de arbeid; c. een voorziening wordt slechts tijdelijk aangeboden. 4. Het college kan voorzieningen aanbieden aan personen die niet tot de doelgroep van deze verordening behoren. In beleidsregels kan het college groepen gelijkstellen met personen behorende tot de doelgroep. 5.
Het college draagt zorg voor goede en begrijpelijke informatie richting de belanghebbende over alle regels, rechten en plichten ten aanzien van re-integratiebedrijven en voorzieningen die onderdeel kunnen zijn van een re-integratietraject. 6. Inwoners worden gestimuleerd om hun mogelijkheden te ontdekken en te versterken. Het verkrijgen van betaald werk is daarbij het uitgangspunt. Daarbij streeft het college naar een optimale balans tussen het belang van de inwoner en het belang van de gemeente. De inwoner wordt hierbij vanuit een integraalperspectief benaderd richting werk. We waarborgen dat inwoners die (nog) niet kunnen werken (onderste treden op de participatieladder), niet tussen wal en schip belanden, maar passend worden ondersteund. 7. De wederzijdse afspraken worden schriftelijk vastgelegd en aan belanghebbende kenbaar gemaakt. 8. Het college houdt bij het aanbieden van de in de verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort
tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 9. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij het aanbieden van voorzieningen: a. mensen doen mee naar vermogen, rekening houdend met de loonwaarde en het vastgestelde arbeidsvermogen; b. werk staat voorop; c. re-integratie zoveel mogelijk gericht op reguliere werkzaamheden bij een werkgever; d. evenwichtige verdeling van inzet van re-integratievoorzieningen. 10. Bij de inzet van re-integratievoorzieningen wordt prioriteit gegeven aan tijdelijke voorzieningen die naar het oordeel van het college het meest efficiënt zijn om regulier werk te verkrijgen. HOOFDSTUK 2. BELEID EN EVALUATIE Artikel 4. Evenwichtige verdeling en evaluatie 1. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. 2. Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk.
Het verslag bevat in ieder geval het oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. 3. Het college verzamelt voor het verslag systematisch informatie over: a. indeling, stijging en daling van inwoners op de participatieladder; b. instroom/uitstroom op de participatieladder; c. gebruik van re-integratievoorzieningen; Artikel 5. Budgetplafonds 1. Het college kan één of meerdere budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. HOOFDSTUK 3. ARBEIDSVERPLICHTINGEN Artikel 6. Ontheffing van de arbeidsplicht 1. Belanghebbende wordt, op een daartoe strekkende schriftelijke aanvraag, geheel of gedeeltelijk ontheven van de arbeidsverplichting en de tegenprestatie voor zover dit noodzakelijk is als gevolg van: a. sociale of medisch/psychische redenen, voor zover sprake is van zodanige belemmeringen dat in redelijkheid niet gevergd kan worden dat belanghebbende geheel of gedeeltelijk voldoet aan de arbeids-en/of re-integratieverplichting, dit voor zo lang deze reden voortduurt en maximaal voor de duur van 12 maanden; b.
het verrichten van mantelzorg voor bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad of pleegkind(eren), voor het aantal uren van het voor werk beschikbare deel van de dag en voor zover de zorg onvermijdelijk is en redelijkerwijs slechts verricht kan worden door belanghebbende, tot zolang de noodzaak voortduurt en maximaal voor de duur van 12 maanden. Onder bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad wordt tevens begrepen de levenspartner waarmee een geregistreerd partnerschap (GP) is aangegaan of waarmee al langer dan een jaar duurzaam wordt samengewoond in gezinsverband.
2. De duur van de ontheffing als genoemd in het eerste lid kan verlengd worden, telkens met maximaal 12 maanden maar niet voordat zorgvuldig onderzoek daarnaar is verricht. 3. Belanghebbende moet aantonen dat er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 4. VOORZIENINGEN Artikel 7. Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden alsmede aan personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en voor zo ver het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. 2. Tot de doelgroep behoren de personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet. 3. Belanghebbende kan aanspraak maken op re-integratievoorzieningen die doelmatig zijn. 4. De personen, die een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen, kunnen naar het oordeel van het college aanspraak maken op middelen en voorzieningen uit het Participatiebudget als: a. de resterende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet 3 maanden of korter bedraagt, en b. de persoon op basis van een toets ingevolge de wet, IOAW of IOAZ naar alle waarschijnlijkheid op termijn in aanmerking komt voor een dergelijke uitkering. 5.
Niet-uitkeringsgerechtigden komen niet in aanmerking voor voorzieningen die een bijdrage leveren in de kosten levensonderhoud. 6. Niet-uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling onder voorwaarde dat: a. betrokkene werkloos is en ten minste drie maanden als werkzoekende staat ingeschreven bij UWV Werkbedrijf, én b. naar het oordeel van het college, binnen 12 maanden een reëel uitzicht op werk heeft; én c. het inkomen van de belanghebbende, en indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding van de belanghebbende en de ander tezamen, niet meer bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm indien de belanghebbende een uitkering op grond van de wet zou ontvangen; d. het vermogen van de belanghebbende, en indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding van de belanghebbende en de ander tezamen, niet meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens indien de belanghebbende een uitkering op grond van de wet zou ontvangen. 7. Bij een aanbod zoals bedoeld in het vijfde lid gelden de volgende voorwaarden: a. de ondersteuning bij arbeidsinschakeling moet binnen maximaal 1 jaar (12 maanden) uitzicht bieden op werk; b.
de aanvraag is niet gericht op positieverbetering; én c. Is een eerder ingezette voorziening verwijtbaar voortijdig beëindigd, dan is er gedurende maximaal 2 jaar geen recht op ondersteuning. 8. Indien belanghebbende niet of niet behoorlijk aan de verplichtingen van de wet en de verordening voldoet, kan het college bepalen geen re-integratievoorzieningen beschikbaar te stellen of lopende re-integratievoorzieningen te beëindigen. 9. Als een re-integratievoorziening is gestart, dient belanghebbende deze af te ronden. Alleen indien de belanghebbende duurzame arbeid heeft verworven of er sprake is van buitengewone omstandigheden en overleg heeft gehad met het college, kan hij de re-integratievoorziening voortijdig met toestemming van het college beëindigen. 10. Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen, naast re-integratiebedrijven, afspraken maken met derden, waaronder werkgevers.
11. Voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen, stelt het college ter nadere uitvoering van deze verordening in beleidsregels vast welke voorzieningen zij kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden. 12. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 13. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn inlichtingenplicht en arbeidsverplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b.
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 14. Indien het college een voorziening voortijdig beëindigd omdat deze voorziening niet geschikt is voor de betreffende persoon uit de doelgroep, kan inwoner zonder wachttijd terugvallen op zijn bijstandsuitkering. 15.
Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 16. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 17. In deze verordening zijn een aantal voorzieningen opgenomen in de vorm van een vergoeding, premie of subsidie. Een aantal daarvan moet worden aangemerkt als een subsidie bedoeld in artikel 4:21 van de Awb. Op deze voorzieningen is normaal gesproken de ‘Algemene Subsidieverordening De Ronde Venen’ van toepassing. Gezien het feit dat deze verordening een uitputtende regeling betreft, vervalt de ‘Algemene Subsidieverordening De Ronde Venen’ voor de voorzieningen genoemd in deze verordening.
Artikel 8. Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel 9. Tegenprestatie 1. Op grond van artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 IOAW en artikel 37 IOAZ is de belanghebbende verplicht naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van zes maanden per jaar gedurende maximaal 12 uur per week. 3. Geen tegenprestatie wordt opgelegd als de belanghebbende mantelzorg verricht. 4. Bij het opleggen van de tegenprestatie wordt rekening gehouden met de omstandigheden van belanghebbende. Tot de omstandigheden wordt in ieder geval gerekend: a. het verrichten van vrijwilligerswerk; b. het verrichten van arbeid in loondienst; c. het volgen van een zorg- of re-integratietraject; d. de duur van de werkloosheid. 5.
De op te leggen tegenprestatie moet aan vier eisen voldoen: a. de tegenprestatie is naar zijn aard niet direct gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie instrument; b. de tegenprestatie mag niet in de weg staan aan acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid of aan de re-integratie gericht op arbeidsinschakeling; c. de werkzaamheden zijn additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten; d. het mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Artikel 10. Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal 1. Het college kan aan een persoon ten aanzien van wie het redelijk vermoeden bestaat dat hij niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening aanbieden ter ondersteuning van de beheersing van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F. 2. De uitwerking van deze voorziening is geregeld in de Beleidsregels Wet taaleis Participatiewet De Ronde Venen 2017. Artikel 11. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. In de beoordeling of een scholingstraject wordt aangeboden weegt het college in ieder geval de volgende factoren af: a. de duur van de opleiding; b. de kosten van de opleiding; c. de motivatie van de belanghebbende; d.
de capaciteiten van de belanghebbende om de gewenste opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden; e. de mate waarin de gewenste opleiding aansluit bij de mogelijkheden op de arbeidsmarkt; f. de mate waarin de belanghebbende zelf een bijdrage kan leveren in de kosten van het onderwijs en/of de kosten van het eigen levensonderhoud. g. De mate waarin de opleiding bijdraag aan het vergroten van de kans op een betaalde baan. 3. Geen scholing wordt aangeboden als er een voorliggende voorziening is;
4. Het eerste lid is niet van toepassing op jongeren tot 27 jaar die uit ’s Rijks’ kas bekostigd onderwijs kunnen volgen. Artikel 12. Ondersteuning bij leer-werktraject 1. Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. 2. Er wordt alleen extra ondersteuning ingezet als de ondersteuning die reeds door de school of door de werkgever wordt geboden onvoldoende is. 3. De duur van de ondersteuning is gekoppeld aan de duur van het leer-werktraject. Er vinden tussentijdse evaluaties plaats waarbij wordt beoordeeld of ondersteuning nog nodig is. Artikel 13. Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Voorwaarde voor een aanbod conform het eerste lid is dat de werkzoekende niet direct bemiddelbaar is naar betaalde arbeid. 3.
Een participatieplaats heeft tot doel een opstap naar een betaalde baan en duurt in beginsel 3 maanden, met de mogelijkheid van verlenging tot maximaal 24 maanden. 4. In een schriftelijke overeenkomst tussen het college en de werkgever wordt tenminste vastgelegd het doel en omvang van de participatieplaats alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Deze overeenkomst wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de werkzaamheden gaat verrichten. 5. De scholing, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, bestaat uit een kortdurende opleiding of cursus van, in beginsel, niet langer dan één jaar en is gericht op duurzame arbeidsinschakeling. 6. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet wordt per 6 maanden verstrekt en bedraagt € 1.156,00 per zes maanden. De premie is gebaseerd op een werkweek van 36 uur. De premie wordt berekend naar rato van het aantal gewerkte uren per week. 7. Voorwaarde voor verstrekking van de premie is dat er in die 6 maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 14. Werkervaringsplaats 1. Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde een werkervaringsplaats aanbieden als onderdeel van een re-integratietraject. 2.
Het college zet de werkervaringsplaats alleen in, indien naar het oordeel van het college door de plaatsing van een uitkeringsgerechtigde de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen onaanvaardbare verdringing plaatsvindt. 3. De voorziening werkervaringsplaats wordt ingezet voor uitkeringsgerechtigden die naar het oordeel van het college met de inzet van een werkervaringsplaats relevante werkervaring en arbeidsritme kunnen opdoen en dan de stap naar een reguliere baan kunnen zetten. De kandidaat en de werkgever kunnen met behulp van deze werkervaringsplaats beoordelen of hier sprake is van een passende werkplek. 4. De werkervaringsplaats kenmerkt zich door: a. het werken met behoud van uitkering; b. het werken bij een publiek/privaat bedrijf of instelling; c. dat er een werkervaringsplaatsovereenkomst wordt opgesteld; d. een duur van drie maanden met de mogelijkheid om zo nodig te verlengen naar een periode van maximaal zes maanden.
5. Het college kan bij een werkervaringsplaats aanvullende dienstverlening toekennen gericht op ondersteuning van werkgever dan wel de uitkeringsgerechtigde, voor zover dit naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht voor een succesvol traject gericht op duurzame arbeidsinschakeling. Artikel 15. Proefplaats 1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaats is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie om de arbeidsinschakeling bij de werkgever te bevorderen met de intentie dat de inwoner na afloop in dienst kan treden. De proefplaatsing duurt in 1 of 2 maanden met de mogelijkheid tot een eenmalige verlenging met 1 maand tot maximaal 3 maanden. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d.
de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten 6. De proefplaats wordt alleen verlengd wanneer dit goed wordt onderbouwd en dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is om tot een structurele plaatsing bij de werkgever te komen. 7. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 5 paragraaf 2, 3 en 4. Artikel 16. Tijdelijke loonkostensubsidie 1.
Het college kan een tijdelijke loonkostensubsidie in de vorm van een vast bedrag verstrekken aan de werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit of beoogt te sluiten met een persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt die: a. een uitkering heeft voor levensonderhoud; b. een niet-uitkeringsgerechtigde die werkzoekend is. 2. Een loonkostensubsidie wordt ingezet om de werkgever financieel in staat te stellen een geschikte kandidaat de gelegenheid te geven zich te ontwikkelen en te bewijzen in het werk, alsmede ter compensatie van de lagere arbeidsproductiviteit van de kandidaat en eventuele noodzakelijke begeleiding op de werkvloer. 3. Het doel van de loonkostensubsidie is duurzame uitstroom als vervolg op de periode van de loonkostensubsidie. Duurzame uitstroom wil zeggen dat een kandidaat uitstroomt voor minimaal 6 maanden zonder loonkostensubsidie. 4. De tijdelijke loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. 5. Voor de tijdelijke loonkostensubsidie gelden de volgende voorwaarden: a. de loonkostensubsidie dient binnen 6 weken na indiensttreding te worden aangevraagd;
b. de werkgever biedt enige scholing en/of gerichte begeleiding; c. de arbeidsovereenkomst wordt gesloten met een arbeidstijd van minimaal 16 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden; d. de tijdelijke loonkostensubsidie wordt voor 6 maanden toegekend. e. de tijdelijke loonkostensubsidie wordt niet langer dan 12 maanden ingezet. f. de tijdelijke loonkostensubsidie kan één keer verlengd worden met maximaal 6 maanden. g. de tijdelijke loonkostensubsidie kan alleen worden toegekend indien er voor de werkzoekende in de voorafgaande 5 jaar, gerekend vanaf de datum aanvraag loonkostensubsidie, geen loonkostensubsidie is verstrekt. h. De loonkostensubsidie wordt naar rato van het dienstverband uitbetaald. i. Indien de werkzoekende tussentijds uitvalt wordt de loonkostensubsidie naar rato verstrekt. j. de loonkostensubsidie wordt niet verstrekt indien de werkgever aanspraak kan maken op een loonkostensubsidie naar loonwaarde of forfaitaire loonkostensubsidie of een loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van de wet. 6. De hoogte van de tijdelijke loonkostensubsidie wordt in de arbeidsmarktregio Groot-Amsterdam afgestemd en in de beleidsregels vastgelegd. Artikel 17. Nazorg 1. Nazorg bestaat uit het begeleiden van de kandidaat op de nieuwe werkplek en het adviseren van de werkgever, zodat de duurzaamheid van de plaatsing wordt gewaarborgd. 2.
De duur en de invulling van nazorg worden afgestemd op de individuele behoefte van de belanghebbende en dit wordt schriftelijk vastgelegd. Artikel 18. Uitstroompremie ter preventie van armoedeval 1. Het college kan een uitstroompremie ter preventie van armoedeval toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstandsuitkering van het college. 2. Onder een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid wordt verstaan: een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden of langer op een uitkering van het college aangewezen is of is geweest. 3. Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste 6 aaneengesloten maanden. 4. De omvang van de uitstroompremie, bedoeld in het eerste lid wordt bedraagt 25% van het in artikel 31 lid 2 sub j Participatiewet genoemde maximumjaarbedrag. De premie wordt berekend naar rato van het aantal gewerkte uren per week. 5. De uitstroompremie wordt binnen een maand na indiensttreding ambtshalve uitbetaald. 6. Geen uitstroompremie wordt verstrekt wanneer de uitkeringsgerechtigde de inlichtingenplicht heeft geschonden met betrekking tot de werkaanvaarding of de daaruit ontvangen inkomsten. 7. De langdurige werkloze inwoner kan slechts eens in de 5 jaar de uitstroompremie ontvangen.
Artikel 19. Detacheringsbaan 1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep WSW-ers naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De detacheringsbaan is bedoeld voor relatief kansrijke, maar niet direct bemiddelbare, personen die – naar de inschatting van de klantmanager – na een periode van beroepsgerichte werkervaring in de vorm van een detacheringsbaan bemiddeld kunnen worden naar duurzaam reguliere arbeid. 3. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.
Artikel 20. Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: a. behoort tot de doelgroep; of b. een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, biedt het college de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 3. Het college kan de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. sociale activering; b. arbeidsmatige dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). 4. De gemeente verstrekt geen additionele dienstbetrekkingen beschut werk boven het aantal dat via de ministeriele regeling hiervoor in aanmerking komt.
HOOFDSTUK 5. SPECIFIEKE BEPALINGEN DOELGROEP BREED OFFENSIEF Paragraaf 1. Administratief proces loonkostensubsidie Artikel 21. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie Participatiewet aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan, dan wel korter dan zes maanden tevoren een dienstbetrekking is aangegaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. 4. Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag, de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5.
Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie de werkwijze in acht in het kader van het preferente werkproces loonkostensubsidie, als bedoeld in de bekendmaking van het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet 2021 van 23 februari 2021 (Staatsblad 2021, nummer 113). Paragraaf 2. Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 22. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon in de doelgroep met een extra begeleidingsbehoefte. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 7, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
c.
de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 8 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van (gedeeltelijke) uitstroom naar werk. Artikel 23. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 4. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 5.
Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. Artikel 24. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2.
Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft. Artikel 25. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Als voorzieningen waarvoor het college zorgdraagt in het kader van de noodzakelijke persoonlijke ondersteuning bij werk, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet en begeleiding op de werkplek, als bedoeld in artikel 10da van de wet worden onderscheiden: a. jobcoaching: noodzakelijke methodische ondersteuning bij werk van een persoon in de doelgroep en van medewerkers die met diegene samenwerken door een erkend deskundige, als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de wet; b. interne werkbegeleiding: noodzakelijke bijzondere ondersteuning bij werk die aan de persoon in de doelgroep wordt gegeven door een of meer medewerkers die met diegene samenwerken. 2. De in het eerste lid genoemde vormen van ondersteuning kunnen ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats.
Artikel 26. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen zes weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 27. Jobcoaching 1. Degene die in opdracht van het college jobcoaching in natura verleent of jobcoaching uitvoert waarvoor het college subsidie verleent, moet hiervoor aantoonbaar deskundig zijn, dan wel hiertoe in opleiding zijn. Deskundigheidscriteria worden in de beleidsregels uitgewerkt. 2. Het college hanteert bij de verstrekking van een subsidie voor het organiseren van jobcoaching een basisregime, dat in de meeste situaties toereikend en passend is te achten gedurende een periode van zes maanden, waarbij de mogelijkheid bestaat hiervan af te wijken indien meer of minder intensieve jobcoaching noodzakelijk is. In beginsel gaan we uit van een urenregime van 12 uur per zes maanden. De noodzaak van jobcoaching wordt in beginsel telkens voor een periode van zes maanden beoordeeld. 3.
Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan. 4. Voordat het college de jobcoaching beëindigt, verricht het college onderzoek naar het afgelegde coachingstraject. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien. Artikel 28. Jobcoaching in natura 1. Jobcoaching in natura kan worden gerealiseerd door een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij de gemeente of in opdracht van de gemeente. Jobcoaching in natura kan door het college op aanvraag of ambtshalve worden verleend. 2. Bij de aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 22 tot en met 27 van overeenkomstige toepassing. 3. Aanvragen voor jobcoaching in natura worden beschikkingsvrij toegekend. Artikel 29. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 22 tot en met 27, worden verleend als: a.
de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. Subsidieverstrekking is mogelijk voor jobcoaching die door de werkgever wordt georganiseerd met een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij de werkgever of in opdracht van de werkgever. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching voor een werknemer die behoort tot de doelgroep wordt door het college verleend op een aanvraag die door de werkgever of mede door de werkgever is ingediend, indien het college jobcoaching voor de werknemer noodzakelijk acht. 5. Het college stelt in de beleidsregels vast: a. de wijze waarop de kwaliteit van de jobcoaching wordt geborgd; b.
het bepalen van de hoogte van de subsidie in het basisregime en de wijze waarop hiervan kan worden afgeweken; c. de wijze waarop de werkgever verantwoording aflegt over de georganiseerde jobcoaching. d. de wijze waarop de subsidie wordt vastgesteld.
Artikel 30 Integrale ondersteuning en voortgezette persoonlijke ondersteuning 1. De erkend deskundige die jobcoaching uitvoert in dienst of in opdracht van de werkgever, kan met instemming van het college, de werknemer en de werkgever mede ondersteuning bieden aan een persoon in de doelgroep: a. gericht op het vinden van werk; b. in het kader van integrale ondersteuning, als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, onder 1o, van de wet; c. met het oog op voortgezette persoonlijke ondersteuning bij de overgang van werk naar werk, van werk naar onderwijs en van onderwijs naar werk, als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, onder 2o, van de wet. 2. Het vorige lid is met instemming van het college en de werkgever van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de erkend deskundige die jobcoaching in natura uitvoert. Artikel 31. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. In beginsel wordt de subsidie toegekend voor de duur van het eerste arbeidscontract met mogelijkheid tot verlenging. 3.
Het college kan in de beleidsregels criteria stellen aan de bovengebruikelijke begeleiding en een maximum bedrag vaststellen aan de meerkosten voortvloeiend uit de interne werkbegeleiding. 4. Het college biedt via de WSP Groot Amsterdam werkgevers een training aan voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. Paragraaf 3. Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 32. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening i.h.k. van re-integratie 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn opleidingslocatie, proefplaats of werkplek kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt, de reisafstand en de wijze van reizen. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 33.
Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 2. Recht op de in het eerste lid beschreven voorziening voor inwoners met een visuele handicap bestaat tot het moment dat de beoordeling, verstrekking en bekostiging van deze voorziening wordt overgenomen door het UWV. Artikel 34. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
Artikel 35. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon (bruikleen of eigendom), als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. Artikel 36. Specifieke voorwaarden toekenning reiskostenvergoeding 1. Het college kan aan de werkzoekende een onkostenvergoeding toekennen onder de volgende voorwaarden: a. De kosten zijn noodzakelijk om een re-integratievoorziening of scholing te volgen of voor arbeidsinschakeling; b. Voor deze kosten is geen voorliggende voorziening. 2. Reiskosten komen slechts in aanmerking voor zover wordt gereisd buiten een straal van 8 kilometer rond de woning. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 kunnen de reiskosten bij een afstand minder dan 8 kilometer wel vergoed worden als belanghebbende om medische of sociale redenen (denk aan wegbrengen kinderen) is aangewezen is op het openbaar vervoer. 4. De hoogte van de vergoeding voor reiskosten wordt gebaseerd op de kosten van de goedkoopst adequate manier van reizen per openbaar vervoer of de ANWB-routeplanner. 5. Indien de werklocatie niet goed per openbaar is te bereiken, kan het college op verzoek een maatwerkvoorziening toekennen. Artikel 37.
Specifieke voorwaarden toekenning kinderopvang i.h.k. van re-integratie 1. Het college kan kosten van kinderopvang toekennen onder de volgende voorwaarden: a. Voor vergoeding in aanmerking komt 4,5% eigen bijdrage die voortkomt uit de tabel voor het betreffende berekeningsjaar, zoals opgenomen in de Algemene maatregel van Bestuur Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang; b. De hoogte van de bijdrage bedraagt maximaal de vastgestelde kostprijs per uur en / of opvanguren per maand zoals opgenomen in de Algemene maatregel van Bestuur Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang; c. De kosten die de maximaal vastgestelde kostprijs per uur en / of opvanguren per maand te boven gaan komen niet voor vergoeding in aanmerking; d. De kosten die door een gastouderbureau in rekening worden gebracht bij de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van gastouderopvang, komen niet voor vergoeding in aanmerking; e. De bijdrage wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag voor de bijdrage door het college in ontvangst is genomen; f. Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de bijdrage verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal plaatsvinden; g. De bijdrage wordt verleend voor de periode van het berekeningsjaar; h.
In afwijking van het vorige lid kan het college de bijdrage voor een andere periode verlenen; i. Het college verstrekt de bijdrage voor het aantal uren kinderopvang per maand dat naar het oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is. Hierbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare mogelijkheden van de aanvrager om zelf in kinderopvang te voorzien of met een passende voorziening waar de ouder redelijkerwijs gebruik van zou kunnen maken; 2. Het college weigert de bijdragen in de kinderopvang als: a. Er gebruik wordt gemaakt van opvang die niet is opgenomen in het register kinderopvang als bedoeld in artikel 1.47a Wkkp; b. Er sprake is van een Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4:25 Awb. Artikel 38. Individuele studietoeslag 1. Het college kan op aanvraag aan een persoon die door een medische beperking naast de studie niet structureel kan bijverdienen, een individuele studietoeslag verlenen. 2. De hoogte van de individuele studietoeslag is conform het normbedrag van de Rijksoverheid en wordt maandelijks uitbetaald. 3. De voorwaarden voor de individuele studietoeslag zijn uitgewerkt in de Beleidsregels individuele studietoeslag Participatiewet gemeente De Ronde Venen 2023.
HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN Artikel 39. Innovatie 1. Het college kan, in het kader van onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie, of activiteiten gericht op arbeidsinschakeling, te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening. 2. De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste twee jaar 3. Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening, kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling. Artikel 40. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leiden. Artikel 41. Intrekken oude verordening en overgangsrecht 1. De Re-integratieverordening Participatiewet De Ronde Venen 2015 wordt ingetrokken. 2. De Verordening tegenprestatie De Ronde Venen 2015 wordt ingetrokken. 3. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Reintegratieverordening Participatiewet De Ronde Venen 2015, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de re-integratieverordening Participatiewet De Ronde Venen 2015 voor de duur: a.
van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. 4. Het college kan na afloop van de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 5. De Re-integratieverordening Participatiewet De Ronde Venen 2015 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het derde en vierde lid. Artikel 42. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet De Ronde Venen 2023. Ondertekening Vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van De Ronde Venen van 14 december 2023 Griffier / voorzitter (..) / (..) ValidSigned door Josette Jonker op 15-12-2023
ValidSigned door Maarten Divendal op 16-12-2023
TOELICHTING op de verordening Algemeen Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.
Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: • persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en e, en 10, eerste lid, van de Participatiewet); • scholing of opleiding als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); • de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); en • participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, zevende lid, van de Participatiewet).
• loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); • proefplaats (artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet); • vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); • intermediaire activiteit, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die noodzakelijk is in verband met een visuele of motorische handicap (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); • meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); De regels dienen aandacht te besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep en doelgroep loonkostensubsidie, wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de continuïteit van de
geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk (artikel 8a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de Participatiewet). Aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging ‘Breed offensief’ Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de noemer “Breed offensief” maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deel was daar een wetswijziging voor nodig. In de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)” is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. Het doel van de maatregelen is dat meer