Bijlage 1 - Bestemmingsplan
Tekst van het document
Hieruit zal een aanbeveling volgen (behoud in situ, definitieve opgraving, vrijgeven) ten behoeve van een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Wanneer deze aanbevelingen zullen worden opgevolgd kunnen eventuele negatieve milieueffecten op het gebied van archeologie minimaal blijven. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd.
Uit de vormvrije m.e.r. blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 31
Conclusie Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt, enkel de verkeersaantrekkende werking zorgt voor enig effect, echter zijn belangrijke nadelige milieugevolgen uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
4.2
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie moet vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging. Toetsing De beoogde ontwikkeling is gelegen in een gebied waar zich overwegend woningen bevinden. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen milieuhinderveroorzakende inrichtingen gelokaliseerd. De dichtstbijzijnde milieuhinderveroorzakende functie betreft de begraafplaats ten zuiden van het plangebied. Voor een begraafplaats geldt een richtafstand van 10 meter in een rustig woongebied. Aangezien de afstand tussen de begraafplaats en de gevel van de dichtstbijzijnde beoogde woning circa 130 meter bedraagt wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009). Verder worden met dit bestemmingsplan geen hinderveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt.
32
Conclusie Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Bodem Algemeen Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies. Toetsing Door Grondslag BV is een verkennend bodemonderzoek6 uitgevoerd conform de NEN 5740 op dit plangebied. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht. Daarnaast zijn de asfaltverharding en aanwezige puinlagen onderzocht. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − In mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn lichte verhogingen aan meerdere zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. De gehaltes OCB zijn niet verhoogd boven de achtergrondwaarde. In het grondwater zijn eveneens enkele lichte verhogingen aangetoond. − Ter plaatse van de slootdempingen wordt dempingsmateriaal aangetroffen in de bodem. In het monster van de slib- en slakkenhoudende ondergrond worden maximaal matige verhogingen aan nikkel en PAK aangetoond. De resultaten vormen geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. − In een groenstrook achter op het perceel is in één inspectiegat asbest aangetroffen in een gehalte van 44,46 mg/kg ds. Het gehalte blijft onder de toetswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) en onder de geldende interventiewaarde (100 mg/kg ds).
− In de overige monsters van de puinhoudende grond en puinfundatie lagen is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. − Uit het weg te nemen asfalt komt per vak minder dan 25 ton asfalt vrij. Derhalve is één boring verricht per vak. Het asfalt uit de verschillende vakken wordt beoordeeld als niet teerhoudend en geschikt voor warm hergebruik. Geconcludeerd wordt dat de milieuhygiënische kwaliteit van het plangebied geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
6
Grondslag BV (2020). Milieukundig onderzoek bodem en verhardingen. Rijksstraatweg 85 te Baambrugge. Projectnummer: 5936-2020. 22 december 2020. 33
4.4
Geluid Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Als geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te doen naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen, zoals in het plangebied, is bijvoorbeeld een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek toch wenselijk zijn. Toetsing Er is in het kader van dit plan een akoestisch onderzoek7 uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek, waarbij is gerekend op de randen van de bouwvlakken en de daarmee maximaal planologische mogelijkheden, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: − Ten gevolge van de gezoneerde weg Rijksstraatweg (60 km/uur) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB inclusief aftrek conform art. 110g van de Wet geluidhinder niet overschreden. Op basis van de resultaten kan worden voldaan aan de Wet geluidhinder. − Ten gevolge van elke individueel te onderscheiden niet-gezoneerde 30 km/uur weg (Rijksstraatweg, Dorpsstraat en Binnenweg), als ook de Rijksstraatweg in totaliteit (60 km/uur en 30 km/uur), wordt de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB inclusief aftrek conform art.
110g van de Wet geluidhinder niet overschreden. Op basis van de resultaten kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid, afkomstig van wegverkeerslawaai, vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect geluid, afkomstig van wegverkeerslawaai, vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
4.5
Geur Algemeen Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij.
7
SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai. Rijksstraatweg 85 te Baambrugge. Projectnummer: 200294. 16 november 2022. 34
De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing In de directe nabijheid (circa 300 meter) van de ontwikkelingslocatie bevinden zich geen (intensieve) veehouderijen. Het uitvoeren van een nader onderzoek geurhinder is daarom niet noodzakelijk. Ook de bedrijfsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden niet belemmerd. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.
Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden.
35
Toetsing Risico-inventarisatie Uit een risico-inventarisatie blijkt dat de ontwikkellocatie niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en/of plasbrandaandachtsgebied van een risicobron ligt. Wel ligt de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied voor groepsrisico. Het gaat om de volgende risicobron: − Spoorlijn Breukelen aansl. – Duivendrecht (spoortrajectnummer 30) − Wegvak A2: Knp. Holendrecht 2 – afrit 4 (Vinkeveen) De ontwikkellocatie bevindt zich ten aanzien van deze twee risicobronnen buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) betekent dit dat het groepsrisico voor de risicobronnen beperkt dient te worden verantwoord. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit te brengen. Beperkte verantwoording van het groepsrisico Door het voorliggende plan zal het gemiddeld aantal aanwezigen in het plangebied wijzigen. In de huidige situatie is sprake van een agrarische bestemming op het perceel. Deze zal wijzigen ten behoeve van woondoeleinden met in totaal 18 wooneenheden á gemiddeld 2,4 aanwezigen per verblijfsobject, in totaal circa 43 personen.
Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van twee risicobronnen, een spoorlijn en een wegvak, waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen.
De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied.
36
Mogelijkheden zelfredzaamheid De nieuwbouw richt zich niet op personen die minder zelfredzaam zijn. De personen in het plangebied zijn, mits tijdig gewaarschuwd, in staat zichzelf in veiligheid te brengen ten opzichte van de potentiële risicobron. Waarschuwing zal plaatsvinden via NL-Alert. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: − goed te alarmeren is; − goed te schuilen is; − goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie.
Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af in noordelijke of zuidelijke richting via de Rijksstraatweg. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Advies veiligheidsregio In het kader van het vooroverleg is de Veiligheidsregio Utrecht om advies gevraagd. Zij hebben geadviseerd om de bestaande bluswatervoorzieningen in de omgeving uit te breiden en het plan langs twee zijden bereikbaar te maken middels verbindingswegen die geschikt zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Dit advies zal meegenomen worden bij de verdere uitwerking van het plan, maar leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
37
Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de gemeentelijke beleidsdocumenten en besluiten met betrekking tot externe veiligheid en de daarin gemaakte keuzes. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.7
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2. Zij vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit. Hierin zijn onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 moet het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden. Deze leiden namelijk niet tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
38
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Dit project voorziet in de realisatie van 16 nieuwe woningen. Het project draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (zie navolgende afbeelding). Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaardeoverschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.
Uitsnede NIBM-tool (Bron: Infomil).
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
39
Toetsing Van Bommel Faunawerk heeft met een quick scan natuur8 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanwezig zijn in het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet: − Een nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor huismus is noodzakelijk. − Om de aanwezigheid van broedvogels zoveel mogelijk te vermijden dient de uitvoering van de werkzaamheden plaats te vinden buiten de periode van 15 maart tot en met 15 juli. Mocht tijdens de uitvoering van werkzaamheden onverhoopt op broedende vogels gestuit worden, dan dienen de werkzaamheden stilgelegd te worden en naar een later tijdstip te worden opgeschort. − Bij de uitvoering van de werkzaamheden hoeft geen rekening gehouden te worden met beschermde grondgebonden zoogdieren. Voor de geplande ingreep bestaat een vrijstelling voor de mogelijk aanwezige soorten. − Een nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen is noodzakelijk. − Er zijn in het plangebied geen beschermde planten aangetroffen. − Er worden geen beschermde soorten amfibieën, reptielen, vissen of insecten verwacht, waarvoor een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming vereist is.
− Ondanks dat voor een aantal soorten bij de ingreep een vrijstelling geldt, dient men rekening te houden met de zorgplicht, deze geldt altijd en voor alle planten en dieren, onafhankelijk van beschermingsstatus en/of ontheffing of vrijstelling is verleend. − Het is niet noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van beschermde dieren en planten. Naar aanleiding van de uitgevoerd quick scan heeft een naderonderzoek 9 plaatsgevonden naar de eventuele aanwezigheid van huismussen en vleermuizen. Op basis van het naderonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: − De te slopen stallen en schuren bevatten geen nesten van de huismus. − De te slopen stallen en schuren en hun directe omgeving hebben een zekere betekenis als foerageergebied van vleermuizen, maar die betekenis is niet zodanig groot dat de ruimtelijke ontwikkeling door aantasting van foerageergebied een risico is voor het voortbestaan van vleermuispopulaties. − De te slopen stallen en schuren hebben geen functie als vliegroute van vleermuizen. − Er zijn in de te slopen stallen en schuren geen kraam- of zomerverblijven van vleermuizen aangetroffen en er zijn in het plangebied geen aanwijzingen voor paarverblijven. − Het is niet noodzakelijk om een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen.
8
Van Bommel Faunawerk (2019). Quick scan flora en fauna. Rijksstraatweg 85 Baambrugge. Projectnummer: 055-19. 13 december 2019.
9
Van Bommel Faunawerk (2020). Nader onderzoek vleermuizen en huismus. Rijksstraatweg 85 Baambrugge. Projectnummer: 021-20. 27 oktober 2020. 40
Gebiedsbescherming Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Het plangebied ligt op een afstand van circa 4 kilometer van het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ en ‘Botshol’, waarvan een (groot) deel is aan te merken als stikstofgevoelig. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze natuurgebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Daarom zijn stikstofberekeningen10 in AERIUS uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Uit de berekeningen volgt dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase de gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan
4.9
Water
4.9.1
Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
10
SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. Baambrugge, Rijksstraatweg 85. Projectnummer: 200294. 23 november 2022. 41
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het Nationaal Waterprogramma samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het Nationaal Waterpogramma wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, het herstellen van de natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen.
Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende
42
keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid – Bodem- en waterprogramma Provincie Utrecht 2022-2027 Het Bodem- en waterprogramma Provincie Utrecht 2022-2027 (BWP) is op 14 december 2021 vastgesteld. In het Bodem- en waterprogramma zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht. Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: − Een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraagt deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk. − Een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes. De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval. Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1 Schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. De principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen.
Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2 Schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie; 3 Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma is vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven. Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning; 4 Voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
Daarbij let de provincie op de hoeveelheid :goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 5 Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6 Energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht.
43
In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Beleid Waterschap - Waterbeheerprogramma Amstel, Gooi en Vecht 2022-2027 Op 17 maart 2022 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Amstel, Gooi en Vecht vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerprogramma is uitgewerkt in de volgende vijf programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Voldoende water: Het programma ‘Voldoende water’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
− Gezond water: Het waterschap let op bij de hoeveelheid water (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Het bevorderen van biodiversiteit is ook aan de orde. − Gezuiverd water: In het programma ‘Gezuiverd water’ speelt het zuiveren van afvalwater en een circulaire economie een centrale rol. − Genieten van water: het watererfgoed en het vaarwegennet zijn onderhouden, toegankelijk en veilig. Natuur en waterrecreatie zijn in balans met elkaar. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen en maatregelen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Gemeentelijk beleid - Gemeentelijk Water- RioleringsPlan Het Gemeentelijk Water- RioleringsPlan geeft aan hoe omgegaan wordt met de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeente wil een duurzaam rioolstelsel dat verschillende soorten afvalwater zoveel mogelijk uit elkaar houdt. De gemeente wil een klimaatbestendig rioolstelsel dat niet alleen bestaat uit ondergrondse buizen en infiltratievoorzieningen, maar ook uit een bovengrondse inrichting van de openbare ruimte. Hiermee kan extra water vastgehouden en geborgen worden.
Er mag daarom alleen huishoudelijk afvalwater aangesloten worden op de riolering. Ook particulieren hebben hier een rol in. Nieuwbouw moet voldoen aan nieuwe eisen om meer hemelwater te kunnen verwerken binnen het plangebied. Deze waterberging moet deels in de openbare ruimte en deels op het terrein van bewoners en bedrijven worden gerealiseerd. De gemeente sluit aan bij de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen van Provincie Utrecht. Ze heeft richtlijnen opgesteld over de gewenste diepte van het grondwater. De gemeente neemt maatregelen tegen structureel nadelige gevolgen van grondwater mits dat doelmatig kan en aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
44
4.9.2
De waterparagraaf In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met onder andere de waterschappen. In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens hieronder beschreven. Verharding Met dit bestemmingsplan nemen de verhardingsmogelijkheden in vergelijking met de bestaande situatie niet toe. Het plangebied is reeds geheel verhard en voorziet dan ook niet in een verdere verharding. Bij de inrichting van het gebied zullen voorzieningen gerealiseerd worden om het regenwater ter plaatse te infiltreren of bergen. Hiervoor is voldoende ruimte. Watercompensatie en Waterberging Ter plaatse van het plangebied wordt geen oppervlaktewater gedempt. Het is derhalve niet nodig om watercompensatie door te voeren. Wel zal er een nieuwe dwarssloot worden gerealiseerd. Het oppervlaktewater neemt daardoor toe terwijl de verharding afneemt. Op het perceel zal dus aanzienlijk meer water geborgen kunnen worden dan nu het geval is.
Het hemelwater kan op het eigen perceel opgevangen worden. Waterkering Onderhavig plangebied grenst aan een secundaire waterkering van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV), zoals weergegeven op onderstaande afbeelding. Deze secundaire waterkering heeft een kernzone van 9,16 meter en een binnenbeschermingszone van 32,79 meter. De buitenbeschermingszone maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Binnen deze zones gelden de regels uit de Keur AGV. Voor bepaalde activiteiten met mogelijk een grote invloedssfeer (zoals bij de opslag van explosiegevaarlijk materiaal of inrichting) gelden mogelijk ook buiten deze vrijwaringszone nog beperkingen. Het plangebied maakt deel uit van de beschermingszone binnenkant die bij deze waterkering hoort. In deze zone zal geen nieuwbouw plaatsvinden. De bestaande bebouwing wordt alleen verbouwd. Dit zal geen invloed hebben op de waterkering. Gelijk aan het vigerende bestemmingsplan zijn de regels ter bescherming van deze kering in dit bestemmingsplan opgenomen. De exacte ligging van een waterkering met bijbehorende beschermingszones is in veel gevallen inzichtelijk via de onlinelegger van het hoogheemraadschap. Dit bestemmingsplan heeft voorts geen invloed op overige waterstaatkundige elementen.
45
Legger Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, met daarop het plangebied weergegeven (globaal rood omlijnd) (blauw is beschermingszone binnenkant) (Bron: Waterschap AGV).
Waterwingebied / grondwaterbescherming Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een waterwingebied. Grondwaternormen- en richtlijnen In het GRP wordt gestreefd naar volledig grondwaterneutrale ingrepen in het systeem. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied tot gevolg hebben. Voor woningen, gebouwen zonder kruipruimte betekend dit dat de ontwateringsdiepte 0,50 m beneden vloerpeil mag zijn. Voor woningen, gebouwen met kruipruimte is de ontwateringsdiepte 0,90 m beneden vloerpeil. Waterkwaliteit De beoogde nieuwbouw zal worden aangesloten op de bestaande rioolvoorziening. Het gebruik van uitlogende materialen wordt zoveel als mogelijk voorkomen. Het bestemmingsplan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. 4.9.3
Conclusie Gelet op voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
46
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2017 ligt het plangebied voor ongeveer de helft in een zone “AMK terreinen; Dorpslinten; Historische Kernen”(categorie 2b). In deze zone moet met archeologische resten rekening gehouden worden indien ingrepen meer dan 100 m2 groot zijn en dieper gaan dan 30 cm. Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek11 in de vorm van boringen uitgevoerd. Navolgend worden de bevindingen kort omschreven. In het plangebied zijn zeven boringen gezet. Hieruit blijkt dat de natuurlijke afzettingen bestaan oeverafzettingen, komafzettingen en veenlagen. De top van de natuurlijke afzettingen ligt tussen 35 en 115 cm onder het maaiveld (tussen -97 en 197 cm NAP).
Op de natuurlijke afzettingen ligt in het zuidwesten van het plangebied een cultuurlaag met houtskoolbrokken, fosfaatvlekken en fragmenten aardewerk. De cultuurlaag is waarschijnlijk ontstaan door langdurig gebruik van het terrein. Waarschijnlijk zijn daar archeologische resten gerelateerd aan de historische ontwikkeling van Baambrugge aanwezig. De betreffende zone is aangegeven in navolgend figuur.
11
Bureau voor Archeologie (2023). Een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase. Rijksstraatweg 85, Baambrugge. Projectnummer: 972. 8 mei 2023. 47
Zone met mogelijk archeologische resten binnen rode onderbroken lijn (Bron: Bureau voor Archeologie).
Bij de beoogde ontwikkeling worden deze resten mogelijk vergraven. Aanbevolen wordt om met de archeologische resten rekening te houden door aanvullend onderzoek te laten doen in het zuidwestelijke plandeel. Dit kan door in deze zone bij de ondergrondse sloop te voorzien in een archeologische begeleiding en door daarna een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. De begeleiding moet plaatsvinden volgens protocol ‘opgraven variant begeleiding’. De wijze waarop het proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden moet worden vastgelegd in een door de gemeente goed te keuren programma van eisen. Geadviseerd wordt de rest van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Bij de ondergrondse sloop zal worden voorzien in archeologische begeleiding en na de sloop zal een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Het behoud van eventuele archeologische waarden is in het voorliggende plan geborgd middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Gelet op voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen.
48
Toetsing Met de ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de stedenbouwkundige opzet van de Rijksstraatweg en blijven de aanwezige structuren, waaronder de structuren passend binnen de kernrandzone van het landelijk gebied, gehandhaafd. Voor onderhavig plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke in paragraaf 2.2 nader is toegelicht. Een deel van het erf met de boerderij, het koetshuis en een stal is gelegen in het beschermde dorpsgezicht. De beeldbepalende boerderij en het bijbehorende koetshuis blijven behouden. De verordening doet onder andere uitspraken over gevels, daken en dakkapellen, maar indien de karakteristiek van het dorpsgezicht Baambrugge niet wordt aangetast zijn afwijkingen mogelijk. Aangezien de stal gesloopt gaat worden moet het plan ter beoordeling worden voorgelegd aan de monumentencommissie. P.m. beoordeling monumentencommissie Conclusie P.m. beoordeling monumentencommissie
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 12 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied aan de rand van de bebouwde kom van Baambrugge ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente De Ronde Venen wordt conform CBSgegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘niet stedelijk gebied’. Voor de ontwikkeling van 2 appartementen en 3 woningen in de boerderij, 2 woningen in het koetshuis en 9 woningen (4 type 2-onder-1 kap en 5 type vrijstaand) voornamelijk op het nieuwe erf volgt uit deze kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: aantal woningtype
12
kencijfer
verkeersgeneratie (per etmaal)
min
max
per
min
max
appartement
5
5,6
6,4
wooneenheid
28,0
32,0
twee-onder-een-kapwoning
6
7,4
8,2
wooneenheid
44,4
49,2
vrijstaande woning
5
7,8
8,6
wooneenheid
39,0
43,0
totaal
16
111,4
124,2
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 49
Er zullen maximaal 125 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. Dit extra verkeer kan afgewikkeld worden op de Rijksstraatweg. Een weg van een dergelijke breedte en functie kan ongeveer 3.000 motorvoertuigen per etmaal per richting aan. In dit geval waren dit er volgens een verkeertelling uit 2019 rond de 1.000 motorvoertuigen per etmaal per richting. Aangezien de tellingen van enige tijd geleden zijn, zal het verkeer iets toegenomen zijn maar niet verdrievoudigd. De capaciteit van de Rijksstraatweg is dus groot genoeg om dit extra verkeer af te kunnen wikkelen. Om het perceel ook voor voetgangers goed en veilig toegankelijk te maken wordt langs de Rijksstaat een trottoir aangelegd tussen het perceel en het bestaande voetpad ter vlak voor de C. Pieter van der Leestraat. Parkeren Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals beschreven in het “Beleidsplan verkeer 2017-2021 De Ronde Venen”, worden de volgende eisen aan de hoeveelheid parkeerplaatsen gesteld: woningtype
aantal
parkeernorm
per
parkeerbehoefte
appartement/kleine woningen
5
1,6
wooneenheid
8,0
twee-onder-een-kapwoning
6
2,1
wooneenheid
12,6
vrijstaande woning
5
2,2
wooneenheid
11,0
totaal
31,6
16
Dit betekent dat er afgerond 32 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd binnen het plangebied. Het schetsontwerp voorziet thans in 32 parkeerplaatsen. Er wordt zoveel mogelijk op eigen terrein geparkeerd. Op het historische erf worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd en op het nieuwe er worden 16 auto’s op eigen terrein geparkeerd. . Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.13
Kabels en leidingen Er bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied.
50
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen, aanduiden en voorwaardelijke verplichting Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
51
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 3 Voorwaardelijke verplichtingen. Voorwaardelijke verplichtingen kunnen als planregel in een bestemmingsplan, wijzigingsplan of inpassingsplan worden opgenomen. Het is een planregel dat een verplichting inhoudt en deze verplichting geldt als voorwaarde voor het kunnen realiseren van de functie in het bestemmingsplan (of wijzigingsplan/inpassingsplan). 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden
52
bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van wat hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’. Binnen het plangebied zijn er diverse bestaande en te realiseren waarden van belang. Zo maakt het voorerf onderdeel uit van het beschermd dorpsgezicht. Hiervoor is, conform de huidige regeling, een dubbelbestemming opgenomen en zijn de toegestane hoogten conform de bestaande hoogten. Daarnaast zal de ontwikkeling op het achtererf zorgvuldig aan moeten sluiten op het bestaande landschap. Ten behoeve hiervan is een landschappelijk inpassingsplan en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Middel een voorwaardelijke verplichting (het wonen in een woning) is geborgd dat aan het inrichtingsplan voldaan wordt. Om de openheid aan de randen van het achtererf te garanderen, is hiervoor de bestemming ‘Tuin - Onbebouwd’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen, bouwwerken en vergunningsvrije bouwwerken toegestaan. Ook binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn de regels voor bijgebouwen stringenter dan elders binnen de gemeente, om de openheid en doorkijkjes te behouden.
Dit bestemmingsplan kent enkelbestemmingen (‘Groen’, ‘Tuin - Onbebouwd', ‘Water’ en ‘Wonen’) en dubbelbestemmingen (‘Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied landbodem categorie 2b’, ‘Waarde - Beschermd Dorpsgezicht Baambrugge’ en ‘Waterstaat - Waterkering’). Deze bestemmingen worden hierna kort toegelicht. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het instandhouden en het aanbrengen van groenvoorzieningen en beplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Ook is hier een toegangspad voor aangrenzende percelen toegestaan. Gebouwen zijn niet toegestaan. Uitsluitend bouwwerken zijn toegestaan, onder voorwaarden. Tuin - Onbebouwd De voor 'Tuin - Onbebouwd' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, groen en water en voor het behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en doorzichten. Om de openheid naar het omringde landschap te garanderen, is vergunningsvrij bouwen (bijvoorbeeld het bouwen van bijgebouwen en schuttingen) niet toegestaan.
53
Water De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterhuishouding, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen; en extensief recreatief medegebruik. De toe te voegen bruggen, onder andere ten behoeve van een recreatieve wandelroute, zijn specifiek aangeduid. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen en de daarbij behorende voorzieningen, zoals bouwwerken, watergangen en erfbeplanting. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. De goot- en bouwhoogte van woningen bedragen in principe respectievelijk maximaal 3,5 meter en maximaal 9 meter. Voor de bestaande panden zijn, mede omdat deze binnen het beschermd dorpsgezicht vallen, de bestaande bouwhoogten opgenomen. Binnen de bestemming Wonen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het wonen in de woningen is alleen toegestaan als het landschappelijke inpassingsplan (dat als bijlage bij de regels is gevoegd) binnen één jaar na gereedmelding van de woningen is gerealiseerd.
Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied landbodem categorie 2b De voor ‘Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied landbodem categorie 2b' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van archeologische waarden. Indien de archeologische vrijstellingswaarden (voor werkzaamheden) worden overschreden dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Waarde - Beschermd Dorpsgezicht Baambrugge De voor 'Waarde - Beschermd Dorpsgezicht Baambrugge' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van de karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen. Voordat een omgevingsvergunning binnen deze bestemming wordt verleend wint het bevoegd gezag advies in bij de monumentencommissie omtrent de mogelijke cultuurhistorische aantasting van de karakteristiek van het beschermd dorpsgezicht Baambrugge; Waterstaat - Waterkering Langs de dijk van de Angstel is met de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' een beschermingszone voor de dijk opgenomen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterkering en doeleinden ten behoeve van de waterhuishouding.
Op deze gronden mag alleen gebouwd worden of werkzaamheden verricht worden indien de waterbeheerder om advies is gevraagd. Zij kunnen beoordelen of de waterkerende functie van de dijk niet in het geding is.
54
5.2.2
Algemene regels en overige regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene en overige regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. De inrichting van de gronden moet zodanig plaatsvinden, dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen zoals weergegeven in 'Beleidsplan Verkeer 2017-2021'. Het bevoegd gezag kan overigens bij een omgevingsvergunning afwijken van de in het plan voorgeschreven parkeernormen.
55
6
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd door een marktpartij. De kosten in verband met de realisatie van het woonerf zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Dit is vastgelegd in de realisatieovereenkomst. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een realisatieovereenkomst inclusief planschadeovereenkomst ondertekend. Hierdoor kan de gemeente eventuele voor tegemoetkoming in aanmerking komende planschade verhalen op de initiatiefnemer. Aangezien sprake is van een particulier initiatief en tussen de gemeente en de initiatiefnemer een realisatieovereenkomst is gesloten, is de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.
56
7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In de bijlage ‘Nota vooroverleg bestemmingsplan Rijksstraatweg 85’ bij dit bestemmingsplan zijn de resultaten van het overleg samengevat en van een antwoord voorzien. Naar aanleiding van het vooroverleg is het inrichtingsplan iets aangepast. Tijdens de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de Vereniging Dorpsbelangen Baambrugge van 24 maart 2022 is het plan gepresenteerd. Uit het verslag van deze ALV blijkt dat de zaal unaniem enthousiast is over het plan, men vindt dat het er fraai uitziet. Er is alleen geïnformeerd wanneer er gestart wordt met de bouw.
7.2
Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft van 7 oktober 2023 tot en met 17 november 2023 als ontwerp ter inzage gelegen samen met het beeldkwaliteitsplan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
57
Bestemmingsplan | Regels
Baambrugge, Rijksstraatweg 85
Gemeente De Ronde Venen
Datum: 11 januari 2024 Projectnummer: 200294 ID: NL.IMRO.0736.BPP053Rijksstr85-va01