bijl.7 Onderzoek geurhinder Gein-Noord 61 - v02
Tekst van het document
ONDERZOEK GEURHINDER VEEHOUDERIJEN PLATTELANDSWONING GEIN-NOORD 61 ABCOUDE
1
De Roever Omgevingsadvies Heidebloemstraat 15 Postbus 64 5480 AB Schijndel T 073 594 10 11 F 073 594 11 20 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 NL21 INGB 0001 0833 26 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01
Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude 20200893.v02 18 januari 2021 Asra advies
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
2
INHOUDSPGAVE 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 4
1.1. 1.2.
Situatie ......................................................................................................................................... 4 Vraagstelling ................................................................................................................................ 5
2.
WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 6
2.1. 2.2. 2.3.
Wet geurhinder en veehouderij ................................................................................................... 6 Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten .......................................... 6 Ruimtelijke plannen en geurhinder van veehouderijen ............................................................... 6
3.
UITGANGSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN .............................................................................. 8
3.1. Uitgangspunten veehouderijen .................................................................................................... 8 3.2. Geuremissie en geurimmisie ....................................................................................................... 8 3.3. Verschillende beoordelingen ....................................................................................................... 8 3.3.1. Voorgrondbelasting.............................................................................................................. 8 3.3.2. Afstanden ............................................................................................................................. 9 3.3.3. Achtergrondbelasting ......................................................................................................... 10 3.3.4. Mestopslag ........................................................................................................................ 10 3.4. 3.5. 3.6.
Geurbelasting versus geurhinder .............................................................................................. 11 Geurgevoelig object ................................................................................................................... 11 Bebouwde kom .......................................................................................................................... 12
4.
GEURBEOORDELING ................................................................................................................. 14
4.1. 4.2. 4.3.
Afstanden ................................................................................................................................... 15 Belangen veehouderij ................................................................................................................ 16 Woon- en leefklimaat. ................................................................................................................ 16
5.
CONCLUSIE.................................................................................................................................. 19
BIJLAGE BIJLAGE
I. II.
KAART AFSTANDEN ............................................................................................... 20 BEREKENING VOORGRONDBELASTING ............................................................. 21
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
3
1.
INLEIDING
1.1.
Situatie
De initiatiefnemer heeft het voornemen de woning aan Gein-Noord 61 in Abcoude te bestemmen als plattelandswoning. De wens is om de woning feitelijk niet langer in gebruik te hebben als bedrijfswoning bij de veehouderij aan Gein-Noord 62, maar als woonruimte voor niet aan de veehouderij gebonden derden. De Wet plattelandswoningen maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk, zonder dat het agrarische bedrijf waar de woning toe behoorde, wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. In het ruimtelijk spoor moet desondanks worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau ter plaatse van de plattelandswoning ten aanzien van de ‘eigen’ veehouderij. De beoogde situatie is aangegeven op afbeelding 1.
Veehouderij
Plattelandswoning
Afbeelding 1. Beoogde situatie
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
4
In dit rapport wordt het onderzoek naar de ligging van de geur- en afstandscontouren en naar de overige geuraspecten voor de ruimtelijke ontwikkeling beschreven.
1.2.
Vraagstelling
Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen: 1. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? 2. Worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad? Het onderzoek dat in dit kader is uitgevoerd beperkt zich tot geur afkomstig van veehouderijbedrijven. De meest recente milieuhygiënische inzichten liggen vast in de Wet geurhinder en veehouderij. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijk kader toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgangspunten en achtergronden die in dit onderzoek worden gebruikt. De beoordeling van de geursituatie wordt beschreven in hoofdstuk 4. Ten slotte volgen in hoofdstuk 5 de conclusies.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
5
2.
WETTELIJK KADER
2.1.
Wet geurhinder en veehouderij
In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Enkele begrippen uit de Wgv die relevant zijn en gebruikt worden in dit rapport, zijn nader toegelicht in hoofdstuk 3.
2.2.
Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten
Op 1 januari 2013 is een grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling in werking getreden. Met de wijziging zijn meer veehouderijen onder de regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen. Daarbij is onder meer de beoordeling van geur conform de Wet geurhinder en veehouderij (zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van dit rapport) meegenomen. De toetsing aan middels geurverordeningen aangepaste geurnormen en afstanden geldt ook voor veehouderijen die onder de regels van het Activiteitenbesluit vallen.
2.3.
Ruimtelijke plannen en geurhinder van veehouderijen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Voor het aspect geur van veehouderijen moet een toets op grond van de Wgv worden uitgevoerd. De geplande geurgevoelige objecten moeten zijn gelegen buiten de wettelijk geldende geur- en afstandscontouren van de aanwezige veehouderijen. Bij de toets moet worden uitgegaan van de omvang van de veestapel volgens de verleende vergunning of ingediende melding. Uit jurisprudentie1 blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden afstanden in principe moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De rand van het bouwvlak wordt aangehouden omdat de veehouderij in principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen. In sommige gevallen kan niet het volledige bouwvlak worden benut, vanwege de ligging ten opzichte van reeds bestaande geurgevoelige objecten.
In dergelijke gevallen wordt uitgegaan van het reëel te benutten bouwvlak. 1
ABRvS 201205174/1/R4, 22 januari 2014
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
6
Alleen in het geval dat sprake is van een overbelaste situatie (in de betreffende richting), kan van deze werkwijze worden afgeweken. Van een overbelaste situatie is sprake als in de vergunde situatie niet wordt voldaan aan de geurnorm of afstand. In dat geval kan een veehouderij de ‘geurrechten’ in de betreffende richting niet anders gebruiken dan in de vergunde situatie het geval is (het gaat daarbij om stallen en emissiepunten). Voor het bepalen van de geur- en afstandscontouren kan dan worden uitgegaan van de ligging van de vergunde stallen en emissiepunten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een bestaande veehouderij niet onevenredig in haar belangen mag worden geschaad. Deze werkwijze staat ook beschreven in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. Een te bestemmen geurgevoelig object moet buiten de wettelijk geldende geurcontouren van de omliggende veehouderijen liggen, om niet blootgesteld te worden aan te veel geurhinder. Bij veehouderijen met dieren waarvoor afstanden gelden moet het nieuwbouwplan buiten de wettelijk geldende minimale afstand plaatsvinden. Binnen de geur- en afstandscontouren rondom de (bouwvlakken van de) veehouderijen, is geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Dit houdt in dat binnen deze contouren geen nieuwe bestemming mag worden vastgelegd, die het realiseren van geurgevoelige objecten mogelijk maakt. Op die manier wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt voorkomen dat het veehouderijbedrijf in haar mogelijke ontwikkeling belemmerd wordt. Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de geurbelasting en geurhinder in een specifiek gebied acceptabel zijn.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
7
3.
UITGANGSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN
3.1.
Uitgangspunten veehouderijen
Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen en de bestaande geurgevoelige objecten. In het onderzoek wordt zowel de vergunde geursituatie als de worst-case geursituatie beschouwd. De geurbelasting wordt bepaald op grond van geurberekeningen voor de voor- en achtergrondbelasting. Aan de hand hiervan kan ook het woon- en leefklimaat bepaald worden. Voor de huidige situatie worden de vergunde of gemelde bedrijfssituaties gehanteerd. In de worst-case situatie wordt aangehouden dat alle bestaande bebouwing wordt afgebroken en zodanig wordt teruggebouwd dat de geur- en afstandscontouren zo veel mogelijk richting het te bestemmen geurgevoelige object komen te liggen.
3.2.
Geuremissie en geurimmisie
De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen. De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Rgv. De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt het 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van een jaar wordt overschreden.
3.3.
Verschillende beoordelingen
3.3.1.
Voorgrondbelasting
Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit de Wgv zijn in tabel 1 opgenomen. Tabel 1. Geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij Binnen bebouwde kom Ligging geurgevoelig object2* Concentratiegebied 3 ouE/m3 Geen concentratiegebied 2 ouE/m3 * de gemeente De Ronde Venen ligt niet in een concentratiegebied.
2
Buiten bebouwde kom 14 ouE/m3 8 ouE/m3
gebied als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
8
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente De Ronde Venen heeft in haar ‘Verordening lokaal geurbeleid voor het grondgebied van de voormalige gemeente Abcoude (inclusief Baambrugge)’ d.d. 31 mei 2012 geen aangepaste geurnormen opgenomen. Daarom gelden bovenstaande geurnormen uit de Wgv. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen is voor het bepalen van de geurbelasting het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning voorgeschreven. Hiermee kan op vooraf ingegeven locaties de geurbelasting worden berekend. Om een goed beeld van de geurbelasting te verkrijgen is het wenselijk om geurcontouren te kunnen berekenen en tekenen. Dit is mogelijk met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied.
3.3.2.
Afstanden
Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaard afstandseisen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente De Ronde Venen heeft in haar ‘Verordening lokaal geurbeleid voor het grondgebied van de voormalige gemeente Abcoude (inclusief Baambrugge)’ d.d. 31 mei 2012 (artikel 4): Artikel 4. Afwijkende afstand bij een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom De afstand, als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderdeel b van de wet, tussen een veehouderij waar vaste afstandsdieren worden gehouden, en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom bedraagt ten minste 25 meter. 1. Artikel 4 lid 1 van deze verordening is alleen van toepassing op de afstand van bestaande dierenverblijven tot geurgevoelige objecten. 2.
Artikel 4 lid 1 van deze verordening is alleen van toepassing op geurgevoelige objecten die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als zodanig bestemd zijn. De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf moet (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object. Ten slotte geldt voor een geurgevoelig object dat deel uitmaakt van een veehouderij een afstand van 50 meter als deze is gelegen buiten de bebouwde kom en een afstand van 100
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
9
meter als deze is gelegen binnen de bebouwde kom. Voor geurgevoelige objecten die deel uitmaken van een veehouderij wordt dus niet getoetst aan de normen voor de voorgrondbelasting, zoals weergegeven in paragraaf 3.3.1.
3.3.3.
Achtergrondbelasting
De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. Het verschil tussen voorgrondbelasting en achtergrondbelasting wordt toegelicht op afbeelding 2. Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting 3 ouE/m3 11 ouE/m3
4 ouE/m3 6 ouE/m
3
Afbeelding 2. Voorgrondbelasting versus achtergrondbelasting (fictieve situatie)
De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.
3.3.4. Mestopslag Naast de geur vanuit dierenverblijven vormt de opslag van vaste mest en drijfmest ook een mogelijke geurbron. Een opslag van vaste mest (opslag agrarische bedrijfsstoffen) en een opslag van drijfmest (mestbassin) vallen onder de regels van het Activiteitenbesluit. Een opslag van agrarische bedrijfsstoffen moet liggen op een afstand van ten minste 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen een bebouwde kom en 50 meter tot geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom. De afstand tussen een mestbassin en een geurgevoelig object moet minstens 50 meter bedragen bij een oppervlakte tot 350 m2 en moet minstens 100 meter bedragen bij een oppervlakte vanaf 350 m2.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
10
3.4.
Geurbelasting versus geurhinder
In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2. Tabel 2.
Woon- en leefklimaat versus geurgehinderden versus geurbelasting Milieukwaliteit Geurgehinderden Voorgrondbelasting* Achtergrondbelasting* Zeer goed 0–5% 0 – 0,7 ouE/m3 0 – 1,5 ouE/m3 3 Goed 5 – 10 % 0,7 – 1,8 ouE/m 1,5 – 3,5 ouE/m3 3 Redelijk goed 10 – 15 % 1,8 – 3 ouE/m 3,5 – 6,5 ouE/m3 Matig 15 – 20 % 3 – 4,5 ouE/m3 6,5 – 10 ouE/m3 Tamelijk slecht 20 – 25 % 4,5 – 6,5 ouE/m3 10 – 14 ouE/m3 3 Slecht 25 – 30 % 6,5 – 8,5 ouE/m 14 – 19 ouE/m3 3 Zeer slecht 30 – 35 % 8,5 – 11,3 ouE/m 19 – 25 ouE/m3 3 Extreem slecht 35 – 40 % 11,3 – 14,7 ouE/m 25 – 32 ouE/m3 * deze waarden gelden alleen voor niet-concentratiegebieden, voor concentratiegebieden bestaan andere waarden. De gemeente De Ronde Venen ligt niet in een concentratiegebied.
De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten.
3.5.
Geurgevoelig object
Een geurgevoelig object is in de Wgv gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is dat een woning een geurgevoelig object is, mits deze een positieve planologische bestemming heeft en feitelijk geschikt is en gebruikt wordt om in te wonen. Of een ander gebouw (niet zijnde een woning), bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object is moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie verder zijn opgenomen.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
11
Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf. Gezien de toelichting op de Wgv betekent dit dat de locatie volgens een geschikte planologische bestemming een functie moet hebben voor menselijk verblijf. In een kantoorgebouw, werkruimte of expeditieruimte kunnen zich mensen ophouden. Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. Het gebouw moet zodanig zijn (aard, indeling en inrichting) dat het feitelijk gezien ook mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Als aan het voorgaande wordt voldaan zal dit in de praktijk normaliter ook het geval zijn. Het gebouw wordt daarvoor (menselijk verblijf) permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, gebruikt. Onduidelijk is wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in de mate van gebruik zal uit de jurisprudentie moeten blijken. Gelet op de definitie wordt er van uitgegaan dat gebouwen, waarin zich gedurende langere tijd, vrijwel dagelijks (meerdere) mensen verblijven (in dit geval werken) aangemerkt worden als geurgevoelig object. Dit wordt bevestigd in jurisprudentie (onder andere ABRvS 200709155/1 van 24 december 2008, ABRvS 200801961/1 van 11 maart 2009, ABRvS 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRvS 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012). De plattelandswoning vormt een geurgevoelig object.
3.6.
Bebouwde kom
Het begrip bebouwde kom is in de Wgv niet gedefinieerd, evenmin als in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro). In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv is aangegeven dat de grens van de bebouwde kom ‘niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving’. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Als bebouwde kom wordt beschouwd: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft’ en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. InfoMil concludeert in haar handleiding behorend bij de Wgv dat het voor de hand ligt om voor de grenzen van de bebouwde kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening (het plaatselijke bestemmingsplan) daaronder wordt verstaan. Of een bepaalde omgeving een bebouwde kom is zal per geval moeten worden bepaald. Zoals gezegd is dit niet eenduidig gedefinieerd. De volgende zaken spelen in deze afweging en rol: - dichtheid bebouwing; - aard en structuur van de omgeving en bebouwing; - planologische karakter.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
12
Mogelijk dat ook de historische situatie een rol speelt. Voor woningen gaan wij uit van een bebouwde kom, als deze in een woonwijk of woongebied zijn gelegen, waarbij de erven aan meerdere zijden aan elkaar aansluiten. Woningen die geconcentreerd zijn gelegen in een op zichzelf staande lintbebouwing beschouwen wij niet als bebouwde kom. Deze opvatting sluit aan bij de jurisprudentie over het begrip bebouwde kom zoals dat werd gehanteerd in de brochure veehouderij en Hinderwet (één van de 'stankrichtlijnen') en in de Stankwet. De plattelandswoning maakt geen onderdeel uit van een bebouwde kom.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
13
4.
GEURBEOORDELING
Nabij de plattelandswoning ligt de veehouderij aan Gein-Noord 62. Overige veehouderijen zijn in de scope van dit onderzoek niet relevant. De inrichting van de veehouderij is aangegeven op afbeelding 3. Bij de veehouderij vormen de dierenverblijven en de mestopslagen de relevante geurbronnen. Voor de veehouderij is op 20 december 2019 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend voor het volgende: - 50 melkkoeien (A1.100) in stal B; - 30 stuks vrouwelijk jongvee (A3.100) in stal C; - 50 schapen (B1.100) in stal C. Voor stal C loopt op het moment van schrijven ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning onderdeel bouwen. De beoogde situatie op de tekening van de bouwaanvraag is gelijk aan de beoogde situatie in bovenstaande melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Afbeelding 3. Inrichting veehouderij
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
14
Bij de veehouderij is ook een ambachtelijke kaasmakerij aanwezig. Deze geurbeoordeling (agrarische geur) heeft geen betrekking op de kaasmakerij (industriële geur). De algemeen geldende geurvoorschriften uit het Activiteitenbesluit vormen een borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving ten aanzien van de kaasmakerij. Omdat voor (mogelijke) geurbronnen bij een kaasmakerij geen afstandseisen op grond van het Activiteitenbesluit gelden, wordt de kaasmakerij niet in haar belangen geschaad.
4.1.
Afstanden
Voor melkrundvee en vrouwelijk jongvee zijn in de Rgv geen geuremissiefactoren vastgesteld. In paragraaf 3.3.2 is toegelicht dat voor deze dieren een afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom in acht moet worden genomen en dat een gevel-gevelafstand van 25 meter in acht moet worden genomen. In paragraaf 3.3.4 is toegelicht dat voor de mestopslag een afstand van 50 meter tot de gevel van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom in acht moet worden genomen. Op afbeelding 4 en op de kaart in bijlage I is de afstandscontour van 25 meter en van 50 meter rondom de dierenverblijven en de afstand van 50 meter rondom de vaste mestopslag en het mestbassin weergegeven.
Afbeelding 4. Afstanden
Op afbeelding 4 is te zien dat de plattelandswoning is gelegen binnen de afstandscontouren van 25 en 50 meter. Dit wil echter niet per definitie zeggen dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de belangen van de veehouderij worden geschaad, zie komende paragrafen.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
15
4.2.
Belangen veehouderij
De belangen van de veehouderij worden niet geschaad. Een plattelandswoning wordt niet beschermd tegen de geur afkomstig van de ‘eigen’ veehouderij. De plattelandswoning kan daarom ook geen belemmering vormen voor de ‘eigen’ veehouderij.
4.3.
Woon- en leefklimaat.
De afstandseisen zoals genoemd in paragraaf 3.3.2 gelden ongeacht het aantal dieren wat gehouden wordt. Voor een dierenverblijf met 10 melkkoeien geldt dezelfde afstandseis van 50 meter als voor een dierenverblijf met (bijvoorbeeld) 1.000 melkkoeien. De afstandseis zegt daarom niet veel over het woon- en leefklimaat ter plaatse van het geurgevoelig object. Hetzelfde geldt voor een vaste mestopslag en een mestbassin en de omvang daarvan. Om toch een indruk te krijgen van het woon- en leefklimaat is een geurberekening gemaakt. Voor schapen is in de Rgv een geuremissiefactor van 7,8 ouE/s vastgesteld. Voor melkrundvee en vrouwelijk jongvee zijn in de Rgv geen geuremissiefactoren vastgesteld. In overleg met de gemeente De Ronde Venen en de Omgevingsdienst Regio Utrecht is gekozen voor een geuremissiefactor van 35,6 ouE/s per melkkoe en 35,6 ouE/s per stuk vrouwelijk jongvee. Op basis van deze geuremissies is een geurberekening uitgevoerd. De parameters die zijn gebruikt voor de geurberekening zijn weergegeven in tabel 3 (natuurlijke ventilatie, geheel luchtdoorlatende stallen). Tabel 3. Parameters geurberekening X Y Bron coördinaat coördinaat (m) (m)
Emissiepunt hoogte (m)
Gebouw hoogte (m)
Emissiepunt diameter (m)
Uittree snelheid (m/s)
Geur emissie (ouE/s)
Stal B
128820
478308
1,5
1,5
0,5
0,4
1.780
Stal C
128790
478303
1,5
1,5
0,5
0,4
1.458
De geurbelasting is berekend met het rekenprogramma V-Stacks vergunning 2020. De geurberekening is opgenomen in bijlage II. De emissiepunten en toetspunten zijn aangegeven op afbeelding 5.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
16
Afbeelding 5. Emissiepunten en toetspunten
De geurbelasting ter plaatse van de plattelandswoning bedraagt op zijn hoogst 17,6 ouE/m3. Uit tabel 2 in paragraaf 3.4 blijkt dat bij die geurbelasting een ‘extreem slecht’ woon- en leefklimaat hoort. Bij het ontbreken van een landelijk toetsingskader, overweegt het bevoegd gezag of dit woon- en leefklimaat aanvaardbaar is voor deze specifieke situatie. Uit onderzoek3 blijkt dat de geur vanuit rundveestallen als de helft minder hinderlijk wordt ervaren dan de geur vanuit varkens- of pluimveestallen. Dit zou kunnen worden vertaald naar een geuremissiefactor van (in dit geval) 17,8 ouE/s per melkkoe en 17,8 ouE/s per stuk vrouwelijk jongvee. Op basis van deze geuremissies is een geurberekening uitgevoerd. De parameters die zijn gebruikt voor de geurberekening zijn weergegeven in tabel 4 (natuurlijke ventilatie, geheel luchtdoorlatende stallen).
3
Academische werkplaats. Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden? Geelen e.a. Maart 2015
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
17
Tabel 4. Parameters geurberekening X Y Bron coördinaat coördinaat (m) (m)
Emissiepunt hoogte (m)
Gebouw hoogte (m)
Emissiepunt diameter (m)
Uittree snelheid (m/s)
Geur emissie (ouE/s)
Stal B
128820
478308
1,5
1,5
0,5
0,4
890
Stal C
128790
478303
1,5
1,5
0,5
0,4
924
De geurbelasting ter plaatse van de plattelandswoning bedraagt op zijn hoogst 10,3 ouE/m3. Uit tabel 2 in paragraaf 3.4 blijkt dat bij die geurbelasting een ‘zeer slecht’ woon- en leefklimaat hoort. Bij het ontbreken van een landelijk toetsingskader, overweegt het bevoegd gezag of dit woon- en leefklimaat aanvaardbaar is voor deze specifieke situatie. Het woon- en leefklimaat ten aanzien van de achtergrondbelasting is aanvaardbaar, aangezien er geen veehouderijen met een relevante geuremissie op korte afstand zijn gelegen.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
18
5.
CONCLUSIE
In dit onderzoek is de geur van veehouderijen ten aanzien de plattelandswoning aan GeinNoord 61 in Abcoude onderzocht. In deze conclusie wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen, zoals gesteld in paragraaf 1.2. In hoofdstuk 4 van dit rapport is toegelicht dat het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad. Ten aanzien van de achtergrondbelasting kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geurhinder van veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
19
BIJLAGE
I. KAART AFSTANDEN
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
20
Bijlage I - Afstanden
bron: PDOK - Kadaster - OSM - RO-online
Schaal 1 : 1.000
21 juli 2020
De Roever Omgevingsadvies • www.deroever.nl • 073 - 594 10 11
BIJLAGE
II. BEREKENING VOORGRONDBELASTING
Onderzoek geurhinder veehouderijen Gein-Noord 61 Abcoude Datum: 18 januari 2021 ; Referentie: 20200893.v02
21
Gegenereerd op: 18-01-2021
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: berekening met factor 35,6 Gemaakt op: 2021-01-18 15:49:42 Rekentijd: 0:00:22 Naam van het bedrijf: Gein Noord 62 Abcoude Berekende ruwheid: 0,269 m
Brongegevens: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag
Geb. Hoogte
1
stal B
128 820
478 308
1,5
0,5
0,40
1 780
1,5
2
stal C
128 790
478 303
1,5
0,5
0,40
1 458
1,5
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
3
TP01
128 806
478 280
8,0
17,6
4
TP02
128 799
478 272
8,0
12,2
Gegenereerd op: 18-01-2021
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: berekening met factor 17,8 Gemaakt op: 2021-01-18 15:53:36 Rekentijd: 0:00:15 Naam van het bedrijf: Gein Noord 62 Abcoude Berekende ruwheid: 0,269 m
Brongegevens: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag
Geb. Hoogte
1
stal B
128 820
478 308
1,5
0,5
0,40
890
1,5
2
stal C
128 790
478 303
1,5
0,5
0,40
924
1,5
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
3
TP01
128 806
478 280
8,0
10,3
4
TP02
128 799
478 272
8,0
7,2