bijl.4 Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61 Abcoude 28072019 - oorspronkelijke versie
Tekst van het document
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES
OPGESTELD DOOR
Adviesbureau voor milieu- en ruimtelijke ordeningsvraagstukken
ZEFRAN HUSSAIN
HANDTEKENING/ VRIJGAVE
Adviseur milieu en ruimtelijke ordening
Datum: 18 juli 2019
De in DNR omschreven regeling is op al onze werkzaamheden van toepassing. Dit rapport valt onder auteursrechten zoals vermeld in hoofdstuk 11 artikel 46 van de DNR
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 2 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Inhoudsopgave 1. Aanleiding tot ruimtelijke onderbouwing ........................................................................................................... 4 1.1. Inleiding ........................................................................................................................................................ 4 1.2. Ligging en begrenzing plangebied ................................................................................................................ 5 1.3. Vigerend bestemmingsplan ......................................................................................................................... 6 1.4. Ruimtelijke beschrijving ............................................................................................................................. 19 1.4. Leeswijzer ................................................................................................................................................... 21 2. Vigerend beleid ................................................................................................................................................. 22 2.1. Rijksbeleid .................................................................................................................................................. 22 2.2.
Provinciaal beleid ....................................................................................................................................... 26 2.3. Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................... 29 3. Randvoorwaarden ............................................................................................................................................. 33 3.1. Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................................................... 33 3.2. Bodemkwaliteit .......................................................................................................................................... 34 3.3. Externe veiligheid ....................................................................................................................................... 35 3.4. Flora en fauna ............................................................................................................................................ 38 3.5. Geur ............................................................................................................................................................ 40 3.6.
Geluid ......................................................................................................................................................... 42 3.7. Luchtkwaliteit ............................................................................................................................................. 43 3.8. Water ......................................................................................................................................................... 45 3.9. Duurzaam bouwen ..................................................................................................................................... 46 3.10. M.e.r.-beoordeling ................................................................................................................................... 48 4. Uitvoerbaarheid ................................................................................................................................................ 49 4.1 Economische uitvoerbaarheid..................................................................................................................... 49 4.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................................
49 Bijlagen .................................................................................................................................................................. 49
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 3 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
1. Aanleiding tot ruimtelijke onderbouwing 1.1. Inleiding Aan de Gein Noord 61 te Abcoude is een woning gesitueerd welke als bedrijfswoning deel heeft uitgemaakt van het agrarische bedrijf gevestigd op het perceel Gein Noord 62 te Abcoude. De initiatiefnemer wil de bedrijfswoning kunnen aanwenden als woonruimte voor niet aan het bedrijf gebonden derden. Dit gebruik kan worden mogelijk gemaakt worden door de bestaande bedrijfswoning te bestemmen als plattelandswoning. Het initiatief kan niet vergund kan worden op basis van het vigerende bestemmingsplan; er is sprake van een strijdigheid. Er dient daarom een procedure ter verkrijging van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te worden doorlopen. De gemeente De Ronde Venen heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan de genoemde ruimtelijke procedure. Echter daarvoor dient ruimtelijke verantwoord te worden of wijziging naar een plattelandswoning mogelijk is. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt invulling gegeven aan deze bepaling. In deze onderbouwing komen relevante aspecten aan de orde op basis waarvan beoordeeld kan worden of het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening.
Het doel van deze ruimtelijke onderbouwing is daarmee om de ruimtelijke aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling aan te tonen. De vereiste omvang van de ruimtelijke onderbouwing zal afhankelijk zijn van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteit, de mate waarin deze ingrijpt op de omvang, de actualiteit van het gemeentelijke ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijke beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel tegen de voorgenomen activiteit ingebrachte zienswijzen. Afbeelding: foto huidige situatie met aanduiding waar de bouwlocatie zich bevindt.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 4 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
1.2. Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het agrarisch gebied van Abcoude. Aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de (woon)wijk Gein, Gaasperplas en Driemond. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door Abcoude en Abcoudermeer. De oostzijde wordt begrensd door Aetsveld, De Horn, Hinderdam en daar tussen gelegen wateren en agrarisch gebied. De zuidzijde wordt begrensd door Gein Noord en agrarisch gebied met daarachter gelegen Baambrugge. Afbeelding: ontwikkelingslocatie.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 5 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
1.3. Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt tot het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied”, vastgesteld op 23 november 2011. Dit bestemmingsplan is inhoudelijk nog redelijk actueel, maar is meer consoliderend van aard. De beoogde ontwikkeling om een plattelandswoning te realiseren is niet passend binnen het bestemmingsplan, daarom dient er een omgevingsvergunning van het handelen in strijd met ruimtelijke regels te worden aangevraagd. De initiatiefnemer heeft ervoor gekozen om dit te doen en heeft op 17 mei 2019 een aanvraag voor een Omgevingsvergunning ingediend. Aangezien er een ruimtelijke onderbouwing ontbrak heeft de gemeente op 9 juli om aanvullende gegevens gevraagd. Afbeelding: uitsnede geldende bestemmingsplan
Het perceel is bestemd als “enkelbestemming Agrarisch” en voor “dubbelbestemming Waarde - Archeologie”. Dit betekent dat artikel 3 en 19 van het geldende bestemmingsplan op deze locatie van toepassing is. Op grond van het geldende bestemmingsplan is het volgende toegestaan: Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een volledig en volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf; b. openheid; c. water en watergangen;
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 6 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
d. behoud en/of herstel van oever- en slootvegetaties; e. groenvoorzieningen; f. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' voor de bescherming, instandhouding en herstel van de waardevolle bebouwingskenmerken en -elementen; g. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' voor de bescherming, instandhouding en herstel van waardevolle cultuurhistorische waarden, zoals per adres is aangegeven in bijlage 5 ‘Cultuurhistorische waarden’; h. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' is een productiegerichte paardenhouderij toegestaan met een daarbij behorende paardenbak waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 1200 m2; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plantenkwekerij' is het kweken van planten toegestaan, met de daarbij behorende: j. bouwwerken; k. erfbeplanting; l. nutsvoorzieningen; m. wegen en paden; n. erven en terreinen. In de bestemming is de uitoefening van nevenactiviteiten toegestaan welke per adres zijn aangegeven in de bij deze regels behorende bijlage 2 'Lijst bestaande (neven)activiteiten', mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan aldaar aangegeven en de nevenactiviteiten in de bedrijfsgebouwen plaatsvinden dan wel direct aansluitend aan het bouwvlak.
Per bouwvlak mag maximaal één bedrijfswoning gebouwd worden, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een afwijkend aantal bedrijfswoningen is aangegeven. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan. 3.2 Bouwregels a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: 1. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak (agrarisch bouwperceel) worden gebouwd; 2. de afstand tussen gebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 15 m; 3. de maatvoering van een gebouw dient te voldoen aan de eisen die in de navolgende tabel zijn gesteld: Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 7 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Functie van een gebouw Agrarisch bedrijfsgebouw
Goothoogte in m
Bouwhoogte in m
5
10
Bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen
3
10
Bijgebouwen bij bedrijfswoning
3
4,5
Inhoud in m³
Oppervlakte Dakhelling in m²
Minimaal 30° en maximaal 60°
600
50
b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. silo's zijn uitsluitend binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) toegestaan, waarbij de maximale bouwhoogte voor mestsilo's 6 m en voor voedersilo's 12 m bedraagt; 2. kuilvoerplaten en mestzakken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) toegestaan waarbij de maximale bouwhoogte 1,5 m bedraagt; 3. lichtmasten zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan en tot een bouwhoogte van niet meer dan 3 m; 4. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; 5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) niet meer bedragen dan 10 m; 6. de bouwhoogte en de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen, mogen buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m²; 7. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' dienen bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak gebouwd te worden. c. Indien de bestaande bebouwing afwijkt van sub a en b dan geldt de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht. 3.3 Ontheffing van de bouwregels a.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten aanzien van lid 3.2 onder a.2 ten behoeve van het vergroten van de afstand tussen de gebouwen binnen het bouwvlak tot 25 m, mits de bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 8 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
b. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten aanzien van lid 3.2 onder a.3 ten behoeve van het vergroten van de bouwhoogte van een agrarisch bedrijfsgebouw tot 14 m, mits dit in verband met de bedrijfsvoering noodzakelijk is. De ontheffing wordt niet verleend ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. c. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten aanzien van lid 3.2 onder a.3 ten behoeve van het vergroten van de goothoogte van een agrarisch bedrijfsgebouw tot 6 m, mits dit in verband met de bedrijfsvoering noodzakelijk is. d. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten aanzien van lid 3.2 onder b.2 voor het plaatsen van kuilvoerplaten en mestzakken direct aansluitend aan het bouwvlak, mits passend in het landschap en de verkavelingsstructuur en mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m. e. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten aanzien van lid 3.2 onder b.4 voor het vergroten van de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tot 2 m, mits de openheid van het landschap niet wordt aangetast. f. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor vervangende nieuwbouw voor groene dienstverlening, indien de bestaande bebouwing ongeschikt is, mits daarmee een ruimtelijke kwalitatieve verbetering wordt bereikt.
3.4 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming en aanduidingen wordt ieder geval begrepen: a. het gebruik van de gronden ten behoeve van een Manegebedrijf; b. het gebruik van de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor het plaatsen en geplaatst houden van tunnelkassen; c. het gebruik van de gronden gelegen buiten het bouwvlak ten behoeve van opslag; d. het gebruik van gronden ten behoeve van ondersteunende teelt; e. het gebruik van gronden ten behoeve van intensieve veehouderij. 3.5 Ontheffing van de gebruiksregels 3.5.1 Nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijven Burgemeester en wethouders kunnen voor de duur dat de agrarische activiteit wordt uitgeoefend ontheffing verlenen van de bestemmingsomschrijving voor wat betreft het uitoefenen van nevenactiviteiten, die zijn opgenomen in bijlage 1, de 'Lijst nevenactiviteiten', alsmede naar aard en omvang daarmee vergelijkbare nevenactiviteiten tot maximaal de aldaar aangegeven oppervlakte, mits: 1. de nevenactiviteiten inpasbaar zijn binnen de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 9 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2. de nevenactiviteiten binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden, met dien verstande, dat buitenactiviteiten tevens direct aansluitend aan het bouwvlak mogen plaatsvinden; 3. activiteiten die een verkeersaantrekkende werking hebben, welke zijn aangeduid met een (v) in bijlage 1, in principe alleen zijn toegestaan langs de volgende wegen: - Rijksstraatweg. - Lange Coupure. - Oude dijk. - Kanaaldijk West. 4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet worden beperkt; 5. de verkeersveiligheid niet verslechtert; 6. parkeren plaatsvindt op eigen terrein. 3.5.2 Paardenbakken Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de bestemmingsomschrijving ten behoeve van het realiseren van een paardenbak, mits deze paardenbak voldoet aan de volgende regels: 1. de paardenbak wordt uitsluitend gesitueerd binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel), dan wel buiten het bouwvlak indien het een paardenbak ten behoeve van de bestemming ‘Wonen’ betreft die wegens gebrek aan ruimte op het erf aldaar niet geheel binnen die bestemming is gelegen; 2. de afstand tussen de paardenbak en een woning van derden moet minimaal 50 m bedragen, tenzij deze afstand niet mogelijk is in welk geval een minimale afstand van 25 m is toegestaan, mits geen hinder is te verwachten voor omwonenden; 3.
de oppervlakte van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 10% van het gehele bouwvlak, tot een maximum van 800 m2, met dien verstande, dat, indien de paardenbak gedeeltelijk op gronden met de bestemming ‘Wonen’ gelegen is, de oppervlakte van de paardenbak binnen de bestemming ‘Agrarisch’ niet meer mag bedragen dan 800 m² verminderd met de oppervlakte van het binnen de bestemming ‘Wonen’ gelegen gedeelte van de paardenbak; 4. de bouwhoogte van de omheining mag niet meer bedragen dan 1,5 m. 3.5.3 Ondersteunende teelt Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de bestemmingsomschrijving en de specifieke gebruiksregels ten behoeve van ondersteunende teelt voor ten hoogste 20% van de oppervlakte van de bij het agrarisch bedrijf behorende gronden, mits rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 10 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
3.5.4 Extensief recreatief medegebruik Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de bestemmingsomschrijving ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, mits rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied. 3.5.5 Zwembaden Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van zwembaden bij bedrijfswoningen, met dien verstande, dat: 1. per bedrijfswoning maximaal één zwembad is toegestaan; 2. een zwembad uitsluitend binnen het bouwvlak en achter (het verlengde van) de achtergevel van de bedrijfswoning is toegestaan; 3. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 3 m bedraagt; 4. de oppervlakte van een zwembad ten hoogste 15% van het perceel bedraagt met een maximum van 50 m²; 5. een zwembad niet meer dan 0,2 m boven het maaiveld mag uitsteken. 3.6 Aanlegvergunning a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen, uitgezonderd binnen de agrarische bouwvlakken; 2.
het vellen en rooien van houtopstanden, waaronder begrepen randbeplantingen rondom agrarische bouwvlakken; 3. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen; 4. het bebossen of anderszins beplanten met hoogopgaande beplanting, waaronder het kweken en telen van bomen, struiken en heesters; 5. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- en uitritten, met dien verstande, dat bij de aanleg van een tweede inrit op een perceel met het oog op de verkeersveiligheid voldoende afstand tot de eerste inrit dient te worden aangehouden; 6. het scheuren en diepploegen van gronden. b. Een aanlegvergunning als bedoeld in lid 3.6, sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of werkzaamheid, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 11 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
plan beoogt te beschermen, niet leidt tot inklinking van de bodem of wanneer geen aantasting van de landschappelijke inpassing van agrarische bouwpercelen plaatsvindt, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied. c. In de afweging als bedoeld in lid 3.6, sub b wordt in ieder geval de bestemmingsomschrijving betrokken. d. Geen aanlegvergunning als bedoeld in lid 3.6, sub a is vereist voor: 1. werken of werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 2. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van 1 in- en uitrit per bouwvlak; 3. het scheuren van grasland, uitsluitend ter grasverbetering; 4. werken of werkzaamheden, behorende bij ondersteunende teelt, indien en voor zover daarvoor ontheffing is verleend ingevolge lid 3.5.3; 5. werken of werkzaamheden, behorende bij de aanleg van zwembaden, indien en voor zover daarvoor ontheffing is verleend ingevolge lid 3.5.5; 6. werken of werkzaamheden die op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning; 7. de aanleg van kavelpaden. 3.7 Wijzigingsbevoegdheid a.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening binnen de bestemming Agrarisch de gronden binnen het bouwvlak te wijzigen in de bestemming Wonen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast; 2. de functiewijziging mag niet eerder plaatsvinden dan nadat uit een bodemonderzoek is gebleken dat daartegen geen bezwaar bestaat; 3. bij de functiewijziging dienen de wettelijke bepalingen inzake externe veiligheid in acht te worden genomen; 4. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid worden de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde bepalingen in acht genomen; 5. ten minste 50% van de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, tenzij de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduidingen 'cultuurhistorische waarden' of 'karakteristiek';
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 12 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
6. in afwijking van het bepaalde in artikel 14, lid 14.2, onder f,mag bij een boerderij met aangebouwde deel het geheel als woning worden verbouwd en gebruikt; 7. eventuele bijbehorende gronden die geen erffunctie hebben, blijven of komen beschikbaar voor de grondgebonden functies landbouw of natuur, overeenkomstig de functie van het betrokken gebied; 8. voldaan dient te worden aan de wettelijke bepalingen inzake luchtkwaliteit. b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening binnen de bestemming Agrarisch, uitsluitend voor zover gelegen in het verwevingslint als bedoeld in de ‘Structuurvisie Buitengebied gemeente Abcoude’, vastgesteld d.d. 09-07-2009, de gronden binnen het bouwvlak te wijzigen in de bestemming Wonen ten behoeve van de bouw van een extra woning, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. per voormalig bedrijf mag één extra woning worden gebouwd, indien alle voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, met een ondergrens van ten minste 1.000 m², tenzij de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduidingen 'cultuurhistorische waarden' of 'karakteristiek'; 2. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast; 3 de functiewijziging mag geen nadelige gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid; 4.
de functiewijziging mag niet leiden tot een aantasting van het landschappelijk karakter van het gebied; 5. er dient op eigen terrein voldoende parkeerruimte te worden gerealiseerd, in relatie tot de te verwachten parkeerbehoefte; 6. de functiewijziging mag niet eerder plaatsvinden dan nadat uit een bodemonderzoek is gebleken dat daartegen geen bezwaar bestaat; 7. de functiewijziging met de daarbij behorende bebouwing en inrichting dient inpasbaar te zijn in de landschapsstructuur; waar mogelijk zal door het stellen van voorwaarden een versterking van de landschapsstructuur worden nagestreefd; 8. de functiewijziging met de daarbij behorende bebouwing en inrichting mag niet leiden tot nadelige gevolgen voor de natuurwaarden; 9. bij een functiewijziging dienen de wettelijke bepalingen inzake externe veiligheid in acht te worden genomen; 10. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden worden de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde bepalingen in acht genomen; 11. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dienen de wettelijke bepalingen inzake natuurregelgeving, waaronder in elk geval begrepen het bepaalde in de Natuurbeschermingswet, in acht te worden genomen; Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 13 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
12. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dient een watertoets te worden verricht; 13. de functiewijziging kan uitsluitend plaatsvinden indien sprake is van bedrijfsbeëindiging; 14. de bestaande bedrijfswoning wordt bestemd als Wonen; 15. de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven mogen door de wijziging niet onevenredig worden aangetast; 16. wat betreft de bouwregels voor de voormalige bedrijfswoning, alsmede de extra woning zijn de regels, zoals neergelegd in de bestemming Wonen, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de oppervlakte van de voormalige agrarische gebouwen dient te worden teruggebracht tot maximaal 150 m² aan niet voor wonen bestemde gebouwen; 17. eventuele bijbehorende gronden die geen erffunctie hebben, blijven of komen beschikbaar voor de grondgebonden functies landbouw of natuur, overeenkomstig de functie van het betrokken gebied; 18. er dient voldaan te worden aan de wettelijke bepalingen inzake luchtkwaliteit. c.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de binnen de bestemming Agrarisch gelegen bouwvlakken te vergroten tot een oppervlakte van maximaal 2 ha voor zover de percelen gelegen zijn in het landbouwkerngebied als bedoeld in de ‘Structuurvisie Buitengebied gemeente Abcoude’, vastgesteld op 9 juli 2009, en maximaal 1,5 ha voor overige gronden, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de bedrijfseconomische noodzaak van de uitbreiding moet zijn aangetoond; 2. de uitbreiding dient plaats te vinden ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast; 4. de wijziging mag niet leiden tot een aantasting van het landschappelijk karakter van het gebied; 5. een wijziging met de daarbij behorende bebouwing en inrichting dient inpasbaar te zijn in de landschapsstructuur; waar mogelijk zal door het stellen van voorwaarden een versterking van de landschapsstructuur worden nagestreefd; als voorwaarde zal in ieder geval worden geëist dat geen buitenopslag plaatsvindt; 6. een wijziging met de daarbij behorende bebouwing en inrichting mag niet leiden tot nadelige gevolgen voor de natuurwaarden; 7. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige toename van de hinder op nabijgelegen hindergevoelige functies;
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 14 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
8. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dienen de wettelijke bepalingen inzake natuurregelgeving, waaronder in elk geval begrepen het bepaalde in de Natuurbeschermingswet, in acht te worden genomen; 9. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dient een watertoets te worden verricht; 10. de bedrijfswoning mag niet worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen'. d. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de gronden die zijn bestemd als Agrarisch te wijzigen ten behoeve van natuur, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast; 2. de functiewijziging mag niet leiden tot een aantasting van het landschappelijk karakter van het gebied; 3. een functiewijziging met de daarbij behorende bebouwing en inrichting mag niet leiden tot nadelige gevolgen voor de natuurwaarden; 4. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dient een watertoets te worden verricht; 5. de agrarische bedrijvigheid is of zal worden beëindigd of wordt omgezet naar agrarisch natuurbeheer; 6. de gerechtigden ten aanzien van de betreffende gronden dienen zulks te wensen; 7. de functiewijziging dient plaats te vinden: a.
In het gebied: - de polders Botshol en Nellestein, ter plaatse van de aanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 1’. b. In het gebied: - Binnen een zone van 50 m ter weerszijden van de rivier het Gein, de rivier de Winkel, de rivier de Holendrecht en de rivier de Angstel. c. In het gebied: - Binnen een zone ten westen van de Kanaaldijk West en aansluitend aan Fort Nigtevecht, ter plaatse van de aanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 1’. e. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de gronden die zijn bestemd als Agrarisch te wijzigen ten behoeve van de vestiging van een productiegerichte paardenhouderij, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 15 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
1. de bedrijfseconomische noodzaak door middel van een bedrijfsplan; 2. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast; 3. de paardenhouderij dient landschappelijk te worden ingepast. f. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de gronden die zijn bestemd als Agrarisch te wijzigen ten behoeve het wijzigingen van het bouwvlak, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. de oppervlakte van het bouwvlak behouden blijft; 2. de wijziging om bedrijfseconomische en/of milieutechnische redenen noodzakelijk is. Artikel 19 Waarde - Archeologie 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van archeologische waarden. 19.2 Bouwregels Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, tenzij: a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut; d.
het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde in sub c, niet groter is dan 100 m². 19.3 Ontheffing van de bouwregels a. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 19.2, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de ontheffing kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 16 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een ontheffing, winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige, welke is gecertificeerd volgens de richtlijn van de kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, omtrent de vraag of door het verlenen van de ontheffing geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 19.4 Aanlegvergunning a. Het is verboden zonder, of in afwijking van, een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 4. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem.
b. De in lid 19.4, onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreffen die: 1. bodemingrepen van niet meer dan 30 cm diep betreffen; 2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat zich geen archeologische waarden (meer) bevinden; 3. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 100 m²; 4. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van: - onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen; - de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; - ploegen; 5. reeds zijn uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. c. De in lid 19.4, onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of de functies welke het plan Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 17 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen, in welk kader advies wordt ingewonnen bij een archeologisch deskundige, welke is gecertificeerd volgens de richtlijn van de kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.
Hieronder is kerninformatie over het geldende bestemmingsplan te vinden: Type plan
Bestemmingsplan
Eigenaar
Gemeente De Ronde Venen
Naam plan
Bestemmingsplan Abcoude Buitengebied
Status
Onherroepelijk. Vastgesteld op 23 november 2011
Identificatie
NL.IMRO.0736.BP003BuitengebAbc-oh01
Conclusie Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat, namelijk het gebruik van de binnen het projectgebied gelegen bedrijfswoning als plattelandswoning, kan niet op basis van het vigerende planologische regime vergund worden. Het initiatief is over het toegestane gebruik is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om het initiatief te kunnen realiseren dient derhalve een procedure ex artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te worden doorlopen.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 18 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
1.4. Ruimtelijke beschrijving Ontstaansgeschiedenis Het gebied van De Ronde Venen, was vroeger een groot veeneiland, gelegen op enige afstand van de Vecht. Het werd begrensd door de rivieren Amstel, Oude Waver en Kromme Mijdrecht. In de buurt van de rivieren bestond de begroeiing -zoals dat bijna altijd het geval was in de lagergelegen landen- uit moerasbos en uitgestrekte veenmosgebieden. Vanwege hoge grondwater waren deze gebieden niet bruikbaar voor de mens. Dit alles veranderde in de Middeleeuwen. De ontginning van het Utrechts-Hollands veengebied startte toen de Bisschop Koenraad van Utrecht het gebied van De Ronde Venen schonk aan het Kapittel van Sint Jan en aan de heer van Abcoude. Deze ontginning was noodzakelijk vanwege de toename van de bevolking en de daarmee gepaard gaande voedselbehoefte, maar ook om de bestuurders te voorzien van inkomsten. De werkzaamheden werden begin 14de eeuw afgerond. Vanwege logistieke redenen werd vanaf de oeverwallen van bestaande rivieren (Kromme Mijdrecht, Drecht, Waver en Winkel) het gebied ontgonnen. Met dijken dwars op de hoofddijken werd het gebied in taartpunten verdeeld en in opstrekkende stroken ontgonnen. Halverwege vestigden zich de ringvormige boerderijlinten van Vinkeveen, Wilnis, Mijdrecht en Waverveen. Turfwinning In De Venen is in de 17de en de 18de eeuw turf gewonnen.
De turfwinning heeft geresulteerd in een gebied met verbreed slotenpatronen, legakkers en petgaten. Legakkers zijn smalle stroken land waarop het veen te drogen werd gelegd. Steeds dieper werd het veen uitgegraven. Resterende stroken land kalfden af en verdwenen in het water, waardoor er plassen ontstonden. Door het afgraven van het veen kwam de oude zeeklei weer aan de oppervlakte en werden kreekruggen zichtbaar in het landschap. Vanwege het gebrek aan landbouwgrond en vanwege de dreiging van grote wateroppervlakken werden in de 19de eeuw in het noorden droogmakerijen gerealiseerd. Dit gebeurde door het droogmalen van de plassen. Om het welwater uit deze droogmakerijen weg te pompen, moesten ringvaarten en ringdijken aangelegd worden. De droogmakerijen werden verkaveld in lange smalle kavels loodrecht op of evenwijdig aan de wegen.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 19 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Stelling van Amsterdam Tussen 1883 en 1914 werd de grootste verdedigingslinie van ons land de “Stelling van Amsterdam” aangelegd. In het Utrechtse deel vormden de riviertjes de Amstel, de Waver en de Winkel de hoofdverdedigingslinie. Hierlangs kwamen de forten te staan: ➢ ➢ ➢ ➢
Uithoorn; Waver-Amstel; Botshol; Winkel.
De direct ten zuiden gelegen, verzonken droogmakerijen (tot zes meter onder NAP) waren zeer geschikt om bij oorlogsdreiging te inunderen. Landschappelijke hoofdstructuur De structuur van het landschap van de gemeente De Ronde Venen is bepaald mogelijkheden en beperking vanwege natuur en door de ontginning van het gebied en winning van turf. Het gebied kan grofweg in drie delen worden gesplitst, namelijk: De bovenlanden Dit zijn de hooggelegen stroken land tussen de droogmakerijen. Hier is het veen niet afgegraven. Het zijn restanten van het middeleeuwse veenlandschap. Het bovenland ligt enkele meters hoger dan de drooggemalen polders. Kenmerkend voor dit gebied is dat er zicht is op de droogmakerijen. Het verkavelingspatroon in de bovenlanden is kleinschaliger. De percelen zijn smaller en de sloten zijn grilliger van vorm. Het landschap is minder open. De droogmakerijen Aan de westkant van de Ronde Venen bevinden zich drie droogmakerijen, namelijk de Eerste -, de Tweede - en de Derde Bedijking. De polder Groot Mijdrecht bevindt zich in het centrum van de Ronde Venen en westelijk van de Wilnisse Zuwe ligt een van de diepste polders van Nederland de polder Veldzijde. Het landschap in de droogmakerijen wordt gestructureerd door weg- en erfbeplantingen en de waterkeringen.
De droogmakerijen liggen lager, hebben een open karakter en zijn rationeel verkaveld met lange strakke, haaks op elkaar staande wegen. Op de kop van de kavels, langs de rechte polderwegen, liggen de huizen en de boerderijen. De Vinkeveense Plassen De Vinkeveense Plassen zijn uitgeveende gebieden die niet zijn drooggemalen, maar als open water zijn gehandhaafd. Het landschap vrij open. De Vinkeveense Plassen zijn door de jaren heen van grote betekenis geweest. Eerst voor het leveren van turf. Daarna voor de winning van zand voor de Amsterdamse Bijlmer. En nu zijn de plassen een belangrijk recreatiegebied.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 20 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
1.4. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 3 betreft de bestaande situatie en hierin wordt ook ingegaan op het gewenste initiatief. In hoofdstuk 4 is de toetsing van het gewenste initiatief aan de relevante sectorale milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 handelt over de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 6 volgt de motivering van het initiatief.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 21 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2. Vigerend beleid 2.1. Rijksbeleid 2.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker vooropzet, prioriteit stelt aan investeringen en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve Rijksbetrokkenheid. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): ➢ ➢ ➢
Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke, natuurlijk en cultuurhistorische waarden behouden blijven.
Conclusie In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' heeft geen consequenties voor het plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 22 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te kunnen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging met normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in de zin dat van de provincies en gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Conclusie Door het nationale karakter van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft dit voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationaal juridisch kader. Het Barro bevat geen voor het plan relevante bepalingen. 2.1.3.
Wet Plattelandswoning De regelgeving omtrent ‘plattelandswoning’ is verwoord in de ‘Wijziging Wet algemene bepalingen omgevingsrecht inzake de planologische status van gronden alsmede aanpassingen van plattelandswoningen‘. Met deze wetswijziging is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 januari 2013 aangepast. De wetswijziging houdt in dat het planologisch regime van gronden en opstallen, en niet langer het feitelijke gebruik daarvan, bepalend is voor de mate van bescherming tegen hinder van geluid, geur en fijnstof. Verder heeft de wetswijziging specifiek betrekking op zogenaamde plattelandswoningen. Dat zijn (voormalige) agrarische bedrijfswoningen die (tevens) door derden mogen worden bewoond. De toenemende functieverandering en functiemenging op het platteland leidt er op veel plekken toe dat de omgeving in toenemende mate geschikter wordt en dient te worden voor bewoning door anderen dan de agrariërs zelf. De overheid heeft gemeend dat die omstandigheid, na afweging van belangen, het creëren van een mogelijkheid om de milieuwetgeving onder omstandigheden minder strikt toe te passen dan gebruikelijk rechtvaardigt. De wetswijziging regelt dat deze woningen ook bij gebruik door derden niet worden beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf.
Wel worden plattelandswoningen beschermd tegen milieugevolgen van omliggende bedrijven en tevens dient aangetoond te worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het initiatief is in lijn met de regeling omtrent de Wet Plattelandswoning. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op milieu- en omgevingsaspecten in relatie tot het initiatief.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 23 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2.1.4. Ladder voor duurzame verstedelijking Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) - de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' - geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening dient er een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het begrip 'stedelijk ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1 sub i van het Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Per 1 juli 2017 is de nieuwe 'Ladder voor duurzame verstedelijking' inwerking getreden. In de nieuwe ladder zijn de eerste en tweede treden samengevoegd en komt de derde trede te vervallen. Een aantal aspecten zijn van belang voor het bepalen of en hoe de ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Als de ontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied dan wordt voldaan aan de ladder. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' bevat de volgende treden: • • •
Een beschrijving van de actuele regionale behoefte van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling; Een beschrijving in hoeverre (een deel van) de regionale behoefte op te vangen is in het bestaand stedelijk gebied door herstructurering, transformatie of anderszins; Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een beschrijving van de wijze waarop de locatie multimodaal ontsloten is of kan worden.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voor een reeds bestaande bedrijfswoning toegestaan dat het gebruikt mag worden als een plattelandswoning. Deze ontwikkeling geeft invulling aan de regionale woningbouwbehoefte. Er wordt niets gebouwd dan wel gesloopt het betreft toestemming (vergunning) voor het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning. Conclusie Met vorenstaande wordt voldaan aan de treden van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 24 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2.1.5. Nationaal Waterplan Op 22 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld. Het plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid, waaronder waterveiligheid en overstromingsrisicobeheerplannen. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende zes jaar met een vooruitblik richting 2050. In het Nationaal Waterplan staan vijf ambities centraal: ➢ ➢
➢ ➢ ➢
Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen; Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics) zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoetwater is; Nederland klimaatbestendig en water robuust inrichten. Bijvoorbeeld met verdiepte pleinen in een stad die bij veel regenval volstromen met water; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement en –innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen; Nederlanders leven waterbewust. Schoon, veilig en voldoende water zijn niet vanzelfsprekend.
Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Conclusie De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling, namelijk een plattelandswoning zal geen belemmering vormen voor de realisatie van de doelen uit het Nationaal Waterplan.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 25 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2.2. Provinciaal beleid 2.2.1. Omgevingsvisie 2050 Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben op 19 november 2018 de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving en beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn voor klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking, bereikbaarheid, gezonde leefomgeving, economische transitie en natuur en biodiversiteit. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Randvoorwaarden zijn geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie wil zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen ontwikkelen, ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur clusteren en rekening houden met de ondergrond. De volgende 7 strategische hoofdopgaven zijn door de provincie geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap; Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief; Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie- en data-knooppunten; Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. Bij nieuwe ontwikkelingen in de kustzone wordt aangesloten bij de verscheidenheid en karakteristieken van de kustlandschappen en aanliggende grote wateren; Bij nieuwe ontwikkelingen in de wateren (Noordzee, Waddenzee, IJsselmeer, Markermeer, IJmeer en Gooimeer) wordt aangesloten op de karakteristieken van de kustlijnen; Ecologische verbindingen worden behouden en aangevuld, met oog op robuuster maken van het ecologisch systeem in de kustgebieden, inclusief de grote wateren.
Deze hoofdopgaven worden gestimuleerd vanuit de Provincie Noord-Holland en dit beleid werkt eveneens door op gemeentelijk niveau. Het planvoornemen sluit aan op het beleid van de provincie. 2.2.2. Provinciale ruimtelijke verordening Op 23 april 2018 is de Provinciale Ruimtelijke Verordening (geconsolideerde versie) van Noord- Holland (PRV) vastgesteld. In de provinciale verordening wordt de structuurvisie verder uitgewerkt langs drie provinciale hoofdbelangen: klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik. In de PRV heeft de provincie regels gesteld om deze belangen juridisch te borgen. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen deze regels in acht nemen. De PRV is daarmee een kaderstellend instrument van de provincie voor gemeenten. Inhoudelijk gaat de verordening hoofdzakelijk in op het realiseren van stedelijke functies buiten de rode contour, het vrijkomen van agrarische bebouwing en natuur- en landschapsbescherming.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 26 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Op 1 maart 2017 is de Provinciale Ruimtelijke Verordening geactualiseerd en in werking getreden. De laatste wijziging van de PRV is op 14 januari 2019 door Provinciale Staten vastgesteld en in werking getreden. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening staat vermeld dat verstedelijking in het landelijk gebied mogelijk is, mits de noodzaak van de verstedelijking wordt aangetoond en deze verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren kan worden gerealiseerd. Conclusie Het plan is in overeenstemming met het vorenstaande, omdat het wordt gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak. Het plan is in overeenstemming met dit beleid. 2.2.3. Leidraad landschap en cultuurhistorie Op 21 juni 2010 is de “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie” vastgesteld door GS (Gedeputeerde Staten) van de provincie Noord-Holland. Deze leidraad vormt een aanvulling op de “Structuurvisie Noord-Holland 2040” en de “Provinciale Ruimtelijke Verordening”. Met de leidraad wil de provincie dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de kwaliteiten van het landschap en cultuurhistorie meer worden verankerd. De leidraad is digitaal ontsloten via de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie.
De ‘Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie’ geeft informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als molens, militaire structuren en historische dijken. In de leidraad staan de kernkwaliteiten van de verschillende Noord-Hollandse landschappen benoemd. Zoals hiervoor valt te lezen heeft De Ronde Venen een rijk verleden en vormt het een bijzondere streek bovenlanden, droogmakerijen en plassen. Het ontstaan van dit gebied is te danken aan winning van turf en drooglegging van laaggelegen delen. Behoud van bestaande structuur en de openheid van het landschap is van groot belang. Conclusie Het plan betreft de aanwijzing c.q. realisatie van een plattelandswoning. Er wordt niets gesloopt of gebouwd. Ook het feitelijk gebruik blijft gehandhaafd. Het plan is overeenkomstig het beleid van de provincie.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 27 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2.2.4. Provinciaal waterplan Het Provinciaal Waterplan beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. Binnen deze kaders nemen hoogheemraadschappen, gemeenten en waterleidingbedrijven maatregelen om inwoners te beschermen tegen wateroverlast, de kwaliteit van het water te verbeteren en te zorgen voor voldoende water aan- en afvoer. Kern van het waterplan wordt gevormd door: beschermen, benutten, beleven en beheren. De PS (Provinciale Staten) hebben het plan 16 november 2009 vastgesteld. Op basis van het waterplan geven waterschappen bij ruimtelijke ontwikkelingen een wateradvies aan de gemeenten over de effecten op het water (de watertoets). Dit waterplan is gebaseerd op de Watervisie 2021 van de provincie. Met deze visie zoekt de provincie de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door watergoed mee te nemen kunnen we duurzame integrale afwegingen maken. Waterbeheer Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier (HHNK). Het HHNK is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het deel van Noord-Holland boven het Noordzeekanaal. Het hoogheemraadschap heeft vier taken: •
Water keren/bescherming van het land tegen overstromingen;
•
Water beheren/regelen van de juiste waterstand;
•
Water zuiveren/zorgen dat het waterkwaliteit goed blijft;
•
Het beheer en onderhoud van waterwegen en wegen buiten de bebouwde kom.
Het hoogheemraadschap streeft naar instandhouding en versterking van gezonde en veerkrachtige watersystemen in een goed onderhouden, beheersbare infrastructuur, waarmee een duurzaam gebruik en duurzame belevingswaarde gegarandeerd is en blijft. Ook vindt het hoogheemraadschap het van belang dat de oppervlaktewatercapaciteit en de wateropnamecapaciteit van open grond binnen het beheersgebied blijft gehandhaafd. Dit draagt bij aan een duurzaam beheer van het oppervlaktewater. Indien er nieuwe verharding ontstaat, dient het verlies van de watercapaciteit in beginsel te worden gecompenseerd. Conclusie Het plan betreft een aanwijzing/realisatie. Er wordt niets gesloopt of gebouwd. Ook het feitelijk gebruik blijft gehandhaafd. Het totale verharde oppervlak verandert niet. Dit geldt ook de footprint. Hierdoor is er geen sprake van belemmering voor dit aspect. Het plan is overeenkomstig het beleid van de provincie.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 18 juli 2019, pagina 28 van 49 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
2.3. Gemeentelijk beleid 2.3.1. Structuurvisie De Ronde Venen 2030
De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld. De structuurvisie gaat ervan uit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. Initiatieven worden ondersteund. De gemeente zet in op een toekomstbestendige woningvoorraad: het zo veel mogelijk laten aansluiten van woningen op woonwensen, woningen die energiezuinig en toegankelijk zijn en aansluiten op de vraag vanuit de woningmarkt. In de structuurvisie staat het volgende: “In het landbouwgebied staat de agrarisch economische functie eveneens centraal, net als in het landbouwkerngebied. Het accent in het landbouwgebied ligt naast productie ook meer op verbreding en multifunctionele landbouw. Agrarische bedrijven hebben een bouwblok dat past bij de omvang van het bedrijf en waarbinnen uitbreiding van bebouwing mogelijk is. Bedrijfsontwikkeling in de vorm van schaalvergroting, verduurzaming, multifunctionaliteit of innovatie kan gevolgen hebben voor de ruimtebehoefte. De gemeente ondersteunt initiatieven, maar maakt wel een afweging met de landschappelijke impact en de functionele noodzaak. Waar ontwikkeling tegen grenzen in regelgeving lijkt aan te lopen, zoeken betrokkenen maatwerkoplossingen.
De gemeente werkt hiervoor instrumenten uit op het niveau van het bouwblok. De mogelijkheden van de Wet plattelandswoningen worden benut om onnodige belemmeringen voor omliggende agrarische bedrijven te voorkomen”.