bijl.4 Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61 Abcoude 28072019 -240516 aangepast
Tekst van het document
Het belangrijkste uitgangspunt is het streven naar behoud van archeologische waarden in de bodem en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is. Kortom: sinds die invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1 juli 2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld in een integrale Erfgoedwet. De omgang met de archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2021 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten golden, worden gehandhaafd.
Erfgoedverordening gemeente De Ronde Venen In de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2013 is de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden geregeld. Daarnaast is in de Erfgoedverordening regelgeving opgenomen ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden. Om een zo goed mogelijk beeld van alle (verwachte) archeologische waarden binnen De Ronde Venen te krijgen is een archeologische beleidskaart opgesteld. In de Erfgoedverordening 2013 is archeologisch beleid opgenomen die de kaart geldend maakt voor alle ruimtelijke plannen die vóór 2012 zijn vastgesteld. Hiermee is het archeologische beleid voor het gehele grondgebied van De Ronde Venen actueel. De Archeologische Beleidskaart dient als basis voor de in bestemmingsplannen en beheersverordeningen te verwerken cultuurhistorische waarden. Conclusie Er zal niets worden gesloopt dan wel gebouwd. Het betreft wijziging van het gebruik van de bestaande bedrijfswoning naar een plattelandswoning. De ontwikkeling ontmoet geen belemmeringen vanuit dit aspect. Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 27 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
3. Randvoorwaarden 3.1. Bedrijven en milieuzonering
Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient er bij ruimtelijke plannen, waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt, in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Hiertoe zijn in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen B&M) richtafstanden opgesteld. In deze handreiking wordt afstanden, zogeheten milieuzoneringen, tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies aangegeven waarmee wederzijdse hinder voorkomen wordt. Zo zorgt de milieuzonering ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. De invloed van een bedrijf op de omgeving hangt op de (milieubelastende) karakteristieken van het bedrijf. In de handreiking worden daarom zes milieucategorieën met de daarbij behorende richtafstanden onderscheiden (zie tabel). Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van de hinderaspecten geluid, stof, gevaar en geur. Voorts wordt onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies.
De gedachte daarbij is dat gebieden met gemengde functies hogere achtergrondwaarden over de hinderaspecten kennen, waardoor milieubelasting van een specifiek bedrijf meer op zal gaan in de omgeving en minder snel als hinder zal worden ervaren
De VNG-publicatie voorziet in richtafstanden. Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Door een gedegen op een specifieke situatie toegespitste onderbouwing kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken. Naast het VNG-stelsel moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer/Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften dienen onder andere ter regulering van de hinder voor de omgeving en kunnen daarmee relevant zijn voor de beschouwing van hindersituaties. Onderzoek De ontwikkeling bestaat uit het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van Gein Noord 61 te Abcoude als plattelandswoning. De plattelandswoning kent gelijk aan de Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 28 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
bestaande bedrijfswoning milieubescherming ten opzichte van omliggende bedrijven. De omliggende bedrijven anders dan het bijbehorende bedrijf Gein Noord 62 zijn op ruime afstand en buiten de in relatie tot deze bedrijven geldende richtafstanden gelegen. De omliggende bedrijven worden daarmee niet aangetast in de bestaande rechten en ondervinden geen wijziging in de milieusituatie, waardoor geen nieuwe potentiële hindersituatie ontstaat. Ten opzichte van het bijbehorende bedrijf aan de Gein Noord 62 geniet de plattelandswoning, ingevolge de strekking van de Wet plattelandswoning, evenals de bestaande bedrijfswoning geen milieubescherming. De rechten van het bijbehorende bedrijf worden derhalve niet aangetast en er ontstaat geen wijziging in de milieusituatie, waardoor geen nieuwe potentiële hindersituatie ontstaat. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect milieuzonering uitvoerbaar. Er zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten vanuit dit aspect. 3.2. Bodemkwaliteit Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een bodemonderzoek te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van een bepaalde (bestemmings)wijziging. Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren.
In het algemeen geldt dat verontreiniging van de bodem (grond en grondwater) moet worden voorkomen. Uitgangspunt is dat de bodem schoon is en dat dat zo moet blijven (zorgplicht). Voor vervuilde bodems geldt dat deze functiegericht en kostenefficiënt gesaneerd moeten worden. Voorwaarde is dat hierbij geen verspreiding van of ontoelaatbare blootstelling aan verontreiniging optreedt. De Wet bodembescherming geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor de stof geldende streefwaarde overschrijdt. Onderzoek naar bodemkwaliteit dient gedaan te worden wanneer initiatieven uitgaan van bodemroerende activiteit, dan wel functies mogelijk maken waarbij dezelfde mensen gedurende een langere periode minstens 2 uur per dag op de betreffende gronden verblijven.
Onderzoek Het initiatief betreft het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van de Gein Noord 61 te Abcoude als plattelandswoning. De woning en het bijbehorende perceel kennen reeds een woonfunctie. Dit gebruik verandert niet met het initiatief. Er zijn geen problemen met de bodemkwaliteit bekend. Gesteld kan worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik van de woning als plattelandswoning.
Conclusie Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 29 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Het initiatief is vanuit het aspect bodemkwaliteit uitvoerbaar. Er zijn geen belemmeringen te verwachten vanuit dit aspect. 3.3. Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren voor de directe omgeving in het geval dat er iets misgaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verboden risico's moeten binnen de perken. Hiervoor worden normstellingen gehanteerd: ➢ ➢
Het plaatsgebonden risico is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het groepsrisico stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting door calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden.
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. In het Bevi zijn grenswaarde en oriënterende richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). Voor het groepsrisico (GR) is een verantwoordingsplicht opgenomen. Plaatsgebonden risico Het PR is gedefinieerd als de plaatsgebonden kans, per jaar, op overlijden voor een onbeschermd individu door ongevallen met een bepaalde activiteit. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren. Voor het PR-risico geldt een getalsnorm inhoudend de maximaal toelaatbare overlijdenskans voor een individu van: ➢ ➢
1 op 100.000 per jaar (10-5/j) voor bestaande situaties; 1 op 1.000.000 per jaar (10-6/j) voor nieuwe situaties.
Voor het PR geldt dat er zich geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR. Voor (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten geldt het 10-6 per jaar PR-criterium als richtwaarde. Daar waar in dit rapport gesproken wordt van een PR, wordt de PR- contour van 10-6 per jaar bedoeld. Groepsrisico Het GR is de cumulatieve kans per jaar dat tenminste 10 personen het slachtoffer wordt van een ernstig ongeval. Het groepsrisico wordt gezien als een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting door een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), het is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR valt daarom niet aan te geven met risicocontouren langs de weg, maar wordt met een grafiek, een zogenaamde fN curve aangegeven. Hierin wordt het overlijden van een groep van tenminste een bepaalde omvang afgezet tegen de kans daarop per jaar.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 30 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Het GR maakt geen verschil tussen bestaande en nieuwe situaties. Het GR kent ook geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om gemotiveerd op basis van een belangenafweging van deze oriëntatiewaarde af te wijken. Daarnaast geldt een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid. Laatstgenoemde aspecten, en daarmee de verantwoordingsplicht, worden in dit rapport niet behandeld. Dit rapport is niet uitgevoerd in relatie tot een bestemmingsplan of toekomstige ontwikkeling, verantwoording van het GR is daarom niet opgenomen. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten In de wetgeving is onderscheidt gemaakt tussen beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten. Het Bevb verwijst voor de uitleg naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna te noemen: Bevi). Kwetsbare objecten zijn onder meer woningen, ziekenhuizen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, omvangrijke kantoorgebouwen, recreatieterreinen en andere gebouwen waar grote aantallen personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Via een wijziging in het Bevi (Besluit van 9-9- 2008, Stb. 2008, nr. 380) worden ook woonschepen en woonwagens tot kwetsbare objecten gerekend.
Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer verspreid liggende woningen, kleinere kantoren, hotels en restaurants, sporthallen, overige bedrijfsgebouwen. Op basis van het Bevi wordt onder verspreid liggende woningen verstaan: een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Ook lintbebouwing, voor zover deze loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op de contouren van het PR van een buisleiding, wordt aangeduid als een beperkt kwetsbaar object. Het zal duidelijk zijn dat het buitengebied veelal bestaat uit beperkt kwetsbare objecten (verspreid liggende woningen en lintbebouwing). Bij bestemmingsplanwijzigingen dient rekening te worden gehouden met de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied. Als een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied wordt gerealiseerd dient een onderbouwing over de risico’s van aardgasleidingen plaatst te vinden. Bij een toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied zal het GR (beperkt) verantwoord moeten worden (artikel 12 van het Bevb).
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 31 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Onderzoek Het initiatief gaat uit van het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van de Gein Noord 61 als plattelandswoning. Een woning wordt gekwalificeerd als een kwetsbaar object. Met het initiatief verandert het feitelijke gebruik van het perceel als woonperceel niet. De personendichtheid op de kavel neemt niet toe. Met het initiatief wordt geen nieuwe risicobron geïntroduceerd. Uit een raadpleging van de risicokaart blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in de nabijheid of binnen het invloedsgebied van risicobronnen. Het initiatief heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de bestaande veiligheidsniveaus. Conclusie Een verdere toetsing van de risico’s kan dan ook achterwege blijven. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 3.4. Flora en fauna
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie vorige wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d.
15 mei 2024, pagina 32 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzonder provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wet natuurbescherming niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlage van de verdragen worden tevens vogels genoemd; Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wn. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken.
Conclusie Het voorliggende initiatief ontmoet geen belemmeringen vanuit het aspect flora en fauna en is daarmee uitvoerbaar.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 33 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
3.5. Geur
In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of ter plaatse van het bouwplan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieuhygiënische toets) en anderzijds of het bouwplan leidt tot een belemmering van vergunde rechten van bedrijven in de omgeving (Wm-toets). Op 1 januari 2007 is de nieuwe ‘Wet geurhinder en veehouderij’ (Wgv) in werking getreden. De Wgv ziet toe op geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv bevat daartoe onder meer wettelijke geurnormen, waaraan in principe moet worden voldaan, maar de wet biedt aan gemeenten tevens de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen (artikel 6 Wgv) eigen gemeentelijke geurnormen toe te passen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermen geurgevoelige objecten tegen de geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Onderzoek Het initiatief gaat uit van het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van de Gein Noord 61 als plattelandswoning. Een woning valt onder de definitie van een geurgevoelig object zoals opgenomen in artikel 1 Wgv. Voor een bedrijfswoning en daarmee ook voor een plattelandswoning geldt echter dat dergelijke woningen geen milieubescherming genieten ten opzichte van het bijbehorende bedrijf. Wel worden deze woningen beschermd tegen eventuele geurhinder van andere bedrijven.
Daarnaast is het belang -vanwege beschermingsregels- om vast te stellen of deze woning gelegen is binnen dan wel buiten de bebouwde kom. Het gebied waarin de woning is gelegen wordt aangemerkt als buitengebied. Voor melkvee gelden voorts uitsluitend te respecteren vaste afstanden. Gelet op de ligging buiten de bebouwde kom, dient een afstand van 50 meter te worden gerespecteerd tussen de bedrijfswoning/plattelandswoning en overige bedrijven. Een beschouwing van de ruimtelijke situatie leert dat overige bedrijven op veel ruimere afstand van de beoogde plattelandswoning aan de Gein Noord 61 te Abcoude, waardoor zich geen hindersituaties zullen voordoen. Ten opzichte van het bijbehorende bedrijf aan de Gein Noord 62 geniet de plattelandswoning, ingevolge de strekking van de Wet plattelandswoning, evenals de bestaande bedrijfswoning geen bescherming van geurhinder. De rechten van het bijbehorende bedrijf worden derhalve niet aangetast en er ontstaat geen wijziging in de milieusituatie, waardoor geen nieuwe potentiële hindersituatie ontstaat.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 34 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Om een afweging te kunnen maken over de toelaatbaarheid van een geurgevoelige bestemming op een specifieke locatie dient een beoordeling plaats te vinden van het woon- en leefklimaat door de geuremissie van omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door de voorgrondbelasting én de achtergrondbelasting van veehouderijen. Voorgrondbelasting De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting door individuele bedrijven. Een analyse van de omgeving van het projectgebied leert dat de dichtstbijzijnde veehouderij op meer dan 100 meter gelegen is. De voorgrondbelasting door dieren waarvoor een vastgestelde geuremissiefactor geldt, zal dan ook niet negatief worden beïnvloed, daarom is het aannemelijk dat er bij de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Geurhinder is voorts in grote mate subjectief bepaald en afhankelijk van individuele omstandigheden. De gevoeligheid voor geur verschilt voor ieder mens en wordt onder andere bepaald door de beleving van de eigen gezondheid en van de privacy. Daarnaast spelen externe omstandigheden een rol, zoals de duur van de blootstelling en de aard van de omgeving. Ten aanzien van de hinderbeleving ten opzichte van de zogenaamde vaste afstand dieren wordt landelijk een geaccepteerde afstand van 100 en 50 meter gehanteerd in respectievelijk binnen en buiten de bebouwde kom.
Hierbij is een gemiddelde hinderbeleving van de personen in stedelijke gebieden en landelijke gebieden gehanteerd. De te respecteren afstanden zijn hierbij niet afhankelijk van het aantal dieren die binnen de inrichting aanwezig zijn. De omgeving van de Gein Noord 61 te Abcoude is een landelijke omgeving waarbij in het bebouwingslint de combinatie van wonen en agrarische activiteiten sterk met elkaar zijn verweven. Een dergelijk karakter van de omgeving resulteert in een afwijkende hinderbeleving ten opzichte van de gemiddelde situatie in Nederland. Geurhinder wordt minder snel ervaren omdat deze behoort tot de lokale achtergrondgeur. Ook met het oog op deze verlaagde hinderbeleving zal er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning Gein Noord 61 te Abcoude. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting betreft de gecumuleerde geuremissie van alle veehouderijen in een straal van 2000 meter om het plangebied. Voor de bepaling van de achtergrondgeurbelasting zijn uitsluitend veehouderijen met intensieve veesoorten relevant. In een straal van 500 meter om de beoogde plattelandswoning zijn geen intensieve veehouderijen zijn gelegen.
In de zone van 500 tot 2.000 meter rondom de planlocatie worden eveneens geen concentraties van intensieve veehouderijen verwacht die een relevante bijdrage kunnen leveren op de achtergrondbelasting te plaats van de locatie Gein Noord 61 te Abcoude, daarom is het aannemelijk dat er bij de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat door de lokale achtergrondbelasting. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 35 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
3.6. Geluid
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/u geldt. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het plangebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal typen objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën vallen, zijn op basis van de wet niet beschermd tegen geluidshinder. Onderzoek Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen voor de toelaatbaarheid van geluidniveaus door rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai.
Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen. Het projectgebied is gelegen in het buitengebieden alleen in de zone van de Gein Noord weg. Het initiatief gaat uit van het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van Gein Noord 61 te Abcoude als plattelandswoning. Er wordt met het initiatief geen nieuwe geluidgevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt. Nadere verantwoording in het kader van de Wet geluidhinder is daarmee niet nodig. Conclusie De verwachting is dat het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 36 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
3.7. Luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM)' bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)' en de Ministeriele Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgesteld die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip NIBM is gedefinieerd als de grenswaarde voor stikstof (NO2) en fijnstof (PM10). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarde voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Echter de Wet luchtkwaliteit vereist een genuanceerde toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
Een ruimtelijk plan is in overeenstemming met de Wet luchtkwaliteit als de planvorming niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. AMvB Niet In Betekenende Mate en Regeling Niet In Betekenende Mate (NIBM) De AMvB NIBM en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Er is een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel ‘niet in betekenende mate’) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.
Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorvloeroppervlak. Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Onderzoek Het initiatief gaat uit van het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van Gein Noord 61 te Abcoude als plattelandswoning. Het initiatief blijft daarmee ver onder de grenzen van de Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) en heeft daarmee geen invloed op de luchtkwaliteit
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 37 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Onderzoek naar fijnstof Door De Roever Omgevingsadvies (verder als De Roever) is onderzoek gedaan naar fijnstof. Uit de rekenresultaten blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook wordt geconstateerd dat de belangen van de veehouderij worden niet geschaad.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Aanvaardbaar woon- leefklimaat Bij een plattelandswoning dient getoetst te worden aan luchtkwaliteit. Gezien de ligging en omdat uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden kan worden geconcludeerd dat er sprake er zal van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook kan worden geconcludeerd dat de belangen van de veehouderij niet worden geschaad. 3.8. Water
Europese Kaderrichtlijn Water Met ingang van december 2000 is de 'Europese Kaderrichtlijn Water' (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'Goede Ecologische Toestand' (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'Goede Ecologisch Potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier aan te pakken. Hieruit is op rijksniveau een nationaal waterplan ontwikkeld. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. De provincie heeft een Regionaal Waterplan opgesteld. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd.
De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving kunnen gemeenten een bredere zorgplicht op zich nemen. Deze wetgeving maakt het mogelijk om rioolheffing te heffen voor een zuiveringstechnisch werk dat door de gemeente (of waterschap/ derde) wordt beheerd op grond van de Gemeentewet.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 38 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
Nationaal Waterplan 2016-2021 Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld door het kabinet in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijk ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte termijn. Verordening 'de Keur' De verordening de Keur is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een Aof B-waterloop niet zonder toestemming van het Hoogheemraadschap Rijnland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit 'de Keur'. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Watertoets De Watertoets is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen. Met dit instrument komt de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan in een vroegtijdig stadium in contact met het Hoogheemraadschap dat hierover gaat. Onderzoek Het totale verharde oppervlak verandert niet. Het initiatief betreft uitsluitend een gebruikswijziging van de bestaande woning. De feitelijke situatie verandert niet. Het initiatief heeft geen invloed op de waterstaatkundige elementen of op de waterhuishouding. Conclusie Er zal geen toename zijn van verhard oppervlak. Er zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten vanuit dit aspect. 3.9. Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen is het op zodanige manier bouwen dat gedurende de gehele levensloop van het gebouw en de gebouwde omgeving zo min mogelijk (milieu)belasting ontstaat. Aandacht voor duurzaamheid betekent expliciete aandacht voor een gezond, leefbaar binnenmilieu van de woningen, beperkingen van de negatieve gevolgen voor mens en milieu en beperkingen van de woonlasten op termijn (energierekening). Landelijk en Europees beleid In 2013 is het Energieakkoord van kracht geworden.
De gemeenten onderschrijven de voorwaarden uit het Energieakkoord; aan energie energiebesparing en duurzame energie is een belangrijke rol toegekend; besparing van het energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar, een toename van het aandeel hernieuwbare Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 39 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
energieopwekking van 4,5% in 2013 naar 14% in 2020 en een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. Om resultaten te boeken en om innovatie te stimuleren is de energieprestatie-coëfficiënt voor nieuwe woningen in het Bouwbesluit (wettelijk kader) in 2015 aangescherpt van 0,6 naar 0,4. Richting 2020 wordt toegewerkt naar “Bijna Energie Neutrale Gebouwen” (hierna BENG). Het Europees beleid is erop gericht dat nieuwe gebouwen na 2020 geen of heel weinig energie gebruiken. De energie die nog nodig is moet in belangrijke mate afkomstig zijn uit hernieuwbare bronnen. Dit is vastgelegd in de herziene Europese richtlijn EPBD uit 2010. Het Nationaal Plan voor het bevorderen van BENG in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot BENG na eind 2018, respectievelijk 2020. In het Nationaal Plan staat wat onder (BENG) verstaan wordt. In het nationaal energie-akkoord voor duurzame groei is afgesproken dat de energievoorziening in 2050 geheel duurzaam is. Voor de gebouwde omgeving betekent het onder andere dat de huidige invulling van de warmtevraag met aardgas vervangen moet worden door een alternatief zonder aardgas: de warmtetransitie. Zo staat het ook in het Energierapport van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De huidige EPC zal worden vervangen door een BENG-eisen (Bijna Energieneutrale Gebouwen).
De eisen zijn onafhankelijk van de energiedrager; wel is een minimum aandeel hernieuwbare energie vereist. Vanaf 1 juli 2020 moeten nieuwe gebouwen aan de BENG-criteria voldoen. Onderzoek Het initiatief gaat uit van het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van Gein Noord 61 te Abcoude als plattelandswoning. Er wordt niets gesloopt of gebouwd. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de aspecten van duurzaamheid. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 40 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
3.10. M.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden met de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Onderzoek De beoogde ontwikkeling blijft onder de drempelwaarden van alle activiteiten zoals opgenomen in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Uit de verrichte dan wel beschreven milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het voornemen geen significante effecten op de omgeving heeft. Het gaat immers om een andere bestemming, namelijk plattelandswoning. Het feitelijke gebruik blijf hetzelfde. Conclusie Het initiatief gaat uit van het toestaan van het gebruik van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning ter plaatse van de Gein Noord 61 te Abcoude als plattelandswoning. Met het initiatief verandert het feitelijke gebruik van het perceel voor een woonfunctie niet. Het initiatief gaat niet gepaard met nieuwe bouwmogelijkheden of een verandering van de gebruiksintensiteit. Het initiatief heeft daarmee geen negatieve effecten op de aspecten zoals hiervoor genoemd. Ook treden er geen gevolgen op voor de omgeving.
Voor het voornemen hoeft daarmee geen m.e.r.-(beoordelings)procedure te worden doorlopen. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 41 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
ASRA ADVIES Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
4. Uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning. Het gaat daarbij zowel om de financieel - economische onderbouwing van de omgevingsvergunning als om de overige aspecten die met de uitvoering ervan te maken hebben. Daarnaast moet worden aangegeven hoe om is gegaan met de betrekking van omwonenden en belanghebbenden bij dit project. 4.1 Economische uitvoerbaarheid
De kosten voor het voornemen komen ten laste van de initiatiefnemer. Het plan is derhalve economisch uitvoerbaar. 4.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van de wettelijke procedure zal het ontwerp van deze omgevingsvergunning met de bijbehorende stukken gepubliceerd en ter inzage gelegd worden. Gedurende deze termijn kunnen belanghebbenden hun zienswijze op de ontwikkeling kenbaar maken.
BIJLAGEN
-
Geuronderzoek De Roever, kenmerk 20200893.v02, 18-01-2021; Akoestisch onderzoek ASP, kenmerk 2020120v1.0 IL 16-09-2020; Aanvulling op akoestisch onderzoek ASP, beantwoording vragen, 21 juli 2020; Fijnstof onderzoek De Roever, kenmerk 20210332.v01, 22-03-2021.
Ruimtelijke onderbouwing Gein Noord 61, d.d. 15 mei 2024, pagina 42 van 42 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht