CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan

Commissie Ruimtelijke Zaken 14 september 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Hoef Westzijde 41, raadsvoorstel 49/21 (21.45 uur)9.094 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan De Hoef Westzijde 41, De Hoef Gemeente De Ronde Venen

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0736.BPP024westzijde41-ow01

Datum:

2021-04-22

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. T.J. Oostrom | dhr. H.J.M. van Arendonk

Kenmerk Buro SRO:

SR160136

Opdrachtgever:

Stili

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 5 Artikel 2 Wijze van meten ....................................................................................................................................... 16

2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 18 Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuurwaarden ................................................................................................ 18 Artikel 4 Wonen - Bebouwingsconcentratie ........................................................................................................... 21 Artikel 5 Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied ....................................................................... 24 Artikel 6 Waterstaat - Waterkering ......................................................................................................................... 26

3 Algemene regels .................................................................................................................................... 27 Artikel 7 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................... 27 Artikel 8 Algemene bouwregels .............................................................................................................................. 27 Artikel 9 Algemene gebruiksregels .......................................................................................................................... 28 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ..................................................................................................................... 29 Artikel 11 Algemene wijzigingsregels ...................................................................................................................... 30 Artikel 12 Overige regels ......................................................................................................................................... 31

4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 33 Artikel 13 Overgangsrecht....................................................................................................................................... 33 Artikel 14 Slotregel .................................................................................................................................................. 33

3

4

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan De Hoef Westzijde 41, De Hoef met NL.IMRO.0736.BPP024westzijde41-ow01 van de Gemeente De Ronde Venen.

identificatienummer

1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 agrarisch bedrijf een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.6 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten.

1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.9 bed en breakfast een overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, zonder verdere aanwezigheid van een eigen keuken ter bereiding van verdere maaltijden.

5

1.10 bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

1.11 bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een (agrarisch) bedrijf.

1.12 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts bestemd is voor bewoning door een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.

1.13 beperkt kwetsbaar object een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.14 beroep en bedrijf aan huis een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten en het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, voor zover voorkomend in ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is dat deze in een woning en bijbehorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend.

1.15 bestaand (in geval van een bouwwerk) bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.16 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.17 bestaand stedelijk gebied bestaand stedelijk gebied zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 onder h van het Besluit ruimtelijke ordening.

1.18 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.

1.19 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

6

1.20 bevoegd gezag bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.21 bij een grondgebonden agrarisch bedrijf behorende gronden a.

b.

gronden die in eigendom zijn of voor een periode van ten minste 5 jaar gepacht of gehuurd worden en die gelegen zijn binnen de gemeente De Ronde Venen of binnen het grondgebied van de naburige gemeenten. Dit mogen tussentijds wisselende gronden zijn, bepalend is de gezamenlijke oppervlakte die zij gezamenlijk gedurende ten minste 5 jaar omvatten. Bij deze periode van 5 jaar geldt zowel het verleden als de toekomst mee, zolang er sprake is van een aaneengesloten periode van 5 jaar waar ook het moment van toetsing onderdeel van uit maakt. Hiertoe worden niet gerekend: gronden, waarvoor voer- en stro en mestovereenkomsten zijn afgesloten.

1.22 bijgebouw een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, hetzij met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand, dat door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning niet is toegestaan.

1.23 bodem het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen. 1.24 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.25 bouwgrens de grens van een bouwvlak.

1.26 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.27 bouwperceel (of kavel) een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.28 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel.

7

1.29 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

1.30 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.

1.31 dagrecreatie activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan.

1.32 deskundige een onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een nader in de regels te benoemen onderwerp.

1.33 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor verbruik ter plaatse.

1.34 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen. 1.35 drijvende woning een drijvend object dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het wonen, bedoeld om ter plaatse te functioneren en niet bestemd voor de vaart, gelet op één of meer van de volgende factoren: a. b. c. d. e. f.

de vorm van het casco en het materiaalgebruik, de bedoeling waarmee het schip oorspronkelijk is of wordt gemaakt, de afwezigheid van voortstuwing of aandrijving (al dan niet indirect), de afwezigheid van een stuurinrichting, de zichtlijn vanuit de stuurinrichting verbod ten aanzien van het varen op grond van de Binnenvaartwet.

1.36 eigenaar degene die bij het kadaster bekend staat als eigenaar of als opstalhouder, erfpachter of vruchtgebruiker van een perceel.

8

1.37 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en waarvan de bestemming die inrichting niet verbiedt.

1.38 extensief recreatief medegebruik vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen op gronden die bestemd zijn voor een andere hoofdactiviteit en waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, maar waarvoor kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.

1.39 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.40 glastuinbouwbedrijf een tuinbouwbedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in kassen, permanente tunnels en plastic kassen daaronder begrepen.

1.41 groen(voorziening) binnen een gebied of perceel, dan wel op een gedeelte ervan, gelegen grasvelden, beplantingen, begroeiingen en paden, al dan niet gecombineerd voorkomend.

1.42 geluidzone - industrie de met de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' aangegeven zone, zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. 1.43 grondgebonden agrarisch bedrijf agrarische bedrijven waarvan de bedrijfsvoering grotendeels afhankelijk is (weidegang, voedervoorziening, mestafzet e.d.) van het voortbrengend vermogen van de grond die tot dat bedrijf behoort. 1.44 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.45 horeca het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie.

1.46 huishouden persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt hier niet onder verstaan.

9

1.47 internetwinkel een specifieke vorm van detailhandel, waarbij het aanbieden en verkopen van goederen uitsluitend via het internet gebeurt.

1.48 kamerverhuur het bedrijfsmatig verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning. Hieronder wordt niet verstaan de verhuur door particulieren van maximaal twee kamers in de door hen zelf bewoonde woning.

1.49 kampeermiddel tenten, tentwagens, kampeerauto's of caravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen, gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst.

1.50 kampeerterrein terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

1.51 kas een gebouw, niet zijnde een tunnelkas of een naar aard daarmee vergelijkbaar bouwwerk, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van groenten, vruchten, bloemen of planten alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen.

1.52 kwetsbaar object een kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.53 landschapswaarde de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens).

1.54 milieuhygiënisch inpasbaar een ontwikkeling is milieuhygiënisch inpasbaar indien (voor de relevante aspecten) is aangetoond dat: a. b. c. d.

e. f.

omliggende functies niet onevenredig in hun gebruiksmogelijkheden worden beperkt; de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie; bij het toestaan van nieuwe geurgevoelige functies voldaan wordt aan de wettelijke geurnormen of vastgestelde hogere geurnorm; bij het toestaan van nieuwe geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of, indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden er wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid hogere waarden Wet geluidhinder en de vastgestelde hogere grenswaarde; er geen belemmeringen zijn op het gebied van externe veiligheid; de luchtkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie;

10

g.

er geen onevenredige lichthinder ontstaat van lichtveroorzakende functies op lichtgevoelige functies; h. er geen sprake is van significant negatief effecten op Natura 2000-gebied(en); i. nieuwe functies binnen de ecologische hoofdstructuur niet schadelijk zijn voor het natuurbeheertype ter plaatse; j. soorten die op basis van de Wet Natuurbescherming beschermd zijn niet worden aangetast; k. de waterhuishouding en waterkwaliteit niet onevenredig verslechteren; l. de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is voor veilige afwikkeling van de verkeerstoename; m. er op eigen terrein voorzien wordt in de parkeerbehoefte. 1.55 monument een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed, te onderscheiden in: a. b.

een rijksmonument: een monument dat ingeschreven staat in het rijksmonumentenregister; een gemeentelijke monument: een monument op basis van de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2013, of de rechtsopvolger daarvan, en is opgenomen op de gemeentelijke monumentenlijst.

1.56 natuurwaarden de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.

1.57 nevenfunctie naast de hoofdfunctie van een agrarisch bedrijf functionerende tak, welke dient bij te dragen aan het inkomen van het agrarische bedrijf, die ruimtelijk ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie van het bedrijf en die verbonden dient te zijn aan de grond en/of het bouwvlak van het betreffende agrarisch bedrijf.

1.58 oever het droge gedeelte gelegen langs de grens tussen water en land bij het ter plaatse geldende streefpeil. In ieder geval reikend tot de bovenzijde van het schuine talud plus een strook van minimaal 50 centimeter.

1.59 oeverlijn de snijlijn tussen de oever en het water bij het ter plaatse geldende streefpijl.

1.60 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen onder maaiveld op ten minste 1,50 m beneden peil.

1.61 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak en niet meer dan 1 wand.

1.62 paardenbak een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk grond kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen van paarden dan wel het uitoefenen van de paardensport.

11

1.63 plattelandswoning een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die niet meer wordt bewoond door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is en die voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van dat agrarisch bedrijf.

1.64 peil a. b.

voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

1.65 permanente bewoning indien een of meerdere personen de woning al dan niet tijdelijk gebruiken als hoofdverblijf in de zin van artikel 1:10 BW – zoals dat geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan - dan wel anderszins gebruiken voor niet-recreatieve doeleinden.

1.66 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.67 prostitutiebedrijf prostitutie in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclub, bordelen, privé-huizen), niet zijnde sekswinkels, seksbioscopen, sekstheaters en daarmee gelijk te stellen bedrijfstypen.

1.68 recreatie-appartement het geheel van bijeenbehorende ruimten die gezamenlijk bedoeld zijn voor recreatief nachtverblijf door één of meer personen die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben, binnen een groter gebouwd dat naar aard en inrichting bedoeld is voor verblijfsrecreatie.

1.69 recreatiewoning een gebouw, geen woonkeet en geen caravan/chalet of een ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd voor recreatief verblijf, uitsluitend door één of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben.

1.70 risicovolle inrichting bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.71 ruimtelijke ondergeschiktheid De ruimtelijke ondergeschiktheid dient te blijken uit een combinatie van de volgende aspecten: a. b. c.

het ruimtebeslag van de nevenfunctie ten opzicht van dat van de hoofdfunctie; de fysieke positionering van de nevenfunctie ten opzichte van de hoofdfunctie; de uitstraling c.q. het aanzicht van de nevenfunctie ten opzichte van dat van de hoofdfunctie.

12

1.72 rustende boer het voormalig agrarisch bedrijfshoofd, die nog enige tijd in de bedrijfswoning blijft wonen nadat hij/zij zijn werkzaamheden voor het agrarisch bedrijf heeft gestaakt of nadat het agrarisch bedrijf is opgehouden te bestaan.

1.73 slopen het geheel of gedeeltelijk permanent afbreken van een bouwwerk.

1.74 stacaravan een onderkomen, onder welke benaming dan ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag of nachtverblijf van één of meer personen en dat door de aanwezigheid van wielen wel over korte afstanden naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien dit onderkomen wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of veranderingen niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt het voor de toepassing van dit plan aangemerkt als een stacaravan en daarmee vergelijkbare onderkomens.

1.75 steiger een bouwwerk, geheel of grotendeels boven het water en meestal langs een oever, dat dient voor het afmeren van schepen, woonschepen of andere vaartuigen en/of andere doeleinden zoals terras.

1.76 teelondersteunende voorzieningen ondersteunende voorzieningen bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een kas, die een onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering en die worden gebruikt om de bedrijfsvoering te optimaliseren door de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats te laten vinden, zodat gezorgd kan worden voor een verbetering van de productkwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:

a. b.

tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: uitsluitend aanwezig zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden per jaar; permanente teeltondersteunende voorzieningen: voor een periode van meer dan 6 maanden per jaar aanwezig, waaronder ook begrepen permanent aanwezige onderdelen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

1.77 tent een in hoofdzaak uit textiel of daarmee vergelijkbare materialen vervaardigd onderkomen voor dag- en/of nacht verblijf.

1.78 tunnelkas elke constructie van hout, metaal of ander materiaal, welke met plastic of in gebruik daarmee overeenstemmend materiaal is afgedekt en dient als teeltondersteunende voorziening.

13

1.79 verblijfsrecreatie recreatie in ruimten die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

1.80 volkstuin een afgeperkt of omheind gedeelte, buiten een bouwvlak gelegen, ten behoeve van de niet-beroepsmatige teelt van voedings- en siergewassen, alsmede voor onder meer grasvelden, paden en terrassen.

1.81 volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat naar aard, omvang en redelijkerwijs te verwachten continuïteit en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt; de omvang omvat ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit de verwachten redelijk inkomen.

1.82 voorgevel een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw. In geval een hoofdgebouw meerdere gevels heeft die aan deze voorwaarden voldoen, betreft de voorgevel de gevel die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.83 voorgevelrooilijn de snijlijn, en het denkbeeldige verlengde daarvan, van het voorgevelvlak van een hoofdgebouw en het grondvlak waarop het hoofdgebouw zich bevindt.

1.84 waterlijn de snijlijn van het watervlak ter hoogte van het peil met de aangrenzende gronden.

1.85 waterkering alle dijken, kaden, natuurlijke hoogten en ophogingen, bestemd om in het openbaar belang water te keren, met inbegrip van het gehele lichaam van de dijk en kaden, die als zodanig op de plankaart zijn aangegeven.

1.86 Wgh-inrichting bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

1.87 wonen het duurzaam hoofdverblijf houden door een huishouden in een woning of ander daartoe bestemd onderkomen. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.

1.88 woning een complex van ruimten dat blijkens de indeling en de inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

14

1.89 woonschip een varend schip dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het wonen.

1.90 zorgboerderij een instelling voor de opvang van zorgbehoevenden, waarbij het meewerken in het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van resocialisatie of therapie.

15

Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 breedte, lengte en diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

2.4 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen of vergelijkbare dakconstructies bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte van de betreffende gevel, wordt de goothoogte, druiplijnhoogte of boeiboordhoogte van de dakkapel of de daarmee vergelijkbare constructie als goothoogte aangemerkt.

2.6 hoogte van een drijvende woning/recreatie-ark vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van de drijvende woning of recreatie-ark, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antenne-installaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen.

2.7 inhoud van een bouwwerk tussen de bovenkant van de afgewerkte begane grond – mits niet hoger dan 10 cm boven aansluitend maaiveld, dan geldt de onderzijde van de begane grondvloer - de buitenzijde van de gevels (en/of hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij (bedrijfs)woningen wordt de kelder niet gerekend tot de inhoud.

2.8 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

16

2.9 oppervlakte van een drijvende woning tussen de buitenzijde van de zijwanden van de drijvende woning, neerwaarts geprojecteerd op het niveau van het waterpeil.

2.10 vloeroppervlakte de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

17

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuurwaarden 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

grondgebonden agrarische bedrijven;

alsmede voor: b. c.

d.

e.

extensief recreatief medegebruik; behoud, versterking en ontwikkeling van natuurwaarden in de vorm van: 1. grote open wateren, sloten en slootkanten, oevers, moeras en natte voedselarme graslanden; 2. houtkades, bos en struweel en droge zandgronden; 3. weidevogelgebied; behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van: 1. openheid; 2. verkavelingspatronen; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen.

3.2 Bouwregels Uitsluitend de volgende bebouwing is toegestaan: a. b. c.

veekerende afrasteringen met een bouwhoogte van ten hoogste 1,5 m; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van extensief recreatief medegebruik met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; bruggen met een breedte van ten hoogste 4 m en een bouwhoogte van ten hoogste 2 m.

3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Paardenbakken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 om paardenbakken toe te staan, met dien verstande dat deze afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is op hobbymatige paardenbakken en met inachtneming van het volgende: a. b. c. d. e. f.

de afstand tussen de paardenbak en (bedrijfs)woningen van derden bedraagt ten minste 25 m; de paardenbak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; de hoogte van de omheining bedraagt ten hoogste 1,5 m; de hoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m; de in lid 3.1 genoemde natuur- en landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; de paardenbak dient op landschappelijk adequate wijze te worden ingepast.

18

3.3.2 Kleinschalige windenergievoorziening Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van kleinschalige windenergievoorzieningen, met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f. g. h.

de hoogte van kleinschalige windenergievoorzieningen niet meer dan 20 m mag bedragen; de hoogte van kleinschalige windenergievoorzieningen op gebouwen niet meer dan 7,5 m mag bedragen; kleinschalige windenergievoorzieningen waarvoor een milieuvergunning noodzakelijk is niet zijn toegestaan; de windenergievoorziening wordt gebruikt ten dienste van de hoofdbestemming; de windenergievoorziening wordt geplaatst binnen het geldende bouwvlak van de hoofdbestemming; de aanwezige natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast; de landschappelijke waarden, zoals benoemd in 4.1, niet onevenredig mogen worden aangetast. indien de windenergievoorziening wordt geplaatst op of bij een monument, er een positief advies dient te zijn van de gemeentelijke monumentencommissie.

3.3.3 Schuilstallen en agrarische hulpgebouwen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 ten behoeve van het toestaan van schuilgelegenheden en andere agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f.

de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m²; de hoogte maximaal 2,5 m bedraagt; bedoelde bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van een binnen een bouwvlak gevestigd, volwaardig agrarisch bedrijf en deze bebouwing noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; de rijafstand van het gebouwtje tot het bouwvlak minimaal 500 m bedraagt; de aanwezige natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast; de bebouwing landschappelijk wordt ingepast.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

het omvormen van grasland naar bouwgrond, uitgezonderd ten behoeve van de teelt van ruwvoeder als onderdeel van een veehouderijbedrijf tot een oppervlakte van ten hoogste 20 % van de gronden van het betreffende bedrijf; het omvormen van grasland naar boom-, fruit- of sierteelt; het aanbrengen van een ondergrond ten behoeve van containerteelt; het vergraven, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het draineren van gronden; het aanleggen, veranderen of dempen van wateren en waterlopen, alsmede het verwijderen van oevervegetaties; de aanleg van harde oeverbeschoeiingen, dammen of, stuwen; het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen of andere houtgewassen die ten tijde van het in werking treden van het plan aanwezig zijn; het planten van bomen of andere houtige gewassen, ter plaatse waar gronden hiermee niet beplant waren ten tijde van het in werking treden van het plan; het aanleggen van bestratingen of andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 200 m², kavelpaden uitgezonderd;

19

l.

het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

3.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 3.4.2 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d.

normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; worden uitgevoerd binnen een bouwvlak.

3.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuuren landschapswaarden zoals bedoeld in lid 3.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

3.5 Wijzigingsbevoegdheid 3.5.1 Realisatie nieuwe natuur Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen om de aanleg van nieuwe natuur mogelijk te maken met inachtneming van het volgende: a.

b. c.

een besluit tot planwijziging wordt niet eerder genomen dan nadat de betrokken gronden in eigendom zijn overgedragen aan een terreinbeherende instantie dan wel via particulier natuurbeheerschap worden gerealiseerd; verwerving dient op vrijwillige basis te geschieden; de bestemmingswijziging dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.

20

Artikel 4 Wonen - Bebouwingsconcentratie 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Bebouwingsconcentratie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

het wonen in een woning, niet zijnde een drijvende woning, woonschip of een stacaravan/chalet;

alsmede voor: b.

bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, en toegangswegen.

4.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 4.2.1 Algemeen per bouwvlak is ten hoogste 1 woning toegestaan, tenzij anders aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';

4.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

f.

hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geen hoofdgebouwen zijn toegestaan; de inhoud van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 900 m³; de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m; hoofdgebouwen worden afgedekt met een kap waarvan de hellingshoek ten minste 30° en ten hoogste 50° bedraagt; in afwijking van het bepaalde onder b, c en d, geldt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaand hoofdgebouw' dat uitsluitend de bestaande maatvoering van het hoofdgebouw is toegestaan; de afstand van hoofdgebouwen tot perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2,5 m;

4.2.3 Bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

f. g.

bijgebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, voor zover ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw; de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bedraagt per woning ten hoogste 100 m²; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m; in afwijking van het bepaalde onder b. c. en d. geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' het bestaande oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen en de bestaande gooten bouwhoogten zijn toegestaan; de gezamenlijke oppervlakte aan overkappingen bedraagt per woning ten hoogste 30 m²; de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.

4.2.4 Overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkapping zijnde De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde, bedraagt:

21

a. b. c.

pergola's en speeltoestellen: 3 m; overige bouwwerken, voor zover voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 1 m; overige bouwwerken, voor zover achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 2 m.

4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Grotere oppervlakte bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3 om een grotere oppervlaktemaat aan bijgebouwen toe te staan bij sloop van bestaande bijgebouwen met inachtneming van het volgende: a.

de oppervlakte aan bijgebouwen per woning bedraagt ten hoogste 100 m², vermeerderd met 50% van het meerdere van 50 m² aan bedrijfsgebouwen dat wordt gesloopt.

4.3.2 Overschrijden toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3 sub d om een hogere bouwhoogte voor bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. b. c. d.

het bijgebouw moet visueel en voor wat betreft het gebruik ondergeschikt blijven aan het hoofdgebouw; een grotere hoogte wordt uitsluitend toegestaan voor bijgebouwen op minimaal 2,5 m uit de perceelsgrens; belangen van derden (inval van licht en uitzicht) mogen niet in onevenredige mate worden geschaad; de bouwhoogte mag niet meer dan 6 m bedragen.

4.3.3 Toestaan extra woning bij sloop bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 om extra woningen toe te staan met inachtneming van het volgende: a.

een extra woning is uitsluitend toegestaan in combinatie met de sloop van (voormalige) bedrijfsgebouwen, met een verhouding als in onderstaande tabel weergegeven: aantal extra woningen

bedrijfsgebouwen, geen kassen zijnde = of > 1.000 m² en < 2.500 m² = of > 2.500 m² en < 4.000 m² = of > 4.000 m² b. c.

1 2 3

de extra woning dient milieu-hygiënisch inpasbaar te zijn; de extra woning dient te worden voorzien van adequate landschappelijke inpassing.

4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Beroep of bedrijf aan huis Bij woningen is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende: a.

b.

de vloeroppervlakte in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt ten hoogste 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de woning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 50 m²; het beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de betreffende woning;

22

c.

d.

e.

bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zie bijlagen bij de regels, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten; in afwijking van het bepaalde onder 1 en 3 is horeca in de vorm van een bed en breakfast wel toegestaan met inachtneming van de volgende aanvullende voorwaarden: ▪ de vloeroppervlakte bedraagt ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bijgebouwen, met een maximum van 100 m²; ▪ een bed en breakfast biedt plaats aan ten hoogste 6 gasten tegelijkertijd; het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeersen parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen.

23

Artikel 5 Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. De (verwachtings)waarden zijn van uiteenlopende aard en om die reden onderverdeeld in:

• •

Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4

5.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.

c.

op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; 3. aanvragers naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende kunnen aantonen dat er al werkzaamheden tot de betreffende diepte van het bouwplan hebben plaatsgevonden. In dat geval is er geen archeologisch onderzoek meer nodig. het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende situaties: 1.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwplan waarbij geen heiwerkzaamheden plaatsvinden en waarbij de graafwerkzaamheden ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden:

zone dieptemaat oppervlaktemaat Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem: categorie 2b 30 cm 100 m² categorie 4 30 cm 2.000 m²

lengtemaat n.v.t. n.v.t.

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

24

a.

b. c. d. e.

grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

5.3.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 5.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. b.

noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 5.2 in acht is genomen; ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden:

zone dieptemaat oppervlaktemaat Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem: categorie 2b 30 cm 100 m² categorie 4 30 cm 2.000 m² c. d. e.

lengtemaat n.v.t. n.v.t.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; onderhoudsbaggerwerkzaamheden betreffen die aantoonbaar niet dieper reiken dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes.

5.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 5.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a.

b.

c.

de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren.

25

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de waterkering.

6.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a.

b.

op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,5 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

6.3 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 6.2 sub b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; hiervoor dient advies te worden ingewonnen bij het Waterschap.

26

3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels 8.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. b. c.

mogen

in

afwijking

van

aanduidingen,

tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, en entreeportalen mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; tot gebouwen behorende erkers , mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1 m bedraagt.

8.2 Bestaande maten Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende: a.

b. c. d.

voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden; in geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; lid a is niet van toepassing in combinatie met saneringsregelingen uit hoofdstuk 2, als bedoeld in: 1. lid 4.3.1 en lid 4.3.3 op een bouwwerk als bedoeld in lid a, is het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing;

8.3 Ondergrondse ruimte Voor het bouwen van geheel of gedeeltelijk beneden het maaiveld gelegen ruimten gelden de volgende bepalingen: a.

het bouwen van ondergrondse ruimten is uitsluitend toelaatbaar in de volgende gevallen: 1. onder (bedrijfs)woningen of bijgebouwen behorende bij (bedrijfs)woningen, een en ander met dien verstande dat de bouw van ondergrondse ruimten niet toelaatbaar bij recreatiewoningen; 2. in de vorm van een mestkelder bij agrarische bedrijven;

27

b.

het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan indien de bijbehorende voorzieningen voor licht- en luchttoetreding en toegangen zijn gesitueerd aan de van de weg afgekeerde zijden van het gebouw; aan de niet van de weg afgekeerde zijde(n) van het gebouw zijn binnen een strook van 1 m vanuit de bovengrondse voorgevel voorzieningen voor licht- en luchttoetreding voor ondergrondse ruimten toegestaan tot maximaal 25% van de breedte van de desbetreffende gevel.

8.4 Beeldbepalende panden a.

b.

Ter plaatse van de aanduiding: 'beeldbepalend pand' dient de uitwendige hoofdvorm van het betrokken bouwwerk, bepaald door goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm en dakhelling, raamindeling, alsmede de situering op het perceel, te worden gehandhaafd; ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalend pand' kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a ten aanzien van uitwendige hoofdvorm, mits vooraf advies is uitgebracht door de monumentencommissie.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels 9.1 Monumenten en beeldbepalende panden De aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' is opgenomen ter signalering van ter plaatse aangewezen gemeentelijke monumenten.

9.2 Luchtvaartverkeerzone - luchthaven indelingsbesluit 5 Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - luchthaven indelingsbesluit 5' geldt dat het toestaan van extra woningen op basis van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid uit regels hoofdstuk 2, uitsluitend is toegestaan voor zover dit plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, en aanvullend aan de voorwaarden uit regels hoofdstuk 2 aan de volgende voorwaarden moet worden getoetst: 9.2.1 Motivering geluid a.

b.

c.

Bij de afwijkings- of wijzigingsprocedure dient een onderbouwing te worden gegeven van de volgende punten: 1. een weergave en beschrijving van de exacte ligging van de woningbouwlocatie in het beperkingengebied; 2. een beschrijving van de huidige geluidsituatie op die woningbouwlocatie; 3. een beschrijving van verwachte toekomstige ontwikkelingen die kunnen zorgen voor een verandering van de huidige geluidsituatie op de woningbouwlocatie; 4. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de belangen die met de beoogde woningbouw zijn gemoeid, waaronder de actuele behoefte waarin de woningbouw voorziet; 5. een slotconclusie over de bevindingen naar aanleiding van de onderwerpen bedoeld onder 1, 2, 3 en 4. In aanvulling op onderdeel a, kan in geval van ligging in de geluidzone van een (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein, bij de te maken afweging de gecumuleerde geluidsbelasting van vliegtuiglawaai worden betrokken; In aanvulling op de onder a en b bedoelde beschrijvingen, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat in het geval maatregelen worden getroffen om geluidsbelasting dan wel geluidhinder te verminderen, de toelichting een beschrijving van die maatregelen en de afweging die daaraan te grondslag ligt, bevat.

28

9.2.2 Huidige geluidsituatie Uitgangspunt is dat een beschrijving van de huidige geluidsituatie op de woningbouwlocatie, als bedoeld in lid 9.2.1 sub a onder 1, wordt beschreven aan de hand van de theoretische geluidbelasting (contouren geluidskaart) en de feitelijke geluidbelasting.

9.2.3 Belangafweging woningbouw Bij de toelichting op de afweging van de belangen die met de beoogde woningbouw gemoeid zijn, als bedoeld in lid 9.2.1 sub a onder 4, wordt de relevantie van de betreffende woningbouw in de 20 Ke contour beschreven, waarbij afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval de volgende aspecten worden afgewogen; a. b. c. d.

de kwaliteit van het leefmilieu vanwege de gezondheid, veiligheid en vermindering van hinder, in combinatie met andere geluidsbronnen dan de luchtvaart; de regionale woningbouwmarkt en regionale woningbouwopgave; de kwaliteit van de locatie; elementen van lokale leefbaarheid en vitaliteit.

9.2.4 Belangenafweging geluidmaatregelen a. b.

c.

Uitgangspunt is dat in de afweging als bedoeld in lid 9.2.3 sub c, het geluidsniveau, de omvang van het project en de doelmatigheid van geluidmaatregelen een rol kunnen spelen. Uitgangspunt is dat de beschrijving van de maatregelen als bedoeld in lid 9.2.3 sub c, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, de volgende maatregelen kan bevatten: 1. de stedenbouwkundige keuzes in relatie tot geluid; 2. de maatregelen op objectniveau in relatie tot geluid; 3. de maatregelen in de openbare buitenruimte in relatie tot geluid; 4. de wijze waarop de gemeente potentiële toekomstige bewoners vroegtijdig en volledig informeert over de te treffen geluidmaatregelen. Uitgangspunt is dat de beschrijving van de maatregelen als bedoeld in lid 9.2.3 sub c, aandacht is besteed aan de wijze waarop de te treffen maatregelen zijn geborgd.

9.3 Milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie In afwijking van regels hoofdstuk 2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie' dat bodembewerkingen in agrarische bestemmingen, die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, niet zijn toegestaan. Hiervan uitgezonderd zijn bodembewerkingen die plaatsvinden ten behoeve van graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt.

9.4 Overige zone - cultuurhistorische waarden In afwijking van regels hoofdstuk 2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorische waarden' dat: a. b.

het niet is toegestaan om op de dijk of op de helling van de dijk te bouwen; het niet is toegestaan om de helling van de dijk te egaliseren.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Maten en bouwgrenzen Tenzij op grond van regels hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels voor:

29

a. b.

afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

10.2 Mansardekap (bedrijfs)woningen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de in regels hoofdstuk 2 voorgeschreven hellingshoek voor dakvlakken van een (bedrijfs)woning om daarmee een mansardekap toe te staan voor zover dit landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

10.3 Vergroten goothoogte of afwijken van de hellingshoek van de (bedrijfs)woning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de in regels hoofdstuk 2 voorgeschreven maximale goothoogte voor (bedrijfs)woningen om een grotere goothoogte voor hoofdgebouwen toe te staan en/of een afwijkende hellingshoek van het dakvlak toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. b. c.

de goothoogte bedraagt ten hoogste 6 m; belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; de goothoogte landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

11.2 Waarde archeologie 11.2.1 Wijzigingsbevoegdheid voor verwijdering van de bestemming Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken van de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien: a. b.

uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

11.3 Extensieve dagrecreatie en waterberging Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied' de bestemming wijzigen om extensieve dagrecreatie en/of waterberging toe te staan en met inachtneming van het volgende:

30

a. b. c.

de nieuwe gebruiks- en bouwmogelijkheden dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; de wijziging niet leidt tot onevenredige aantasting van natuur- en landschapswaarden; er sprake moet zijn van een vrijwillige overdracht van de gronden en een daadwerkelijke vervanging van de functie Agrarisch voor waterberging en/of dagrecreatie.

11.4 Prostitutiebedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' en ’Woondoeleinden’ wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van de vestiging van een prostitutiebedrijf, onder de voorwaarden dat: a. b. c. d. e. f.

de agrarische en/of woonfunctie zijn beëindigd; er in totaal maximaal één prostitutiebedrijf wordt gevestigd binnen het totale grondgebied van de gemeente; het prostitutiebedrijf niet wordt gevestigd in de kernrandzone of een bebouwingsconcentratie; het woon-, leef en/of werkklimaat niet wordt aangetast; parkeren als gevolg van de activiteiten op eigen terrein plaatsvindt en er als gevolg van de activiteit geen verkeersonveilige situaties ontstaan; in het geval van het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen, met uitzondering van monumenten, karakteristieke bebouwing en de bedrijfswoning, gereduceerd wordt met ten minste 50%.

11.5 Waterberging Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden wijzigen ten behoeve van de realisatie van waterberging, met inachtneming van het volgende: a. b. c. d.

verwerving dient op vrijwillige basis te geschieden; de bestemmingswijziging dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen ontstaan als gevolg van de wijziging voor omringende bestaande bestemmingen; er dient afstemming plaats te vinden met de waterbeheerder.

Artikel 12 Overige regels 12.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

12.2 Voldoende parkeergelegenheid a.

b. c.

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het “Beleidsplan Verkeer 2017-2021” zoals vastgesteld op 24 november 2016. Indien het “Beleidsplan Verkeer 2017-2021” zoals vastgesteld op 24 november 2016 wordt gewijzigd of herzien, moet rekening worden gehouden met deze wijziging dan wel herziening. De in lid a bedoelde parkeergelegenheid moet afmetingen hebben die afgestemd zijn op de richtlijnen opgenomen in de ASVV2012 van het CROW.

12.3 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10506745/1