Bestemmingsplan 22-04-2021
Tekst van het document
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
24
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
25
Planspecifiek Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die in het kader van externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart (plangebied is zwart omcirkeld)
Uit de risicokaart is op te maken dat er verschillende risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Deze liggen echter op een dusdanig grote afstand (minstens 950 m) dat een beschouwing van het risico niet vereist is. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
26
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord-Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de Keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Er is sinds 1 november 2019 een nieuwe Keur van kracht, die geënt is op de Omgevingswet en ruimte biedt voor maatwerk. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen.
De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Ook als de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 1.000 m² geldt er altijd nog een zorgplicht. De uitvoerende partij moet voorkomen dat de waterhuishouding er niet op achteruit gaat door de aangebrachte wijzigingen. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Verharding In de bestaande situatie is het agrarische erf, waar de nieuwe woningen zijn beoogd, vrijwel volledig verhard. In de beoogde situatie worden betonverhardingen verwijderd en vervangen door halfverharding.
Daarnaast neemt ook het bebouwd oppervlak af door de sloop van de bestaande opstallen. Omdat het
27
oppervlak verharding afneemt, treedt er een verbetering van de verhardingsbalans op en is watercompensatie niet vereist. Waterafvoer De hemelwaterafvoer van de nieuwe woning wordt afgekoppeld van het gemeentelijk rioleringsstelsel. Dit leidt per saldo tot minder emissie en zorgt bovendien voor een minder grote belasting van de afvalwaterketen. Doordat daarnaast de traditionele waterstructuur wordt hersteld kan er extra regenwater worden opgevangen bij extreme regenbuien. Legger Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in de kernzone van de waterkering en in de beschermingszone binnenkant, zoals weergegeven op navolgende uitsnede van de leggerkaart.
Leggerkaart Amstel, Gooi en Vecht (plangebied zwart omkaderd)
Uit de Keur van waterschap Amstel, Gooi en Vecht volgt dat het verboden is om binnen een waterkerend dijklichaam zonder vergunning bodemroeringen uit te voeren. Er zal voor het verwijderen van de bebouwing, het doortrekken van de sloten tot aan de dijk en het bouwen van de woning met de daarbij behorende graafwerkzaamheden een vergunning bij het waterschap aangevraagd dienen te worden. Grondwaternorm In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het gemeentelijk grondwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft woningbouw worden de volgende normen gesteld:
• •
woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm; woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm.
Bij de verdere uitwerkingen wordt hier rekening mee gehouden.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten
28
toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Er is een ecologische quickscan (Blom Ecologie, BE/2019/501/r, d.d. 23 juli 2019, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. In het vervolg van deze paragraaf worden de belangrijkste onderzoeksresultaten en conclusies hiervan uiteengezet. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS of de provinciale verordening. Het is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn.
Gezien de kleinschaligheid van het project, het stopzetten van agrarische activiteiten en de afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden is het plan niet in strijd met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Er is immers een afname van de hoeveelheid schadelijke stikstofverbindingen die vrijkomen te verwachten. Soortenbescherming In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende (potentiële) natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden:
• •
nesten van boerenzwaluw; algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd).
Ten aanzien van de boerenzwaluw wordt aanbevolen sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (tussen 1 oktober en ruim voor midden maart). Om de boerenzwaluw extra alternatieven te bieden, wordt aanbevolen onder een overkapping nieuwe kunstmatige nestplekken aan te bieden in de vorm van neststenen. Het aantal neststenen bedraagt minimaal 10 stuks. Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, wordt aanbevolen de sloop uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Conclusie Doordat de werkzaamheden beperkt van aard zijn en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen zijn over het algemeen géén negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Vanwege de kleinschaligheid en ligging van het plangebied, en het stoppen van agrarische activiteiten zijn negatieve effecten op omliggende natuurgebieden ook niet te verwachten. Er komen vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voort voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
29
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Het cultuurhistorische beleid van de gemeente is vastgelegd in de Kadernota Erfgoed (vastgesteld op 4 juli 2012). Planspecifiek De langhuisboerderij die in het plangebied gesitueerd is en in de huidige situatie in gebruik als bedrijfswoning met stal is aangemerkt als gemeentelijk monument. Aangezien er geen ingrepen aan het monument plaatsvinden en het monument niet ontsierd of in gevaar gebracht wordt, is er geen vergunning vereist. De aanwezigheid van het monument vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan.
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. Planspecifiek Het plangebied wordt in het archeologisch beleid van de gemeente De Ronde Venen aangemerkt als een gebied een archeologische verwachtingswaarde van categorie 2b (hoog). Een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart is op onderstaande afbeelding weergegeven.
Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart (plangebied zwart omcirkeld)
30
Deze verwachtingswaarde is opgenomen in de voor het plangebied geldende dubbelbestemming 'Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b'. In deze bestemming wordt bepaald dat er geen onderzoek nodig is als de verstoring kleiner is dan 100 m² en niet dieper dan 30 cm. Dit plan voorziet in de bouw van een extra burgerwoning. Deze wordt gesitueerd ter plaatse van de machine opslagloods en de ten noorden gelegen verharding. Hierdoor is de bodem reeds verstoord tot de voor de woning beoogde bouwdiepte. Daarmee komen archeologische waarden niet in het geding en is archeologisch onderzoek niet benodigd.
4.10 Luchthavenindelingbesluit Gemeenten die (deels) liggen binnen het beperkingengebied rondom Schiphol moeten rekening houden met beperkingen die worden gesteld aan het ruimtegebruik. Deze beperkingen staan in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib). De regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij de totstandkoming van bestemmingsplannen en bij het beoordelen van aanvragen om een omgevingsvergunning. Planspecifiek Het plangebied ligt in zone 5 van het beperkingengebied, zoals genoemd in het Luchthavenindelingbesluit (Lib). Artikel 2.2.1d van het Lib geeft daarbij aan dat op de gronden die aangewezen zijn met zone 5 (LIB5) geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is echter te klein van schaal om het als een nieuwe woningbouwlocatie aan te duiden. Het is ook niet de bedoeling van de wetgever in zone 5 de ontwikkeling van één of enkele woningen uit te sluiten. Dit blijkt immers uit het feit dat in zone 4 van het beperkingengebied, waar strengere regels gelden dan in zone 5, de realisatie van niet meer dan 3 woningen is toegestaan. In dit kader kan de ontwikkeling van een woning in LIB5 als toegestaan zijnde worden beschouwd.
Daarnaast moet op grond van artikel 2.2.1d van het Lib gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Het risico van een vliegtuigongeval neemt toe naarmate de intensiteit van het ruimtegebruik toeneemt. Bij het voorgenomen plan neemt de intensiteit van het ruimtegebruik nauwelijks toe. Van belang hierbij is ook de aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare objecten op de grond, waardoor vervolgschade kan ontstaan. In en nabij het plangebied ontbreken deze objecten. De kans op een vliegtuigongeval nabij het plangebied is zeer klein. Deze kans is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de zone 3 van het beperkingengebied. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar is dusdanig gering dat het risico aanvaardbaar wordt geacht. Om de risico's bij een vliegtuigongeval zo laag mogelijk te houden kunnen maatregelen ten behoeve van de bestrijdbaarheid van de gevolgen, zoals het verbeteren van vlucht- en toegangswegen voor hulpdiensten, en de zelfredzaamheid van personen, zoals voorlichting, rampenbestrijdingsplannen en oefeningen, getroffen worden. Het plangebied is goed te ontvluchten en goed bereikbaar voor hulpdiensten. Het uitgangspunt voor de beoogde woningen is dat bewoners zichzelf en anderen goed kunnen redden.
Er worden geen functies voorzien voor personen met een minder fysieke gesteldheid, die daardoor een beperkte zelfredzaamheid hebben. Verder is het advies aan personen om bij een vliegtuigongeval niet te gaan kijken, afstand te houden bij brand vanwege hitte, giftige rook en mogelijk vrijkomende gevaarlijke stoffen en 112 te bellen. Niet alleen dient gemotiveerd hoe de ligging in het beperkingengebied zich verhoudt tot de veiligheid van bewoners, maar ook dient ingegaan te worden op de geluidsituatie op de woningbouwlocatie zodat potentiële nieuwe bewoners binnen de LIB5 voldoende geïnformeerd zijn over geluidoverlast. In het geldende bestemmingsplan Buitengebied-West is in artikel 33.3 als voorwaarde opgenomen dat bij het toestaan van extra woningen op basis van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid een onderbouwing van de geluidsituatie moet worden gegeven. De gemeente De Ronde Venen vraagt in het kader van een bestemmingsplan ook om een onderbouwing van de geluidsituatie. De planlocatie bevindt zich in het bebouwingslint van De Hoef Westzijde. In deze omgeving zijn geen transportroutes of inrichtingen aanwezig die leiden tot geluidsoverlast. Vanwege de landelijke aard van de omgeving zijn ontwikkelingen die geluidsoverlast met zich meebrengen niet te verwachten. De
31
initiatiefnemer realiseert zich terdege dat er geluidhinder vanwege luchtverkeer op kan treden. Hij wordt zelf bewoner van de woning en verwacht geen ernstige belemmeringen van geluid van luchtverkeer te ondervinden. Eventuele toekomstige bewoners van de woning worden hierover tijdig en juist geïnformeerd.
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.11.1 Verkeer Volgens CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning in zowel de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'buitengebied' 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Omdat er met onderhavig plan een woning wordt toegevoegd bedraagt neemt de verkeersgeneratie met circa 9 verkeersbewegingen toe. Daarbij is de beëindiging van de agrarische activiteiten niet meegenomen. De Hoef Westzijde beschikt naar verwachting over voldoende capaciteit om deze geringe toename van verkeer op te vangen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.
4.11.2 Parkeren In het Beleidsplan Verkeer 2017-2021 (vastgesteld op 24 november 2016) zijn de parkeernormen voor de gemeente De Ronde Venen vastgelegd. Een vrijstaande koopwoning in de categorie 'buitengebied' kent een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. In het plangebied zal in totaal sprake zijn van een parkeerbehoefte van 2 x 2,4 = 5 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren.
32
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maken de bijlagen een onlosmakelijk onderdeel uit van de toelichting op, alsmede uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2 Plansystematiek Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis. Regels Inleidende regels Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen. Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.
Bestemmingsregels Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:
• • • •
bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels;
33
• • •
specifieke gebruiksregels;
•
wijzigingsbevoegdheden.
afwijken van de specifieke gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden;
Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/ gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming en eventueel daaraan verbonden voorwaarden. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming. Niet hier genoemd gebruik, is strijdig met de bestemming. Bouwregels In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de (hoofd)gebouwen, de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Nadere eisen Het stellen van nadere eisen is alleen mogelijk als het bestemmingsplan zelf al regels stelt (primaire eisen). Omdat in nagenoeg alle bouwregels eisen zijn gesteld aan de plaats en afmetingen van de bebouwing, kunnen daaraan nadere eisen worden gesteld. Met behulp van deze nadere eisen kunnen burgemeester en wethouders extra eisen stellen ten behoeve van bijvoorbeeld de ruimtelijke kwaliteit, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de externe veiligheid. Afwijken van de bouwregels Bij het afwijken van de bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken van hetgeen is geregeld, bijvoorbeeld in het toestaan van een grotere hoogte of het uitbreiden van het bouwvlak. Deze voorwaarden dienen helder en toetsbaar te zijn.
Specifieke gebruiksregels In de specifieke gebruiksregels staat, in aanvulling op de bestemmingsomschrijving, expliciet beschreven wat wel of niet wordt toegestaan. Het gaat dan vaak om functies of activiteiten waarover onduidelijkheid kan bestaan. Afwijken van de specifieke gebruiksregels Van de geformuleerde gebruiksregels kan onder voorwaarden worden afgeweken. Deze voorwaarden dienen helder en toetsbaar te zijn. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Onder de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van werken of werkzaamheden. In het verleden werd wel gesproken van een aanlegvergunning.
5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen en gebiedsaanduidingen: Agrarisch met waarden - Natuurwaarden Deze bestemming is gehandhaafd om het aanwezige landschap op het zuidelijke deel van het (voormalige) agrarische bouwvlak te handhaven. In dit bestemmingsplan zijn de mogelijkheden op deze gronden een agrarisch bedrijf te vestigen uit deze bestemming gehaald. Het maakt agrarisch gebruik, recreatief medegebruik en versterking van natuur- en landschapswaarden mogelijk.
34
Wonen - Bebouwingsconcentratie Het voor wonen in gebruik te nemen deel van het (voormalige) agrarische bouwvlak is voorzien van de bestemming 'Wonen - Bebouwingsconcentratie'. Op de verbeelding is, conform de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied–West, een groot bouwvlak opgenomen. Bepaald is dat ter plaatse ten hoogste twee wooneenheden zijn toegelaten. Voor het bouwen van een woning geldt dat er een inhoudsmaat van 900 m³ toegestaan wordt. Dit sluit aan bij de afwijkingsmogelijkheid van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Deze afwijkingsmogelijkheid bepaald dat er een woning van 900 m³ mag worden voorzien mits er 500 m² aan bebouwing wordt gesloopt en er uit een beeldkwaliteitsparagraaf blijkt dat er sprake is van een op de locatie passende ontwikkeling. In voorliggend bestemmingsplan is reeds aangetoond dat er sprake is van een afname van meer dan 500 m² aan bebouwing en van een passende ontwikkeling, zoals omschreven in toelichting paragraaf 2.3. Om die reden wordt het toegestaan een woning van een inhoud tot 900 m³ te realiseren. De mogelijkheid om af te wijken van deze inhoudsmaat vervalt dan ook in voorliggend bestemmingsplan. Verder zijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geen hoofdgebouwen toegestaan.
In de lijn van het geldende bestemmingsplan Buitengebied-West, zijn de inhoudsmaat en goot- en bouwhoogten van de hoofdgebouwen in de regels opgenomen. Hierbij is het monumentale hoofdgebouw voorzien van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaand hoofdgebouw', waarbij geregeld is dat uitsluitend de bestaande maatvoering van het hoofdgebouw is toegestaan. Voorts zijn ook de bepalingen ten aanzien van aan- en bijgebouwen, erfafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ontleend aan het geldende bestemmingsplan. Voor wat betreft de bijgebouwen is er een maximale omvang van 100 m² per woning geregeld. Verder is een regeling opgenomen voor twee bestaande bijgebouwen (een voormalige stal en de hooiberg). Bij de Overige regels is een bepaling opgenomen die er op toeziet dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldaan moet worden aan de parkeernormen uit het ‘Beleidsplan Verkeer 2017-2021’, een en ander conform de Paraplubeheersverordening Parkeren (2018). Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied Deze bestemming is bedoeld om archeologische waarden in het plangebied te behouden. Binnen het plangebied is sprake van Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b en categorie 4. De hier op betrekking hebbende regels zijn overgenomen uit het geldende plan Buitengebied-West.
Waterstaat - Waterkering Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van bescherming van waterstaatkundige inrichtingen. Luchtvaartverkeerzone - luchthaven indelingsbesluit 5 Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding stelt regels aan het toestaan van extra woningen op basis van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid. Milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie Deze gebiedsaanduiding is er op gericht om bodembewerkingen in agrarische bestemmingen waarbij veen aan de oppervlakte wordt gebracht, te voorkomen. Dit met uitzondering van bodembewerkingen die plaatsvinden ten behoeve van graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt. Overige zone - cultuurhistorische waarden Deze gebiedsaanduiding is bedoeld om te voorkomen dat op de dijk of op de helling van de dijk wordt gebouwd of dat de helling van de dijk wordt geëgaliseerd.
35
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er wordt immers één woning toegevoegd. De gemeente De Ronde Venen zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. In het kader van de haalbaarheid is rekening gehouden met onvoorziene kosten, waaronder bodemsanering. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
36
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Initiatiefnemer heeft met verscheidene omwonenden gesproken en om hun reactie op het plan gevraagd. Afgezien van de bewoners van de woning direct ten noorden van het plangebied is er door de bewoners geen bezwaar kenbaar gemaakt. De bewoners van de woning die zich direct ten noorden van onderhavig plangebied bevindt, hebben bezwaar tegen de locatie van de woning en hadden liever gezien dat de tweede woning op de locatie in het lint tussen nummer 44 en 45 werd gerealiseerd. Dit is echter in een eerder voorstel afgewezen door de gemeente. Gezien de afstand van de beoogde woning tot de woning van het ten noorden gelegen perceel, ca. 10 m tot het erf en ca. 45 m tot de woning, en het feit dat de woning niet gaat beschikken over balkons of dakkapellen, levert het geen beperking voor de privacy en het woongenot van de bewoners op. De beoogde locatie van de tweede woning wordt daarom passend geacht.
7.1 Overleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro zal het plan toegestuurd worden aan de verschillende vooroverlegpartners. Hun reactie zal in deze paragraaf of een separate bijlage van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
7.2 Zienswijzen Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen in deze paragraaf of een separate bijlage van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
37