Beantwoording technische vragen Seniorenpartij
Tekst van het document
Technische vragen Seniorenpartij: Zoekgebieden Zon & wind. 1. Blz.10: Voorwaarden specifiek voor windmolens. Een windmolen moet een logische relatie hebben met het landschap. Wat verstaat u onder een logische relatie? Antwoord: Het is afhankelijk van de karakteristieken van het landschap welke opstelling van windmolens passend is. In algemene zin beschouwen wij het als logisch wanneer de opstelling van windmolens een voor het menselijk oog herkenbare samenhang heeft met het landschap. Dat kan door de lijnen in het landschap te volgen, maar een plaatsing haaks op een lijn in het landschap is ook mogelijk. Daar waar het landschap niet over dergelijke lijnen beschikt kan een andere opstelling van windmolens juist beter passend zijn. In het gebiedsproces bespreken wij samen met inwoners per gebied wat hierin mogelijk en gewenst is. 2. Blz 12. Individuele gesprekken. In hoeverre hebben de keukentafelgesprekken invloed gehad op het tot stand komen van de zoekgebieden? Antwoord: Alle gesprekken die wij gevoerd hebben, met agrariërs en andere belanghebbenden, zijn meegenomen in de gemaakte afwegingen. Zo hebben we bijvoorbeeld ook de kwaliteit van de agrarische grond meegewogen. Dit is steeds in samenhang afgewogen met de andere factoren die in de beleidsnota staan. 3.
Op blz 21 stelt u dat zonnevelden en windmolens een aanvullende inkomstenbron zijn voor agrariërs, waardoor zij kunnen blijven boeren. Kunt u aangeven hoe boeren kunnen blijven boeren, als hun land gebruikt wordt als zonnevelden. Zijn dit beweegredenen die een doorslag hebben gegeven bij de beoordeling of een gebied nu wel of niet zoekgebied wordt?
Antwoord: Combinaties van zonnevelden en landbouw zijn mogelijk. Zo zijn er zonnevelden waar schapen onder grazen of groenten onder verbouwd worden. Agrariërs geven wel vaker de voorkeur aan windmolens omdat dit makkelijker te combineren is met een melkveehouderij. Koeien kunnen eronder grazen en de mest kan ook uitgereden worden. De belangen van agrariërs zijn een van de zaken die wij hebben afgewogen. We hebben bijvoorbeeld ook gekeken naar landschappelijke kwaliteit, cultuurhistorie, natuurwaarden en de voorkeuren van inwoners. De zoekgebieden zijn het resultaat van een algehele afweging van belangen, kwaliteiten en regelgeving. 4. U schrijft dat de raad heeft aangedrongen rekening te houden met de door inwoners aangeboden petities. Hoe rijmt dit met het toch aanwijzen als zoekgebied van de Angstel en het Geingebied? Antwoord: Inwoners hebben via petities aangegeven tegen zonnevelden en/of windmolens in het Gein of het Angstelgebied te zijn. Deze petities wegen mee in de keuze voor zoekgebieden. Ook heeft de gemeenteraad de gemeente gevraagd om sterk rekening te houden met het cultuurhistorisch landschap van de Stelling van Amsterdam en het Geingebied. Hierdoor zijn deze gebieden op een lagere plek in de volgorde komen te staan. Toch stelt het college beide gebieden voor als zoekgebied voor zonnevelden en windmolens.
In beide gebieden gelden naar verhouding weinig beleidsbeperkingen. In andere gebieden gelden er meer. Ook biedt de aanwezige infrastructuur (de A2, het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal) kansen voor het goed inpassen van zonnevelden en windmolens. Relatief veel inwoners geven ook de voorkeur aan windmolens en zonnevelden langs de infrastructuur in deze gebieden. De Stelling van Amsterdam is wel uitgesloten van windmolens, omdat de gemeenteraad dit zo besloten heeft. Wij hebben een extra kaart gemaakt waarop dit duidelijker zichtbaar is. We hebben deze meegestuurd bij de beantwoording van de vragen van het CDA. 5. Blz. 25 In hoeverre is er rekening gehouden met de Ecologische Hoofdstructuur in Nederland (tegenwoordig NNN= NatuurnetwerkNederland) bij het vaststellen van de zoekgebieden?
Antwoord: De NNN-gebieden zijn onderdeel van onze afweging geweest. We hebben het gewogen als een beperkende factor voor het realiseren van zonnevelden en windmolens. 6. Op blz.29 2.4.5 Laagvliegroute en radar Schiphol. In een groot deel van DRV kunnen zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar van het ministerie geen windmolens hoger dan 146 m. worden gerealiseerd. Er moet eerst een positief advies zijn van de inspectie voor de Leefomgeving en Transport. Is er vooraf voor de gekozen zoekgebieden een verklaring van geen bezwaar aangevraagd voor het plaatsen van windmolens? Antwoord: Nee, dat hebben we niet gedaan. Hiervoor moet sprake zijn een concrete locatie. De inspectie voor de Leefomgeving en Transport beoordeelt per locatie of een windmolen hoger dan 146 meter daar past of niet. Die beoordeling is afhankelijk van veel factoren. Denk aan de exacte locatie, materiaal van de wieken, aanwezigheid van andere hoge objecten etcetera. 7. Blz. 31. 2.6 Harde beperkingen/ Stedelijk gebied. Hier wordt gesteld dat het in deze nota niet gaat over zon op daken. Zon op daken moet wel 20% bijdragen aan de levering van stroom. Hoe rijmt u dit met deze opmerking? Antwoord: In het Transitieontwerp Elektriciteit staat beschreven hoe wij omgaan met zon op dak om de genoemde ambitie te halen. Dit is in januari 2018 is vastgesteld.
Daarin is ook beschreven dat we 50% van onze verwachte elektriciteitsbehoefte in 2040 willen opwekken met zonnevelden en windmolens. Het voorstel dat nu voorligt gaat over de opwek van elektriciteit met zonnevelden en windmolens. Op bladzijde 9 van Bijlage 1 vindt u meer daarover. 8. 2.6.4.Geluidsnormen Er bestaat geen minimale afstand die windmolens tot woningen moet houden. U gaat wat betreft geluid uit van bepaalde decibellen voor de dag en nacht. En voor wat betreft de wettelijke geluidsnormen op de gevel neemt u 400 m aan.
In Duitsland mogen (na grondig onderzoek en veel ervaring) sinds dit jaar geen turbines meer gebouwd worden binnen 1000 meter van woningen. Een marge van tien maal de ashoogte is een strengere norm. Daarvan uitgaande zouden windturbines een afstand van zo’n 1500 meter moeten aanhouden van omliggende woningen. Waarom neemt u deze marge niet aan? Antwoord: Verschillende landen hanteren verschillende normen. In Nederland zijn wij gehouden aan de Nederlandse wetgeving. Dit hebben wij als kader opgenomen. In het gebiedsproces kan worden gekeken naar een invulling waarbij windmolens verder van bebouwing worden geplaats. 9. Tevens stelt u dat als bewoners mee hebben kunnen denken over de inpassing van windmolens, het geluid als minder hinderlijk wordt ervaren. Dit lijkt op een aanname. Kunt u ons aangeven of u deze aanname wetenschappelijk kunt onderbouwen? Antwoord: In Bijlage 1 schrijven wie hierover (p. 33): Recent onderzoek toont aan dat de ervaren overlast nauw samenhangt met betrokkenheid van omwonenden bij de windmolen(s). Dit onderzocht het RIVM op verzoek van de Zwitserse overheid. Een belangrijke conclusie uit het rapport: als bewoners mee hebben kunnen denken over de inpassing wordt het geluid als minder hinderlijk ervaren. En als ze in financiële zin van de windmolen profiteren daalt de ervaren hinder nog meer.
Het onderzoek betreft een studie van wetenschappelijke literatuur. De voetnoot op pagina p.33 verwijst naar het onderzoek. 10.3.1.2 Geingebied Zuid. Door dit gebied loopt het Amsterdam-Rijnkanaal. U stelt dat naast het kanaal een lijnvormige rij van zonnevelden en/of windmolens passend kunnen zijn, evenals langs het spoor. Waarom is het A-R kanaal niet op het kaartje ingetekend? Dat geeft meer inzicht/overzicht.
Antwoord: Wij zijn het met u eens dat dat inzichtelijker zou zijn geweest. Omdat het kanaal buiten de gemeentegrens ligt is het niet opgenomen. In het vervolg houden wij hier rekening mee. 11.Conclusie Geingebied Zuid. Ondanks het feit, dat - de gemeenteraad heeft opgeroepen de petities mee te laten wegen in het bepalen van zoekgebieden - het gebied valt onder hoogtebeperking van Schiphol - het noordelijke stuk Geingebied midden in het gebied ligt van de stelling van Amsterdam (zie motie waarin dit gebied wordt uitgesloten) - zonnevelden lastig kunnen worden aangesloten de conclusie toch is: geschikt voor zowel wind als zon! Conclusie Geingebied noord. Voor dit gebied geeft u dezelfde beperkingen aan, maar ook dit gebied wordt als geschikt voor zon en wind aangegeven. Kunt u ons uitleggen, welke motieven u heeft om deze gebieden toch als geschikt aan te wijzen? Antwoord: hiervoor verwijzen we naar het antwoord bij vraag 4. 12.Conclusie Angstel west. Rijkswaterstaat heeft interesse in het plaatsen van zonnepanelen op de middenberm van de A2. Dat is iets wat wij zouden toejuichen, maar vragen ons wel af of de gemeente DRV daarvan profijt heeft. Antwoord: We nemen aan dat u doelt op financieel profijt. De plannen van Rijkswaterstaat zijn nog niet uitgewerkt. Het is op dit moment, zowel technisch als financieel, nog niet duidelijk hoe dit wordt vormgegeven.
Als het door zou gaan, kan daar een klein deel van onze elektriciteitsbehoefte opgewekt worden. 13.3.1.7 Klopt het dat alleen het zuidelijke deel van Polders bij Abcoude en Baambrugge eventueel geschikt zouden zijn voor zon en/of wind?
Antwoord: De stelling van Amsterdam is uitgesloten van windmolens. Zonnevelden kunnen er wel, maar zij dienen hier extra zorgvuldig ingepast te worden. In de rest van de zoekgebieden Gein Zuid, Gein Noord en Angstel West zijn zonnevelden grotendeels mogelijk. Windmolens zijn mogelijk op specifieke plekken. De toegestuurde kaarten maken dit inzichtelijker. 14.Blz. 57 Conclusie Polder Blokland. U benoemt hierin een groot aantal beperkingen. Waarom is dit gebied niet ongeschikt verklaard? Antwoord: We hebben het gebied als beperkt geschikt beschouwd, omdat er ondanks de beperkingen wel mogelijkheden zijn voor zonnevelden. Daarbij moet wel extra zorgvuldig worden gekeken naar de inpassing. Beperkt geschikte gebieden worden bij voorkeur niet aangesproken, maar als de door de raad vastgestelde ambitie niet wordt gerealiseerd in de voorgestelde zoekgebieden, zijn er reservegebieden nodig. Polder Blokland is een van die gebieden. 15.De zelfde vraag voor de conclusie Bovenlanden Amstel en Kromme Mijdrecht. Antwoord: Hiervoor geldt hetzelfde antwoord als bij vraag 14. 16.Blz.66. Volgorde van gebieden. U kiest ervoor om in volgorde van 8 gebieden één voor één te kijken of dit gebied wel of niet geschikt is.
Stel dat een gebied voldoende ruimte biedt voor meer dan twee windmolens en dat dit minimale overlast veroorzaakt voor onze inwoners, is dat dan wel mogelijk? Antwoord: We beschouwen alle 8 zoekgebieden als geschikte gebied. In de vervolgstap, het gebiedsproces, wordt gekeken hoe zonnevelden en/of windmolens ingepast kunnen worden. We doen dit in beginsel steeds in 1 gebied tegelijkertijd. Zodat wij regie houden over het proces. Daarbij kan het zijn dat er in een gebied mogelijkheden zijn voor de inpassing van meer dan 2 windmolens. En dat dit ook wenselijk wordt gevonden. Zolang de in het voorstel opgenomen maximum opwek in een gebied niet wordt overschreden is dat mogelijk. 17.Wordt er niet specifiek gekeken naar gebieden voor zonnevelden waar door bodemdaling agrarische activiteiten steeds moeilijker wordt?
Antwoord: We hebbend de kwaliteit van agrarische grond meegenomen in onze afwegingen. Dit geldt met name voor het gebied Polder Groot Mijdrecht west. In paragraaf 3.7.1. van bijlage 1 staat daarover: De grond in dit gebied is van mindere agrarische kwaliteit, in delen is de grond slap en ontstaat er kwel. Dat maakt boeren lastiger in deze polder. Dit maakt het gebied geschikter voor de plaatsing van zonnevelden dan de andere droogmakerijen, waar goede landbouwgrond aanwezig is.