CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen Omgevingswet D66 PvdA GL

Commissie Ruimtelijke Zaken 12 januari 2022, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: a. Besluitvorming in voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (verzamelvoorstel), raadsvoorstel 80/21 (20.00 uur)4.162 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Informatienota raad AAN DATUM ORGANISATIEONDERDEEL PORTEFEUILLEHOUDER BEHANDELEND AMBTENAAR TOESTELNUMMER

de gemeenteraad 10 januari 2022 CS Rein Kroon Henrike Geurkink 291816

REGISTRATIENUMMER TER INZAGE BIJLAGE(N)

Onderwerp Beantwoording technische vragen over raadsvoorstel 80/21: Besluitvorming in voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (verzamelvoorstel)

Waarom naar de raad In voorbereiding op de raadsbehandeling in de vergadering van 27 januari 2022 worden technische vragen beantwoord.

Inleiding In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet legt het college diverse besluiten aan de raad voor in een verzamelvoorstel. De technische vragen worden in deze infonota beantwoord.

Kernboodschap De vragen van de verschillende fracties staan vetgedrukt. De antwoorden op de gestelde vragen staan eronder vermeld. Technische vragen fractie d66 bij raadsvoorstel 80/21 1. Bijlage 1 Proces raadsadvies bij vergunningen in afwijking van het omgevingsplan. In route 1a wordt genoemd dat het plan ter inzage wordt gelegd voor zienswijzen. D66 heeft uit eerdere bijeenkomsten begrepen dat zienswijzen achteraf geen onderdeel meer zijn van de procedure en worden vervangen door de participatie vooraf. Heeft D66 dat correct begrepen? Zo ja hoe hangt dit dan samen met bullet 5? Het is correct dat onder de Omgevingswet vrijwel alle vergunningen de reguliere procedure volgen. Dit betekent dat de gemeente aanvragers stimuleert vooraf participatie vorm te geven, dat besluitvorming plaatsvindt binnen 8 weken en dat géén zienswijzenprocedure achteraf plaatsvindt.

Informatienota raad - documentnummer: 54186

Maar de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen tóch gebruik te maken van de uitgebreide procedure. Dit is de procedure van 26 weken met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Het voorstel is om hiervan gebruik te maken in de complexere en meer gevoelige gevallen waarin de raad om advies wordt gevraagd. De Omgevingswet biedt deze mogelijkheid, maar dit moet bij voorkeur in overleg met de aanvrager. Voor deze gevallen is dit de meest zorgvuldige weg, die voor de aanvrager de meeste zekerheid biedt. Daarom is dit de voorkeursroute die de gemeente aan de aanvrager voorlegt. Het kan zijn dat de aanvrager een van de andere routes kiest. 2. Bijlage 3 Aanwijzing van gevallen waarin participatie door de initiatiefnemer verplicht is Artikel 1: Als een plan onder de uitzonderingen valt van de adviesplicht (bijlage 2 punt 2 uitzonderingen) betekent dit dan dat er onder dit artikel ook geen participatie verplicht is? Ja, zoals het nu is geformuleerd klopt dit en is in die uitzonderingsgevallen participatie niet verplicht in aanloop naar de vergunningverlening. Hier zitten twee gedachten achter: -

De uitzonderingen gaan over beleid of ontwikkelingen waarover de raad zich al eerder heeft uitgesproken. In de voorbereiding van beleid of stedenbouwkundige plannen vindt altijd participatie plaats. De raad let daar op bij de besluitvorming hierover en als de raad van mening is dat participatie niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden, geeft de raad dit terug. De vergunningverlening is vervolgens slechts uitvoering van eerdere plan- en beleidsvorming.

-

Dat participatie door de initiatiefnemer in deze fase niet verplicht is, betekent niet dat deze niet op vrijwillige basis kan plaatsvinden. De gemeente zal daar op aandringen, zeker als er nog details van een plan moeten worden ingevuld. De uitzonderingen gaan overigens over beleid en ontwikkelingen waarin de gemeente vaak zelf initiatiefnemer is of een belangrijke stem heeft. Ook via die weg let de gemeente op de zorgvuldige communicatie. En uiteraard kan de raad hierover bij de vaststelling van de kaders wat meegeven.

3. Bijlage 5 Verordening nadeelcompensatie De Ronde Venen 2022 Artikel 2: De wet geeft de ruimte om tot €500 te vragen voor de in behandeling namen. Hier wordt voor €300 gekozen wat is de onderbouwing van de dit bedrag? Is het wettelijk mogelijk om deze €300 bij toekenning van de schadevergoeding terug te betalen aan de aanvrager? Het recht van € 300 is opgenomen, omdat dat het huidige drempelbedrag is en het college de drempel voor een aanvraag om nadeelcompensatie niet onnodig wil verhogen. Zo veroorzaakt dit besluit geen wijziging in de lasten voor aanvragers. In artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening is dit bedrag nu vastgesteld op € 300. De gemeenteraad kan dit met ten hoogste 2/3 verhogen of verlagen, mits daarvoor goede gronden bestaan. Bij de besluitvorming over de Beleidsnota Planschade en Risicomanagement 2012 is overwogen dat er geen aanleiding was dit bedrag aan te passen. Ook nu is daar geen aanleiding voor gevonden. Als de Omgevingswet in werking treedt, wordt de Algemene wet bestuursrecht aangevuld met titel 4.5 over nadeelcompensatie. In artikel 4.129 sub c Awb is bepaald dat de vergoeding het

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 2

‘betaalde recht’ omvat. Bij wet is dus geregeld dat de aanvrager het betaalde drempeldrag terugkrijgt, wanneer de vergoeding wordt toegekend. Technische vragen fractie PvdA / GroenLinks bij raadsvoorstel 80/21 4. Wanneer komt het raadsvoorstel participatiebeleid naar de gemeenteraad? In de loop van 2022. In juni wil het college in gesprek met gemeenteraad en inwoners over de bouwstenen die er liggen. Daarna wordt het beleid voorgelegd aan de raad. De participatierichtlijn is klaar voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is een hulpmiddel voor initiatiefnemers om participatie vorm te geven. 5. 3.1 Graag uitleg van de eerste zin. Hier staat nu, met weglating van de bijwoordelijke bepalingen, dat het college ervoor kiest de initiatiefnemer aan te wijzen. De verwarring is begrijpelijk. Het is de bedoeling om aan te geven dat de aanwijzing (bijlage IIIA) vooruitlopend op het participatiebeleid ter vaststelling aan de raad wordt aangeboden, omdat deze er moet liggen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De formulering had duidelijker gekund door ‘de gevallen waarbij participatie verplicht is voor de initiatiefnemer’ tussen aanhalingstekens te plaatsen. Procedure adviesrecht raad 6.

Hoe vindt precies de afweging plaats om te bepalen of het college eenzijdig kan besluiten tot het volgen van de uitgebreide procedure? Op welke criteria moet het college zich baseren? Volgen deze criteria vanuit de wet of kan de raad deze stellen? Vooropgesteld: Bij voorkeur komt de gemeente in overleg met de initiatiefnemer tot de conclusie dat de uitgebreide procedure de meest zorgvuldige weg is. Als de initiatiefnemer hier niet actief mee instemt, kan het college overwegen om de uitgebreide procedure alsnog van toepassing te verklaren. Hierover mag de initiatiefnemer dan zijn zienswijze geven. Dit is een bevoegdheid die wettelijk bij het college is gelegd. De wet geeft als criteria mee dat het moet gaan om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Mocht het college hiervoor kiezen, dan bevat de onderbouwing de wijze waarop aan deze criteria wordt voldaan. Het is niet mogelijk hier criteria aan toe te voegen. Lijst van gevallen waarin een advies van de gemeenteraad verplicht is 7. In artikel 1.1 wordt gesproken over een adviesrecht bij woningbouw van meer dan 15 woningen in het stedelijk gebied en meer dan 5 in het landelijk gebied.

Hoe wordt deze grens bepaald? De rode contour? De bebouwde kom? En geldt meer dan 5 woningen in het landelijk gebied zowel op bijv. een voormalige agrarisch bouwvlak als bij woningbouw aansluitend op het bestaand stedelijk gebied of wordt dat anders beoordeeld?

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 3

De lijst met categorieën is zo eenvoudig mogelijk gehouden, zonder te veel uitzonderingen en speciale situaties. Vanuit dat oogpunt ligt het voor de hand om uit te gaan van het landelijk en stedelijk gebied zoals dat in de provinciale regelgeving (Omgevingsvisie en Omgevingsverordening) wordt gebruikt en hiervoor geen andere definitie te kiezen. Daarmee vallen ontwikkelingen aan de randen van het stedelijk gebied dus in het landelijk gebied.

In antwoord op deze vraag en op volgende vragen wil het college aandacht vragen voor de aanhef van de lijst en wat hierover in de toelichting is gezegd. Met het aanwijzen van gevallen waarover de raad advies uitbrengt, ontstaat een nieuwe manier van samenwerken tussen college en raad. In de geest van de Omgevingswet op basis van vertrouwen. Dus: In geval van twijfel, legt het college aanvragen aan de raad voor.

8. In artikel 1.3 wordt het bedrijventerrein Mijdrecht genoemd als locatie waarvoor een advies pas nodig is bij realisatie van bedrijfsruimte groter dan 5.000 m2. Is ‘bedrijventerrein Mijdrecht’ een voldoende onderbouwd ruimtelijk criterium om dit af te bakenen? Of zou bijv. een kaart toegevoegd moeten worden met het gearceerde gebied waarvoor deze regel van toepassing is? De grenzen volgen rechtstreeks uit het huidige bestemmingsplan (straks tijdelijk omgevingsplan). 9. Art. 1.6 en 1.7. Wat zijn de overwegingen om te komen tot deze criteria? Het geven van een andere functie aan bestaande bebouwing is onder de huidige wetgeving (bijlage II Besluit omgevingsrecht) mogelijk met de reguliere procedure. Zonder verklaring van geen bedenkingen van de raad. Grote functiewijzigingen van bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw of gebouw met maatschappelijke functie kunnen impact hebben, vandaar dat het voorstel is om boven de 1000 m² een advies van de raad te vragen. Tijdens de voorbereiding van deze besluitvorming is erover gesproken dat het opviel dat er niets over hoogte werd gezegd in de lijst. Daarmee zou het college in theorie hoge gebouwen kunnen vergunnen zonder advies van de raad. Het voorstel is vier bouwlagen of meer, omdat tot drie bouwlagen gebruikelijk is in onze gemeente. 10. In artikel 1.9 wordt gesproken over een energielandschap.

Is dat voldoende gedefinieerd om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van een energielandschap? Moet er geen begrippenlijst toegevoegd worden om onduidelijkheid hierover te voorkomen? De wet is zo geformuleerd dat de raad géén adviesrecht heeft, behalve voor de categorieën van gevallen die zijn aangewezen. Daarom is in de lijst geprobeerd de categorieën objectief, en globaal te beschrijven. Hoe gedetailleerder de formulering, hoe groter de kans dat er iets afvalt wat niet de bedoeling was. In de energietransitie volgen ontwikkelingen elkaar snel op. Wanneer meer dan 350 m² grond een verandering ondergaat ten behoeve van de energietransitie is advies van de raad

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 4

gewenst. In geval van twijfel komt de aanvraag langs (zie antwoord op vraag 7). Het voorstel is om algemene categorieën te benoemen en hierover op basis van vertrouwen samen te werken. Bij transities in het landelijk gebied is het overigens goed te bedenken dat hieraan vanuit de provinciale Omgevingsverordening duidelijke grenzen worden gesteld. De gemeente heeft hier niet veel speelruimte. 11. In artikel 1.12 wordt gesteld dat er alleen adviesrecht nodig is bij uitbreiding van nietagrarische bedrijven in het landelijk gebied. Waarom niet ook voor agrarische bedrijven? In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd dat in het bestemmingsplan (omgevingsplan) agrarische bouwvlakken tot maximaal 1,5 hectare mogen worden opgenomen. Deze regeling is als wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Buitengebied West opgenomen en kunnen overeenkomstig worden toegepast in het overige buitengebied. Op basis van de provinciale Omgevingsverordening is het onder zeer strenge voorwaarden (dierenwelzijn, milieubelasting en volksgezondheid) mogelijk tot maximaal 2,5 hectare uit te breiden. Om stapeling van provinciale en gemeentelijke regels te voorkomen is deze mogelijkheid nu niet in de lijst opgenomen. Delegatiebesluit ex artikel 2.8 en 4.14 lid 5 Omgevingswet 12. Het delegatiebesluit stelt dat de gemeenteraad de bevoegdheid heeft om deze bevoegdheden aan het college te delegeren.

Betekent dat ook dat de raad kan besluiten dit niet te doen? Zo ja, wat zou er gebeuren wanneer de raad niet zou besluiten om deze bevoegdheden te delegeren? Dat klopt. De raad hoeft deze bevoegdheid niet te delegeren en ontvangt dan elke wijziging van het omgevingsplan ter besluitvorming. Niet elke wijziging van het plan is beleidsmatig interessant. Veelal gaat het om verleende vergunningen die nu door het college op basis van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht verleend worden (kruimelgevallen). Om de raad niet te belasten met besluitvorming waarin geen inhoudelijke afweging plaatsvindt, is het voorstel dit aan het college te delegeren. Het college zorgt daarmee dat het omgevingsplan steeds zo snel mogelijk in overeenstemming met de actuele situatie wordt gebracht. Overigens wordt dit besluit pas relevant op het moment dat een definitief omgevingsplan is vastgesteld. Tijdens de overgangsperiode waarin de gemeente werkt met het tijdelijk omgevingsplan, worden wijzigingen verzameld om ze in één keer in het definitieve omgevingsplan op te nemen. Verordening nadeelcompensatie De Ronde Venen 2022 13. Artikel 4.3: Hoe wordt de deskundigheid van te benoemen adviescommissieleden bepaald? Hoe komen commissieleden voor benoeming in aanmerking?

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 5

Deze advisering vraagt een zeer specifieke deskundigheid en onafhankelijkheid. Overeenkomstig de Beleidsnota Planschade en Risicomanagement 2012 gebruikt de gemeente hiervoor op dit moment een gespecialiseerd bureau. In de jurisprudentie rond planschade en nadeelcompensatie komt naar voren dat het gebruik van dergelijke specialisten een belangrijke voorwaarde is voor de correcte afhandeling van deze zaken. Deze praktijk zet het college onder de Omgevingswet voort. Technische vragen fractie CUSGP bij raadsvoorstel 80/21 14. In het RV stelt u: “Bij elke bijlage is een toelichting op het specifieke besluit gevoegd”. We missen dat in de bijlage Nadeelcompensatie. Dit klopt en deze zin is niet correct. De Verordening nadeelcompensatie is als laatste onderdeel van de besluitvorming bijgevoegd, omdat de modelverordening hiervoor op tijd beschikbaar kwam. Het gaat om het omzetten van de ‘Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’ en de ‘Nadeelcompensatieverordening De Ronde Venen 2010’ naar een nieuwe verordening, zonder beleidsmatige wijzigingen. Vandaar dat een toelichting achterwege is gebleven. 15. In het RV (punt 1.3) stelt u: “Dit vraagt overleg met de initiatiefnemer, want we kunnen de uitgebreide procedure in de meeste gevallen niet afdwingen”.

In welke gevallen wel / niet en wat zijn dan de consequenties? De algemene regel van de Omgevingswet is dat vergunningen met de reguliere (8 weken) procedure worden afgehandeld. Naast specifieke vergunningen waarvoor de uitgebreide procedure geldt, geeft de wet aan dat dit kan ‘op verzoek van of in overleg met de initiatiefnemer’. Van deze mogelijkheid wil het college gebruik maken bij aanvragen waarover de raad advies uitbrengt. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid aan het college om éénzijdig deze procedure van toepassing te verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a. als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving, en b. waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben. Het heeft de voorkeur om in goed overleg met de initiatiefnemer tot de uitgebreide procedure te komen. Wanneer dit niet mogelijk is en bovenstaande punten in het geding zijn, kan deze procedure worden afgedwongen. 16. In die gevallen waarin participatie verplicht is; aan welke eisen moet dat voldoen / welke criteria zijn dan bepalend om vast te stellen of de participatie afdoende heeft gefunctioneerd.

Het Informatiepunt Leefomgeving (https://iplo.nl/) geeft hierover de volgende informatie: De wetgever heeft niet bepaald wanneer er sprake is van onvoldoende participatie. Ook heeft de wetgever de keuze voor de vorm van participatie bewust bij de aanvrager gelaten. Maar uit

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 6

het feit dat het hier gaat om verplichte participatie, volgt dat de uitgevoerde participatie wel enige inhoud moet hebben. Verder is het relevant welke activiteit de initiatiefnemer heeft aangevraagd voor de vraag of de participatie voldoende is. Bij een klein initiatief met weinig impact op de omgeving kan een beperkte vorm van participatie volstaan. Bij een project met grote impact op de omgeving zal meer uitgebreide participatie nodig zijn. De beoordeling of de initiatiefnemer voldoende aan participatie heeft gedaan, is aan het bevoegd gezag. Bij die beoordeling kan het bevoegd gezag gebruikmaken van eventueel vooraf opgestelde beleidsregels over deze beoordelingsbevoegdheid. Gemeenten mogen geen aanvullende eisen stellen aan de participatie bij omgevingsvergunningen. Niet via een extra aanvraagvereiste en niet via een extra vormvereiste. Dit geldt ook voor de eventueel verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De gemeente kan een initiatiefnemer niet voorschrijven hoe de participatie wordt vormgegeven. De gemeente bepaalt welke aspecten en overwegingen de participatie moet bevatten om voldoende te zijn. De tijd en jurisprudentie zal leren hoe ver de gemeente hierin kan gaan. De gemeente maakt een ‘participatierichtlijn’. Een soort handleiding om het participatieproces vorm te geven.

Stappen hierin zijn: bepaal wie belang hebben, voer een open dialoog, leg de uitkomsten vast en laat zien hoe dit doorwerkt in het plan. Deze elementen worden gebruikt bij de toets of participatie voldoende heeft plaatsgevonden. De participatierichtlijn is af vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 17. Is niet uitvoeren van (verplichte) participatie of het niet volgens de eisen uitvoeren van participatie een grond voor weigeren van een omgevingsvergunning? In gevallen waarin participatie verplicht is kan het college een plan buiten behandeling laten, omdat niet aan de participatieplicht is voldaan. Dan moet het college de initiatiefnemer wel eerst in de gelegenheid stellen dit gebrek te herstellen. Als het college van oordeel is dat de participatie onvoldoende is uitgevoerd, moet het onderbouwen waarom dit zo is. Tegen een besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen staat bezwaar en beroep open. Als een initiatiefnemer bij een aanvraag waarvoor participatie niet verplicht is aangeeft hier geen invulling aan te hebben gegeven of als dit (naar het oordeel van het college) onvoldoende is gebeurd, is dit géén reden om de aanvraag buiten behandeling te laten. 18.

Is er bij plannen die via “de reguliere procedure zonder raadsadvies en zonder verplichte participatie” lopen in het geheel geen afstemming door de initiatiefnemer met de omgeving / omwonenden meer nodig (de gedachte achter de OW is toch dat met minder regels en met meer overleg tot gedragen besluiten gekomen wordt)? Indien dat wel het geval is, op grond waarvan en aan welke eisen moet dat voldoen? De gedachte achter de Omgevingswet is om participatie aan de voorkant van plannen te versterken. De wet probeert de initiatiefnemer te motiveren om over participatie na te denken.

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 7

Daarom moet bij elke aanvraag worden aangeven of, en zo ja hoe de participatie is vormgegeven. Het is aan de gemeente om initiatiefnemers bewust te maken van de wenselijkheid van participatie ten behoeve van de gedragenheid van een plan en soepele besluitvorming. 19. U spreekt van reguliere en uitgebreide procedure. Afgezien van de termijnen (8+6 vs 26 weken) kunnen we niet goed terugvinden wat de verschillen zijn; wat is de afloop / wat zijn de stappen in de ene resp andere procedure; kunt u daar een overzicht van geven? In de reguliere procedure wordt binnen 8 weken een besluit genomen op de aanvraag. Deze termijn kan eventueel verlengd worden met 6 weken en er kan sprake zijn inwinning van adviezen binnen deze periode. Tegen de verleende vergunning staat bezwaar en beroep open. In de uitgebreide procedure wordt eerst een ontwerpbesluit voorbereid. Dit wordt voor 6 weken ter inzage gelegd en het is mogelijk hierop zienswijzen in te dienen. De afhandeling van eventuele zienswijzen wordt betrokken bij de definitieve besluitvorming. Na het verlenen van de vergunning is er rechtstreeks de mogelijkheid tot het instellen van beroep (zonder eerst een bezwarenprocedure). 20. Wij verwachten dat veel aanvragers zullen kiezen voor route 2A omdat dit de kortste route is en er kennelijk geen verplichtingen zijn om de uitgebreide route te kiezen.

Klopt dat? Waarom zou een aanvrager voor de uitgebreide procedure kiezen? De raad zelf legt met de aanwijzing van categorieën van gevallen vast wanneer advies door de raad verplicht is. Dit adviesrecht geldt dan zowel in de reguliere als in de uitgebreide procedure. In de gevallen waarin de raad advies uitbrengt gaat het om plannen impact. Het is in het belang van de aanvrager om de weg te kiezen met de meeste zekerheid. Het plan moet om advies aan de raad worden voorgelegd en de raad stelt eisen aan het plan en de belangenafweging. De uitgebreide procedure biedt in tijd en proces de ruimte om dit zorgvuldig te doen. Wanneer een aanvrager voor een kortere route kiest en het plan blijkt gebreken te vertonen, dan leidt dat tot een negatief raadsadvies en/of een weigering van de vergunning. 21. Hoe weet de aanvrager welke vier scenario’s / routes er zijn als dit in het vooroverleg wordt besproken en de aanvrager heeft besloten zonder vooroverleg een aanvraag in te dienen (route 1B en 2B). Bij vraag 20 is aangegeven dat de uitgebreide procedure alleen aan de orde is bij plannen met een impact die afwijken van het omgevingsplan. Initiatiefnemers van dergelijke plannen informeren van te voren wat er nodig is. In het theoretische geval dat toch rechtstreeks een aanvraag wordt ingediend, neemt het college contact op met de aanvrager om de route van afhandeling te bespreken. 22.

Onder route 2A, vierde bullit, zegt u dat bij overschrijding van de termijn niet van rechtswege een vergunning wordt verleend. Klopt het dat dit nu wel zo is en is dit dus

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 8

een wijziging tov huidige praktijk. En als dat zo is, wat is dan nog het nut van de termijnen van 8 resp. 14 weken? Ja, dit is een wijziging ten opzichte van de huidige praktijk. Overigens was de vergunning van rechtswege onder de huidige wet alleen aan de orde in de reguliere procedure. De termijnen blijven onder de Omgevingswet wel relevant, omdat de ‘Wet dwangsom en beroep niet tijdig beslissen’ wel van toepassing is. Als de gemeente niet tijdig een besluit neemt, kan de aanvrager de gemeente in gebreke stellen. Het college heeft dan 2 weken om alsnog een besluit te nemen voordat de dwangsom gaat lopen. 23. Het is misschien verstandig om de procedures weer te geven in een beslisboom / infographic zodat voor raad en inwoners duidelijk is hoe de nieuwe omgevingswet werkt. Is dat doenbaar? Ja en nee. In aanloop naar de Omgevingswet zorgt de gemeente voor goede publieksinformatie, waarmee inwoners weten welke wegen ze kunnen bewandelen. Daarbij kiest het college voor gebruik van de landelijke informatie en infographics. Deze zijn herkenbaar voor veel mensen. Daar voegt de gemeente dan gemeente-specifieke informatie aan toe. Op dit moment is dat lastig. Er zitten namelijk veel variabelen in de vergunningverlening: enkelvoudige of meervoudige vergunning, wel of geen advies, regulier of uitgebreid, vooroverleg, participatie.

Dat inzicht wordt zo eenvoudig mogelijk geboden voordat de wet in werking treedt. 24. Volgens het delegatiebesluit zou het college het omgevingsplan zelf kunnen wijzigen. Voor zover wij weten, is er nog geen omgevingsplan; klopt dat? Hoe komt het initiële omgevingsplan tot stand en wordt dat wel door de raad vastgesteld? Het klopt dat er nog geen omgevingsplan is. De eerste periode werkt de gemeente met het tijdelijk omgevingsplan dat bestaat uit de huidige bestemmingsplannen. Het eerste echte omgevingsplan wordt de komende jaren gemaakt en door de raad vastgesteld. Dit delegatiebesluit wordt daarna relevant. 25. Volgens ons ontbreekt ook nog de omgevingsvisie; die de basis voor het omgevingsplan zou moeten zijn. Klopt dat? Wanneer wordt de omgevingsvisie aan de raad voorgelegd? Zoals in de begroting 2022 is opgenomen wordt het omgevingsvisietraject dit jaar opgestart met het Ruimtelijk Perspectief als vertrekpunt. Beleidskeuzes in de omgevingsvisie krijgen handen en voeten in het omgevingsplan. Dat betekent niet dat het werk aan het omgevingsplan daar op moet wachten. In het omgevingsplan worden niet alleen beleidsdoelstellingen vertaald in regels. Een groot deel van het plan bestaat uit basisregels die al gelden.

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 9

26. In de verordening nadeelcompensatie wordt over een adviescommissie gesproken en u legt ons ook een besluit over een gemeentelijke adviescommissie voor. We nemen aan dat dit twee aparte commissies zijn. Klopt dat? Ja dit klopt, dit zijn twee verschillende adviseurs. De gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit De Ronde Venen wordt ingesteld op basis van artikel 17.7 Omgevingswet. De advisering door een deskundigencommissie over nadeelcompensatie is gebaseerd op artikel 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht. 27. Wordt de aanvraagvergoeding van € 300 weer teruggestort indien de nadeelcompensatie wordt toegekend? Ja. Als de Omgevingswet in werking treedt, wordt de Algemene wet bestuursrecht aangevuld met titel 4.5 over nadeelcompensatie. In artikel 4.129 sub c Awb is bepaald dat de vergoeding het ‘betaalde recht’ omvat. Bij wet is dus geregeld dat de aanvrager het betaalde drempeldrag terugkrijgt, wanneer de vergoeding wordt toegekend. 28. Wie betaalt de nadeelcompensatie; de verordening lijkt te suggereren dat de gemeente die betaalt, maar dat zal toch de initiatiefnemer van een plan moeten zijn? Hier wordt de huidige praktijk voortgezet. Wettelijk is de gemeente verplicht deze schade te vergoeden.

Het is onder de Omgevingswet net als nu mogelijk om in een anterieure overeenkomst met een initiatiefnemer voorafgaand aan de vergunningverlening af te spreken dat eventuele planschade (straks nadeelcompensatie) voor rekening van de initiatiefnemer is. Daarnaast kan sprake zijn van schade door rechtmatig handelen van de gemeente zelf. Dan blijven de kosten voor de gemeente. 29. Lijst met besluiten waarvoor advies nodig is: art. 1 punt 12 “Uitbreiden niet-agrarische bedrijven in landelijk gebied”; dus bij vestigen van een niet-agrarisch bedrijf is geen advies van de raad nodig? Het nieuw vestigen van niet-agrarische bedrijven in het landelijk gebied is op basis van de provinciale Omgevingsverordening alleen en onder strenge voorwaarden mogelijk als vervolgfunctie na agrarische bedrijfsbeëindiging. Deze regels zijn als wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Buitengebied West opgenomen en worden overeenkomstig toegepast in het overige buitengebied.

Consequenties Niet van toepassing

Communicatie Niet van toepassing

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 10

Vervolg Behandeling in politieke commissie en gemeenteraad

Informatienota raad - documentnummer: 54186 - pagina 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10995981/1