Beantwoording technische vragen CUSGP
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen raadsvoorstel zoekgebieden zon en wind Vragen Cu-SGP Raadsvoorstel 1. Met het oog op de door u gevraagde budgetten voor de gebiedscoordinator: Welke middelen heeft de gemeente in de achterliggende tijd van het Rijk ontvangen voor het ontwikkelen van de RES, welke middelen verwacht u nog van het rijk hiervoor te ontvangen, welke kosten heeft de gemeente (ook ambtelijke kosten) inmiddels gemaakt met het oog op de RES en welke kosten (buiten deze extra budgetten voor de gebiedscoordinator) verwacht u nog te maken in 2021 en 2022? Wij hebben niet rechtstreeks middelen van het rijk ontvangen voor de uitvoering van de RES Er komt mogelijk wel een vergoeding van het Rijk voor de uitvoering van de afspraken in het klimaatakkoord. In het klimaatakkoord is afgesproken dat decentrale overheden, waaronder gemeenten, door het rijk worden gecompenseerd voor de taken die voorvloeien uit het klimaatakkoord. De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft deze kosten inzichtelijk gemaakt. Het is nog onzeker of en zo ja welk bedrag gemeenten krijgen. Het kabinet besluit hierover. Het Rijk heeft wel geld verstrekt voor het organiseren van de RESsen. Dat geld krijgen gemeenten niet rechtstreeks, maar hierdoor is de eigen bijdrage aan de RES wel lager.
De gemeente betaalt mee aan de regionale samenwerking op het gebied van de warmtetransitie en elektriciteitstransitie (RES) De Ronde Venen heeft in 2020 11.064 betaald aan de RES. Wij verwachten dit jaar weer eenzelfde bedrag te betalen. Daarnaast zetten wij ongeveer 4 uur per week in voor deelname aan RES overleggen en de voorbereiding daarvan. De RES wordt hoofdzakelijk betaald met een vergoeding vanuit het Rijk. We verwachten dat we in 2022 ook een financiële bijdrage aan de RES moeten leveren De RES wordt iedere 2 jaar herijkt. Het is een continu proces. Welke vorm de werkorganisatie gaat krijgen en welke kosten dit met zich meebrengt wordt nog uitgewerkt. De bestuurlijke trekkers van de RES nemen hier vervolgens een besluit over. 2. In beslispunt 2 wordt per gebied en indicatie gegeven wat de minimale en maximale opbrengst zou moeten zijn. Hoe vertaalt zich dat tot oppervlakte zon resp. omvang van windmolens. In de bijlage 1 wordt de opbrengst van zon per HA en voor wind bij een molen van 175 meter weergegeven. Welke andere varianten (bv kleinere windmolens) zijn er toepasbaar en welke opbrengst hebben die dan (vooral om dat een molen van 175 mtr niet overal kan)? Voor het eerste deel van deze vraag verwijzen we naar het antwoord bij vraag 6.
Om eenduidigheid te houden met eerdere voorstellen werken we met dezelfde hoogte In eerdere beleidsstukken hebben we gerekend met molens van 175 meter hoog. Grotere en kleinere molens zijn ook mogelijk. Binnen het zoekgebied wordt tijdens het gebiedsproces gekeken of er windmolens komen, en zo ja, wat daarvoor de toegestane en gewenste hoogte is. In zijn
algemeenheid geldt dat een hogere molen een grotere opbrengst heeft. Een windmolen van 175 meter hoog wekt evenveel stroom op als 227 boerderijmolens van 21 meter hoog (pagina 2, bijlage 1). Hogere molens hebben doorgaans ook een beter financieel rendement. 3. U stelt voor nu vier gebieden (1a t/m 1d) open te stellen en daarna met een nieuw voorstel te komen. Waarom heeft u dan nu toch al een prioriteit onder de punten 1e – 1h, 4 en 5 aangegeven? Omdat we de zoekgebieden in principe na elkaar willen openstellen hanteren we een volgorde Wij hebben die afweging gemaakt op basis van de huidige kennis en ontwikkelingen. Ook keken wij naar alle 8 geschikte zoekgebieden. Die volgorde hebben wij opgenomen in het voorstel. Wij realiseren ons dat 2040 nog ver weg is en dat de volgorde kan wijzigen door nieuwe ontwikkelingen. Daarom stellen wij voor om na de eerste 4 gebieden bij de raad terug te komen. 4. Alleen bij punt 4 geeft u expliciet per gebied aan of zon dan wel wind toegestaan is. Waarom niet bij de gebieden in punt 2? Of is daar te allen tijde zowel zon en wind toegestaan? En zo dat het geval is, hoe verdraagt zich dat dan met de motie die verbod op windmolens in het Geingebied uitspreekt? Bij beslispunt 2 stellen wij voor zowel zonnevelden als windmolens toe te staan in de genoemde gebieden.
Bij de gebieden genoemd in beslispunt 4 is dat niet het geval Door de wettelijke geluidsnormen zijn in een aantal van de gebieden bij beslispunt 4 geen windmolens mogelijk. In beslispunt 4 hebben we daarom per gebied uitgeschreven of we voorstellen hier zonnevelden en/of windmolens toe te staan. De motie sluit windmolens in de Stelling van Amsterdam uit Ook roept de motie het college op om sterk rekening te houden met de landschappelijke inbedding en het eeuwenoude cultuurhistorische gebied van de Stelling van Amsterdam. En dan met name het Gein gebied. De Stelling van Amsterdam loopt door verschillende zoekgebieden heen. Die delen van zoekgebieden waar de Stelling van Amsterdam loopt zijn uitgesloten voor windmolens. 5. We zijn verbaasd dat u de Waardassackerpolder kennelijk ook zon toestaat, waardoor veel agrarische grond verloren kan gaan. En dat terwijl u het gebied Groot Mijdrecht Oost uitsluit waar van veel slechtere agrarische grond sprake is en juist prima zonnevelden geplaatst kunnen worden. Waarom deze keuzes? (u schrijft in bijlage 1 op pag 34 notabene zelf “Gebieden waar de kwaliteit van de landbouwgrond minder is, staan hoger in de volgorde.
Op die manier wordt zo min mogelijk waardevolle landbouwgrond gebruikt voor zonnevelden”) Het gebied Groot Mijdrecht oost kan worden onderscheiden in een noordelijk gedeelte en een zuidelijk gedeelte Voor het noordelijke gedeelte geldt het Pact van de Poldertrots. Dit pact houdt in dat er 50 jaar lang geen planologische ontwikkeling mag plaatsvinden behalve als dit in het belang is van de vastgestelde inrichting: de natuurontwikkeling ‘Versoberde Veenribbenvariant’. De toepassing van zonnevelden (of windmolens) is daar niet mee in overeenstemming. Het zuidelijke gedeelte wordt in fasen getransformeerd tot het nieuwe natuurgebied Marickenland Dit is nieuwe natuur, gecombineerd met recreatief medegebruik. Op 2 juli 2020 is de ontwikkeling van Marickenland vastgelegd in een overeenkomst tussen provincie, waterschap, gemeente en
Staatsbosbeheer. Onderdeel van deze overeenkomst is een inrichtingsplan. Dat voorziet niet in realisering van zonnevelden, en laat daar ook weinig ruimte toe. Dit komt door de creatie van rietlanden, lisdoddevelden en recreatieve voorzieningen. Maar ook door de doelstelling een vogelgebied te creëren. Daarom hebben wij dit gebied ongeschikt verklaard.
6. Hoe bent u tot de minimale en tot de maximale waarden per zoekgebied gekomen; welke afwegingen of methode heeft u daarbij toegepast? We hebben eerst per zoekgebied het voor zonnevelden beschikbare oppervlak berekend Daarvoor is eerst de oppervlakte van de deelgebieden gemeten. Het theoretische potentieel voor zonnevelden is in deze gebieden tussen de 60% en 80% hiervan. Dit hangt af van het aantal wegen en bebouwing in het gebied. We hebben voor elk zoekgebied met een gelijk percentage oppervlakte bedekt door zonnevelden gerekend. We maakten daarbij een uitzondering voor drie gebieden, waar zonnevelden vanuit landschappelijk perspectief relatief goed kunnen worden geplaatst. Daarna keken we naar de mogelijkheden van inpassing van windmolens langs grote infrastructuur Inpassing langs grote infrastructuur beoordelen we vanuit landschappelijk perspectief als relatief gunstig. In 5 zoekgebieden is die mogelijkheid er. Voor die gebieden vulden we de (fictieve) opwek van 2 windmolens in. Binnen de zone van de laagvliegroute van Schiphol rekenden we met molens van 146 meter, daarbuiten molens van 175 meter. Plekken waar maar 1 windmolen mogelijk is, hebben we weggestreept. Dit doen wij omdat het landschappelijk gezien niet wenselijk is om solitaire molens te plaatsen. Dit leverde een theoretische opwek met windmolens op.
Deze theoretische opwek met windmolens is daarop afgetrokken van de totale ambitie Het restant vulden wij met zonnevelden in. Dit kwam uit op: 6% van het beschikbare oppervlak benutten voor zonnevelden in de 3 gebieden die zich relatief goed lenen voor zonnevelden. En 4% van het beschikbare oppervlak benutten voor zonnevelden in de overige zoekgebieden. De potentie voor windmolens in een gebied, plus de potentie voor zonnevelden in een gebied gaven het getal voor minimum opwek per gebied. Het maximum is berekend door de minimum-opwek te vermenigvuldigen met een factor 3 Meer hierover staat ook opgenomen in de beleidsnota, pagina 68-69. 7. Onder argument 1.3 schrijft u “De gemeente schrijft niet voor hoeveel windmolens en/of zonnevelden er per zoekgebied moeten komen.” Hoe komt die keuze dan wel tot stand? Wie bepaalt dat en wie zijn in dit geval de “stakeholders”? Met het raadsvoorstel stelt u als raad vast hoeveel energie er met zonnevelden en/of windmolens in een zoekgebied opgewekt dient te worden Met die opdracht gaan wij het gebied in om samen met inwoners, grondeigenaren en andere stakeholders (bijvoorbeeld belangengroepen of ontwikkelaars) in gesprek te gaan. Onderdeel van dit gesprek zijn onder andere de voorkeur van inwoners voor zonnevelden of windmolens. Maar ook hoe zij financieel willen participeren en voorkeuren voor de inpassing van zonnevelden en windmolens.
De uiteindelijke verhouding tussen zonnevelden en windmolens in een gebied is
afhankelijk van de voorkeur van inwoners, de aanvragen van ontwikkelaars en uw besluit als raad over initiatieven. 8. In argument 1.6 geeft u aan dat petities hebben meegewogen in de keuze van de zoekgebieden. Wat betekent dit voor gebieden waar geen petities zijn gehouden; zijn die derhalve op voorhand op achterstand gezet? Is de noodzaak om een petitie te starten om kennelijk de priorisering te beïnvloeden vooraf aan inwoners kenbaar gemaakt? Zo ja, wanneer en hoe? (te meer daar u zelf een enquete onder inwoners bent gestart waardoor mensen wellicht geen petitie zijn gestart voor hun gebied). Dit is geen technische vraag. U kunt deze vraag tijdens de politieke commissie stellen aan de portefeuillehouder. 9. U spreekt onder argument 2.1 een aantal keren over inbreng van inwoners “Daarnaast geven relatief veel inwoners aan dat zij een voorkeur hebben voor dat gebied” en “Ze hebben niet de voorkeur van inwoner” (beiden pag. 6). Doelt u hiermee op de uitkomsten van de digitale enquête die eind vorig jaar is gehouden (met de beruchte rode stip bij Baambrugge als uitkomst)? En hoe weet u dat die uitkomst representatief is (mensen konden meerdere keren meedoen, mensen buiten De Ronde Venen konden ook meedoen, etc…)? Wij doelen hiermee inderdaad op de Zon- en Windkaart. In totaal vulden 1536 mensen de Zon en Wind kaart in.
Dit resulteerde in vlekkenkaarten die een algemeen beeld geven van de meningen van inwoners. Wij zien de resultaten van de Zon en Wind kaart als een indicatie van de voorkeuren van inwoners. De vlekkenkaarten zijn een van de afwegingen om te komen tot zoekgebieden. Daarnaast zijn beleid, kwaliteiten en ontwikkelingen in gebieden van belang in de afweging. 10. In kanttekening 1.1 schrijft u “In de voorwaarden die de raad eerder heeft vastgesteld, staan voorwaarden opgenomen om het landschap en de natuur te beschermen”. Doelt u hiermee op de Beleidsnota Voorwaarden voor zonnevelden en windmolens” zoals aangenomen in juli 2020? Ja, dat klopt. 11. In hoeverre zijn de vier door u voorgestelde eerst geselecteerde gebieden al direct aan te sluiten op het netwerk van Stedin? De eerste 4 zoekgebieden zijn redelijk goed aan te sluiten op het netwerk Alleen de polder Groot Mijdrecht West is lastiger aansluitbaar omdat het Midden-Spanning station (MS-station) in Mijdrecht waarschijnlijk te ver weg ligt om zonnevelden op aan te sluiten. Om die reden staat dit gebied iets lager in de volgorde. Voor de andere 3 eerste zoekgebieden liggen stations wel dichtbij genoeg om er zonnevelden en windmolens op aan te sluiten. De aansluitbaarheid van de zoekgebieden is complex Hierbij spelen verschillende zaken.
Denk aan de techniek (zonneveld of windmolen), de grootte van het initiatief (het vermogen) en de beschikbare capaciteit op stations. Bovendien liggen wij in het verzorgingsgebied van Stedin, en grenzen wij aan het verzorgingsgebied van Liander. In sommige gebieden is een station van Liander dichterbij dan een station van Stedin. Wij zijn in gesprek met Liander en Stedin om op dit gebied samen te werken.
Bijlage 1 Beleidsnota Zoekgebieden zon en wind 12. In bijlage 1 geeft u weer wat de afwegingskaders zijn inclusief veel gebiedskaarten, maar vooral in algemene termen. Nergens kunnen wij achterhalen hoe u alle aspecten per deelgebied gewogen heeft en hoe u dus tot de priorisering (en respectievelijk uitsluiting) van de gebieden bent gekomen. Graag ontvangen wij alsnog een overzicht van uw afwegingen per gebied (wat en met welk gewicht) zodat wij uw keuzes tav de priorisering kunnen herleiden en beoordelen. Met de beleidsnota proberen wij inzichtelijk te maken hoe onze keuzes tot stand zijn gekomen, op een overzichtelijk detailniveau De afwegingen zijn kwalitatief van aard en niet de uitkomst van een berekening. Maar we begrijpen dat u gedetailleerder inzicht wilt. Daarom is er een bijlage bijgevoegd. Deze bevat een tabel met daarbij de door ons meegenomen factoren, inclusief een duiding van hun zwaarte (kleuren). Deze weging laat zien hoe wij de verschillende factoren meewegen in ons afwegingsproces. Daarbij moet worden opgemerkt dat een factor aanwezig kan zijn in een gebied, maar soms maar voor een beperkt deel. Zo loopt de Stelling van Amsterdam bijvoorbeeld door delen van een aantal zoekgebieden heen.
Bijlage 2 Proces zonnevelden en windmolens 13. In bijlage 2 zegt u “De gemeente kiest welke projecten gerealiseerd mogen worden” en u verwijst naar de beleidsnota voorwaarden zonnevelden en windmolens; als een initiatiefnemer alle voorwaarden heeft ingevuld, is het voor de gemeente (juridisch) nog mogelijk om nee te zeggen tegen een voorstel? Per zoekgebied zetten we straks een aanbesteding uit Voor die aanbesteding stellen wij criteria op. De beleidsnota voorwaarden zonnevelden en windmolens is daarbij van belang, maar ook wetgeving en uitkomsten van het gebiedsproces. De gemeente maakt vervolgens een keuze op basis van de inschrijvingen. Partij(en) die voldoen aan de criteria, voldoen daarmee aan eisen die opgesteld zijn op basis van participatie. Dan is het voor de gemeente lastig om daar ‘nee’ tegen te zeggen. Uiteraard kan de gemeenteraad om zwaarwegende redenen besluiten een initiatief niet toe te staan. 14. In bijlage 2 heeft u het over een aanbesteding.
Wat bedoelt u hiermee? Wat voor aanbesteding? Gaat de gemeente actief om aanbesteding vragen (waarbij we dan vermoedelijk ook met europese aanbestedingsregels te maken krijgen)? Is het niet veeleer aan de markt om zelf met voorstellen te komen in samenspraak met grondeigenaren die dan vervolgens door de gemeente beoordeeld worden? Waarom kiest u voor een proces van aanbesteden? Iedereen met een plan kan dit straks aan de gemeente voorleggen Dit noemen we een tender uitvraag. Binnen een bepaalde periode leveren de initiatiefnemers dit plan aan. Daarbij gelden de opgestelde criteria. Per gebied beoordeelt de gemeente de ingekomen plannen. Zo houdt de gemeente de regie. Bij de beoordeling kijkt de gemeente onder andere naar de manier waarop inwoners financieel profiteren. Hoe beter een initiatief daar op scoort hoe groter de kans is dat dat initiatief als positief beoordeeld wordt. De tenderfase moet nog nader worden uitgewerkt en het is nog niet duidelijk of Europese aanbestedingsregels van toepassing zijn.
De voordelen van deze aanbesteding is dat het eerlijk is: iedereen kan reageren We kunnen initiatieven tegen elkaar afwegen en de beste eruit kiezen. Er wordt daarbij recht gedaan aan de reacties van inwoners in het gebiedsproces. Ook dagen we op deze manier ontwikkelaars uit om met het beste voorstel te komen.