251110 Beantwoording technische vragen - PvdA-GL - Omgevingsvisie De Ronde Venen
Tekst van het document
Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 40 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig
Categorie:
A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)
Naam indiener: Ernst Schreurs Fractie: PvdA/GroenLinks Datum van indienen: 4 november 2025 Onderwerp: Omgevingsvisie De Ronde Venen
In te vullen door organisatie Portefeuillehouder: Maarten van der Greft Datum beantwoording: 10 november 2025 Inleiding n.v.t. Vragen 1. P19. Hier wordt gesproken over het in stand houden van ‘het zwembad’. Gaat het hier om het Veenweidebad? Zo ja, klopt het dat het de ambitie is om zowel het Veenweidebad als het zwembad in het Sporthuis Abcoude te behouden? Antwoord: De ambitie binnen de visie is gericht op het behoud van zwemvoorzieningen binnen de gemeente, waaronder zowel het Veenweidebad als het zwembad in het Sporthuis Abcoude. De precieze invulling (beheer, exploitatie, samenwerking) wordt uitgewerkt in uitvoeringsprogramma’s of accommodatiebeleid.
2. P20. Hier lezen we “In 2040 hebben we grote stappen gezet, waarmee onze doelstelling om in 2050 klimaatneutraal en circulair te zijn, binnen handbereik is. We wekken onze eigen duurzame energie op via een beperkt aantal landschappelijk ingepaste zonnevelden en deze stroom wordt ook grotendeels lokaal gebruikt.” Hierover de volgende vragen: a. Wat is het tussendoel wat we in 2040 bereikt hebben om te stellen dat het doel van 2050 grotendeels binnen handbereik is? Antwoord: In de omgevingsvisie is geen expliciet tussendoel voor 2040 opgenomen op weg naar een
klimaatneutrale en circulaire gemeente in 2050. Op basis van de geformuleerde ambities voor 2040 moet wel een groot deel van de energievoorziening lokaal duurzaam worden opgewekt (o.a. via zonnevelden, zon op dak, warmtenetten en energiebesparing). b. Is het doel van een klimaatneutrale en circulaire gemeente in 2050 te behalen met de uitgangspunten in deze visie en de inzet op alleen zonnevelden voor opwek op land. Antwoord: Nee, alleen zonnevelden zullen niet voldoende zijn om in 20250 volledig klimaatneutraal te zijn. In september 2025 heeft de gemeenteraad de Herijking Spoorboekje Klimaatneutraal en Circulair De Ronde Venen vastgesteld. Het spoorboekje geeft de strategie die kaders geeft om nieuw beleid te ontwikkelen om de doelstellingen te behalen. 3. P31. Hier lezen we het volgende: “Richting de toekomst ligt er een uitdaging in het duiden van de positie van het landschap. Is het bijvoorbeeld een recreatiegebied waar ook natuur te vinden is, of vice versa.” Wanneer wordt die keuze gemaakt en moet die niet gemaakt worden in de Omgevingsvisie? Antwoord: Deze keuzes zijn nog niet vastgelegd in de visie zelf. De Omgevingsvisie schetst hier de richtinggevende opgave. De feitelijke keuzes en uitwerking volgt bij de opstelling van gebiedsgerichte uitwerkingen of ontwikkelagenda’s (zoals landschapsontwikkelingsplannen of uitvoeringsprogramma’s).
Gezien de complexiteit van de opgave en de samenhang met regionale en landelijke beleidskeuzes is de samenwerking met het rijk, de provincie, het waterschap essentieel. 4. P45. Hier lezen we dat het convenant toekomstbestendig bouwen wordt gehanteerd op niveau brons, met uitzondering van het aspect van de parkeernorm. Wat is hiervan het gevolg voor toekomstige woningbouwontwikkelingen? Antwoord: Het hanteren van niveau brons betekent dat nieuwe woningbouwprojecten moeten voldoen aan een minimumniveau van duurzaamheid, met uitzondering van de parkeernorm. Voor toekomstige nieuwbouwontwikkelingen betekent dit dat deze plannen worden getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde parkeernormen in het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan. 5. P45. Hier lezen we bij punt 6 over het strekken van lijnen over de OV-as. Net als in het koersdocument wordt echter niets gezegd over het belang van een onderliggend net van langzamere lijnen om bij die OV-as te komen. Uit de eerdere technische beantwoording blijkt dat dit wel het uitgangspunt blijft. Is er een technische reden waarom dit niet is opgenomen? Antwoord: Het onderliggende netwerk van langzamere lijnen (fiets, buurtbus, lokaal vervoer) blijft uitgangspunt uit de eerdere technische beantwoording.
De reden dat dit niet is herhaald in de visie is redactioneel van aard: de Omgevingsvisie formuleert op hoofdlijnen en verwijst voor detailuitwerking naar mobiliteits- of bereikbaarheidsbeleid (zoals het Mobiliteitsplan). Er is dus geen technische reden, maar een kwestie van beleidsniveau. 6. P46. Hier lezen we bij punt 12 over de ambitie voor een veilige en gezonde leefomgeving. En daar wordt gesproken over ‘lucht- en geluidsoverlast’. Gaat het hier ook om gezonde lucht? En zo ja, wat is daarvoor dan de ambitie? In een eerdere commissiebehandeling heeft de wethouder aangegeven dit een plek te geven in de nieuwe Omgevingsvisie. Waar zien we dat terug? Antwoord: Ja, met “lucht- en geluidsoverlast” wordt ook de kwaliteit van de lucht bedoeld. Op pagina 46 staat dat bij de inrichting van onze leefomgeving we kiezen voor ontwikkelingen die een gezonde en veilige
leefomgeving versterken en gezondheidsschade en veiligheidsrisico’s zoveel mogelijk voorkomen. In de omgevingsvisie is geen ambitie opgenomen om bijvoorbeeld de luchtkwaliteit tot onder de WHO-advieswaarden te verbeteren. Bij de vaststelling van het koersdocument is door de gemeenteraad voor deze lijn gekozen. 7. P50. Hier wordt gesproken over een groene buffer tussen Mijdrecht en Wilnis. Wat is deze groene buffer? Gaat het om een driehoek of om een ander gebied? En waar wordt dan aan gedacht als het gaat om de recreatieve benutting hiervan? Antwoord: De groene buffer betreft het open gebied tussen Mijdrecht en Wilnis in de vorm van een groene driehoek. Doel is het voorkomen van aaneengesloten verstedelijking en het behouden van openheid en landschappelijke identiteit. Tegelijkertijd voorkomt deze keus dat bestaande knelpunten in het lokale wegennet verder worden verzwaard. Qua recreatieve benutting wordt gedacht aan zachte functies: wandel- en fietsroutes, natuurbeleving, kleinschalige rustpunten, maar geen intensieve recreatie. 8. P54. Hier lezen we het uitgangspunt voor het behoud van minimaal 1 ontmoetingsplek per dorp. Eerder lazen we dit als bijvoorbeeld het behoud van een dorpshuis. Echter, ook groene zitplekken of een dorpshuiskamer worden hier als voorbeeld van ontmoetingsplekken genoemd.
Betekent dit dat wanneer hier sprake van is, dat voldoende is om hieraan te voldoen? En dat dat ook de sluiting van een bestaand dorpshuis zou kunnen betekenen? Antwoord: Het uitgangspunt is dat elk van de 4 kleine dorpen minimaal één herkenbare ontmoetingsplek per dorp behoudt. Dat kan variëren van een dorpshuis tot een dorpshuiskamer of groene verblijfsplek. Formeel voldoet een dorp aan de ambitie als er een functionele ontmoetingsplek is. In het Beleidsplan Maatschappelijk Vastgoed is bepaald hoe de gemeente omgaat met maatschappelijk vastgoed, onder andere met de dorpshuizen in de kleine dorpen. 9. P69. Hier lezen we dat ruimte wordt geboden aan schaalvergroting voor agrariërs in de droogmakerijen, zolang het gepaard gaat met verduurzaming. Geldt dit voor zowel grondgebonden als niet-grondgebonden landbouw? En wat is de reden dat hier een ander uitgangspunt geldt voor de landbouw dan in de overige gebieden? Antwoord: Ja, dit geldt zowel voor grondgebonden als niet-grondgebonden landbouw. De droogmakerijen worden gezien als landbouwkerngebied, waar schaalvergroting ruimtelijk beter past vanwege de grootschalige open verkavelingsstructuur. In andere delen van de gemeente, bijvoorbeeld het veenweidegebied, gelden strengere beperkingen om de natuurlijke en landschappelijke waarden en de omgevingskwaliteit voor andere functies te beschermen. 10. P69.
Ten aanzien van aanvullende verdienmodellen wordt aangegeven dat we in de droogmakerijen bereid zijn tot het accepteren van landschappelijke consequenties. Wat is de technische reden dat hier meer ruimte voor geboden wordt? Hoe is hiermee rekening gehouden met het provinciale uitgangspunt van landschappelijke inpassing en afname verstedelijking in het buitengebied? Antwoord: In de droogmakerijen is de acceptatie van landschappelijke impact ruimer omdat dit gebied al een rationeel, grootschalig karakter heeft. De technische reden is dus landschappelijke: de schaal en structuur laten meer toe zonder afbreuk te doen aan de identiteit. De provincie en de gemeente blijft echter toezien op landschappelijke inpassing. 11. P70. Hier lezen we dat er ruimte wordt geboden aan uitbreiding en/of nieuwvestiging van kassen
in het glastuinbouwconcentratiegebied. Wat is de reden om hier ruimte voor te bieden? Antwoord: Dit is een voortzetting van het bestaande gemeentelijke en provinciale beleid. De ruimte voor uitbreiding of nieuwvestiging van kassen wordt geboden om de economische vitaliteit van de glastuinbouwsector te behouden en verduurzaming te stimuleren (energie-efficiëntie, gesloten watersystemen). Door deze ontwikkelingen te concentreren in het glastuinbouwgebied, wordt versnippering in het buitengebied voorkomen. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat we in de toekomst gaan onderzoeken of we het economische profiel van het glastuinbouwconcentratiegebied kunnen en willen verbreden. 12. P73. Onder punt 2 lezen we dat ontwikkelingen, waaronder natuurontwikkeling, alleen worden toegelaten als die bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit. Als het gaat om de toevoeging van bebouwing kunnen we ons dat voorstellen, maar ons is onduidelijk hoe natuurontwikkeling niet bij zou kunnen dragen aan de landschappelijke kwaliteit. In principe wordt namelijk altijd voor natuurontwikkeling gekozen die past bij het type landschap. Aan welke situaties moeten we denken waarbij dat niet het geval is? En als we er niet aan meewerken, kan de provincie als verantwoordelijke overheid dan niet zelfs alsnog de natuur realiseren via een projectbesluit?
Antwoord: Het uitgangspunt is dat natuurontwikkeling bijdraagt aan landschappelijke kwaliteit, maar niet elke vorm past automatisch. Denk aan situaties waarin de inrichting niet past bij het landschapstype of de ecologische doelen botsen met cultuurhistorische en recreatieve waarden. Als de gemeente niet meewerkt, kan de provincie als bevoegd gezag voor natuurrealisatie via een projectbesluit alsnog uitvoering geven, mits dit past binnen provinciale doelen en wettelijke kaders (zoals NNN-uitbreiding).