251013 Beantwoording Technische vragen B - CDA - Begroting
Tekst van het document
Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 40 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig
Categorie:
B (Doorhalen wat niet van toepassing is)
Naam indiener: Frans Putker Fractie: CDA De Ronde Venen Datum van indienen: 13 oktober 2025 Onderwerp:
In te vullen door organisatie Portefeuillehouder: A nja Vijselaar Datum beantwoording: 21 oktober Inleiding
Vragen (Antwoorden volgen direct onder de vragen) 1. De Wmo-uitgaven bedragen €24 miljoen, waarvan €20 miljoen aan overhead. a. Kunt u toelichten wat precies onder “overhead” valt binnen deze post? b. Welke concrete maatregelen worden genomen om deze uitgaven te beperken of efficiënter te maken? c. In hoeverre wordt hierbij samengewerkt met omliggende gemeenten of zorgaanbieders om schaalvoordelen te realiseren? d. Zijn er indicatoren opgesteld om de effectiviteit van kostenbeperkende maatregelen te monitoren? Antwoord: a. Vooropgesteld: de € 20 miljoen aan overhead maken geen deel uit van de WMO-uitgaven van € 24 miljoen. De WMO & Jeugdzorg en de overhead hebben geen direct verband met elkaar. Hieronder treft u een uitsplitsing van de kosten voor overhead en de kosten voor WMO & Jeugdzorg. De kosten voor overhead bedragen in totaal € 20 miljoen. - €13 mln hiervan heeft betrekking op de capaciteitskosten voor alle ondersteunende afdelingen (financiën, JZ, Inkoop, I&A, bestuursadvies, facilitair, burgerzaken).
-
€ 3 mln heeft betrekking op alle ICT licenties en overige ICT diensten. € 2 mln heeft betrekking op facilitaire kosten (onderhoud gemeentehuis, verzorging archief, koffie/thee etc.) € 1 mln voor overige personeelskosten (opleidingen, salarisadministratie, ARBO arts en bedrijfsarts) De overige € 1 mln bestaat uit diverse budgetten voor ondersteunende afdelingen (accountantskosten, juridische kosten, externe communicatie, ondersteuning stichting Rijk etc.)
De kosten voor WMO & Jeugdzorg bedragen in totaal € 24 mln. De totale kosten kunnen als volgt verdeeld worden: - € 13.6 mln uitvoeringskosten Jeugdzorg - € 7 mln uitvoeringskosten WMO - € 2 mln capaciteitskosten Jeugdzorg - € 1.6 mln capaciteitskosten WMO b. Naar aanleiding van het Rapport Berenschot 'Zicht op besparingspotentieel binnen het sociaal domein' is het programma Vizier op de Toekomst opgesteld. In dit programma staan de maatregelen beschreven die het college neemt om grip te krijgen op het sociaal domein. De raad wordt via de kwartaalbrief Sociaal Domein geïnformeerd over de voortgang van dit programma. c.
Voor de inkoop van Wmo en Jeugdzorg wordt op zowel regionaal niveau (Utrecht-West) als bovenregionaal (U16) samengewerkt.
d. Zie antwoord b. 2. Op pagina 14 wordt gesteld dat bijstelling van afschrijving en rente een positief effect heeft op de begroting. a. Betekent dit dat er sprake is van lagere rentelasten door herfinanciering of lagere afschrijvingskosten door langere afschrijvingstermijnen? b. Is dit een incidenteel effect of structureel in de meerjarenraming verwerkt? c. Hoe wordt voorkomen dat dit voordeel toekomstige jaren onder druk zet (bijvoorbeeld door uitstel van onderhoud of afschrijving)? Antwoord: De lagere rentelasten in de jaren 2026–2029 zijn het gevolg van een combinatie van drie factoren: 1. Incidentele opbrengsten uit anterieure overeenkomsten In de ramingen voor 2025–2029 is rekening gehouden met incidentele inkomsten uit overeenkomsten zoals die voor de Argonlocatie en de Meijert. Deze opbrengsten verlagen de financieringsbehoefte en daarmee de rentelasten. 2. Verbeterde begrotingspositie In de eerdere begroting voor 2025–2028 werd nog uitgegaan van tekorten in 2026 en 2027. Inmiddels is dit bijgesteld naar een sluitende begroting, wat leidt tot minder behoefte aan externe financiering. 3. Betere afstemming van investeringsplanning op uitvoering De investeringsplannen zijn realistischer geworden door meer inzicht hierover te geven in de Eerste bestuursrapportage 2025.
Hierdoor worden investeringen gespreid over een langere periode, wat de piek in financieringsbehoefte verlaagt. De afschrijvingstermijnen zelf zijn niet aangepast. Wel is het moment waarop de afschrijvingen starten beter afgestemd op de geplande uitvoering van investeringen, zoals vastgelegd in de Eerste bestuursrapportage 2025. Dit betekent dat de afschrijvingen pas beginnen zodra de investering daadwerkelijk is gerealiseerd, in plaats van op een eerder gepland moment. De bijstellingen in zowel rente- als afschrijvingslasten leiden tot een verlaging van de vaste lasten. Omdat deze lasten jaarlijks terugkeren, hebben ze een directe en structurele invloed op het begrotingsresultaat. Wanneer investeringsprojecten eerder of later dan gepland worden uitgevoerd, heeft dit eveneens gevolgen voor de structurele rente- en afschrijvingslasten. 3. Met betrekking tot de gemeentelijke financiering:
a. Hoeveel van de lopende leningen hebben een vaste rente en hoeveel een variabele rente? b. Over welke looptijd is de vaste rente vastgezet? c. Wat is het gewogen gemiddelde rentepercentage op de totale schuldportefeuille? d. Hoe wordt het renterisico beheerst bij stijgende marktrentes? e. Zijn er herfinancieringsmomenten voorzien in de komende jaren die invloed kunnen hebben op de begrotingsruimte? Antwoord: Alle aangetrokken langlopende leningen hebben een vaste rente en een looptijd die varieert tussen de 30 en 40 jaar. De rentepercentages liggen tussen de 0,5% (laagste) en 5,0% (hoogste). Voor toekomstige leningen is in de begroting gerekend met een rente van 3,5%. Dit percentage is gebaseerd op een inschatting van de economische situatie in Europa en daarbuiten, en kan dus variëren afhankelijk van marktontwikkelingen. Om rekening te houden met mogelijke renteontwikkelingen is in de begroting 2026–2029 een risicopost opgenomen van 300.000 euro. Deze reservering dient als buffer voor het geval de rente op nieuw aan te trekken leningen hoger uitvalt dan het gehanteerde uitgangspunt van 3,5%. Het percentage is afhankelijk van de economische situatie in Europa en daarbuiten, en kan dus fluctueren. Door dit risico expliciet te benoemen in de begroting wordt financiële onzekerheid beter beheersbaar gemaakt.
De komende jaren zijn er geen renteherzieningen op bestaande leningen, omdat deze allemaal een vaste rente hebben. Wel zullen er nieuwe leningen worden aangetrokken om investeringsuitgaven te kunnen financieren, zodra facturen voor projecten binnenkomen. 4. Bij de inkomensregelingen zien we €11,7 miljoen en voor de WSW €2,4 miljoen. a. Waaruit bestaan deze uitgaven precies? b. Welke maatregelen worden genomen om deze lasten te beperken zonder dat dit ten koste gaat van de ondersteuning aan kwetsbare groepen? c. Wordt er gewerkt aan uitstroom of herplaatsing van WSW-medewerkers om de kosten te verlagen? d. Is er sprake van een stijgende trend in deze uitgaven en zo ja, wat is daarvan de oorzaak? Antwoord: a. Voor de inkomensregelingen kan de volgende verdeling gemaakt worden: € 10 mln voor uitvoering Participatiewet, inclusief capaciteitskosten. (daar staat de BUIG uitkering tegenover die ontvangen wordt van het Rijk) € 1.3 mln voor aanvullende inkomensregelingen als Bijzondere Bijstand, Groene Hart Pas, kwijtschelden van belastingen en de collectieve zorgverzekering. € 400K voor uitvoering armoede- en schuldhulpbeleid. Voor de WSW kan de volgende verdeling gemaakt worden: € 1.7 mln voor de loonkosten van de WSW’ers.
€ 450K voor de capaciteitskosten van de klantmanagers/jobcoaches € 300K voor de uitvoeringskosten van Kansis (het voeren van de loonadministratie, begeleiding van de WSW’ers en het verzorgen van werkplekken).
b. Het betreft hier grotendeels de uitvoering van wettelijke taken (Participatiewet). In de Participatiekoers
c.
2025-2030 Hart voor werk staan vier actielijnen uitgewerkt om inwoners zo veel als mogelijk aan het werk te helpen. Wat betreft de aanvullende inkomensregelingen en de uitvoering van het armoede- en schuldenbeleid betreft het zowel de uitvoering van wettelijke taken (bijzondere bijstand) als het uitvoeren van de ambities opgenomen in het beleidsplan Armoede en Schulden. De Wet sociale werkvoorziening (WSW) is bedoeld voor mensen die door een lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap uitsluitend onder aangepaste omstandigheden kunnen werken. Van uitstroom of herplaatsing om de kosten te besparen is bij deze groep geen sprake. Sinds 1 januari 2015 kunnen er geen nieuwe mensen meer instromen in de WSW. Gemeenten begeleiden mensen met een arbeidsbeperking na 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet zoveel mogelijk naar regulier werk. Het aantal inwoners en daarmee de kosten binnen de WSW neemt hierdoor over het geheel af als gevolg van natuurlijk verloop zoals pensionering.
d. Door indexering van de bijstandsuitkeringen (twee keer per jaar) stijgen de uitgaven. Hier staat stijging
van de BUIG uitkering tegenover die ontvangen wordt van het Rijk. Daarnaast zijn er maatschappelijke en economische ontwikkelingen die van invloed zijn op de instroom in de bijstand en daarmee de kosten en inkomsten van het Rijk. In de hierboven genoemde Participatiekoers 2025-2030 Hart voor werk staan de maatregelen opgenomen om inwoners aan het werk te helpen en daarmee te laten uitstromen uit de bijstand.