250507 Dendrochronologisch onderzoek - Veenhut (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Vinkeveen — Veenhut Hoge Bomen Dendrochronologisch onderzoek Van Daalen Dendrochronologie Projectnummer: 25.034 Kenmerk opdrachtgever: Afgerond: april 2025 Auteur: DOI: https://doi.org/10.34894/ZVMPA1 Contact: Industrieweg 14F, 8131 VZ, Wijhe vandaalen@dendro.nl
www.dendro.nl tel:
Samenvatting Op het Hoge Bomeneiland in de Vinkeveense plassen staat een veenhut waavan de ouderdom onderwerp van discussie is. Met het oog op de toekomstige bestemming van het gebouw is gevraagd de ouderdom nader de bepalen middels dendrochronologisch onderzoek. De oudste verwijzing naar de veenhut is een luchtfoto uit 1937. Vanwege de bescheiden aard van het gebouw heeft het geen officiéle status gekregen, hoewel het in de loop der jaren verschillende rollen van lokaal belang heeft vervuld. Voor zover na te gaan lijkt de hut in de kern te bestaan uit vijf eenvoudige vuren (Picea abies Karst.) schaargebinten. Hier is op een later moment aan de zuidwestzijde met een gebint toegevoegd. Daarnaast is aan de noordwestgevel op twee momenten een aanbouw geplaatst. Deze latere aanpassingen zijn niet van belang voor het onderzoek en verder buiten beschouwing gelaten. Gezien de beperkte afmetingen van het hout van de oorspronkelijke elementen was het nemen van boormonsters niet aan de orde. In plaats daarvan is een dunne dwarsdoorsnede van het uitstekende uiteinde van zes daksporen/spantbenen gezaagd.
De veenhut op 10 april 2025. Inzet:Eén van de uitstekende daksporen/spantbenen (M2).
Hiervan bleek er één (M2) te snel gegroeid om in aanmerking te komen voor onderzoek. Van de resterende vijf monsters kan van twee monsters (M3 en M5) vastgesteld worden dat deze op basis van de zeer sterke gelijkenis uit dezelfde boom afkomstig zijn. Hiervoor is de boom-
middelcurve 25.034.B01 samengesteld. Hoewel langer dan de individuele reeksen waaruit deze
is samengesteld levert deze middelcurve verder geen resultaten op. Op individuele basis kan M6 gedateerd worden 1876. Omdat de wankant niet aanwezig is kan alleen bepaald worden dat deze ergens na 1876 gekapt is. M4 kan vervolgens weer gedateerd worden in 1842 via een synchronisatie met M6. Deze datering is de ondergrens van het kapinterval en geeft aan dat de elementen samenhangen, maar voegt niet meer informatie toe dan dat. Samenvatting van de resultaten vondstnr.
omschrijving
houtsoort
meting
M1
dakspoor
fijnspar
25.034.001
M2
dakspoor
fijnspar
M3
dakspoor
fijnspar
25.034.002
M4
dakspoor
fijnspar
25.034.003
M5
dakspoor
fijnspar
25.034.004
M6
dakspoor
fijnspar
25.034.005
kapinterval
na 1842
na 1876
De synchronisatieresultaten wijzen op een herkomst uit het midden van Zweden. Voor deze houtsoort en periode is dit geen opmerkelijk resultaat.
25.034.005
°
250
“500~—!
750 km.
Geografische weergave van de synchronisatieresultaten. De grootte van de blauwe cirkel geeft de (relatieve) sterkte van de t-waarde aan, een grijze stip geeft aan dat een meting wel voldoende overlap heeft met een referentiecurve, maar een t-waarde lager dan 4 en/of een GLK lager dan 60. Bi geeft aan waar het hout is aangetroffen.
Methode en termen staan toegelicht in bijlage 1 en 2.
Resultaten Overzicht van de resultaten. n/n): aantal (spint)ringen, eind: datering buitenste jaarring, type: soort kapinterval, GLK: Gleichlaiifigkeit, t-waarde: Student t-waarde. Grafische weergave van de metingen met aangegeven referentie staat in bijlage 3.
1 Zweden, Gallejour Glommerstark. Referentiecurve voor fijnspar (1679 - 1978). Schweingruber, via ITRDB.
3
Literatuur Baillie, M.G.L., 1982: Tree-ring dating and Archaeology. ISBN 0-7099-0613-7. Croom Helm Ltd. London. Bronk Ramsey, C., 2009: Bayesian analysis of radiocarbon dates. In: Radiocarbon, 51(1), pp.
337-360. Hollstein, E., 1980: Trierer Grabungen und Forschungen. Band XI, Rheinisches Landesmuseum Trier. ISBN 3-8053-0096-4. Verlag Philipp von Zabern, Mainz am Rhein. Pilcher, J.R., Sample preparation, Cross-dating, and Measurement. In: Cook, E.R., Kairiukstis,
L.A., (eds) 1990: Methods of Dendrochronology, Applications in the Environmental Sciences. Kluwer Academic Publishers. ISBN 0-7923-0586-8.
Schweingruber, F.H., 1990: Mikroskopische Holzanatomie. Formenspektren mitteleuropaischer Stamm- Und Zweig6lzer zur Bestimmung von recentem und subfossilem Material. 226 pp. Ziircher AG. ZugOxf.: 811.1___ 016 : 810 : 814.7 (4). 3° druk. Schweingruber, F.H.: SWEDo11. Data set id: noaa-tree-4419. Ontleend aan
http://hurricane.ncdc.noaa.gov/pls/paleox/f?p=519:1:::::P1_STUDY_ID:4419 op 4-2-2014.
Bijlage 1 Methode Ieder object doorloopt een vast aantal stappen in een dendrochronologisch onderzoek. Selectie en bemonstering wordt niet altijd door de dendrochronoloog (of in deze volgorde) uitgevoerd. Afhankelijk van de aard van het te onderzoeken materiaal kunnen de verschillende stappen meer of minder bewerkelijk zijn. 1. Selectie. Allereerst moet worden vastgesteld of het om een dateerbare houtsoort gaat, of er voldoend jaarringen aanwezig is zijn en of het jaarringpatroon vrij is van verstoringen. Voor monsters waarvan de houtsoort niet met het blote oog bepaald kon worden wordt aan de hand van microscopische coupes en een determinatiesleutel? de houtsoort bepaald. 2. Bemonstering. Indien dit nog niet plaatsgevonden heeft, worden (afhankelijk van de aard van het materiaal) dwarsdoorsnedes gezaagd, boormonsters genomen of macrofoto’s gemaakt. Voor objecten dit niet aangetast mogen worden, worden macrofoto’s genomen. Voor droog hout in staande gebouwen zijn boormonsters het meest geschikt en voor de overige gevallen werkt een dwarsdoorsnede het eenvoudigst. Waar mogelijk wordt spinthout of de wankant inbegrepen (dit staat hieronder toegelicht). 3. Meting. Ieder element krijgt een unieke metingcode toegekend en vervolgens wordt een zo compleet mogelijk traject van kern tot bast geprepareerd om de jaarringen goed zichtbaar te maken.
Langs dit traject worden de jaarringbreedtes ingemeten met een daartoe ingerichte meetopstelling.3 Indien mogelijk worden meerdere trajecten per element ingemeten. Deze worden uiteindelijke tot 6én reeks gemiddeld zodat voor ieder element altijd door één meetreeks vertegenwoordigd wordt. Bij het inmeten wordt het totaal aantal jaarringen, het aantal spinthoutringen, de aanwezigheid van de kern en/of wankant/bast genoteerd. Deze informatie wordt gebruikt voor het schatten van een kapjaar of kapinterval (dit staat hieronder toegelicht). Macrofoto’s worden met speciale software‘ vanaf het beeldscherm ingemeten.
4. Synchronisatie. Iedere meetreeks wordt met behulp van dendrochronologische software met een referentie vergeleken. Dit kunnen bestaande referentiecurven zijn, maar ook andere meetreeksen uit dezelfde of vergelijkbare context. Hiervoor wordt met behulp van dendrochronologische softwares voor iedere positie tussen de twee reeksen twee parameters berekend: 1. Student t-waarde. De t-waarde beschrijft de overeenkomst tussen twee getallenreeksen voor een gegeven positie. Hoe hoger deze waarde, hoe sterker de gelijkenis is; een twaarde hoger dan 5 komt grofweg neer op een kans van 1 op 10.000 dat de gevonden uitslag op toeval berust en kan als een indicatie voor een datering beschouwd worden. 2 Schweingruber 1990.
3 Een Velmex meetopstelling met Acu-Rite QV10-V lineaire codeerder met een nauwkeurigheid van 10 um gekoppeld aan een Euromex binoculair microscoop met een vergroting van 10 en 30 maal. 4 CooRecorder. L-A Larson, Cybis Elektronik & Data AB, Saltsj6baden (Zweden).
5 PAST4. Uitgegeven door SCIEM, Wenen (Oostenrijk). www.sciem.com
Voorafgaand aan het berekenen van de t-waarde worden de jaarringbreedtes logaritmisch getransformeerd® zodat deze een normale verdeling benaderen. 2. Gleichlaufigkeit (GLK); het percentage van de intervallen tussen twee jaren waarin de meting en referentiecurve gelijktijdig een stijging of daling in het jaarringpatroon laten zien. In de praktijk wordt een GLK van minder dan 62 als zwak beschouwd. Synchronisaties die aan de statistische vereisten voldoen worden door de dendrochronoloog beoordeeld. De synchronisatie wordt vervolgens geaccepteerd of verworpen. Als de synchronisatie geaccepteerd wordt is de datering een feit. Onderlinge synchronisaties kunnen gebruikt worden om metingen uit dezelfde boom te identificeren en/of om middelcurven samen te stellen die het dateren makkelijker maken.
© De zogeheten transformatie van
(
1980).
Bijlage 2 Spinthout en wankant De datering van de laatste jaarring van een monster is niet per definitie hetzelfde als de laatste jaarring van de boom waar het monster van afkomstig is. Bewerking of aantasting van het hout kan er toe leiden dat de buitenste jaarringen ontbreken. Als de buitenste jaarring van de boom (de wankant) aanwezig is, kan bepaald worden in welk seizoen de boom overleden is. Voor eik
kan het spinthout gebruikt worden een kapinterval te schatten. Het spinthout is een zone direct onder de bast waarin een redelijk constant aantal jaarringen aanwezig is. Als dit deels aanwezig is kan het aantal ontbrekende jaarringen geschat worden met enige marge. Bij andere houtsoorten is er geen verschil tussen kern- en spinthout of is het aantal spinthoutringen niet constant.
Verschillende schattingsmethoden voor kapintervallen voor een einddatering in het jaar x. type
omschrijving
houtsoort
notatie
A
wankant aanwezig, kapinterval vastgesteld
alle
herfst/winter x/x+1
buiten groeiseizoen van het laatste jaar Al
wankant aanwezig, kapinterval vastgesteld _ alle
zomer X
tijdens groeiseizoen van het laatste jaar. A2
wankant aanwezig; kapinterval vastgesteld _ alle
lente x+1
in aanvang van volgend groeiseizoen. AS
wankant oppervlakkig aangetast; bijtelling
_niet-eik
PETG)
eik
mediaan, (2¢6 interval)
eik
mediaan, (2¢6 interval)
geen spinthout aanwezig
eik
na x+min. aantal spintringen
geen spinthout aanwezig
niet-eik
nax
van enkele jaren B
geen wankant, spinthout deels aanwezig;
Bayesiaanse schatting van een kapinterval middels OxCal” Cc
alleen spinthoutgrens aanwezig; schatting
van een kapinterval E
7 Bronk Ramsey 2009.
Bijlage 3 Grafische weergave van de metingen met referentie indien beschikbaar. Op de x-as staan de jaartallen, op de y-as de ringbreedtes op een logaritmische schaal, uitgedrukt in 1/100 mm. Het spinthout is gestippeld aangegeven. De grijze banen geven intervallen met een positieve GLK aan. —— 25.034.001 ringbreedte (log 0,01 mm)
E
10"
T
= 25.034.002
10' ringbreedte (log 0,01 mm)
T
o
T
50 —— 25.034.004
—
tiwo):12,5
GLK:79,4
——-
108
T 0)
—= 25.034.003
1035
ringbreedte (log 0,01 mm)
T
150
200
T 150
1 200
OVL:68
“I
10~
T 50 —— 25.034.005
i 100
tiwo):4,74
GLK: 67,8
OVL:76
SS SS eee
] 10
T
100
E: 1842 1700
; 1750
os 25.034.004
—— 25.034.002
tiyo):12,5
a
GLK:79,4
ringbreedte (log 0,01 mm)
1035
BLELR) Beeee ee 1800 1850
1900
OVL: 68
E
10t
T 0)
a
50
———
tT 100
150
1 200
10
10" co
5ia
ringbreedte (log 0,01 mm)
ringbreedte (log 0,01 mm)
10°
10"
—— 25-034-Bo1