CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

250408 Memo SKA VVP amendementen 7 april 2025

Gemeenteraad 12 mei 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen 20253.692 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Postbus 717, 3000 AS Rotterdam Bezoekadres: Millenniumtoren, Weena 690, Rotterdam

NOTITIE

Pp

datum

:

7 april 2025

aan

:

t.a.v.

:

van

:

onze ref.

:

Gemeente De Ronde Venen Rik Schutte Jeanette Goudkamp-Bandt mr.drs. M.C. de Smidt, advocaat Mobiel: +31 (0)6 53 28 90 74 E-mail: marinda.desmidt@straatmankoster.nl 09-1113/DMS09-485856557-559

betreft

:

I

De Ronde Venen / bestemmingsplan Vinkeveense Plassen 2025 – juridische grenzen aan de moties en amendementen

Inleiding en vraagstelling 1. In de aanloop naar de vaststelling van het bestemmingsplan Vinkeveense Plassen 2025 (“Bestemmingsplan”) zijn er moties en amendementen ingediend. De kernvraag is of deze moties en amendementen reële risico’s met zich brengen vanuit het oogpunt van de juridische houdbaarheid van het raadsbesluit tot vaststelling van het Bestemmingsplan, en zo ja, welke? 2. We hebben reeds de juridische risico’s per item in kort bestek benoemd in de tabel van 4 april 2025 (bijlage) in de kolom “advies SKa”. Hierna worden de belangrijkste risico’s nader toegelicht. 3. De hierna gehanteerde begrippen hebben de betekenis zoals opgenomen in artikel 1 van het (ontwerp)bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied 2023 (versie 9 december 2024) (tijdelijk omgevingsplan de Ronde Venen).

II

Typen juridische risico’s en gevolgen 4. Ter toelichting: de juridische risico’s van de moties en amendementen zijn terug te voeren op drie verschillende hoofdtypen risico’s: a. Het risico dat er kwalitatief en/of kwantitatief teveel wijzigingen worden doorgevoerd in het vast te stellen Bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp zoals dat ter inzage heeft gelegen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“ABRvS”) kan dan naar aanleiding van een

Straatman Koster Advocaten is de handelsnaam van Straatman Koster Advocaten B.V., statutair gevestigd te Rotterdam (KvK Rotterdam nr. 24389790). Straatman Koster Advocaten is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De algemene voorwaarden van Straatman Koster Advocaten, waarin een beperking van de aansprakelijkheid is bedongen, zijn op alle opdrachten van toepassing. De algemene voorwaarden worden op verzoek toegezonden en zijn eveneens te vinden op www.straatmankoster.nl. De algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij de rechtbank te Rotterdam.

beroepsgrond oordelen dat er naar aard en omvang sprake is van een wezenlijk ander bestemmingsplan. Dat betekent dat er mogelijk belanghebbenden zijn benadeeld; zij hebben immers ten tijde van de terinzagelegging niet kunnen inschatten dat het vast te stellen bestemmingsplan er wezenlijk anders uit zal gaan zien dan het ontwerp. Wellicht hebben zij destijds gemeend geen zienswijzen te hoeven indienen of hebben zij andere zienswijzen ingediend dan die ze zouden hebben ingediend als het ontwerp representatief zou zijn geweest voor het vast te stellen plan. Indien de ABRvS tot de conclusie zou komen dat het Bestemmingsplan een wezenlijk ander plan is ten opzichte van het ontwerp, dan zal zij het Bestemmingsplan vernietigen, omdat ten onrechte is overgegaan tot vaststelling in plaats van het ter inzage leggen van een nieuw ontwerp. Het gevolg van de vernietiging is dat het Bestemmingsplan alsnog opnieuw – maar nu als omgevingsplan onder de Omgevingswet – moet worden voorbereid, in procedure moet worden gebracht en moet worden vastgesteld.

Gelet op (onder meer) het doorlopen van het benodigde participatietraject, het actualiseren van de onderzoeken, het moeten voldoen aan de vigerende Omgevingsverordening provincie Utrecht en het moeten verkrijgen van een nieuwe ontheffing (instructieregel verbod verstedelijking Landelijk gebied) van GS van Utrecht, zal de vertraging minimaal anderhalf jaar bedragen maar waarschijnlijk nog langer. b. Het risico dat er naar aanleiding van moties en amendementen een of meer wijzigingen worden doorgevoerd in het Bestemmingsplan die in strijd zijn met het provinciaal beleid respectievelijk de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht1 daaronder begrepen de verleende ontheffing. Zou het Bestemmingsplan toch worden vastgesteld in strijd met provinciaal beleid en/ of de Interim Omgevingsverordening dan kan de provincie (i) in beroep gaan tegen de vaststelling of (ii) een reactieve aanwijzing geven waardoor het desbetreffende onderdeel van het Bestemmingsplan niet in werking treedt. c. Het risico dat er naar aanleiding van moties en amendementen een of meer wijzigingen worden doorgevoerd in het Bestemmingsplan die een aanpassing van bepaalde onderzoeken vergen, maar dat er geen aanpassing plaatsvindt van zo’n onderzoek. Een voorbeeld is een wijziging die tot gevolg heeft dat er minder parkeerplaatsen in (delen van) het plangebied zullen zijn.

De vraag is of er dan nog steeds wordt voldaan aan parkeernormen en of er nog steeds sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Die vragen moeten worden beantwoord in een geactualiseerd parkeeronderzoek dat bij het vast te

1

Sinds 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht.

DMS09-485856557-559/v 0.42

2/10

stellen Bestemmingsplan wordt gevoegd. Er kan (dus) niet zonder meer worden uitgegaan van het parkeeronderzoek dat bij het ontwerp was gevoegd. Als er sprake is van wijzigingen die vergen dat een onderzoek bij het ontwerp wordt aangepast en dat gebeurt niet, dan zal de ABRvS naar aanleiding van een beroepsgrond, concluderen dat het vaststellingsbesluit op dat onderdeel niet zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd is (artikel 3:2 en 3:46 Awb). Vaak krijgt de raad dan de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit herstellen hangende de beroepsprocedure. Dit heet de bestuurlijke lus (artikel 8:51a Awb). De ABRvS geeft in de tussenuitspraak een precieze opdracht over welke gebreken er hersteld moet worden en hoe. Voor de goede orde: de ‘oude’ wetgeving (Wro) is van toepassing op een dergelijk herstelbesluit.2 Als de raad een herstelbesluit neemt, kunnen de appellanten daartegen zienswijzen indienen. Het is ook mogelijk dat derden – anderen dan degenen die beroep hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke vaststellingsbesluit – beroep instellen tegen (uitsluitend) het herstelbesluit. Zonder te diep in te gaan op de mogelijke complicaties van een bestuurlijke lustraject, is het doel om een herstelbesluit te nemen waarvan de ABRvS oordeelt dat de gebreken zijn hersteld en het daarmee rechtmatig is.

De ABRvS zal dan wel het oorspronkelijke vaststellingsbesluit(onderdeel) vernietigen (dat was juridisch immers gebrekkig) en de rechtsgevolgen in stand laten. De eventuele beroepen van de derden tegen het herstelbesluit zullen ongegrond worden verklaard. III

Juridische risico’s – toepassing op moties en amendementen Risico: naar aard en omvang wezenlijk ander plan ten opzichte van het ontwerp 5. Dit risico is vooral relevant voor amendementen3 A1 tot en met (deels) A5 (beperken bebouwing), maar bij iedere combinatie van wijzigingen moet worden beschouwd of het daarmee geen wezenlijk ander plan wordt. Stel: amendementen A1 tot en met A5 worden niet doorgevoerd, maar alle andere amendementen wel (m.u.v. A13 (peildatum – want die is onuitvoerbaar zonder nieuwe kavelkaart). Ook in dat geval moet goed worden gekeken of er naar aard of omvang sprake kan zijn van een wezenlijk plan. 6. Dit is het meest lastig te duiden risico, omdat de rechtspraak sterk casuïstisch is. Tegelijk is er niet heel snel sprake van een wezenlijk ander plan, tenzij er wijzigingen aan de orde zijn die de kern of ruimtelijke structuur (bestemmingen) van een plan

2 3

ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174. Zoals opgenomen in de tabel van 4 april (bijlage).

DMS09-485856557-559/v 0.42

3/10

veranderen en/of grote delen van het plangebied betreffen. Een paar voorbeelden waarbij er geen sprake was van een wezenlijk ander plan: ABRvS 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:744: “De afwijkingen van de ontwerpen zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat wezenlijk andere plannen voorliggen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de hoofdstructuur van de plannen niet is gewijzigd, nu zowel de ontwerpen als de vastgestelde plannen op de verbreding van de spoorlijn en de Driebergseweg/Hoofdstraat zien. Voorts hebben de wijzigingen slechts betrekking op een beperkt gedeelte van het plangebied.” (onderstreping MdS) ABRvS 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9958: "Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Hetgeen de Stichting heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het plan geen verandering brengt in het gebruik van het perceel, dat bestemd blijft voor maatschappelijke doeleinden. Ook is de omvang van de wijziging waarop de Stichting doelt, in het licht bezien van de totale omvang van het plangebied, beperkt.”(onderstreping MdS) 7.

En een voorbeeld waarin wel sprake was van een wezenlijk ander plan: ABRvS 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2855: “[vennootschap] en anderen komen met name op voor de cultuurhistorische waarden van de driehoek. Overeenkomstig hun verzoek is alsnog voor de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie 1" voorzien in een adviesverplichting. Daarentegen hebben de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" en het grootste gedeelte van de gronden met de bestemming "Bedrijf" in het herstelplan niet langer die dubbelbestemming wat volgens hen in oppervlakte neerkomt op een vermindering van ongeveer 90%. De hier aanwezige waarden zijn hierdoor minder beschermd. In het herstelplan is in de regels een regeling voor geluid en stikstof opgenomen voor de vier nieuwe bedrijfskavels en in de verbeelding is voor elk van de vier kavels voorzien in een maximumgeluidsemissie en een functieaanduiding voor stikstof. Verder zijn voor de gronden van het [aannemersbedrijf] in de verbeelding en regels beperkingen in de bouwmogelijkheden doorgevoerd. Zo waren de bouwmogelijkheden in het plan vrijwel onbegrensd en zijn deze in het herstelplan gelimiteerd in oppervlakte en hoogte. Ambtshalve is alsnog in de verbeelding en de planregels voorzien in een ontsluitingsmogelijkheid voor het [aannemersbedrijf] op de wegenstructuur van de zuidelijk van dat bedrijf gelegen gronden.

DMS09-485856557-559/v 0.42

4/10

Een deel van de aanpassingen in het herstelplan vloeit voort uit wat [vennootschap] in de zienswijze en [vennootschap] en anderen in beroep hebben aangevoerd. Met het herstelplan zijn de bouwmogelijkheden voor het [aannemersbedrijf] aanzienlijk in hoogte en oppervlakte beperkt. Verder is een verstrekkende gebruiksregeling opgenomen voor geluid en stikstof. Dit maakt dat hiermee een wezenlijk ander plan is vastgesteld, ook al voorziet ook het herstelplan voor de driehoek in het mogelijk maken van fase 4 van het bedrijvenpark. Daarbij komt dat voor een groot gedeelte van de driehoek de cultuurhistorische dubbelbescherming is komen te vervallen, wat strijdig is met de belangen waarvoor [vennootschap] en anderen opkomen en wat niet overeenkomstig de zienswijze van [vennootschap] is. Dit moet dus als ambtshalve wijziging worden beschouwd. Verder is de ontsluitingsmogelijkheid voor het [aannemersbedrijf] op het gedeelte met de nieuwe bedrijfskavels via een ambtshalve aanpassing van de verbeelding gewijzigd wat gevolgen zal hebben voor de verkeersafwikkeling ter plaatse. Ook deze ambtshalve wijzigingen zijn niet van ondergeschikte aard.” (onderstreping MdS) 8. De ABRvS kijkt dus steeds zowel naar de aard van de wijzigingen als naar de omvang van de wijzigingen (mede) in het licht van de omvang van het totale plangebied.

Het inhoudelijk wijzigen van bestemmingen – waaronder ook het laten vervallen van een dubbelbestemming – lijkt risicovol, zeker als het om grote delen van het plangebied gaat. Dat geldt ook voor het aanzienlijk veranderen (vergroten of juist beperken) van de bouwmogelijkheden van een bestemming. 9. Als de ingediende amendementen worden beschouwd, rijst de vraag welk amendement of welke combinatie daarvan nog (net) juridisch houdbaar zou zijn. Ik heb begrepen dat het college graag bereid is mee te denken met de raad. Vanuit dat perspectief is het goed om nader naar de onderstaande voorstellen te kijken (los en in combinatie met elkaar): 1. Bootlengte van 8 naar 12m en maximaal 3x24u aaneengesloten aan kavel blijven liggen; 2. Bebouwing: a. GL-1: 20%, max 30m2 (voor verharding / bevlondering geldt 10% max 30m2) + max goothoogte 2,5m en nokhoogte 3m b. GL-2: 15%, max 30m2 (voor verharding / bevlondering geldt 10% max 30m2) + max goothoogte 2,5m en nokhoogte 3m c. GL-3: 10%, max 20m2 (voor verharding / bevlondering geldt 10% max 20m2) + max goothoogte 2,5m en nokhoogte 3m 3. Steigers verruimen naar max 12m x 1.2m (was 6mx1,2) , waarbij de m2 boven de 7,2m2 afgaan van de totale m2 voor de verharding/vlonders.

DMS09-485856557-559/v 0.42

5/10

4. Maximaal 2 gebouwen per kavel, waarbij een tweede gebouw maximaal 6m2 mag bedragen. 10. Mijn inschatting is dat van deze combinatie aan wijzigingen nog (net) is te verdedigen dat het naar aard en omvang geen wezenlijk ander plan is dan het ontwerpplan. Het gaat daarbij om de wijzigingen op zich en de wijzigingen in onderling verband, ook in relatie tot de omvang van het plangebied. Zoals gezegd is de rechtspraak van de ABRvS sterk casuïstisch, dus harde inschattingen zijn helaas lastig te geven. 11. Punten 1, 3 en 4 zijn – los maar ook samen – relatief kleine wijzigingen. Daarbij moet wel zijn geborgd dat er geen sprake is van toenemende recreatiedruk (veel meer grote boten met onder meer risico op overnachtingen op boten én op de kavels), want dat zou deze wijziging qua inhoudelijke impact verzwaren. Bovendien ontstaat er dan ook discussie over de vraag of er is voldaan aan de natuurcompensatie via de meerwaardebenadering. Dat type discussie kan de ABRvS op het spoor zetten dat deze wijzigingen (toch) fundamenteel zijn en dat er sprake is van een wezenlijk ander plan. 12. Het grootste risico zit vooral in punt 2, te weten de beperking van de bebouwing. Dat zou moeten worden gepresenteerd als één type wijziging – namelijk het beperkt terugbrengen van de bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het ontwerp.

De beperking geldt weliswaar voor een vrij omvangrijk gebied en drie verschillende bestemmingen, maar de redeneerlijn moet zijn dat er niets verandert behalve het metrage én dat het metrage ook niet heel sterk verandert ten opzichte van het ontwerp. 13. Het volledig uitsluiten van bebouwing binnen een bestemming, bijvoorbeeld in een deel van GL-3, terwijl in het ontwerp wel (enige) bebouwing mogelijk was, acht ik risicovol, omdat er dan sprake is van een ander inhoudelijk uitgangspunt (geen bebouwing) dan in het ontwerp (wel bebouwing). Ook als – zoals voorgesteld in amendement A4 – nieuwe bebouwing niet is toegestaan maar de bestaande bebouwing (per april 2023) wordt gelegaliseerd, is dat een significante inhoudelijke breuk met het ontwerp en met de systematiek van de overige legakker-bestemming GL1 en GL-2. Dit soort wijzigingen zou moeten worden vermeden. 14. Kortom, het streven moet zijn om zo min mogelijk wijzigingen door te voeren in het vast te stellen plan die separaat of samen zouden kunnen worden beschouwd als wijzigingen die maken dat er sprake is van een wezenlijk ander plan. Risico: strijd met provinciaal beleid en/of Interim Omgevingsverordening (inclusief de verleende ontheffing) DMS09-485856557-559/v 0.42

6/10

15. Dit risico is vooral relevant voor amendementen4: A1 tot en met A4 en deels A5 (verminderen bebouwing), A7 (verruimen bootlengte / ligduur), A6 (steigerafmeting), A14 (steigerafmeting) en A18 (septic tank). 16. De provincie heeft aangegeven in haar brief van 28 maart 2025 dat zij deze amendementen in strijd acht met haar Interim Omgevingsverordening. Samengevat gaat het bij A1 tot en met (deels) A5 om strijd met één van de voorwaarden van de door haar verleende ontheffing (de eis van een solide handhavingsplan). Bij A6, A14 en A18 gaat het om strijd met de KRW.5 17. Dat betekent dat als het Bestemmingsplan in strijd met de Interim Omgevingsverordening zou worden vastgesteld, de provincie (GS) – naar eigen keuze – een reactieve aanwijzing kan geven met betrekking tot die onderdelen die zij in strijd acht met de Interim Omgevingsverordening of in beroep kan gaan tegen (de desbetreffende onderdelen van) het Bestemmingsplan. Het gevolg van het geven van een reactieve aanwijzing is dat de desbetreffende onderdelen van het Bestemmingsplan niet in werking treden. 18. Gelet op het feit dat de provincie dit Bestemmingsplan op de voet volgt en een ontheffing heeft gegeven van het verstedelijkingsverbod, zullen GS vermoedelijk bereid zijn in te grijpen via een reactieve aanwijzing of een beroepsprocedure als er sprake is van strijd met de Interim Omgevingsverordening.

Ik schat in dat een reactieve aanwijzing de voorkeur van GS geniet, omdat dit een directer, sneller en goedkoper instrument is dan het instellen van beroep tegen bepaalde onderdelen van het Bestemmingsplan. 19. Let op: het mogen geven van een reactieve aanwijzing is niet beperkt tot bijzonder zwaarwegende belangen. Het is voldoende dat het provinciale belang in het concrete geval het geven van een aanwijzing noodzakelijk maakt. Het is overigens ook niet vereist dat die belangen in een voorschrift in de provinciale verordening zijn vastgelegd. Die provinciale belangen kunnen ook zijn beschreven in beleid, te weten de Omgevingsvisie zoals die gold ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp Bestemmingsplan.6 20. Mochten GS een reactieve aanwijzing geven dan kan dat besluit worden aangevochten door de gemeente (raad). 4

Zoals opgenomen in de tabel van 4 april (bijlage). Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was de KRW geïmplementeerd in de Waterwet en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regels (onder meer de waterschapsverordeningen). 6 Omgevingsvisie provincie Utrecht zoals vastgesteld op 10 maart 2021. 5

DMS09-485856557-559/v 0.42

7/10

21. Voor de volledigheid noem ik nog een optie die mogelijk door de provincie als wat complexer wordt ervaren dan het geven van een reactieve aanwijzing, te weten de optie dat de provincie (PS) na vaststelling van het Bestemmingsplan een projectbesluit (voorheen: provinciaal inpassingsplan) neemt ten aanzien van die onderdelen waarbij er een provinciaal belang bestaat blijkens de Omgevingsverordening (zoals bescherming en compensatie van NNN). Met een projectbesluit kan een omgevingsplan worden gewijzigd met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project. De gewijzigde regels van het omgevingsplan zijn onderdeel van het projectbesluit. 22. Het Bestemmingsplan is nog geen echt omgevingsplan, maar een tijdelijk omgevingsplan. Als GS een projectbesluit zouden nemen, dan hoeft dat het omgevingsplan niet te wijzigen (artikel 22.16 lid 1, eerste zin, Omgevingswet). In plaats daarvan geldt het projectbesluit als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (“BOPA”, artikel 22.16, lid 1 tweede zin, Omgevingswet). De gemeente moet er dan op termijn voor zorgen dat zij het nieuwe deel van het omgevingsplan in overeenstemming brengt met deze BOPA.7 Risico: wijzigingen niet voldoende onderbouwd met (nieuwe / aangepaste) onderzoeken 23.

Dit risico is vooral relevant voor amendementen 8: A6 (steigerafmeting), A7 (grotere bootlengte; geen beperking ligduur), A12 (geen auto’s op legakkers), A14 (steigerafmeting) en A19 (bebouwing scouting). 24. Los van de vraag of deze amendementen wenselijk en haalbaar zijn op andere aspecten (zie ook het risico van een wezenlijk ander plan), zou er nader onderzoek nodig zijn om te bezien of deze amendementen een goede ruimtelijke ordening inhouden. Amendement A12 is een duidelijk voorbeeld: als er op de legakkers niet meer mag worden geparkeerd dan moet er elders voorzien zijn in voldoende parkeerplaatsen om te voldoen aan de parkeernormering. Dit moet blijken uit het parkeeronderzoek. Dit betekent dat het huidige parkeeronderzoek zoals dat bij het ontwerp is gevoegd, zou moeten worden aangepast evenals de toelichting bij het bestemmingsplan. 25. Een ander voorbeeld: voor zaken die raken aan de KRW geldt dat – los van de andere zwaarwegende bezwaren – er moet worden onderzocht of (bijvoorbeeld) het vergroten van steigers wel mogelijk is gezien de negatieve impact die dit kan hebben 7

De termijn loopt ofwel tot aan het einde van de overgangsfase (eind 2031) of binnen 5 jaar na het vaststellen van het projectbesluit (artikel 4.17 en 22.5 en 22.16, lid 2 Omgevingswet). 8 Zoals opgenomen in de tabel van 4 april (bijlage).

DMS09-485856557-559/v 0.42

8/10

op het lichtklimaat en de waterecologie. In de KRW-toets die bij het ontwerp is gevoegd, is dit aspect niet meegenomen en dat zou dus alsnog moeten worden gedaan voordat het Bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het is goed denkbaar dat vervolgens uit het onderzoek blijkt dat er andere acties nodig zijn om het amendement in te passen zoals het aanpassen van de compensatieopgave. Daarmee wordt ook duidelijk dat uiterst voorzichtig moet worden omgesprongen met amendementen die nopen tot het aanpassen van onderzoek zonder dat op voorhand goed is te overzien wat die aanpassingen inhouden en welke gevolgen die aanpassingen op hun beurt hebben voor het Bestemmingsplan. 26. Indien een amendement vergt dat een onderzoek voorafgaand aan de vaststelling van het Bestemmingsplan wordt aangepast, maar dat gebeurt niet, dan zullen er ongetwijfeld belanghebbenden zijn die dit in hun beroep aandragen. Mogelijk zijn die gebreken nog te herstellen in een herstelbesluit, maar daar zou de raad het niet op aan moeten laten komen. Als een herstelbesluit tijdens de beroepsprocedure niet mogelijk is, dan zal de ABRvS overgaan tot gedeeltelijke vernietiging van het Bestemmingsplan en zal de raad de gebreken na de uitspraak kunnen repareren in een herstelbesluit (waartegen weer zienswijzen en beroep openstaan).

In dit geval hangt het af van het procesverloop of de Omgevingswet van toepassing is op het herstelbesluit of de Wro.9 IV

Conclusie 27. Uit het bovenstaande volgt dat er een aantal juridische grenzen is aan het wijzigen van het Bestemmingsplan tussen ontwerp en vaststelling: 1) Het risico op een wezenlijk ander plan ten opzichte van het ontwerp als gevolg waarvan het vastgestelde Bestemmingsplan wordt vernietigd en opnieuw als ontwerp omgevingsplan onder de Omgevingswet ter inzage moet worden gelegd met alle vertraging en kosten vandien plus een lastiger in te vullen natuurcompensatieopgave voor de NNN. 2) Het risico van strijd met provinciaal beleid en/of de Interim Omgevingsverordening als gevolg waarvan de provincie (GS) een reactieve aanwijzing geven en het desbetreffende planonderdeel niet in werking treedt. Andere opties zijn dat de provincie in beroep gaat tegen (de desbetreffende onderdelen van) het Bestemmingsplan of een projectbesluit vaststelt.

9

Zie de uitspraak onder voetnoot 2 en het stroomschema dat de ABRvS heeft gemaakt om te bepalen of het nieuwe dan wel het oude recht van toepassing is. Overgangsrecht Omgevingswet bij vervolgbesluiten ruimtelijke plannen - Raad van State

DMS09-485856557-559/v 0.42

9/10

3) Het risico dat er wijzigingen worden doorgevoerd in het vast te stellen Bestemmingsplan zonder dat de bijbehorende onderzoeken daarop zijn aangepast. Daarmee is het Bestemmingsplan op die punten gebrekkig en kan dit leiden tot een bestuurlijke lus (nemen van herstelbesluit) of mogelijk tot gedeeltelijke vernietiging van het Bestemmingsplan als een herstelbesluit tijdens de beroepsprocedure niet mogelijk is. ***

DMS09-485856557-559/v 0.42

10/10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15395379/2