CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

250304 Beantwoording technische vragen B - ChristenUnie-SGP - Verordening leerlingenvervoer

Technische commissie 6 maart 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening leerlingenvervoer gemeente De Ronde Venen 20251.699 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 40 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig

Naam indiener: Fractie: Datum van indienen: Onderwerp:

Categorie:

A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)

Wim Stam ChristenUnie-SGP 27-2-2025 Leerlingenvervoer

In te vullen door organisatie Portefeuillehouder: Maarten van der Greft Datum beantwoording: 3 maart 2025 Inleiding

. Vragen (Antwoorden volgen direct onder de vragen)

OVER HET RAADSVOORSTEL 1. Heeft u voor het opstellen van dit voorstel een evaluatie uitgevoerd naar de ervaringen van de afgelopen jaren/verordeningsperiode? Antwoord: Ja 2. Zoja: a. Hoe is die evaluatie uitgevoerd en hoe zijn de betrokkenen (ouders, leerlingen, scholen, vervoerder) daarin geraadpleegd? Antwoord: De ervaringen van de afgelopen jaren vanuit beleid en uitvoering (contacten met ouders, scholen, leerlingen, vervoerders en samenwerkingsverbanden) zijn meegenomen bij het opstellen van de verordening. Bij het opstellen van de modelverordening door de VNG is een raadpleging gehouden onder alle gemeenten en samenwerkingsverbanden Passend onderwijs in Nederland. Daarnaast is de verordening voor advies voorgelegd aan de Jongerenadviescommissie en de Adviesraad Sociaal domein De Ronde Venen.

De komende jaren worden vanuit het contractbeheer klanttevredenheidsonderzoeken uitgevoerd. Als hieruit zaken naar voren komen waardoor aanpassing van de verordening nodig is dan wordt dit opgepakt. b. Wat waren de uitkomsten van die evaluatie? Antwoord: Hiervoor verwijs ik u naar de wijzigingstabellen van de verordening en de beleidsregels. Met name de artikelen waarbij in de motivatie is opgenomen dat de bepaling aansluit bij de huidige werkwijze/praktijk. c. Tot welke aanpassingen hebben die uitkomsten geleid? Antwoord: Zie reactie op vraag 2b. 3. Zo nee, waarom is dat niet gedaan? Antwoord: n.v.t. 4. Is nagegaan welke impact de wijzigingen hebben voor de betrokken ouders en leerlingen? Zo ja, kunt u daar een beeld van geven? Antwoord: De wijzigingen in de verordening hebben geen impact op de (huidige) leerlingen of ouders. De aanscherping van artikel 9 lid 2 sub c van de nadere regels heeft wel impact op een deel van de werkende ouders. Concreet moeten ouders, waarvan werk de reden is dat hun kind(eren) aangepast vervoer (taxi) krijgen, op de dagen dat zij niet werken hun kinderen zelf naar school brengen. De huidige ouders hebben tot het nieuwe schooljaar de tijd om zich hierop voor te bereiden. Voor zover nu bekend zijn er op dit moment 64 leerlingen in het aangepast vervoer waarbij ouders vanwege werk hun kind(eren) niet zelf naar/van school kunnen brengen/halen.

Wij hebben op dit moment geen zicht op de dagen dat ouders werken. Dit wordt bij de aanvragen voor het nieuwe schooljaar bij ouders uitgevraagd. Ouders ontvangen voor de dagen dat zij zelf begeleiden/reizen een vergoeding. 5. In het raadsvoorstel wordt aangegeven dat op dit moment ca 280 leerlingen gebruik hiervan maken. Kunt u ons aangeven hoeveel leerlingen om welke reden daarvan gebruik maken? Antwoord: Van de 273 leerlingen is de onderverdeling naar de verschillende onderwijssoorten als volgt: 22 Basisonderwijs (BO) (geloofsovertuiging) 119 Speciaal Basisonderwijs (SBO) 73 Speciaal Onderwijs (SO) 59 Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) 6. De wet (WPO art. 4 lid 3) stelt “De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school.”. Hoe past u dit principe toe in deze verordening? Antwoord: In artikel 1 lid q is de definitie van toegankelijke school opgenomen. Een toegankelijke school is

een school waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt. Wanneer de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool verder is dan 6 km dan bestaat recht op een vergoeding leerlingenvervoer. 7. In het raadsvoorstel verwijst u onder kanttekening 2.1 naar Beleidsregels art. 9 lid 1c. We vermoeden dat u bedoeld art. 9 lid 2c? Antwoord: Het klopt dat artikel 9 lid 2c bedoeld wordt. Dit wordt aangepast. 8. In artikel 13 lezen we “Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer”. In de modelverordening van de VNG is daaraan toegevoegd “De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.” a. Waarom is deze extra bepaling niet overgenomen? Antwoord: Bij het gebruik van opstapplaatsen wordt altijd in overleg met de vervoerder, chauffeur en waar mogelijk met ouders gekeken naar een goede locatie. De vervoerder kijkt altijd samen met een verkeerskundige naar de veiligheid van de opstapplaats. b.

Wat vind u een redelijke afstand tussen woning en opstapplaats? Antwoord: In de artikelsgewijze toelichting is bij artikel 13 tweede lid het volgende opgenomen: De opstapplaats moet binnen een redelijke afstand van de woning van de leerling zijn gelegen. Het is aan het college om te beoordelen wat in een individuele situatie redelijk is. Op dit moment is de langste afstand van huis naar de opstapplek in De Ronde Venen ongeveer 15 minuten. Een reistijd van niet meer dan dertig minuten naar de opstapplaats is volgens jurisprudentie in elk geval alleszins redelijk. c. Aan wat voor criteria moet volgens u dan die opstapplaats voldoen? Antwoord: Zie reactie op vraag 8a en 8b. 9. In artikel 15 lid 2 schrijft u “Als binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere klokuren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten”. a. Vind er afstemming met de school plaats om te waarborgen dat die wachttijd ook op passende en veilige wijze in die school plaats kan vinden en wie moet dat dan doen (gemeente of ouders)? Antwoord: Vanzelfsprekend vindt in deze situatie overleg met de school en ouders plaats. Normaal gesproken zijn er op school mogelijkheden om leerlingen op te vangen. b.

Wat doet u als die school daar niet aan wil mee werken of in kan voorzien? Antwoord: Scholen begrijpen dat leerlingenvervoer gecombineerd vervoer is en dat afwijkende schooltijden

problemen opleveren in het vervoer. Onze ervaring is dan ook dat scholen hier zo goed als altijd aan meewerken. In het uitzonderlijke geval dat dit niet zo is dan gaan we met school en ouders in overleg om samen een oplossing te vinden voor het ontstane probleem. 10. In artikel 18d schrijft u “het stageadres is gelegen op de route van de woning, dan wel de opstapplaats, naar de school”. Het komt ons voor dat dit een vergoeding vrijwel kansloos maakt en dit artikel een dode letter is. Hoe groot acht u de kans dat een stageadres op die route ligt? Antwoord: Meestal lukt het school en ouders om een stageplek te vinden dichtbij huis. Dit is vooral belangrijk voor de leerling, zodat de leerling de reis zelf of met behulp van ouders kan maken. Zij ontvangen hiervoor dan een vergoeding. Als dit niet mogelijk is dan wordt er gekeken naar aangepast vervoer (taxi) en een stageplek op de route naar school. In veel gevallen lukt dit en wordt de leerling met aangepast vervoer (meestal in dezelfde route als wanneer de leerling naar school reist) vervoerd. Het is dus zeker geen dode letter. Als het echt niet mogelijk is een stageplek dichtbij huis of op de route te vinden en daar is een goede reden voor dan kan altijd maatwerk geleverd worden. 11.

In de toelichting op artikel 1 schrijft u “Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling”. Betekent dit voor u dat er dan ook geen recht op leerlingenvervoer is? Het is immers mogelijk dat de leerling wel zelf kan reizen, maar dat een passende school toch op meer dan 6 resp 12 km afstand is. Antwoord: Dit gaat over artikel 1 lid g waarin de definitie van gehandicapte leerling voor het leerlingenvervoer is opgenomen. Als een leerling zelfstandig kan reizen en de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool verder is dan 6 km dan bestaat recht op een vergoeding leerlingenvervoer. Voor voortgezet speciaal onderwijs is er recht op een vergoeding leerlingenvervoer als de afstand meer is dan 12 km. 12. In de toelichting op artikel 1 schrijft u “Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening”. Verbeteren is iets anders dan opheffen, dus moet de toelichting niet zuiverder geformuleerd worden? Antwoord: Het gaat hier om de definitie van gehandicapte leerling in de verordening en of de leerling door zijn handicap niet of niet zelfstandig naar school kan reizen.

Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is en de leerling daardoor (zelfstandig) naar school kan reizen is er geen sprake van een gehandicapte leerling in de zin van de verordening. BELEIDSREGELS 13. In artikel 9 lid 2c verlangt u een werkgeversverklaring en in het RV onder de kanttekening 2.1 schrijft u “Voor de dagen waarop geen verklaring aanwezig is wordt geen aangepast vervoer(taxi) toegekend”. Hoewel dit niet in het genoemde artikel staat; deze toelichting lijkt te veronderstellen dat er een veelheid aan verklaringen moet worden afgegeven. In hoeverre leidt dit niet tot onacceptabele bureaucratie dan wel zal een werkgever daar niet aan willen voldoen? Antwoord: In de verordening onder artikel 23 lid c is opgenomen dat wanneer door ouders voldoende is

aangetoond dat begeleiding van de leerling door ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling van het gezin leidt er aanspraak bestaat op een vergoeding aangepast vervoer (taxi). In de beleidsregels is dit verder uitgewerkt. Om dit te kunnen beoordelen is het van belang dat ouders hiervoor een verklaring aanleveren. Wij verwachten niet dat dit tot onacceptabele bureaucratie leidt. Op dit moment wordt aan ouders ook een werkgeversverklaring gevraagd wanneer werk de reden is dat ouders hun kind(eren) niet zelf naar school kunnen begeleiden. In de nieuwe situatie wordt in de verklaring om meer informatie gevraagd, zodat beoordeeld kan worden of en op welke dagen aangepast vervoer (taxi) nodig is. Wij gaan ervanuit dat werkgevers hieraan mee willen werken als dit voor hun werknemers van belang is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15215135/2