CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

250212 - Verweerschrift inzake het beroep van Snoek Tuinen

Politieke commissie 12 februari 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Procesbespreking Lange Coupure 1A6.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Straatman Koster advocaten

Postbus 717, 3000 AS Rotterdam Bezoekadres:

Millenniumtoren, Weena 690, Rotterdam

AANGETEKEND

mr.drs. M.C. de Smidt

Rechtbank Midden-Nederland Sector bestuursrecht Postbus 16005

advocaat

3500 DA Utrecht

Tevens voorafgaand per e-mail:

bestuursrecht.mnl@rechtspraak.nl

Rotterdam, 23 augustus 2024 Onze ref.:

09-1216/DMS09-1396252812-85

Uw ref.:

Zaaknummer UTR 24 / 3946 / WABOA

Betreft:

Verweerschrift inzake het beroep van Snoek Tuinen

VERWEERSCHRIFT Edelachtbaar college, 1,

Inleiding

dats

Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen (“de Gemeenteraad”) geweigerd om een verklaring van geen bedenkingen (‘VVGB’) af te geven voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een schuur inclusief kantoorruimte ter hoogte van het perceel Lange Coupure 1A te Abcoude. In navolging hierop, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (“het College’) bij besluit 18 maart 2024 de voornoemde aanvraag geweigerd (“het bestreden besluit’). Tegen het bestreden besluit heeft

V.0.F, (i

) als aanvrager hiervan, beroep

ingesteld. 12

Namens het College maken wij hierbij gebruik van de gelegenheid om tijdig een

verweerschrift in te dienen. Het verweerschrift wordt hierbij mede namens de Gemeenteraad ingediend, nu de beroepsgronden van

(uitsluitend) zien

op de weigering van de Gemeenteraad om een VVGB af te geven en dit vervolgens ook de reden is geweest voor het College om het bestreden besluit te nemen.

Straatman Koster Advocaten is de handelsnaam van Straatman Koster Advocaten B V , statutair gevestigd te Rotterdam (KvK Rotterdam nr 24389790) Straatman Koster Advocaten is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De algemene voorwaarden van Straatman Koster Advocaten, waarin een beperking van de aansprakelykheid is bedongen, zn op alle opdrachten van toepassing De algemene voorwaarden worden op verzoek toegezonden en zijn eveneens te vinden op www straatmankoster nl De algemene voorwaarden zyn gedeponeerd by de rechtbank te Rotterdam

Straatman Koster advocaten

1.3.

De opbouw van het verweerschrift is als volgt. In paragraaf 2 is kort het bouwplan van

|) beschreven. In paragraaf 3 wordt het juridisch kader uiteengezet. In

paragraaf 4 volgt het verweer van het College en de Gemeenteraad. In paragraaf 5

wordt afgesloten met een conclusie.

Het bouwplan van) Ter verduidelijking schetsen het College en de Gemeenteraad eerst kort het bouwplan

dat door | is ingediend. Des

Zoals opgemerkt, ziet de aanvraag op het bouwen van een nieuwe houten schuur met ondergeschikte kantoor en werkruimte ter hoogte van de Lange Coupure 1A in Abcoude (“het Perceel”). De omvang van de nieuw te bouwen schuur bedraagt volgens de aanvraag 440 m? (29,36 meter bij 15,01 meter) en wordt gebouwd ten

behoeve van het hoveniersbedrijf van |) dat op het Perceel is gevestigd.

Daarnaast zal het gedeelte van het Perceel dat gelegen is achter het nieuwe gebouw worden gebruikt voor het parkeren van auto’s, het manoeuvreren van verkeer, het

laden en lossen en het stallen van materialen en materieel. Dit laatste volgt uit paragraaf 2.2 van de Ruimtelijke Onderbouwing die onderdeel uitmaakt van de aanvraag (Bijlage 2 van het Procesdossier).

2.3:

De schets van het bouwplan van |) — dat tot stand is gekomen in samenspraak met MooiSticht — is hieronder weergegeven. Deze schets maakt onderdeel uit van de aanvraag.

bene

Afbeelding 1: opzet en inrichtingsschets (p. 42 van de Ruimtelijke Onderbouwing)

DMS09-1396252812-85

2/19

Straatman Koster advocaten

2.4.

Momenteel zijn op het Perceel twee stenen schuren aanwezig met (slechts) een totale opperviakte van circa 110 m?. De onderstaande afbeelding illustreert dit (rood omlijnd).

Afbeelding 2: huidige situatie (p. 42 van de Ruimtelijke Onderbouwing met omlijningen toegevoegd door adv.)

2.5;

Het verharde terrein zoals weergegeven op de bovenstaande afbeelding (geel omlijnd) wordt momenteel feitelijk gebruikt voor opslag en is gelegen buiten het bouwvlak (hetgeen is weergegeven in paars). Om dit gebruik mogelijk te maken, is in 2008 aan

een ontheffing verleend (Bijlage 15 van het Procesdossier). 2.6.

Uit de voorgaande afbeeldingen volgt dat met het bouwplan van

de

bebouwing aanzienlijk wijzigt ten opzichte van de huidige bestaande situatie. De bebouwing wijzigt immers van twee kleine gebouwen die haaks op elkaar staan en een totale opperviakte van 110 m? hebben naar één groot rechthoekig gebouw met een opperviakte van 440 m?. Daarnaast blijft het verharde buitenterrein volledig bestaan en wordt dit buitenterrein ingevolge de Ruimtelijke Onderbouwing (nog steeds) gebruikt ten behoeve van (onder meer) opsiag. De bebouwing ter hoogte van het bouwvlak wordt ten opzichte van de huidige situatie derhalve uitgebreid en neemt daarbij toe.

DMS09-139625281 2-85

3/19

Straatman Koster advocaten

Het juridisch kader Overgangsrecht Ow

31

Het College en de Gemeenteraad merken allereerst op dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet (“Ow’) en de Invoeringswet Ow in werking zijn getreden. Omdat de aanvraag (ruim) is ingediend vddér de inwerkingtreding van de Ow, blijft ingevolge artikel 4.3, aanhef en onder a van de Invoeringswet Ow het oude recht van toepassing totdat het besluit op de aanvraag onherroepelijk is. Dit betekent dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo”) zoals deze gold vddér 1 Januari 2024 van

toepassing

bilijft

totdat

het

bestreden

besluit

onherroepelijk

is.

In

deze

beroepsprocedure dient daarom voor het toetsingskader (nog) uit te worden gegaan van hetgeen is bepaald in de Wabo. Reden waarom hierna door het College en de Gemeenteraad ook zal worden verwezen naar de Wabo zoals deze vddr 1 januari

2024 gold. 3.2

Ditzelfde

geldt

voor

zover

hierna

wordt

verwezen

naar

de_

Interim

Omgevingsverordening van de provincie Utrecht (“de Omgevingsverordening’) Met de inwerkingtreding van de Ow is deze Omgevingsverordening vervallen, maar ingevolge

het

overgangsrecht

Omgevingsverordening

provincie

zoals Utrecht,

opgenomen

in

de _

(nieuwe)

blijft de Omgevingsverordening van

toepassing indien een aanvraag is gedaan voor de inwerkingtreding hiervan totdat het besluit onherroepelijk is (artikel 10.13 lid 1 van de (nieuwe) Omgevingsverordening provincie Utrecht). Hetgeen is bepaald in de Omgevingsverordening blijft daarom relevant voor deze beroepsprocedure.

Juridisch kader 33.

Ter hoogte van een gedeelte van het Perceel rusten ingevolge het bestemmingsplan “Herziening Buitengebied Abcoude” (“de Herziening’)' de bestemmingen “Bedrijf’ en

“Waarde — Schootsvelden’.

1 De Herziening ts met de inwerkingtreding van de Ow van rechtswege onderdeel geworden van het Omgevingsplan De Ronde Venen De regels ult de Herziening zn daarom (nog steeds) relevant ten behoeve van de bouw- en gebruiksmogelykheden ter hoogte van het perceel zoals deze golden ten tyde van het bestreden besluit

DMS09-1396252812-85

4/19

Straatman Koster advocaten

Herziening Buitengebied Abc oude De Ronde Venen/Gi

DeRondeVenen

meer kenmerken V

\

vastgesteld 05-08 2014 - geheel onherroepelijk in werking Plekinfo Regels Bijlagenbijregels Gerelateerd Overig Bestemmingsvlakken (2)

fil

— N

\

%a

Lange Coupure 1A, 1391KN Abcoude

a

a

[J Waarde-Schootsvelden >

sednjt > HB Bedrijf

X R

Bouwvlakken (1)

a

(C] bouwtak Functieaanduidingen (1)

a

{7} bedrjfswoning uitgestoten Maatvoeringen (1)

\

A

Maximum bebouvingspercentage (3) (2) LX

\

[7] Maximum bebouwingspercentage (*):15

Afbeelding 3: de Herziening (Regels op de Kaart)

3.4.

Ingevolge het bestemmingsplan “Abcoude Buitengebied” (“het Bestemmingsplan’)? rusten op de rest van het Perceel de bestemmingen “Agrarisch” en “Waarde —

Schootsvelden’. a

ppeseeeesseeseassss

FADEE 04 6 OO EHS OEE EEE TESS

SHEHHH HEHEHE HEHEHE EH HEHE eee

y

6: Bestemmingsplan Abcoude Buitengebied 4+ Bestemmingsplan De Ronde Venen

Boe

rig

Petes eeree saa eaeer eee tees — + onheroepelijk 2311-2011 - geheel onheroepelijk in werking

Feet e eee ee eeeeeeeteeeeeeeee esas — Bestemmingsviakken (2)

a

tecaaeseeeeseresoereseseges lly pe retssaseaeaereesareaassag easy © [-] Waarde-Schootsvelden CF Coupure 1A, 1391KN

:

Abcoude -

ttt etree

+

Stistsitise;

Cl Aemechics

Afbeelding 4: het Bestemmingsplan (Regels op de Kaart)

2 Het Bestemmignsplan is eveneens met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel is van het omgevingsplan De Ronde Venen en daarom nog relevant.

DMS09-1396252812-85

5/19

Straatman Koster advocaten

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat enkel ter hoogte van een gedeelte van het Perceel een bouwvlak is toegekend (het paarse viak zoals weergegeven op afbeelding 1). Nu in artikel 3.2 onder a sub 1 van het Bestemmingsplan en in artikel 4.2 onder a van de Herziening is bepaald dat (hoofd)gebouwen enkel zijn toegestaan binnen het bouwvlak, heeft dit tot gevolg dat enkel op dit gedeelte van het Perceel (het paarse viak zoals weergegeven op afbeelding 1) bebouwing is toegestaan. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 2, is de nieuwe schuur voorzien binnen het bouwvlak.

3.6.

Ingevolge artikel 4.2 onder c van de Herziening geldt dat het bebouwingspercentage van het bouwvlak niet meer mag bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding “maximum bebouwingspercentage” aangegeven bebouwingspercentage. Zoals volgt uit de verbeelding behorend bij de Herziening geldt ter hoogte van het bouwvlak een bebouwingspercentage van 15%. Op grond van artikel 4.3 van de Herziening kan het College vervolgens door middel van een omgevingsvergunning onder voorwaarden hiervan afwijken tot 15% van het percentage dat is aangegeven.

Sif.

Het bouwvlak als hiervoor bedoeld heeft een opperviakte van circa 1075 m?. Zoals aangegeven, ziet de aanvraag om omgevingsvergunning op de bouw van een bedrijfsgebouw van circa 440 m?. Gelet op het bebouwingspercentage van 15% betekent dit dat op grond van de Herziening circa 161 m? mag worden bebouwd, hetgeen vervolgens op grond van artikel 4.3 van de Herziening zou kunnen worden uitgebreid tot circa 185,5 m?. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat het bouwplan van

ziet op een grotere afwijking dan op grond van de regels

uit de Herziening is toegestaan voor de bestemming “Bedrijf’.

3.8.

Daar komt bij dat de voornoemde mogelijkheden die op grond van de bestemming “Bedrijf’ zijn toegestaan, verder beperkt worden door de bestemming “Waarde — Schootsvelden’. In artikel 11.2 van de Herziening is namelijk bepaald dat enkel de bestaande bebouwing is toegestaan en dat de oppervlakte, goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan de bestaande opperviakte, goot- en bouwhoogte, waarbij met bestaand ingevolge de definities wordt bedoeld “bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning’. Dit betekent dat enkel de bebouwing die ten tijde van de inwerkingtreding van de Herziening in 2014 aanwezig was, is toegestaan. Nieuwe bebouwing is op grond van de Herziening dan ook niet mogelijk. Het College heeft daarbij wel de bevoegdheid om op grond van artikel

11.3 van

de

Herziening hiervan af te wijken door middel van een

omgevingsvergunning en daarmee alsnog nieuwe bebouwing toe te staan mits deze

DMS09-1396252812-85

6/19

Straatman Koster advocaten

op grond van de andere bestemming (in dit geval “Bedryf’) is toegestaan én wordt voldaan aan de volgende voorwaarden

a het betreft uitsluitend incidentele bebouwing om ruimtelyke kwaliteit van de Stelling van Amsterdam te verbeteren, dan wel verdichting van bestaande linten, b de bebouwing dient te passen in het landschap en mag zichtlynen niet aantasten 39

Anders gezegd, het College kan op grond van de Herziening in dit geval enkel en alleen een omgevingsvergunning verlenen voor nieuwe bebouwing voor zover wordt voldaan aan (1) het bebouwingspercentage van 15% binnen het bouwvlak, (11) het gaat om incidentele bebouwing of verdichting van bestaande linten en (il!) de bebouwing past binnen het landschap en de zichtlynen niet aantast

310

Gelet op het voorgaande, Is tussen partyen evenmin in geschil dat de aanvraag om omgevingsvergunning In strijd is met artikel 11 2 van de Herziening en dat het College op grond van artikel

11 3 van de Herziening geen omgevingsvergunning kan verlenen

Zoals opgemerkt, is het op grond van de bestemming “Bedrif” immers niet toegestaan om een gebouw van de omvang zoals aangegeven in de aanvraag, te bouwen en wordt daarom in lieder geval niet voldaan aan de voorwaarde zoals genoemd onder

(1) 311

Het voorgaande betekent dat de aanvraag van

in stryd is met de

Herziening en dat derhalve op grond van artikel 2 1 lid 1 onder c van de Wabo een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik is benodigd Zoals toegelicht, biedt de binnenplanse afwykingsmogelljkheid zoals opgenomen in artikel 11 3 van de Herziening geen uitkomst en kan evenmin gebruik worden gemaakt van de zogenoemde kruimelgevallenregeling (artikel 4 bylage Il van het Bor) Dit heeft tot gevolg dat een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik daarom enkel kan worden verleend indien (1) de activiteit niet in stryd is met een goede ruimtelljke ordening en (il) de motivering van het besluit een goede ruimtelyke onderbouwing bevat (artikel 2 12 lid 1 onder a sub 3 van de Wabo) In aanvulling hierop ts in artikel 2 27 van de Wabo in samenhang met artikel 65 van het Besluit omgevingsrecht (‘Bor’) bepaald dat alvorens deze omgevingsvergunning kan worden verleend de gemeenteraad een VVGB dient te hebben afgegeven, waarbi) de VVGB (enkel) kan worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelyke ordening

DMS09-1396252812-85

7/9

Straatman Koster advocaten

3.12.

Het voorgaande betekent dat de Gemeenteraad een VVGB die in het kader van de omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik benodigd is, kan weigeren op grond van een goede ruimtelijke ordening. Zoals uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling’) volgt, bestaat voor de Gemeenteraad voor het al dan niet toepassing geven aan de bevoegdheid om een

VVGB te verlenen beleidsruimte, waarbij de betrokken belangen moeten worden afgewogen.°® Verweer

4.1.

Zoals reeds kort aangegeven, hebben de beroepsgronden van uitsluitend betrekking op de weigering van de Gemeenteraad om een VVGB af te geven. Zoals

in dit kader terecht stelt, is de weigering van de

Gemeenteraad namelijk de grondslag voor het College geweest om het bestreden besluit te nemen. Ingevolge artikel 2.20a van de Wabo is het College namelijk gehouden een aanvraag om omgevingsvergunning te weigeren voor zover deze ziet op een activiteit waarvoor een VVGB is vereist en deze VVGB is geweigerd.

4.2.

Meer concreet stelt

zich op het standpunt dat de Gemeenteraad de

weigering van een VVGB onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat: (a)

Een

overschrijding

van

het

in

het

bestemmingsplan

opgenomen

bouwpercentage onvoldoende reden is om de VVGB te weigeren; (b)

De motivering van de Gemeenteraad om de VVGB te weigeren miskent dat het bouwplan juist bijdraagt aan behoud én herstel van de schootsvelden;

(c)

De Gemeenteraad niet voldaan heeft aan de verzwaarde motiveringsplicht die

op

hem

rust

door

zonder

onderbouwing

af

te

wijken

van

de

deskundigenrapporten; en (d)

4.3.

De weigering van de VVGB een kenbare belangenafweging mist.

De Gemeenteraad is van oordeel dat zij de weigering van de VVGB voldoende heeft gemotiveerd en daarom terecht de VVGB niet heeft afgegeven. Gelet hierop, was het College dan ook gehouden om de aanvraag om omgevingsvergunning te weigeren en heeft hij terecht het bestreden besluit kunnen nemen. Hierna zal dit nader door de Gemeenteraad worden onderbouwd door achtereenvolgend te reageren op de beroepsgronden van

zoals genoemd onder (a) tot en met (d).

3 ABRVS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2106.

DMS09-1396252812-85

8/19

Straatman Koster advocaten

Ad_

(a):

een

_overschrijding

van

het

in

het

bestemmingsplan__opgenomen

bouwpercentage is onvoldoende reden om de VVGB te weigeren

44.

stelt zich allereerst op het standpunt dat de Gemeenteraad de VVGB ten

onrechte

heeft

geweigerd

enkel

en

alleen

omdat

het

toegestane

bebouwingspercentage in grote mate wordt overschreden. Dit standpunt is onjuist, hetgeen hierna door de Gemeenteraad wordt toegelicht.

4.5.

Zoals reeds uiteengezet en ook door

naar voren wordt gebracht, dient

de Gemeenteraad in het kader van het al dan niet afgeven van een VVGB te beoordelen of de activiteit waarvoor de VVGB benodigd is, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In dit geval is een VVGB benodigd vanwege de (aanzienlijke) overschrijding van het bebouwingspercentage. Gelet hierop, heeft de Gemeenteraad moeten beoordelen of deze overschrijding in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dit heeft de Gemeenteraad ook als zodanig gedaan. De Gemeenteraad is vervolgens tot de conclusie gekomen dat de overschrijding van het bebouwingspercentage niet leidt tot een goede ruimtelijke ordening vanwege verschillende ruimtelijke argumenten (ongewenste verstedelijking, geen verbetering van de zichtliinen binnen de schootsvelden etc.), hetgeen hierna ook verder zal worden toegelicht. Het is derhalve onjuist dat de Gemeenteraad zich op het standpunt heeft gesteld dat de overschrijding an sich de reden is geweest voor het niet afgeven

van een VVGB. 4.6.

Dit laat onverlet dat de Gemeenteraad van mening is dat aan een aanzienlijke overschrijding van het bebouwingspercentage dat op grond van de Herziening is toegestaan een groot gewicht toekomt bij de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De Herziening beperkt immers bewust de mogelijke uitbreiding van het bebouwingspercentage. Met die beperking wordt onwenselijk geachte uitbreiding van bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied immers gelimiteerd en wordt verdere verstedelijking van het buitengebied voorkomen. De Herziening is in die zin leidend en een afwijking dient dan ook niet lichtvaardig te worden verleend. De Gemeenteraad heeft de omvang van de afwijking daarom terecht meegewogen in de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

47.

geeft verder aan dat de argumentatie van de Gemeenteraad de inhoud van het bouwplan miskent. De Gemeenteraad begrijpt dit standpunt zo dat van oordeel is dat de nieuwe situatie geen verstedelijking van het buitengebied met zich meebrengt, omdat in de bestaande feitelijke situatie reeds twee schuren

DMS09-1396252812-85

9/19

Straatman Koster advocaten

aanwezig zijn en het feitelijk ruimtebeslag hiervan groter is dan de Gemeenteraad doet vermoeden vanwege de buitenopslag die plaatsvindt.

4.8.

De Gemeenteraad is het hier niet mee eens. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 2, leidt het bouwplan van

tot een forse toename van het aantal vierkante

meters bebouwing op het Perceel (440 m? ten opzichte van 110 m? in de huidige situatie). Hierdoor is wel degelijk sprake van verstedelijking in het landelijk gebied, waardoor de Gemeenteraad hieraan geen medewerking kan c.q. wil verlenen. Verstedelijking tast immers de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied aan en is daarom ongewenst. Het feit dat er reeds buitenopsiag plaatsvindt doet aan het voorgaande niet af. De reeds toegestane buitenopslag laat immers onverlet dat het bebouwde oppervilakte met het bouwplan zal toenemen.

4.9.

Bovendien is verstedelijking — onder meer in de vorm van niet-agrarische bedrijven — op grond van artikel 9.2 van de Omgevingsverordening ook niet toegestaan en is voor een afwijking hiervan een ontheffing van het bevoegd gezag van de provincie Utrecht benodigd. Deze ontheffing is alleen niet nodig voor zover de Omgevingsverordening voorziet in een uitzondering op het hiervoor bedoelde verstedelijkingsverbod. Hoewel artikel 9.7 van de Omgevingsverordening weliswaar voorziet in een uitzondering op het verstedelijkingsverbod voor bestaande stedelijke functies, kent deze bepaling de beperking dat een bestaande stedelijke functie alleen mag worden uitgebreid met 20 procent. Zoals ook in de Ruimtelijke Onderbouwing wordt erkend door wordt hieraan niet voldaan. Dit heeft tot gevolg dat er (alsnog) een ontheffing van het bevoegd gezag van de provincie Utrecht benodigd is. Het feit dat de provincie in de eerdere brief van 21 maart 2024 heeft aangegeven in te stemmen met het bouwplan vanwege de economische noodzaak — hetgeen een voorwaarde is voor het toestaan van een uitbreiding van een stedelijke functie — laat het voorgaande onverlet (Bijlage 16 van het Procesdossier). Deze brief kan immers niet worden aangemerkt als een ontheffing in de zin van de Omgevingsverordening.

Nu een dergelijke ontheffing ontbreekt, kon de Gemeenteraad enkel en alleen al hierom geen VVGB verlenen.* gaat aan dit punt dan ook ten onrechte voorbij door in de Ruimtelijke Onderbouwing

enkel

op

te

merken

dat

kan

worden

afgeweken

van

het

verstedelijkingsverbod (zonder ontheffing van de provincie), nu aan de economische noodzaak wordt voldaan. Hetzelfde geldt voor de opmerking van de provincie in de

brief van 21 maart 2024.

4 Uit artikel 1.3 van de Omgevingsverordening volgt dat daar waar het over bestemmingsplannen gaat, mede moet worden verstaan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo.

DMS09-1396252812-85

10/19

Straatman Koster advocaten

4.10.

Daarnaast merkt

op dat het haar niet duidelijk is waarom in de

Herziening verschillende (hogere) bouwpercentages gelden. De gemeente zou ook hebben erkend dat het bouwvlak in de Herziening groter zou moeten zijn, waardoor de overschrijding lager zou zijn. Bovendien zou de nieuw te bouwen schuur blijven behoren tot de kleinere objecten binnen het buitengebied en vindt er in kwalitatief opzicht ook een verbetering plaats omdat het bouwen van de nieuwe schuur leidt tot een betere, minder gefragmenteerde benutting van de beschikbare ruimte op het perceel vanwege de verplaatsing van de buitenopslag naar binnen.

4.11.

De Gemeenteraad kan dit standpunt van

niet volgen. Naar aanleiding

van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU5425) waarbij het Bestemmingsplan voor een gedeelte van het Perceel is vernietigd, heeft de Gemeenteraad de Herziening vastgesteld om zodoende het hoveniersbedrijf van

zoals dat ten tijde

van de vaststelling van de Herziening aanwezig was, positief te bestemmen. Met de Herziening is daarom aan het Perceel een bouwvlak toegekend ter hoogte van de reeds bestaande bebouwing. Het was destijds uitdrukkelijk niet de bedoeling van de Gemeenteraad om de bouwmogelijkheden ter hoogte van het Perceel te verruimen ten opzichte van de bestaande feitelijke en legale situatie. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 3 is ingevolge artikel 11.2 dan ook enkel bestaande bebouwing toegestaan. Met de Herziening heeft de Gemeenteraad er derhalve uitdrukkelijk voor gekozen om in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen verdere bebouwing toe te staan dan de bebouwing die reeds aanwezig was (ook niet ter hoogte van de andere percelen waarop de Herziening ziet). Voor zover ter hoogte van andere percelen meer bebouwing is toegestaan dan ter hoogte van het Perceel, is dat (dus) het gevolg van het feit dat die bebouwing daar reeds (legaal) aanwezig was. De Herziening en het Bestemmingsplan zijn inmiddels onherroepelijk, waardoor ervanuit dient te worden gedaan dat de destijds toegekende bouwvlakken in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het feit dat een aantal percelen een groter bouwvlak hebben, maakt dan ook niet dat de Gemeenteraad nu ook medewerking zou moeten verlenen aan het bouwplan van

4.12.

Tot slot benadrukt

dat het voorgaande niet alleen een analyse van

betreft, maar ook haar adviesbureau BiigelHajema en MooiSticht (in samenspraak met Landschap Erfgoed Utrecht) tot dit oordeel zijn gekomen.

4.13.

De Gemeenteraad is van oordeel dat BugelHajema en MooiSticht beperkt en onvoldoende hebben toegelicht dat er met het bouwplan geen sprake is van een aantasting van het Schootveld én dat niet is ingegaan op het feit dat het bouwplan het

DMS09-1396252812-85

11/19

Straatman Koster advocaten

herstel en de verbetering van UNESCO werelderfgoed in de weg staat, hetgeen hieronder uitgebreid wordt toegelicht. Ad (b): De motivering van de Gemeenteraad om de VVGB te weigeren miskent dat het bouwplan juist bijdraagt aan behoud én herstel van de schootsvelden

4.14.

stelt zich op het standpunt dat aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 11.3 onder a en b van de Herziening wordt voldaan en dat de enige reden waarom artikel 11.3 van de Herziening zich verzet tegen een binnenplanse afwijking van de regels uit de Herziening is gelegen in het feit dat het bouwpercentage wordt overschreden.

is van mening dat het bouwplan incidenteel van aard is,

omdat de reeds bestaande bebouwing binnen het buitengebied wordt vervangen. Daarnaast draagt het bouwplan juist bij aan het behoud én herstel van de schootsvelden, omdat de uitvoering van de nieuwe schuur in overeenstemming is met de ruimtelijke uitstraling van de Stelling van Amsterdam in het algemeen en de kernkwaliteiten

van

de schootsvelden

in

het bijzonder worden

versterkt,

in

tegenstelling tot de bestaande stenen schuren, hetgeen ook volgt uit het advies van MooiSticht.

4.15.

In dit kader brengt

ook naar voren dat de ruimtelijke kwaliteit van de

Stelling van Amsterdam verbetert omdat de huidige schuren in combinatie met buitenopslag worden vervangen door een grotere houten schuur die de zichtlijnen niet aantasten en die in overeenstemming is met het cultuurhistorische uitgangspunten dat deze uit hout moeten worden opgeroken om eenvoudig verwijderbaar moet zijn. Daarnaast past de bebouwing door de vormgeving in het landschap en worden de bestaande zichtlijnen niet aangetast. Vanuit het fort wordt het zicht op de schuur reeds ontnomen door de reeds aanwezige bomenrij op het perceel en door de eerder gerealiseerde nieuwbouw aan de Molenweg 22.

4.16.

De Gemeenteraad heeft het voorgaande ten onrechte niet meegewogen bij de beoordeling om al dan niet een VVGB af te geven, aldus

. In dit kader

merkt de Gemeenteraad het volgende op.

4.17.

Zoals ook volgt uit de toelichting bij de Herziening, is het Perceel gelegen binnen de Stelling

van

Amsterdam,

hetgeen

onderdeel

uitmaakt

van

het

UNESCO

Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Zie in dit kader ook de onderstaande afbeelding.

DMS09-1396252812-85

12/19

Straatman Koster advocaten

Legenda

GB Plangobiod herzioning BI

Werelderfgoed

Eronnes EsriNederlono Esti, Kodmster CBS, hin VROM Rips spierstaal en gemeenten Rolieroam. Breca Tilburg

4.18.

Daarnaast is het Perceel binnen de zogenoemde schootscirkels (ook wel de “verboden kringen” genoemd) van Fort Abcoude gelegen, hetgeen ook door ll , | zelf wordt aangegeven. Het Perceel is namelijk gelegen binnen een straal van 1000 meter van het Fort Abcoude. De onderstaande afbeelding illustreert dit. ‘Lange Coopure 18 Wot wheab XQ

DMS09-1396252812-85

13/19

Straatman Koster advocaten

4.19.

Op grond van het Werelderfgoedverdrag dient de universele unieke waarde van een UNESCO Werelderfgoed te worden behouden en verbeterd. Dit is ook als zodanig verwoord in afdeling 7.1 en artikel 10.6 van de Omgevingsverordening. Zo volgt uit artikel 7.2 van de Omgevingsverordening dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo geen activiteiten mag toestaan die de waarde van (voorlopige lijst) UNESCO Werelderfgoed aantasten.’ Bovendien dienen de uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht te worden genomen en is zowel de instandhouding als versterking van deze uitzonderlijke

universele waarde relevant. Artikel 7.2 Instandhouding en versterking (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties in het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed

Hollandse Waterlinies: a.

2.

b. bevat geen bestemmingen en regels die activiteiten toestaan die die waarde aantasten. Als uitzonderlyke universele waarde van de Hollandse Waterlinies gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de bilage 14 Cultuurhistorie by deze verordening en de Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies. Ontheffing van het eerste lid kan alleen worden verleend als: er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang;

aoop

3.

neemt de uitzonderlike universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht en bevat bestemmingen

en regels ter instandhouding en versterking daarvan; en

4.

reéle alternatieven die de Hollandse Waterlinies niet of minder aantasten ontbreken; de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt; en er op of naby de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de (resterende) uitzonderljke universele waarde van de Hollandse Waterlinies. De motivering van een bestemmingsplan bevat:

a.

b.

4.20.

een beschriving van de in het plangebied aanwezige uitzonderlyke universele waarde van de Hollandse

Waterlinies, en

een beschriving en motivering van de wijze waarop die waarde in acht is genomen.

Verder volgt ook uit artikel 10.6f van de Omgevingsverordening dat het verboden is om de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed aan te tasten (voorbeschermingsregel).

4.21.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de omgevingsvergunning (dus) alleen verleend kan worden als er geen sprake is van een aantasting van de uitzonderlijke universele

waarde van de Hollandse Waterlinies. De uitzonderlijke universele waarde zijn de kernkwaliteiten van het gebied. De kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinie — waartoe de Stelling van Amsterdam behoort — zijn volgens bijlage 14 bij de Omgevingsverordening als volgt:

5 Zoals eerder aangegeven, volgt uit artikel 1.3 van de Omgevingsverordening dat daar waar het over bestemmingsplannen gaat, mede moet worden verstaan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo

DMS09-1396252812-85

14/19

Straatman Koster advocaten

en voor de Stelling van Amsterdam:

het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse

hydrologische en militair-landschappelijk geheel, bestaande uit: een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; sluizen en voor- en achterkanalen;

DOP wWNre

a.

b.

c.

.

de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; inundatiegebieden;

voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); en de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;

de relatief grote openheid; en

de groene en relatief stille ring rond Amsterdam.

En meer specifiek zijn met betrekking tot mogelijke ontwikkelingen in de omgeving van het Fort Abcoude de volgende uitgangspunten opgenomen in de Gebiedsanalyse: unt

ten bij

ible

omgeving

Fort bij Abcoude

+ Behoud de relatie tussen de forten en de aanwezige accessen van de spoorlyn en de Ryksstraatweg. + Behoud de relatie tussen het fort en de hoofdweerstandsliin. + Behoud de openheid aan de onveilige zijde van de hoofdweerstandslin. Behoud de relatie tussen Fort bij Abcoude en de Batterijen aan het Gein. Behoud de bestaande openheld van de verboden kringen van Fort bi, Abcoude. Ambities en kansen ‘« Versterk de openheid aan de onveilige zijde van de hoofdweerstandsij. + Door de locatie van het fort ten opzicht van Abcoude leent Fort Abcoude zich goed tot een recreatief fort van waaruit het verhaal van de Stelling van Amsterdam verteld kan worden. Gebruik deze locatie om het verhaal van duideljker te vertellen

Legenda Acces hoo vanhostdneerstandstyn vetgs Ap Utgangspenten raentetk

4.22.

Hieruit volgt dat niet alleen de openheid dient te worden behouden, maar dat de openheid ook dient te worden verbeterd. De Gemeenteraad is van mening dat onvoldoende heeft onderbouwd dat het bouwplan van

hieraan

voldoet. Een korte brief van MooiSticht waarin staat dat zij van mening zijn dat het

schootsveld niet wordt aangetast met het bouwplan van

onderbouwt dit

evenmin.

DMS09-1396252812-85

15/19

Straatman Koster advocaten

4.23.

In dit kader merkt de Gemeenteraad op dat er in de adviezen van BugelHajema en MooiSticht enkel is gekeken naar de vraag of het bouwplan leidt tot een aantasting van het werelderfgoed, terwijl uit artikel 11 van de Herziening — en eveneens uit het Barro (artikel 2.13.4), het Werelderfgoedverdrag én de Omgevingsverordening — ook volgt dat er sprake moet zijn van herstel dan wel versterking van Werelderfgoed. De Gemeenteraad wil dan ook actief inzetten op het versterken van de Hollandse Waterlinie, terwijl uit de adviezen niet volgt dat het bouwplan ook bijdraagt aan een herstel en versterking van de kernkwaliteiten. Integendeel, de Gemeenteraad is in dit kader van oordeel dat het bouwplan niet bijdraagt aan herstel c.q. versterking van het Werelderfgoed. Immers, indien in de toekomst bestaande bebouwing wordt verwijderd c.q. gewijzigd — hetgeen geldt op de “rood-voor-rood-regeling” niet ondenkbaar is — dan zou het bouwplan van

vervolgens in de weg staan aan de herstel

c.q. versterken van het UNESCO Werelderfgoed. Door nu toestemming te verlenen aan het bouwplan, kan in de toekomst het UNESCO Werelderfgoed alsnog niet worden hersteld. In het geval aan

dus een omgevingsvergunning zal

worden verleend, zal deze doelstelling tot herstel niet gehaald kunnen worden. Reden waarom de Gemeenteraad geen VVGB heeft willen afgeven voor het bouwplan van . Daar komt bij dat als de Gemeenteraad dergelijke bebouwing toe zou staan, dit zal leiden tot precedentwerking waardoor het herstel c.q. versterking van het UNESCO Werelderfgoed nog verder in het geding komt.

4.24.

Bovendien is het de vraag in hoeverre de Provincie een juiste beoordeling heeft uitgevoerd, nu er onterecht door de Provincie vanuit is gegaan dat het bouwplan van buiten de grenzen van het UNESCO Werelderfgoedgebied is gelegen. In haar brief van 21 maart 2024 (Bijlage 16 van het Procesdossier) staat: “In een advies van 20 maart 2024 wordt opnieuw bevestigd dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onacceptabele aantasting van de uitzonderlijke universele waarden van het (naastgelegen) Werelderfgoed. Uit dit advies blijkt dat de locatie Lange Coupure 1a net buiten de begrenzing van het Werelderfgoedgebied ligt. Hoewel de locatie dus wel in de invioedsfeer ligt, is zowel in de huidige situatie als de toekomstige situatie de bebouwing geheel in het groen gelegen/ingepast. Daarmee is er geen sprake van een onacceptabele aantasting en bestaat er voor de gemeente daarmee geen verplichting om een ontheffing op grond van artikel 7.3, lid 1 van de

Omgevingsverordening Provincie Utrecht aan te vragen.”

4.25.

De Provincie lijkt er dus onterecht vanuit gegaan te zijn dat het bouwplan van buiten de grenzen is gelegen, terwijl uit de kaart van de Provincie zelf ook overduidelijk volgt dat het binnen de grenzen van het Werelderfgoed is gelegen (zie hieronder). Het is dus de vraag of de Provincie — met de wetenschap dat het bouwplan

DMS09-1396252812-85

16/19

Straatman Koster advocaten

wel binnen de grenzen ligt — nog steeds van mening is dat er geen sprake is van een aantasting van de kernkwaliteiten. Bovendien laat dit onverlet dat een positief oordeel van de Provincie niet betekent dat de gemeenteraad deze visie moet delen. De Gemeenteraad heeft zelf ook een afweging, namelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Zoals toegelicht, is de Gemeenteraad van oordeel dat van een goede ruimtelijke ordening geen sprake is en dat zij daarom de VVGB heeft moeten weigeren.

UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies

i

/

<

AN

(c): De Gemeenteraad heeft niet voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht die op hem rust door zonder onderbouwing af te wijken van de deskundigenrapporten 4.26.

Verder brengt

naar voren dat op de Gemeenteraad een “verzwaarde

motiveringsplicht rust”, omdat de Gemeenteraad in dit geval afwijkt van stukken van diverse deskundigen die juist onderbouwen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.27.

_ De Gemeenteraad kan zich niet vinden in deze stelling van

. Zoals reeds

hiervoor toegelicht, heeft de Gemeenteraad immers voldoende gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en heeft zij in

dit kader eveneens onderbouwd waarom zij zich niet kan vinden in de Ruimtelijke Onderbouwing van het adviesbureau BugelHajema en het advies van MooiSticht. In

DMS09-1396252812-85

17/19

Straatman Koster advocaten

deze adviezen wordt namelijk geenszins ingegaan op de vraag of met het bouwplan het UNESCO Werelderfgoed ook wordt hersteld c.q. versterkt. Bovendien blijft de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening een zelfstandige beoordeling

van de Gemeenteraad waarbij zij beleidsruimte heeft. Ad (d): De weigering van de VVGB mist een kenbare belangenafweging

4.28.

Tot slot is

van mening dat in het besluit van de Gemeenteraad om geen

VVGB af te geven een kenbare belangenafweging ontbreekt. De overweging dat het belang van de instandhouding en het herstel van de Schootsvelden in dit geval zwaarder weegt dan het economische belang van de aanvrager is volgens hiertoe onvoldoende. Hierover merkt de Gemeenteraad het volgende op.

4.29.

Zoals reeds toegelicht, is de Gemeenteraad van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. In dat kader heeft zij veel gewicht toegekend aan het behoud en versterken van UNESCO Werelderfgoed de Hollandse Waterlinie. De Gemeenteraad heeft dus inderdaad een zwaarwegend belang gehecht aan de instandhouding en verbetering van de schootvelden als onderdeel van Werelderfgoed — hetgeen overigens ook een internationale verplichting betreft - dan het belang van de aanvrager dat is gediend met de uitbreiding. De Gemeenteraad is gerechtigd om dit belang zwaarder te laten wegen.

4.30.

is van mening dat het extra problematisch is dat het economisch belang minder zwaar weegft, nu er in het verleden wel medewerking door de Gemeenteraad is verleend aan een bouwplan in afwijking van het bestemmingsplan ter plaatse van Molenweg 22.

4.31.

Door

wordt

terecht

aangegeven

dat

eerder

al

een

omgevingsvergunning voor de Molenweg 22 is afgegeven. Het is de Gemeenteraad niet

helemaal duidelijk of

hiermee een

beroep doet op

het

gelijkheidsbeginsel, maar in dit kader merkt de Gemeenteraad het volgende op.

4.32.

De omgevingsvergunning voor de Molenweg 22 is destijds ten onrechte verleend door de Gemeenteraad. De Molenweg 22 is immers ook gelegen in het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies waardoor met het toestaan van deze bebouwing de zichtliinen c.q. de openheid is aangetast. Zoals toegelicht, is dit op grond van het Werelderfgoedverdrag

en

de

(destijds

geldende)

Omgevingsverordening

niet

toegestaan (zonder ontheffing van de provincie). De omgevingsvergunning had

daarom destijds niet verleend kunnen worden. Dat de Gemeenteraad destijds een

DMS09-1396252812-85

18/19

Straatman Koster advocaten

Onjuiste beslissing heeft genomen, betekent niet dat zij daarom gehouden is nu ook medewerking te verlenen. Het is namelijk vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat gemaakte fouten herhaald moeten worden.® Er kan daarom in het kader van de belangenafweging geen gewicht worden toegekend aan de omgevingsvergunning voor de Molenweg 22. Het feit dat er eerder door een fout een vergunning is verleend waardoor de zichtlijnen zijn vervallen betekent derhalve niet dat ook aan deze omgevingsvergunning medewerking moet worden

verleend. 4.33.

Met het verlenen van de omgevingsvergunning aan

, komen de

zichtlijnen — die door de eerder verleende omgevingsvergunning voor Molenweg 22 al verminderd zijn — bovendien nog meer in het geding. Dit terwijl de zichtlijnen juist in stand moeten blijven. In het Herziening staat dan ook dat — in overeenstemming met de internationale plicht voor behoud en herstel van de universele uniek waarde — het een streven is om de zichtliinen daar waar ze aangetast zijn, te verbeteren. Conclusie

Si,

Gelet op het voorgaande, is de Gemeenteraad van oordeel dat zij voldoende heeft gemotiveerd dat de aanvraag om omgevingsvergunning niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Derhalve heeft de Gemeenteraad op grond van artikel 2.27 lid 3 van de Wabo jo. artikel 6.5 lid 2 van het Bor de VVGB kunnen weigeren. Ingevolge artikel 2.20a van de Wabo heeft dit eveneens tot gevolg dat het College het bestreden besluit terecht heeft genomen.

5.2.

Het College en de Gemeenteraad verzoeken uw rechtbank daarom het beroep van ongegrond te verklaren en het bestreden bestluit in stand te laten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat derhalve geen aanleiding.

Met vriendelijke groet, Straatman Koster Advocaten B.V.

6 Zie o.a. ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2792.

DMS09-139625281 2-85

19/19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15150734/1