CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

250206 Beantwoording technische vragen B - ChristenUnie-SGP - Verordening Jeugdhulp en Verordening WMO

Politieke commissie 13 februari 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel verordeningen Wmo en Jeugdhulp 20251.441 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 40 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig

Naam indiener: Fractie: Datum van indienen: Onderwerp:

Categorie:

A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)

Wim Stam ChristenUnie-SGP 4-1-2025 Verordening Jeugdhulp en Verordening WMO

In te vullen door organisatie Portefeuillehouder: Maarten van der Greft en Cees van Uden Datum beantwoording: 06-02-2025 Inleiding

Vragen (Antwoorden volgen direct onder de vragen)

Verordening Jeugdhulp 1. Artikel 5a, lid 2 begint met “gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders” en verderop in dit artikel staat “Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.” In basis snappen we de beperking, maar wat doet u indien de relatie zo ernstig verstoord is (vechtscheiding of kind wil niets met één van de ouders te maken hebben/ is daar bang voor) dat dit niet uitvoerbaar is. Antwoord: Het college (in dit geval het lokale team) onderzoekt wat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of ouders zijn. Indien een jeugdige geen of verstoord contact heeft met de andere uitwonende ouder zijn de eigen mogelijkheden van deze ouder in relatie tot het zelf bieden van gebruikelijke hulp aan de jeugdige beperkt. In elke casus wordt onderzocht welke mogelijkheden er vanuit het netwerk zijn. Op het moment dat de jeugdige of ouders zelf aantoonbaar geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en

probleemoplossend vermogen (eigen kracht) kunnen zij in aanmerking komen voor een individuele voorziening. 2. In artikel 8 lid 2 vervolgens “kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen” wat als gevolg kan hebben dat er geen zorg geboden wordt en de (geestelijke) gezondheid van het kind verder verslechterd dan nodig was (met alle mogelijke gevolgen op latere leeftijd van dien). In hoeverre maakt u ook die inschatting bij het besluit om geen voorziening te verstrekken. Antwoord: Als de jeugdige en/of ouders, binnen hun mogelijkheden, niet meewerken aan het onderzoek kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet door het college worden vastgesteld. Dit betekent dat het college een beslissing moet nemen op basis van de wel beschikbare informatie, waardoor dit kan betekenen dat er geen individuele voorziening wordt verstrekt, een lagere omvang wordt vastgesteld of een eerder toegekende individuele voorziening wordt ingetrokken. Kortom; het college maakt, ook bij het ontbreken van medewerking van de ouders en de jeugdige, een inhoudelijke afweging op basis van de beschikbare informatie. 3.

Hoe passen we eigen kracht (en dus geen vergoeding/ verhaal op ouders) toe als de verwijzing door de huisarts of rechter is geïnitieerd? Ouders worden dan mogelijk verrast door de kosten? Antwoord: Volgens artikel 2.6 lid 1e van de Jeugdwet dient jeugdhulp ook toegankelijk te zijn na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Voor de andere wettelijke verwijzers (zoals rechters) is artikel 2.4 lid 2b van de Jeugdwet van toepassing. Het college gaat ervan uit dat de betrokken professional een besluit tot jeugdhulp noodzakelijk heeft geacht. Het college past het artikel ‘Eigen kracht’ van de verordening niet toe na verwijzing door derden zoals een huisarts of rechter. 4. Wordt vaktherapie (apart artikel 5c) inmiddels door het college als “doeltreffend” gezien, met het oog op artikel 7 lid 3 en de twijfel bij college en raad toen een paar jaar geleden bij wijze van proef tot vergoeden van vaktherapie besloten werd? In dat verband verwijzen we ook naar de RIB van 16-4-2024 waarin u zelf schrijft “De conclusie was dat met name in ‘behandeling licht en midden’ vaktherapie in bepaalde gevallen een toegevoegde waarde had en daarom een aanvulling is op het (regionale) zorglandschap.”.

En in het verlengde; vind u dat deze zorg dan ook thuishoort onder “Eigen Kracht” conform artikel 5a lid 2? Antwoord: In de raadsinformatiebrief van 16 april 2024 wordt ingegaan op de opbrengsten van de pilot inzake beeldende therapie van één aanbieder. Daarin werd de vaktherapeutische inzet als positief en behulpzaam ervaren. De vaktherapeutische zorg valt niet onder het begrip ‘gebruikelijke hulp’, omdat dit zorg van een professional betreft. Wel wordt in het kader van de eigen mogelijkheden van ouders en de jeugdige verwacht dat zij, waar mogelijk, eerst de aanvullende verzekering aanspreken in het geval van vaktherapeutische inzet. Vaktherapie is op dit moment geen effectief bewezen interventie. Gemeenten kunnen beslissen dat zij in beginsel geen vaktherapie aanbieden. Jeugdhulp waarvan de effectiviteit niet is aangetoond wordt namelijk, conform artikel 7 lid 3, niet verstrekt door het college indien in die specifieke situatie een andere beschikbare individuele voorziening meer passend of eveneens passend is. Het college heeft ervoor gekozen dat alle beschreven vaktherapeutische disciplines alleen kunnen worden ingezet vanuit

de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar.

Verordening WMO 1. Hoe weegt u het primaat van verhuizen indien de hulpvragende niet de enige bewoner is en de andere bewoners niet willen verhuizen (bv vanwege ligging of aard van de woning, gezinssituatie zoals opgroeiende kinderen, etc…). En in hoeverre kunt u dit vereisen als er sprake is van een eigen woning (u tast dan namelijk het eigendomsrecht aan)? Antwoord: Het lokale team gaat altijd in gesprek met de inwoner (en indien nodig de medebewoners) en doet een uitgebreid onderzoek naar de woonsituatie van de inwoner voor het tot een beoordeling komt. Hierbij wordt er gekeken naar de verschillende factoren zoals benoemd in Artikel 6b lid 2 a t/m l. Als iemand niet wil verhuizen dan kan het college de inwoner niet verplichten (zie de factoren onder lid 2.k). Dit betekent dat de wil van de inwoner, naast de eerdergenoemde factoren meeweegt in de beoordeling of een woningaanpassing de goedkoopst adequate oplossing is. Stel het primaat van verhuizen is toe te passen omdat de gemeente beoordeelt dat op basis van alle factoren behalve lid 2.k een verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is, maar de inwoner wil dit niet, dan zal de gemeente niet overgaan tot een woningaanpassing. Dit geldt voor zowel een huur- als koopwoning. 2.

Nav artikel 7 lid 6i “..de inwoner een Wlz-indicatie heeft en op de wachtlijst staat voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz”; hanteert u hierbij een maximale wachttijd, bv als de wachtlijst langer is dan 6 of 12 maanden? Wellicht afhankelijk van de impact / kosten van de voorziening? Antwoord: Op grond van artikel 7 lid 6.i zal het college geen woonvoorziening verstrekken. We hanteren hierbij geen maximale wachttijd. Dit is maatwerk en elke situatie is weer anders. We streven ernaar om dit in goede banen te leiden. Hierbij is de Wlz voorliggend op de Wmo 2015. 3. Hoe is geregeld indien de woningaanpassing een zodanige omvang heeft, dat de woning ook vergroot moet worden (bv een speciale eigen slaapkamer en badkamer op begane grond waar in de bestaande woning geen ruimte voor is), wat ook de woningwaarde zal vergroten resp. de WOZ-waarde verhoogt? Antwoord: Als de woningaanpassing van een koopwoning een zodanige omvang heeft dan kan het zijn dat dit invloed heeft op de woningwaarde en de WOZ-waarde van de woning. Deze kosten dan wel baten komen voor rekening van de inwoner. 4.

Zijn er criteria gesteld aan wie de clientondersteuning kan verlenen (die op grond van artikel 2 lid 2 gratis is)? Moet dat altijd bij MEE of kan dat ook elders gevraagd worden? Met name als er sprake is van woningaanpassing of verhuizen zal de clientondersteuning ook de nodige (financiële en/of juridische) expertise moeten hebben om de inwoner goed te ondersteunen en is het de vraag of MEE dan die expertise kan bieden (een makelaar of financieel specialist is dan misschien logischer)? Antwoord: De diensten van de onafhankelijke cliëntondersteuning MEE worden gratis verstrekt vanuit de gemeente. De inwoner is vrij om op eigen kosten gebruik te maken van een andere onafhankelijke

cliëntondersteuner. De cliëntondersteuner helpt de inwoner bij het regelen van zorg en ondersteuning. Benodigde juridische of financiële expertise die buiten de expertise van MEE ligt is voor eigen kosten van de inwoner. De gemeente biedt wel de mogelijkheid om gebruik te maken van de voorliggende ingekochte voorzieningen, zoals het sociaal loket of een sociaal raadslid. Zij hebben veel kennis en expertise in huis op de juridisch en financieel vlak om de inwoner te helpen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15133125/1