CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

240529 Beantwoording Technische vragen - RVB - Bestemmingsplan Gein Noord Abcoude

Politieke commissie 22 mei 2024, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel verklaring van geen bedenkingen voor een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning aan de Gein-Noord in Abcoude1.737 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college:

Categorie:

A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 39 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) B C. Technische vragen overig

Naam indiener: Yvonne van den Heerik Fractie: Ronde Venen Belang (RVB) Datum van indienen: 23-5-2024 Onderwerp: VVGB plattelandswoning Gein-Noord 61 In te vullen door organisatie Portefeuillehouder: Huib Zevenhuizen Datum beantwoording: 29-5-2024 Vragen naar aanleiding van behandeling tijdens de politieke commissie van 22 mei 2024. Ambtelijke toelichting In de politieke commissie Wonen en Ruimte van 22 mei 2024 is de VVGB voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het gebruiken van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning aan Gein-Noord 61 te Abcoude besproken. Naar aanleiding van de vragen van o.a. de heer Schreurs en mevrouw Van den Heerik is door de portefeuillehouder toegezegd schriftelijk een technische toelichting te geven op de maximale planologische mogelijkheden, artikel 4 geurbeleid en afstanden, en op de conclusies van de onderzoeken. De vragen van mevrouw Van den Heerik zijn ook schriftelijk ingediend, en worden hieronder beantwoord. Met deze beantwoording zijn ook de toezeggingen afgehandeld. Inleiding mevrouw Van den Heerik In het kader van de vraag of hier omzetting naar een plattelandswoning kan worden vergund, dient de raad te beoordelen of er sprake is , ter plaatse, van een aanvaardbaar woon –en leefklimaat. Bij die beoordeling dient te worden onderzocht de geluid-, geur, en fijnstofbelasting opdat een goede afweging kan worden gemaakt.

Er zijn op deze 3 punten berekeningen uitgevoerd en deze rapporten zijn, na verzoek daartoe, ook aan de raad toegezonden. Het is vaste jurisprudentie dat bij het berekenen van opgemelde waarden moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het bedrijf waartoe de woning behoort. Daarnaast moet, conform vaste jurisprudentie, de luchtkwaliteit voldoen aan de Europese richtlijn 2008/50/EG. Uit het rapport met betrekking tot de geurhinder volgt dat deze ter plaatse van de betreffende woning, bij de twee gevolgde /gehanteerde berekeningswijzen uitkomt op:

“zeer slecht woon-en leefklimaat” en in de andere berekening op “extreem slecht woon – en leefklimaat". In onze gemeente is de Verordening lokaal geurbeleid van kracht. De Raad van State heeft met betrekking tot fijnstof de grenswaarde bepaald op PM 2.5. Het college meent als advies aan de raad mee te moeten geven dat voor de omzetting door de raad een VVGB kan worden afgegeven, omdat sprake zou zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vragen: 1. In geen van de 3 berekeningen wordt aangegeven dat daarbij is voldaan aan de verplichting om bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, de maximale planologische mogelijkheden van het bedrijf waartoe de woning behoort, mede in die berekening te betrekken. Als dat wel heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat dan (in de tekst van de rapporten)? -

-

-

Voor een goede ruimtelijke ordening moet aandacht worden besteed aan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Om dit te voorkomen moet tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige bestemmingen (zoals woningen) voldoende afstand in acht genomen worden. Voor het bepalen van deze afstanden wordt getoetst conform de VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) en de Wet milieubeheer. De te hanteren richtafstanden worden gemeenten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming (kan de perceelgrens zijn) tot de uiterste situering van de gevel van de woning. Bij uitbreiding van het bedrijf zal de afstand niet veranderen en is in die zin ook rekening gehouden met de planologische mogelijkheden. De Wet plattelandswoning biedt de mogelijkheid om een bestaande bedrijfswoning op een agrarisch perceel te gebruiken voor bewoning door een derde. Door deze wet kunnen panden bewoond worden die normaal gesproken niet aan de eisen van een (burger)woning voldoen. Voor woningen geldt namelijk dat zij aan allerlei regels met betrekking tot geur- en geluidoverlast en luchtkwaliteit moeten voldoen. Daarnaast stelt regelgeving vaak voorwaarden aan de minimale afstand die tussen een woning en een agrarisch bedrijf aanwezig moet zijn. Voor plattelandswoningen is daar met deze wet een uitzondering op gemaakt.

Bij het opstellen van de rapportages is uitgegaan van richtlijnen die daarvoor gelden. De beoordeling van de rapporten is dan ook gericht op controle of de juiste richtlijnen en methodes zijn toegepast en aan de hand daarvan de juiste conclusies zijn getrokken. Daarvan is bij de aangeleverde rapporten sprake. Het rapport geluid is op enkele punten op advies van de Odru aangevuld, waarna ook dat rapport akkoord is bevonden.

2. Waaruit blijkt dat bij het rapport met betrekking tot de luchtkwaliteit de Europese richtlijn daarin is meegenomen bij de berekeningen? -

De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 (titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (AMvB's) en ministeriële regelingen. De kern van titel 5.2 Wm bestaat uit luchtkwaliteitsnormen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen door Europese richtlijnen, namelijk: het beoordelen van luchtkwaliteit, rapportage en maatregelen.

3. Diezelfde vraag graag beantwoorden met betrekking tot fijnstof op basis van de uitspraak van de Raad van State 13 juli 2016. -

Bij het opstellen en de beoordeling van het rapport is dit meegenomen. Aangezien op basis van jurisprudentie (Raad van State 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236) en Europese richtlijnen er geen juridische mogelijkheden zijn om flexibeler om te gaan met de luchtkwaliteitseisen bij plattelandswoningen (in tegenstelling tot de aspecten geur en geluid) moeten de rekenresultaten getoetst worden aan de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de luchtkwaliteit. In het rapport is hierop getoetst. Het rapport concludeert dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4. Op welke wijze en waar blijkt dat wordt voldaan aan de vigerende Verordening lokaal geurbeleid, dat daaraan is getoetst en wat de uitkomst was van die toetsing? -

-

-

De onderzoeken voor het aspect geur en geluid zijn door de ODRU beoordeeld op de geldende wet- en regelgeving. Hierbij wordt de datum van de aanvraag gehanteerd als peildatum voor geldende wet- en regelgeving. Voor geur en geluid gelden geen wettelijke eisen bij de beoordeling. De gemeente geeft op basis van haar beleid aan wat zij acceptabel vindt en wat niet. In de praktijk worden de normen soepeler gehanteerd dan bij een burgerwoning het geval is. Daarnaast zijn voor melkkoeien geen geuremissiefactoren vastgesteld. Het rapport voldoet aan de met de gemeente afgesproken lijn. Eerder is samen met de gemeente afgesproken om bij plattelandswoningen de volgende lijn te hanteren in verband met aanvaardbaar woon- en leefklimaat: - Als stallen waarin melkrundvee of paarden (vaste afstandsdieren) worden gehouden op meer dan 25 meter afstand zijn gelegen van woningen van derden (buiten bebouwde kom) dan is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat (er is dan geen geurberekening nodig). - Als melkrundveestallen op minder dan 25 meter van woningen van derden zijn gelegen dan moet een geurberekening worden gemaakt met V-Stacks Vergunning waarbij emissiefactor 35,6 wordt gebruikt.

- Acceptabel woon- en leefklimaat bij: o Niet concentratiegebied maximaal 8 ouE/m3 (bebouwde kom) / 20 ouE/m3 (buiten bebouwde kom) o Concentratiegebied maximaal 14 ouE/m3 (bebouwde kom) / 35 ouE/m3 (buiten bebouwde kom) De afstand van 25 meter wordt niet gehaald. Uit de berekening in het rapport blijkt dat de geurbelasting 17,6 ouE/m3 zal zijn. Er wordt dus onder de 20 ouE/m3 gebleven. Er wordt daarmee voldaan aan de te hanteren lijn. Hierbij wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5. De geurhinder leidt tot de uitkomst dat het woon- en leefklimaat hier bestempeld moet worden als “zeer slecht” en “extreem slecht". Toch is het advies van het college aan de raad dat hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Zijn er volgens het college nog voorstelbare mogelijkheden in voorkomende toekomstige gevallen en

verzoeken om bij soortgelijke uitkomsten van een extreem slecht of zeer slecht woon- en leefklimaat , de omzetting, en anders dan hier wordt geadviseerd, toch te weigeren, immers slechter dan “extreem slecht” kan het niet worden en dan zal dat moeten leiden tot het, op basis van deze casus, altijd bij een soortgelijke uitkomst moeten vergunnen van de omzetting (precedent werking?) -

-

De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien maar is gerelateerd aan de omgeving. De beleving van de aanduidingen “zeer slecht” en “extreem slecht" sluit het beste aan bij woongebieden. Voor burgerwoningen gelden wettelijke eisen. Dat is niet het geval voor plattelandswoningen. De Wet plattelandswoningen maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk. Dit kan zonder belemmeringen in de bedrijfsvoering voor het agrarisch bedrijf waar de woning toe behoorde. De gemeente maakt een afweging of een plattelandswoning wenselijk is. Zij bepaalt of er ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien bij toekomstige aanvragen van plattelandswoningen wordt voldaan aan de te hanteren lijn voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal daar ook medewerking verleend worden mits aan de overige voorwaarden voldaan wordt.

6. In de concept vergunning wordt gemeld dat in eerste instantie om een tijdelijke vergunning tot omzetting is verzocht en dat deze ook verstrekt had kunnen worden, maar dat de aanvrager de vergunning nadien heeft verzocht te willen wijzigen in een permanente omzetting. Op grond van welke regelgeving is hier gemeld en opgenomen dat een tijdelijke vergunning zou (kunnen) zijn verstrekt, is dat o.g.v. de zgn . Kruimelgevallen regeling? Zo ja, had die regeling daadwerkelijk tot afgifte zoals in de concept vergunning gemeld kunnen leiden? Op grond van welk artikel? -

Medewerking zou dan verleend kunnen worden op grond van Wabo, artikel 2.12 lid 1,onder a onder 2°: in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, volgens Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), artikel 4 lid 11 voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. De aanvraag was in eerste instantie bedoeld om de tijd te overbruggen totdat een nieuw bestemmingsplan was vastgesteld.

7. En als op bovenstaande vraag bevestigend wordt geantwoord, is die tijdelijke vergunning dan niet al van rechtswege verleend destijds (lex silentio positivo)? -

Nee, toen bleek dat er geen nieuw bestemmingsplan opgesteld zou worden is op verzoek en in overleg met gemachtigde de aanvraag omgezet naar een aanvraag voor permanente vergunning waarvoor de uitgebreide procedure geldt, artikel 2.12 lid 1, onder a onder 3°. Omdat de aanvraag gewijzigd is naar een aanvraag volgens de uitgebreide procedure kan de vergunning niet meer van rechtswege ontstaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14209261/2