240523 Reactie naar aanleiding van inspraak commissie 22 mei 2024 - Gein-Noord 61 te Abcoude (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Geachte raadsleden, Naar aanleiding van de behandeling gisteravond in uw raadscommissie wil ik namens nog graag reageren op enkele van de gestelde vragen en zo nodig tekst en uitleg geven. Door een van de raadsleden werd min of meer de vraag gesteld of er wellicht een financieel motief was bij
, omdat een plattelandswoning in de markt meer waard zou (kunnen)
zijn dan een 2° agrarische bedrijfswoning. Ik had u al medegedeeld dat het naastgelegen agrarische bedrijf in de koopovereenkomst met
een recht van eerste koop heeft gekregen
op deze woning. Bij dit recht van eerste koop is expliciet overeengekomen dat de woning dan gewaardeerd moet worden als agrarische bedrijfswoning en dus niet als plattelandswoning of burgerwoning. Op zich ook niet onlogisch want wettelijk blijft de 2° bedrijfswoning fictief behoren bij het agrarisch bedrijf, zoals in artikel 1.1a lid 1 van de Wabo als volgt is bepaald:
"Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald." Financieel is er dus absoluut geen gewin voor
ij het toestaan van het gebruik
als plattelandswoning. Sterker nog: deze hele kwestie heeft haar inmiddels heel veel geld gekost. Maar zij heeft uiteraard een zwaarwegend
belang bij het in overeenstemming brengen van het
planologisch toegestane gebruik met het feitelijke (al vele jaren bestaande) gebruik en daarmee legalisering als plattelandswoning, voor welke specifieke situatie nu juist en uitdrukkelijk in 2012 de Wet plattelandswoningen in het leven is geroepen. En dan is de vraag of er na verlening van de gevraagde omgevingsvergunning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of belangen van derden worden geschaad. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 29 juli 2015, ECLI:NI:RVS:2015:2364), wordt met de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat in een geval als dit, beoogd zowel de belangen van de omwonenden
bij een aanvaardbaar woon- en
leefklimaat als de belangen van agrarische bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Zoals de Afdeling verder in die uitspraak heeft overwogen, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om de planologische status en niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning bepalend te laten zijn voor bescherming tegen milieuhinder. Indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie van deze inrichting. De inrichting wordt op deze manier niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd door het
gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Het college dient een eigen afweging te maken over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning (uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:820). Over fijnstof kan ik mededelen dat terecht aan PM10 is getoetst in een “worst case scenario” en verwijs ik naar de volgende conclusie uit het verrichte onderzoek, zoals ook door de ODRU
is
getoetst en geaccordeerd:
“Uit de rekenresultaten blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Er is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en de belangen van de veehouderij worden niet geschaad. Het aspect fijn stof vormt geen belemmering voor het plan.” De in de Wet milieubeheer opgenomen normen vioeien trouwens voort uit de Europese richtlijn. Een andere kwestie was de vraag hoe deze aanvraag zich verhoudt tot de structuurvisie, waarbij een stuk uit de structuurvisie werd geciteerd. Dat betreft echter de mogelijkheden na bedrijfsbeéindiging van de agrarische functie van de bouwkavel en hier is helemaal geen sprake van bedrijfsbeéindiging, maar van een vele jaren geleden overeengekomen en gerealiseerde afsplitsing van de 2° agrarische bedrijfswoning. Voor een dergelijke afsplitsing staat op p. 52 van de structuurvisie nadrukkelijk
het
volgende:
“De mogelijkheden van de Wet plattelandswoningen worden benut om onnodige belemmeringen voor omliggende agrarische bedrijven te voorkomen.” De aanvraag van
is derhalve juist geheel conform de structuurvisie en uw
beleid. Een volgende kwestie was de vraag hoe deze aanvraag zich verhoudt tot artikel 4 van de geurverordening en de daarin genoemde afstand van minimaal 25 meter. In artikel 4 lid 3 is evenwel uitdrukkelijk bepaald dat artikel 4 lid 1 van deze verordening alleen van toepassing is op geurgevoelige objecten die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als zodanig bestemd zijn. De woning van
is en blijft bestemd als 2° agrarische
bedrijfswoning en is dus geen geurgevoelig object in de zin van artikel 4 lid 1 van de geurverordening en dus is die 25 meter in dit geval niet van toepassing. En de Wet plattelandswoningen heeft ook uitdrukkelijk bepaald dat het wijzigen van het gebruik als plattelandswoning er niet toe leidt dat deze woning dan een geurgevoelig object wordt, maar planologisch wordt beschouwd als behorend bij het agrarische bedrijf. Dat de afstandsnorm van minimaal 25 niet van toepassing is op een afgesplitste bedrijfswoning is ook meer dan logisch, want de Wet plattelandswoningen zou anders volkomen zinloos zijn omdat elke (ook 2°) agrarische bedrijfswoning binnen het agrarische bouwblok is gesitueerd en dus per definitie binnen 25 meter van het agrarische bedrijf. Dit laat evenwel onverlet, dat in het kader van de toets of sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat
wel op geur(hinder) moet worden onderzocht, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van het verrichte geuronderzoek, zoals ook door de ODRU
is getoetst en geaccordeerd.
En verder werd nog zonder verdere onderbouwing en zonder enig schriftelijk stuk hieromtrent opgeworpen dat het agrarische bedrijf zou hebben laten weten tegen de omgevingsvergunning plattelandswoning te zijn en dat dat reden zou kunnen zijn om te weigeren. Thans ligt de aanvraag van
voor en in het kader van de behandeling van deze aanvraag zal uiteraard
een integrale belangenafweging moeten plaatsvinden. De zwaarwegende belangen van zijn evident, terwijl door of voor het agrarische bedrijf nog geen begin van bewijs is aangevoerd of geleverd dat de agrarische bedrijfsvoering op enigerlei wijze zou worden belemmerd of geschaad als de woning van
een plattelandswoning wordt. En zoals
bovenstaand aangevoerd voorziet de Wabo uitdrukkelijk in bescherming van de agrarische bedrijfsvoering ingeval van een plattelandswoning en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dat ook nadrukkelijk bevestigd door te oordelen dat een voormalige agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning in planologisch opzicht nog steeds deel uitmaakt van de inrichting en niet wordt beschermd tegen de milieuemissie van deze inrichting, waardoor de inrichting niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Kortom, er zijn ook totaal geen nadelige gevolgen voor het naastgelegen agrarische bedrijf als de woning van
een plattelandswoning wordt conform het langdurig aanwezige
feitelijke gebruik. Dit betekent dat de omgevingsvergunning dan ook niet kan worden geweigerd op de grondslag dat het agrarische bedrijf er simpelweg zonder daarbij enig belang te hebben op tegen
zou zijn. Ik kom tot de conclusie dat de aanvraag van
overeenkomstig uw beleid is en
strekt tot een goede ruimtelijke ordening, omdat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is aangetoond en geen belangen van derden worden geschaad. Namens
hoop ik dat aan de voortdurende lijdensweg van haar spoedig een
einde komt, om te beginnen met een verklaring van geen bedenkingen van uw raad, want uw behandeling gisteravond en helaas opnieuw uitstel trekken opnieuw een zware wissel op haar gezondheid. Uiteraard zijn het bovenstaande en/of nader overleg.
Met vriendelijke groet,
advocaat
Postbus 9104
en ik altijd graag bereid tot een nadere toelichting op
t f e
i
www.dgdvf.nl
De Groot Douma Vosmeijer & Frantzen advocaten dan wel DGDV&F is de gemeenschappelijke handelsnaam van de Groot Douma Vosmeijer advocaten B.V. (KVK nr. 67425240) en Frantzen advocaten B.V. (KvK nr. 33258936) Frantzen advocaten is de enige opdrachtnemer van alle werkzaamheden. Op onze dienstverlening zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, waarin een beperking van onze aansprakelijkheid is opgenomen. Deze algemene voorwaarden zijn te lezen en uit te printen van onze website
www.dgdvf.nl. Op uw eerste verzoek zal u gratis een exemplaar worden toegezonden. De informatie verzonden met dit e-mailbericht is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde[n] en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten, beschermd door een beroepsgeheim. Gebruik van deze informatie door anderen dan de geadresseerde[n] en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is verboden. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en / of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan en wordt u verzocht dit bericht terug te sturen en het origineel te vernietigen. Uw persoonsgegevens worden uitsluitend en alleen gebruikt voor het uitvoeren van uw opdracht. Wij delen uw gegevens niet met derden ten behoeve van wervings- of reclameactiviteiten en dergelijke. This message and its attachments may contain confidential and privileged communications from the law firm of de Groot Douma Vosmeijer. The information is intended to be for the use of the addressee only. If it has been sent to you in error, please reply to advise the sender of the error and then immediately delete this message. Frantzen advocaten is the sole contractor of all proceedings. Our general terms and conditions shall apply, which include a limited liability.
At your request, the general terms and conditions will be forwarded, free of charge; they can also be accessed at
www.dgdvf.nl. Le présent message (ainsi que les éventuels documents qui y sont attachés) peut contenir des informations ou données confidentielles et légalement protégées. II(s) s'adresse(nt) exclusivement au(x) destinataire(s) nommément désignés. Si le message vous est parvenu par erreur, nous vous prions aimablement de bien vouloir procéder sans délai a sa destruction et de prévenir immédiatement l'expéditeur. Frantzen advocaten est seule preneuse d’ordres de tous travaux. Nos conditions générales s'y appliquent et prévoient une clause limitative de responsibilité. Les conditions générales sont envoyées gracieusement sur simple demande; elles sont également
consultables sur le site www.dgdvf.
ni.
P Please consider your environmental responsibility - think before you print!