240412 Bijlage inspraakreactie mevr. Meijers - Procesaanpak vastgesteld door Bestuurlijke Begeleidingsgroep 20210614 (002). (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
procesaanpak gebiedsverkenning polders Waardassacker, Botshol en Nellestein
Opgesteld door de gebiedspartners: • Agrarische ondernemers • Natuurmonumenten • Gemeente De Ronde Venen • Waterschap Amstel Gooi en Vecht • Collectief Rijn Vecht & Venen • Provincie Utrecht
2
Inhoudsopgave Samenvatting ........................................................................................................................................ 4 1.
2.
3.
4.
Inleiding .......................................................................................................................................... 6 1.1
Ambitie.................................................................................................................................... 6
1.2
Gebiedspartners en afbakening van het gebied .............................................................. 6
1.3
Gebiedsproces ...................................................................................................................... 7
1.4
Wat is er al gedaan: voorverkenning ................................................................................. 8
Procesmatige aanpak van de gebiedsverkenning ................................................................. 10 2.1
Geen project maar een proces ......................................................................................... 10
2.2
Bepalen van de doelen ...................................................................................................... 10
2.3
Gezamenlijke planvorming ................................................................................................ 10
2.4
Convenant............................................................................................................................ 12
Organisatie van het gebiedsproces ......................................................................................... 13 3.1
Gebiedspartners ................................................................................................................. 13
3.3
Gebiedscommissie Utrecht-West /Programmabureau Utrecht-West ......................... 15
3.4
Projectgroep ........................................................................................................................ 16
3.5
Bestuurlijke Begeleidingsgroep ........................................................................................ 17
Gebiedsontwikkelplan ................................................................................................................ 18 4.1
Waarom een gebiedsontwikkelplan? ............................................................................... 18
4.2
Planhorizon .......................................................................................................................... 18
4.3
Doelen .................................................................................................................................. 18
4.4
Doorlooptijd van de gebiedsverkenning .......................................................................... 19
4.5
Inhoud van het gebiedsontwikkelplan.............................................................................. 19
4.5.1
Keuze van de thema’s.................................................................................................... 19
4.5.2
Inhoud van de thema’s in het gebiedsontwikkelplan ................................................... 20
4.5.3
Beperken emissie CO2 uit veen en met de bedrijfsvoering ........................................... 20
4.5.4
Reductie stikstof emissie en depositie op het Natura 2000 gebied Botshol................. 23
4.5.5
Verbetering agrarische bedrijfsstructuur ...................................................................... 26
4.5.6
Versterken natuur en vergroten biodiversiteit ............................................................. 28
4.5.7
Productie van duurzame energie .................................................................................. 30
4.5.8
Economische duurzaamheid van het gebied................................................................. 31
3
Samenvatting Het initiatief Elf agrariérs, Natuurmonumenten,
Venen,
Collectief
Rijn
Vecht
en
Waterschap Amstel Gooi en Vecht, gemeente
Venen
en
de
provincie
Utrecht
gaan
De Ronde
gezamenlijk
een
gebiedsontwikkelplan maken om de agrarische bedrijven en de polders Waardassacker, Botshol en Nellestein toekomstbestendig te maken. Dit willen ze bereiken door middel van een integraal gebiedsproces. Een gebiedsproces vanuit het gebied zelf biedt perspectief op een gedragen, integraal plan waarmee ook maatschappelijke vraagstukken dichter bij een
oplossing komen.
Gebiedsontwikkelplan Er is voor gekozen
om een gebiedsontwikkelplan te maken
in plaats van een gebiedsplan.
Daarmee is duidelijk dat het gebied in ontwikkeling is en niet uitontwikkeld als er eenmaal een plan op tafel ligt. Om wel concreet te blijven, kiezen de gebiedspartners ervoor om 2030 als planhorizon te gebruiken met een doorkijk naar de jaren daarna. Tijdens het gebiedsproces bepalen de gebiedspartners doelen voor verschillende thema’s. Bij het bepalen van die doelen wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met beleid- en regelgeving die als het ware ‘boven de markt hangt’. Tegelijkertijd worden de doelen bepaald met het oog op duurzame, toekomstbestendige en leefbare polders die bijdragen aan de
biodiversiteit, het behalen van klimaatdoelen
en waar het economisch goed boeren is.
D
Ci
O Nim
De volgende thema’s staan centraal in het gebiedsproces:
Reductie bodemdaling en COz emissie
Reductie stikstof emissie en depositie op het Natura 2000 gebied Botshol
Verbetering agrarische bedrijfsstructuur
Versterken natuur en vergroten biodiversiteit
Productie van duurzame energie Economische duurzaamheid van de agrarische bedrijven
Veel |van deze thema’s hebben een relatie met elkaar. Het gebiedsontwikkelplan wordt daarom
een integraal plan, waarbij maatregelen met elkaar worden gewogen om een optimaal resultaat te behalen. Het bepalen of het zoeken van een verdienmodel voor de agrarische ondernemers is een apart punt (economische duurzaamheid),
thema.
maar maakt deel uit van ieder
Organisatie van het gebiedsproces De gebiedspartners zetten zich in om met ideeén en plannen te zoeken naar het toekomstbestendig maken van de polders en de bedrijven. Deelname aan het proces gebeurt op basis van vrijwilligheid. Het al dan niet onderschrijven van het gebiedsontwikkelplan is uiteindelijk de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van elke individuele gebiedspartner. Maar vrijblijvend is de deelname niet. De gebiedspartners zijn elk mede verantwoordelijk voor het tot stand brengen van een integraal en gedragen gebiedsontwikkelplan. Dat houdt in dat de
organisaties,
overheden
en individuele
ondernemers
een
positieve
inbreng
geven
zoeken naar maatregelen die bijdragen aan wederzijdse en combinatie voordelen.
om
te
De Gebiedscommissie Utrecht-West faciliteert het gebiedsproces en zal de provincie daarover adviseren. Het Programmabureau Utrecht-West begeleidt het proces.
Het
praktische
werk
vindt
voor
een
belangrijk
deel
plaats
in
een
projectgroep.
Alle
gebiedspartners zijn daarin vertegenwoordigd. De projectgroep houdt overzicht over de gebiedsverkenning. De leden zijn ook verantwoordelijk voor een actieve betrokkenheid van
hun achterban en te zorgen dat informatie van en naar hun achterban op de juiste plek terecht komt. Een bestuurlijke begeleidingsgroep ondersteunt het gebiedsproces. Deze groep bestaat uit bestuurlijke vertegenwoordigers van de gebiedspartners. De provincie heeft hierin een adviserende functie. Uiteindelijk is het de bestuurlijke begeleidingsgroep die het gebiedsontwikkelplan met een advies voorlegt aan de Gebiedscommissie Utrecht-West, nadat de afzonderlijke gebiedspartners hun standpunt over het plan hebben kenbaar gemaakt. De Gebiedscommissie stuurt het plan vervolgens naar de provincie ter vaststelling.
5
1. Inleiding 1.1
Ambitie
Wij, gebiedspartners in de polders Waardassacker, Botshol en Nellestein willen gezamenlijk een gebiedsontwikkelplan maken om de agrarische bedrijven en de polders toekomstbestendig te maken. Dit willen we bereiken door middel van een integraal gebiedsproces. Een gebiedsproces vanuit het gebied zelf biedt perspectief op een gedragen, integraal plan waarmee ook maatschappelijke vraagstukken dichter bij een oplossing komen. Het doel is om te komen tot duurzame, toekomstbestendige en leefbare polders waar het goed boeren is, ook financieel, met een planhorizon tot 2030 met een doorkijk naar de jaren tot 2050. Wij detecteren momenteel uitdagingen en kansen op het gebied van agrarische bedrijfsstructuur en inkomen, bodemdaling, energie, natuur en biodiversiteit, klimaat (CO2) en milieu (water en stikstof). En willen deze graag vanuit een integrale visie oppakken. We kiezen er in deze procesaanpak bewust voor om ‘toekomstbestendig’ niet te definiëren aan het begin van het proces. Samen willen we gaandeweg het proces bepalen wat die toekomstbestendigheid is. Leeswijzer: In dit hoofdstuk worden de context en voorgeschiedenis beschreven, waarna hoofdstuk 2 inzoomt op de procesaanpak. In hoofdstuk 3 is de organisatie van het gebiedsproces beschreven. De thema’s zijn in hoofdstuk 4 weergegeven, met de praktische aanpak en de kaders waar we rekening mee houden.
1.2
Gebiedspartners en afbakening van het gebied
Gebiedspartners hebben de handschoen opgepakt om het gebiedsontwikkelplan te maken: • 11 Agrariërs • Vereniging Natuurmonumenten • Waterschap Amstel Gooi en Vecht • Gemeente De Ronde Venen • Collectief Rijn Vecht en Venen • Provincie Utrecht De gebiedspartners zien het als een uitdaging om een door alle partners gedragen gebiedsontwikkelplan te maken. De gebiedsverkenning concentreert zich op de polders Waardassacker, Botshol en Nellestein. De uitdagingen en kansen die we in paragraaf 1.1 hebben benoemd beïnvloeden de functies in het voornamelijk agrarisch gebruikte gebied, het natuurgebied van Botshol en het tussenliggende gebied. Om die reden hebben we de begrenzing gekozen zoals in figuur 1 is weergegeven. Het is mogelijk dat in het verloop van het proces ook de overige vier agrariërs uit het gebied, gebiedspartners van elders of grond van buiten deze polders een rol gaan spelen in het proces. Het gebied zoals in figuur 1 is weergegeven blijft centraal staan.
6
t
:
©
eles
;
/
‘
A
Pins
™
—
\
a*
a
.
yw
.
‘
’
i
L/D)ie
-
i =
Bs
Py
>
ay
a
i
tee
M
sé
-
‘
»
“ *
aX:
‘
|
>
%
oe s
;
,
el
mt) /f
2 -
‘ >
-
s
ew tee : a8 eerie ‘ , S APT oy st ,>
S:aA&
.
ae
“If.
4
¥
3
Tai,
te
e at + at sae”
. .z
>
“
PA
7°
>i
eee
he ee
a
“as
el
% pc
Si)
ee’ :
i
| iy |
,
or
™S
LM
|
\ By}
x
\
A
vy
oh
he
:
4
aie i
5
e)
ry
*5 le
4
¢
“ >
z
os
ie.
:
-
7
-
4
\
|
=
Figuur 1: Afbakening gebied en deelnemende agrarische bedrijven
1.3
Gebiedsproces
Voor het gebiedsproces volgen we de fasering die is vastgesteld in de Leidraad Stikstof1 van de provincie Utrecht. In figuur 2 is de fasering weergegeven. Deze fases kunnen deels parallel lopen en iteratief zijn. Deze procesaanpak maakt deel uit van fase 1. In deze procesaanpak beschrijven we op hoofdlijnen de aanpak van het gebiedsproces met de rollen en verantwoordelijkheden van de gebiedspartners. Maar ook beschrijven we de uitgangspunten, uitdagingen en ambities die we met elkaar hebben in het gebied. Het is immers een proces waarin we samen zoeken naar de kansen en oplossingen. Deze procesaanpak beschrijft hoe we het gebiedsontwikkelplan tot stand willen brengen. 1. Startfase a. Vaststellen doelen, opgaven, uitgangspunten en kaders b. Organisatie voor het gebiedsproces op poten zetten c. procesaanpak (startdocument in Leidraad Stikstof) 2. voorverkenning 3. gebiedsverkenning Verdieping van de voorverkenning 4. Gebiedsuitwerking Voorbereiding van de uitvoering 5. Uitvoering Figuur 2: Fasering conform Leidraad Stikstof (provincie Utrecht, juni 2020)
1
Leidraad gebiedsgerichte aanpak Stikstof in de provincie Utrecht, 16 juni 2020, Provinciale Staten van Utrecht
7
1.4
Wat is er al gedaan: voorverkenning
In de tweede helft van 2019 heeft een groep boeren van ‘Polderkennis op Peil’ in de Waardassacker polder aan de Gebiedscommissie Utrecht-West gevraagd om met hen te verkennen op welke manier hun bedrijven en de polder toekomstbestendig gemaakt kunnen worden. Polderkennis op Peil is een aanpak waarin boeren, waterschappen en andere partijen onderling kennis uitwisselen om water- en bodemkwaliteit te verbeteren en het waterbeheer te verbeteren. Bijna tegelijkertijd heeft Natuurmonumenten in het kader van het Actieplan Duurzame Landbouw met Natuur aan Gebiedscommissie Utrecht-West gevraagd om in de polders Botshol en Nellestein de mogelijkheid te verkennen voor een gebiedsproces om te komen tot meer natuur op agrarische percelen (Groene Contour), passend bij de natuurdoelen in de omgeving. Aansluitend op deze vragen heeft de provincie Utrecht een adviesvraag gesteld aan de Gebiedscommissie Utrecht-West (d.d. 22 april 2020) of een eventueel nieuw te starten gebiedsproces in de Waardassacker polder gericht op het afremmen bodemdaling, reductie stikstofemissie en realisatie van de Groene Contour kansrijk is en hoe dat opgepakt kan worden. Naar aanleiding van deze verzoeken heeft de Gebiedscommissie Utrecht-West in 2019/2020 een voorverkenning2 gedaan in de polders Waardassacker, Botshol en Nellestein.
Er zijn gesprekken gevoerd met agrarische ondernemers in dit gebied, Natuurmonumenten, Waterschap Amstel Gooi en Vecht, gemeente De Ronde Venen, Gebiedscoöperatie Rijn Vecht en Venen en provincie Utrecht. Alle gebiedspartners hebben aangegeven dat het wenselijk is om het toekomstperspectief van de bedrijven en van de polders te verbeteren door knelpunten in het gebied op te lossen. De uitkomst van de verkenning is beschreven in de ‘voorverkenning, opstart gebiedsproces polder Waardassacker en Botshol’. Op 4 juli 2020 is de voorverkenning met een advies voor het vervolg door de Gebiedscommissie Utrecht-West aan GS van de provincie Utrecht aangeboden. Op hoofdlijnen geven de gebiedspartners in de voorverkenning het volgende aan: • We willen komen tot een verbetering van het toekomstperspectief van de polders. Hierbij is het de uitdaging om knelpunten op het gebied van agrarische bedrijfsstructuur en inkomen, bodemdaling, energie, natuurherstel en -ontwikkeling, klimaat (CO2) en milieu (water en stikstof) op te lossen. • We willen inspelen op de functies van de afzonderlijke delen in de polders. Het toepassen van een zonering (zie figuur 3) is dan een logische manier om hierin duidelijkheid te scheppen. • Met elkaar willen we zoeken naar wederzijdse en combinatie voordelen.
• Een bottom up gebiedsproces biedt het meeste perspectief om integrale oplossingen te formuleren en te realiseren. • We willen dat maatschappelijke doelen bereikt moeten worden in combinatie met het realiseren van een voldoende verdienmodel en toekomstperspectief voor de ondernemers in het gebied. Tevens is er in de voorverkenning een voorstel gedaan op hoofdlijnen voor de aanpak van het gebiedsproces. 2
voorverkenning Opstart gebiedsproces polder Waardassacker en Botshol, 5 juni 2020, Gebiedscommissie Utrecht-West
8
1
2
3
1. Natuurinclusieve agrarische bedrijven gericht op kringlooplandbouw. 2. Veehouderij met natuur (weidevogels). Samenwerking met agrarische bedrijven en Natuurmonumenten. 3. Natuurkern/Natura 2000 gebied beheerd door Natuurmonumenten. Hier staat de ontwikkeling van natuurwaarden op de eerste plaats.
Figuur 3: zonering uit de voorverkenning
9
2. Procesmatige aanpak van de gebiedsverkenning 2.1
Geen project maar een proces
De gebiedsverkenning is nadrukkelijk geen project, maar een (gebieds)proces. In een project is duidelijk wat er precies gedaan moet worden met een, min of meer, rechte lijn van A naar B, met welke middelen en binnen welk tijdsbestek. In de gebiedsverkenning doorlopen we een proces om een gedragen gebiedsontwikkelplan te maken dat daarna uitgevoerd gaat worden als project, al dan niet via deelprojecten. In hoofdstuk 4 beschrijven we waarom een gebiedsontwikkelplan beter past dan een gebiedsplan.
2.2
Bepalen van de doelen
In deze procesaanpak gaan we niet uit van ‘opgelegde’ doelen. Wij zullen gaandeweg de planvorming onze doelen formuleren. Bij de meeste thema’s waarmee we aan de slag gaan, zijn er vaak nog geen objectieve en/of eenduidige (overheids)doelen. Verder missen we nu nog de kennis die nodig is om haalbare doelen te bepalen. Daar komen we achter als we kennis vergaren over de thema’s. Of doelen haalbaar en realiseerbaar zijn, weten we als we elkaars situatie kennen. De toekomstbestendigheid is uitgangspunt bij het bepalen van de doelen. Wat ‘toekomstbestendig’ is, gaan we tijdens het gebiedsproces bepalen. In elk geval heeft die toekomstbestendigheid te maken met evenwicht tussen ecologische, sociale en (bedrijfs)economische houdbaarheid.
2.3
Gezamenlijke planvorming
De provincie Utrecht heeft het gebied uitgedaagd om een door alle partners gedragen gebiedsontwikkelplan te maken. De verantwoordelijkheid om tot een goed en gedragen gebiedsontwikkelplan te komen, ligt bij de gebiedspartners. Daarom gaan we verder met de verdieping van de verkenning en de planvorming van onderop. Zo maken we voor de volle 100% gebruik van onze gezamenlijke kennis, inzet en gevoel van verantwoordelijkheid. Wij hebben allemaal een bepaald, meer of minder scherp beeld van de toekomst en hoe dat in een plan gestalte te geven. De procesbegeleiders (zie hoofdstuk 3) gaan daarom eerst met ons als afzonderlijke gebiedspartners aan de slag, vóórdat we gezamenlijk aan één tafel het gebiedsontwikkelplan of onderdelen daarvan, gaan smeden. In figuur 4 hebben we dat met behulp van een tekening inzichtelijk gemaakt. We onderscheiden de volgende fasen in ons proces tijdens de gebiedsverkenning. 1. Gebiedspartners hebben eigen beeld Bij aanvang van het proces hebben wij als gebiedspartners allemaal een eigen beeld van onze omgeving en hoe we onze uitdagingen op willen pakken. Bij de één is dat een vaag beeld, bij de ander scherp. Bij de ene gebiedspartij is het maken van plannen (ook letterlijk) meer gebruikelijk dan bij de andere.
Daarnaast zit er verschil in kennis en bestuurlijke of organisatorische positie waardoor er onbalans is en mogelijk zelfs een gevoel van verschil in machtsverhoudingen. Daardoor zou de planvorming stroef kunnen verlopen. Door hier voldoende aandacht aan te geven, herstellen we een goede balans tussen de gebiedspartners. 2. Nadenken over ideeën en inbreng Die balans kan in evenwicht worden gebracht door de gebiedspartners te helpen kennis op te doen en afzonderlijk van elkaar ideeën te laten formuleren voor oplossingen. Voor een goed gesprek met elkaar op basis van gelijkwaardigheid is het van belang om te weten wat ieder zélf graag wil en waarom. Ook moet ieder van ons 10
zich inleven in de andere gebiedspartners, wat de ander graag wil realiseren en hoe we daar rekening mee kunnen houden. De procesbegeleiders vervullen een belangrijke rol om die inleving steeds mee te nemen in de ideevorming. Hierbij is uitgangspunt dat we geen onderhandeling starten, maar samen een ontwikkelingsplan te maken. Tijdens deze fase zullen we ook bijeenkomsten organiseren om kennis te vergaren over de thema’s. Dit doen we dan met alle gebiedspartners tezamen, dus ook de individuele agrariërs. Hierdoor ontstaat gelijkwaardigheid in informatievoorziening en is er een goede gelegenheid om de onderlinge verhoudingen te verstevigen. Als iedere gebiedspartner goed heeft nagedacht over de ideeën, dan is het mogelijk om een goed gesprek met elkaar te voeren. De agrarische ondernemers vormen binnen de gebiedspartners een bijzondere groep. Enerzijds is het een gebiedspartij van een groep agrarische ondernemers die samen op wil trekken in het proces. Anderzijds is het een verzameling afzonderlijke ondernemers met een eigen achtergrond en perspectief op de toekomst met in bepaalde gevallen zelfs concurrerende belangen. Anders dan bij de andere gebiedspartners is er niet één directie of één bestuur die de richting bepaalt.
Praktisch gezien is voor het proces van belang dat de agrariërs samen ideeën voor realisatie van doelen inbrengen, omdat anders de planvorming met afzonderlijke agrariërs plaats moet vinden. De agrariërs moeten daarom met elkaar afstemmen hoe ze samen op willen trekken en welke ideeën ze in willen brengen in het gebiedsontwikkelplan. 3. Gebiedspartners integreren ideeën tot een gebiedsontwikkelplan Wij leggen onze doelen, ideeën en voorstellen op tafel en integreren het gezamenlijk tot één plan. In dit deel van het proces bepalen we gezamenlijk de haalbare doelen voor toekomstbestendige polders Waardassacker, Botshol en Nellestein. Dit vraagt een tijdsinvestering in het begin van het proces, maar hierdoor ontstaat eigenaarschap in het gebied. Op termijn helpt deze aanpak bij het maken van het gebiedsontwikkelplan.
11
2. Nadenken over ideeën en inbreng. Agrariërs ontwikkelen gezamenlijke inbreng
3. Gebiedspartners integreren ideeën tot één Gebiedsontwikkelplan
Gebiedspartners
1. Gebiedspartners hebben eigen visie en ideeën
A = Agrariër, NM = Natuurmonumenten, AGV = Waterschap Amstel Gooi en Vecht, DRV = Gemeente De Ronde Venen, RVV = Collectief Rijn Vecht en Venen, Utr = provincie Utrecht
Figuur 4: stappen in het proces naar een gebiedsontwikkelplan
2.4
Convenant
Het opleveren van het gebiedsontwikkelplan is een mijlpaal in het proces om van planvorming tot uitvoering van maatregelen te komen die maatschappelijk en bedrijfseconomisch meerwaarde hebben voor het gebied. Het is de bedoeling dat alle deelnemende gebiedspartijen uiteindelijk het gebiedsontwikkelplan onderschrijven. Dit is vergelijkbaar met het ondertekenen van een gebiedsconvenant. De gebiedspartners realiseren zich dat na het vaststellen van het gebiedsontwikkelplan de wereld niet stil staat. Ook dan zal er nieuw beleid en regelgeving ontstaan waarop ingespeeld moet worden. Er wordt een procesafspraak gemaakt hoe de gebiedspartners daarmee omgaan t.o.v. het getekende gebiedsconvenant.
12
3. Organisatie van het gebiedsproces De gebiedsverkenning is erop gericht om de planvorming tot een integraal gebiedsontwikkelplan vanuit de Gebiedspartners in het gebied te laten ontstaan. Dus bottom up, met de aanpak die in hoofdstuk 2 is beschreven. De procesorganisatie draagt daaraan bij. Het eigenaarschap van het initiatief ligt bij de Gebiedspartners. De provincie heeft Gebiedscommissie Utrecht-West gevraagd om het proces te faciliteren en de provincie daarover te adviseren.
3.1
Gebiedspartners
Samenstelling Onderstaande gebiedspartners hebben gebiedsontwikkelplan te gaan maken: - 11 Agrarische ondernemers - Natuurmonumenten - Waterschap Amstel Gooi en Vecht - Gemeente De Ronde Venen - Collectief Rijn Vecht en Venen - Provincie Utrecht
aangegeven
een
integraal
en
gedragen
Rollen van de gebiedspartners De gebiedspartners zetten zich in om met ideeën en plannen te zoeken naar het toekomstbestendig maken van de polders en de bedrijven. Deelname aan het proces gebeurt op basis van vrijwilligheid. Het al dan niet onderschrijven van het gebiedsontwikkelplan is uiteindelijk de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van elke individuele gebiedspartner. Maar vrijblijvend is de deelname niet. De gebiedspartners zijn elk mede verantwoordelijk voor het tot stand brengen van een integraal en gedragen gebiedsontwikkelplan. Dat houdt in dat de organisaties, overheden en individuele ondernemers een positieve inbreng geven om te zoeken naar maatregelen die bijdragen aan wederzijdse en combinatie voordelen. De inzet is duidelijk: we gaan ervoor om een gezamenlijk en integraal plan te maken. Maar iedere gebiedspartij, evenals ieder afzonderlijke agrariër, neemt uiteindelijk zelfstandig een besluit over het gebiedsontwikkelplan. Iedere gebiedspartner speelt ook een specifieke rol in het gebiedsproces. Agrarische ondernemers De agrariërs in het gebied zijn de producenten van melk, vlees, energie, landschap en natuur. Ze wonen en werken en leven met hun gezinnen in het gebied, meestal een leven lang en van generatie op generatie. Hun belangrijkste drijfveer is: continuïteit van hun bedrijven realiseren.
Hiervoor is het belangrijk dat zij nu en in de toekomst een inkomen voor hun gezin genereren en zorg hebben voor de omgeving waarin zij boeren. Deze drijfveer is dus niet alleen op korte termijn maar zeker ook op lange termijn toekomstgericht. De agrariërs in het gebied zijn de initiatiefnemers van dit gebiedsproces en daarmee cruciaal voor dit proces. Het gebiedsproces is ontstaan vanuit hun wens om zelf de regie in handen te nemen ten aanzien van alle maatschappelijke wensen en doelen die op hen afkomen, om zo hun agrarische bedrijven toekomstbestendig te maken. Oplossingen komen hierdoor van onderaf i.p.v. bovenaf en hebben daarmee draagvlak bij de agrariërs in het gebied. De agrariërs in het
13
proces zijn mede-ontwikkelaars van oplossingen voor de diverse problematieken, waarbij ze de praktische haalbaarheid steeds als uitgangspunt nemen. De agrariërs streven naar samenwerking met elkaar en met andere gebiedspartners om het algemeen maatschappelijk belang te dienen maar ook om de toekomst van hun bedrijven veilig te stellen. Het verdienmodel speelt daarin vanzelfsprekend een rol; de agrariërs zullen de andere gebiedspartners specifiek uitdagen om mee te denken om een toekomstbestendig verdienmodel te realiseren. De agrariërs zijn bij uitstek de partij in dit gebiedsproces die de verschillende thema’s kunnen integreren met elkaar in hun bedrijf en in hun omgeving. Zij overzien hoe de verschillende thema’s in elkaar grijpen en elkaar beïnvloeden. De agrariërs bewaken dus de integraliteit van het plan voor hun bedrijf en het gebied. De keuzes in oplossingen zullen, vooral in het agrarische deel van het gebied, met name door de agrariërs gemaakt worden, of minimaal in gezamenlijkheid met hen. Als de oplossingen zijn vastgesteld zijn de agrariërs een van de partijen die investeerder en risiconemer zijn van de uit te voeren maatregelen. Tot slot zijn ze de uitvoerders van maatregelen die genomen gaan worden om de agrarische bedrijven toekomstbestendig te maken. Ze zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor en afhankelijk van die uitvoering.
Natuurmonumenten Vanuit eigenaarschap behartigt Natuurmonumenten de belangen van het N2000-gebied en omringende NNN. Natuurmonumenten werkt aan het vergroten van draagvlak voor herstel én kwaliteitsverbetering van natuur. Ze doen dat door inbreng van (beschikbare) gronden, delen van ecologische kennis, door inzet van hun netwerk en door samenwerking met de agrariërs uit het gebied. Waterschap Amstel Gooi en Vecht Het waterschap wil deel uitmaken van een groep gebiedspartners die door middel van een gebiedsproces toe willen werken naar toekomstbestendige polders waarbij de doelen integraal worden benaderd. Voor het waterschap is het van belang om samen met de andere gebiedspartners te zoeken naar een toekomstbestendig watersysteem. Ten aanzien van andere thema’s zullen ze de raakvlakken met het watersysteem naar voren brengen. In die zin faciliteren en ondersteunen ze het proces door kennis in te brengen op het gebied van o.a. waterbeheer en watersysteem, bodemdaling, Kader Richtlijn Water (KRW). Ook bieden ze ondersteuning door middel van een hydrologisch modelleur (geschikte percelen bepalen voor een waterinfiltratiesysteem en het bepalen van de invloed van het aanleggen van een waterinfiltratiesysteem). Indien een aanpassing van het watersysteem nodig is (bijvoorbeeld van een peilvak), pakken ze dat ook op.
Verder zien ze een rol voor het waterschap op het gebied van monitoring van een waterinfiltratiesysteem. Bij de opzet van een dergelijk systeem brengen ze hun kennis in. Gemeente de Ronde Venen De gemeente neemt deel aan het gebiedsproces omdat ze het belangrijk vindt voor de ontwikkeling van het gebied. Ze neemt daarbij de ervaring uit andere gebiedsprocessen in de gemeente mee en deelt dat met de projectgroep en de bestuurlijke begeleidingsgroep. De gemeente brengt kennis is als het gaat om omgevingsbeleid in het algemeen. De gemeente heeft op dat punt een adviserende en toetsende rol in het gebiedsproces. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de energietransitie, zal ze op dit punt een nadrukkelijke inbreng hebben in het proces. De gemeente faciliteert het gebiedsproces uiteindelijk door het gewenste eindresultaat in het gebiedsontwikkelplan procedureel en planologisch mogelijk te maken. 14
Collectief Rijn Vecht en Venen (RVV) RVV zal een adviserende rol spelen begeleidingsgroep.
richting
de
projectgroep
en
bestuurlijke
Als uitvoerder van het Agrarisch Natuurbeheer (middels het ANLb) faciliteert RVV de veehouders in het uitvoeren van natuurbeheer. Zij adviseren de veehouders bij het op de juiste plaats situeren van het door de provincie Utrecht begrensde beheer. RVV kan meezoeken naar (mede)financiering van de uitvoering en het beheer. RVV brengt ecologische kennis en gebiedskennis in. Dit van perceelniveau tot op landschapsschaal, wat van groot belang is voor een zowel op de individuele (beleids)soort gerichte- als integrale ecosysteem uitvoering. Ook brengen ze kennis in van de veehouders en andere stakeholders waardoor ze via persoonlijke of groepsbenadering werk met werk kunnen maken en ingangen helpen creëren. RVV brengt technische en procesmatige kennis in op het gebied van waterinfiltratiesystemen en peilgestuurde drainage. Omdat RVV onderdeel is van Boerennatuur, de koepelorganisatie van de Agrarische collectieven, kennen ze de uitdagingen in het landelijke gebied en zijn ze in staat om beleid en praktijk aan elkaar te koppelen en plannen te toetsen op beleidsmatige haalbaarheid. RVV heeft contacten met andere organisaties wat kan leiden tot externe (mede)financiering van de uitvoering en het beheer. Provincie De rol van de provincie is vooral stimuleren en participeren.
De provincie denkt actief mee in de projectgroep en bestuurlijke begeleidingsgroep, levert kennis, verbindt “buiten” met “binnen” (provinciehuis) en “binnen” met “buiten”. De provincie daagt de gebiedspartners uit om met een breed gedragen gebiedsontwikkelplan te komen. Daarbij houdt de provincie de vastgestelde landelijke en provinciale kaders in beeld maar kijkt ook vooruit naar wat er mogelijk aan veranderingen aan komt. De provincie benadrukt dat ze voor de gebiedsverkenning beschikbare middelen uit de Impulsgelden gereserveerd heeft. Dit kan zowel worden ingezet voor het proces maar te zijner tijd ook als subsidie, bijvoorbeeld voor de aanleg van waterinfiltratiesystemen.
3.3
Gebiedscommissie Utrecht-West /Programmabureau Utrecht-West
Rol De Gebiedscommissie is door de provincie gevraagd om het gebiedsproces te faciliteren en daarover te adviseren. De gebiedscommissie stuurt het proces op hoofdlijnen en delegeert dit aan de Bestuurlijke begeleidingsgroep. De procesbegeleiding van het gebiedsproces wordt door het Programmabureau UtrechtWest opgepakt. Het initiatief is genomen vanuit het gebied en daarmee is een bottom up proces het meest passend voor het vormen van een gebiedsontwikkelplan. We realiseren ons dat we tegelijkertijd met doelen, beleid en wensen te maken zullen hebben die ‘top down’ ingebracht worden. Of dat nu gaat om overheidsbeleid of over doelen waar andere gebiedspartners zich hard voor maken. De rol van de procesbegeleiders van het Programmabureau is om ‘topdown’ beleid, doelen en verwachtingen te laten matchen met het ‘bottom up’ proces dat we graag willen laten ontstaan. In figuur 5 verbeelden we die aanpak
15
Bottom
up
Top down
Figuur 5: synchroniseren van ‘top down’ en ‘bottom up’
Dat vraagt om een neutrale positie, maar ook regie op het proces. De procesbegeleiders zullen de gebiedspartners uitdagen om inbreng te leveren aan het gebiedsontwikkelplan en om over onze eigen grenzen heen te kijken. Verder bevorderen ze de samenwerking tussen de gebiedspartners. De procesbegeleiders zijn
3.4
en
Projectgroep
Rol
Het praktische werk vindt voor een belangrijk deel plaats in een projectgroep. Alle gebiedspartners zijn daarin vertegenwoordigd. De projectgroep houdt overzicht over de gebiedsverkenning. Er is een nauwe samenwerking tussen de procesbegeleiders en de projectgroep. De leden van de projectgroep brengen kennis in of organiseren kennisontwikkeling in de fase dat de afzonderlijke gebiedspartners zich beraden op hun inbreng in het gebiedsontwikkelplan. De leden zijn ook verantwoordelijk voor een actieve betrokkenheid van hun achterban en dienen te zorgen dat informatie van en naar hun achterban op de juiste plek terecht komt. De projectgroepleden helpen de procesbegeleiders met het doorlopen van een goed proces en om barriéres te slechten die we tegen zullen komen. De gebiedspartners gaan in de projectgroep aan de slag met het samenstellen (integreren) van de ideeén en voorstellen tot een gebiedsontwikkelplan. De projectgroep faciliteert die integratie en is verantwoordelijk voor het ‘opleveren’ van het gebiedsontwikkelplan.
Samenstelling
= -
Namens de agrariérs Namens de agrariérs Natuurmonumenten Waterschap Amstel Gooi en Vecht Gemeente De Ronde Venen Rijn Vecht en Venen Provincie Utrecht 16
3.5
Bestuurlijke Begeleidingsgroep
Rol
De bestuurlijke begeleidingsgroep ondersteunt het gebiedsproces. De begeleidingsgroep bevordert de samenwerking tussen de gebiedspartners. Ze bewaakt de totstandkoming van
het gebiedsontwikkelplan. De bestuurliike begeleidingsgroep kan de doelen, opgaven en kaders bijsturen als dat noodzakelijk is voor het gebiedsproces. Bijsturing kan alleen in nauw overleg met de gebiedspartners plaatsvinden.
Uiteindelijk is het de bestuurlijke begeleidingsgroep
die het gebiedsontwikkelplan
gebiedspartners hun standpunt over het plan hebben 3.1 is beschreven.
kenbaar gemaakt., zoals in paragraaf
advies
voorlegt
Samenstelling
-
-
aan
de
(voorzitter)
Gebiedscommissie
Utrecht-West,
nadat
de
met een
afzonderlijke
Gemeente De Ronde Venen Vertegenwoordiger van de agrariérs in het gebied Natuurmonumenten LTO Noord
Waterschap Amstel Gooi en Vecht
Provincie Utrecht
Vanuit het Collectief Rijn Vecht en Venen is
(adviserend lid) agendalid.
17
4. Gebiedsontwikkelplan 4.1
Waarom een gebiedsontwikkelplan?
Wij kiezen bewust om een gebiedsontwikkelplan te maken omdat dit de positieve dynamiek benadrukt en tevens recht doet aan het feit dat het gebied in ontwikkeling is en niet op een bepaald moment uitontwikkeld is. Het heeft daarmee wel het gevaar in zich om niet concreet te worden en maatregelen naar voren te schuiven. Daarom hebben we een planhorizon vastgesteld waarbinnen doelen geformuleerd worden voor de afzonderlijke thema’s. De doelen zullen vastgesteld worden rekening houdend met geformuleerde kaders waarin opgaven vanuit overheden een prominente rol hebben. Bij de vaststelling zal de toekomstbestendigheid van bedrijven en polder in zijn geheel leidend zijn. Dit is een brede omschrijving omdat dit niet op detailniveau is vast te stellen en ook geen recht doet aan de dynamiek van het proces. Wel is dit een belangrijk criterium dat recht doet aan de reden van opstart van dit gebiedsproces en tevens recht doet aan de ontwikkelingen/opgaven waar we ons als maatschappij voor gesteld zien. Kortom, niets doen aan bijvoorbeeld vermindering van stikstof en CO2 uitstoot leidt niet tot voldoende toekomstbestendigheid. Omdat sprake is van een gebiedsontwikkelplan dat dynamisch is zal uitvoering van maatregelen in lijn moeten liggen met de verwachte ontwikkelingen na de planhorizon.
En integrale benadering van de diverse maatregelen zal hierbij ook ondersteunend zijn evenals de focus op een voldoende economische toekomstbestendigheid.
4.2
Planhorizon
Wij kiezen er voor om een gebiedsontwikkelplan te maken met een planhorizon van 2030, waarbij de te kiezen richting wel in lijn met verder gelegen doelen zal liggen. We kiezen hiervoor omdat de tijdspanne voor een gebiedsontwikkelplan voldoende lang moet zijn om zekerheden te krijgen over de richting voor de continuïteit van de bedrijven en de functies in de polder, maar ook overzienbaar moet zijn voor de praktische uitvoering van de plannen en bedrijfsstrategie. Maatschappelijke doelen hebben een horizon die varieert; 2030, 2040 en 2050 worden regelmatig genoemd. 2030 wordt vaak als eerste ijkpunt genoemd. Bijvoorbeeld als het gaat om vermindering van bodemdaling en reductie van stikstofemissie. Daarbij zijn we ons er van bewust dat er in ons democratisch bestel (nieuwe) maatschappelijk doelen kunnen worden gesteld.
4.3
Doelen
Het doel is om te komen tot duurzame, toekomstbestendige en leefbare polders die bijdragen aan de biodiversiteit, het behalen van klimaatdoelen en waar het economisch goed boeren is. Zoals in hoofdstuk 2 al aangegeven, gaan we niet uit van ‘opgelegde’ doelen. Bij het bepalen van doelen voor 2030 kunnen we in sommige gevallen uitgaan van doelen die op basis van bekende, bewezen middelen bereikt kunnen worden. Die zouden we als een gewoon project uit kunnen voeren.
18
In andere gevallen is het nog niet bekend of bewezen dat doelen met bepaalde middelen haalbaar zijn. In die gevallen zouden we met behulp van pilots de haalbaarheid kunnen toetsen.
4.4
Doorlooptijd van de gebiedsverkenning
We streven ernaar om de gebiedsverkenning medio 2022 af te ronden met het vaststellen van
het gebiedsontwikkelplan door de gebiedspartners. Gevolgd door de ondertekening van een convenant door de gebiedspartners en de provincie. Maar kwaliteit gaat boven tijd.
Om verschillende redenen is het lastig om op dit moment precies aan te geven wanneer het gebiedsontwikkelplan gereed is. Allereerst omdat een proces de noodzakelijke tijd moet
kunnen krijgen. Vertrouwen moet groeien. Daarnaast
door de corona
pandemie
en daarbij
horende
wordt het proces aanzienlijke vertraagd
overheidsregels.
Ook
de
uitkomst
van
de
Tweede Kamerverkiezingen in maart leveren een mate van onzekerheid, zeker in relatie tot de stikstofdiscussie. Om de energie in het gebied te houden is goede, heldere communicatie belangrijk en zal daar
waar mogelijk met voortvarendheid tewerk gegaan moeten worden.
4.5 — Inhoud van het gebiedsontwikkelplan 4.5.1
Keuze van de thema’s
Het gebiedsontwikkelplan dat we gaan maken, bevat de thema’s die in de voorverkenning als
‘thema’s’ zijn benoemd: 7. Reductie bodemdaling en COz2 emissie 8. 9. 10. 11. 12.
Reductie stikstof emissie en depositie op het Natura 2000 gebied Botshol Verbetering agrarische bedrijfsstructuur Versterken natuur en vergroten biodiversiteit Productie van duurzame energie Economische duurzaamheid van de agrarische bedrijven
Een aantal thema’s komt voort uit vragen en wensen vanuit de maatschappij. Deze vragen en
wensen leiden tot opgaven voor de agrariérs in het gebied. Afgelopen decennia zijn er al veel
veranderingen in de bedrijfsvoering van de agrariérs gevraagd. Maatregelen hebben bijvoorbeeld al geleid tot een daling van de emissies en verlaging van de milieulast. Dit heeft er vaak wel toe geleid dat de kosten voor de boeren zijn toegenomen. Dit staat tegenover het feit dat de prijs voor melk en viees de afgelopen 30 jaar niet of nauwelijks is meegestegen,
waardoor de marges voor de agrariérs steeds krapper zijn geworden. Om als agrariér invulling te kunnen geven aan vragen en wensen vanuit de maatschappij, is verdienvermogen noodzakelijk. Daarvoor zijn waarschijnlijk nieuwe verdienmodellen nodig.
We benoemen het zoeken van een verdienmodel voor de agrarische ondernemers benoemen
als apart punt (economische duurzaamheid), maar het maakt deel uit van ieder thema. Misschien is het niet mogelijk om bij ieder thema een positief verdienmodel te hebben, in
totaliteit moet de balans wel positief uitslaan. Op die manier willen we de beoogde maatregelen bedrijfseconomisch borgen en voorkomen dat er maatregelen worden getroffen waarvan niet duidelijk is of ze op langere termijn bijdragen aan een economisch duurzame ontwikkeling van het gebied. Veel van deze thema’s hebben een relatie met elkaar. Het gebiedsontwikkelplan wordt daarom een integraal plan, waarbij maatregelen met elkaar worden gewogen om een optimaal
resultaat te behalen. Als er maatregelen worden uitgevoerd, vooruitlopend op het integrale 19
plan (no regret-maatregelen), dan worden die maatregelen in het plan in verbinding met de andere thema’s beschreven. We zullen gaandeweg het proces moeten bepalen op welke manier we dat in relatie tot een convenant gaan vastleggen.
4.5.2 Inhoud van de thema’s in het gebiedsontwikkelplan In het gebiedsontwikkelplan willen we per thema de volgende punten beschrijven: - De maatregel met de randvoorwaarden - Draagvlak - Financieringsstrategie - De uitwerking op de omgeving (zowel positief als negatief) - Mogelijkheden voor een verdienmodel - De integraliteit met de andere thema’s - Het tijdspad Ons uitgangspunt is om de verschillende thema’s zogenaamd ‘SMART’ uit te werken: • Specifiek: We bepalen een eenduidige doelstelling • Meetbaar: We geven aan op welke manier de verbetering gemeten kan worden • Acceptabel: We leveren een afgewogen plan op dat door de gebiedspartners wordt gedragen • Realistisch: Het plan is realistisch en uitvoerbaar • Tijdgebonden: We geven een tijdspad aan voor realisatie van het plan In de paragrafen hierna, gaan we wat dieper in op de verschillende thema’s.
4.5.3 Beperken emissie CO2 uit veen en met de bedrijfsvoering Onze aanpak De reductie van de CO2 emissie pakken we op via twee sporen op. Het eerste spoor is zoeken naar oplossingen om de emissie uit veen op te pakken, gekoppeld aan de reductie van de bodemdaling. Het tweede spoor is om de emissie van CO2 in het agrarische productieproces te beperken. Reductie CO2 uit veen
We onderzoeken de feitelijke bodemdaling in de drie gebieden in relatie tot het waterbeheer, de bodem en het feitelijke gebruik. We verdiepen ons in de mogelijkheden om de bodemdaling te remmen en brengen dat in relatie tot de kosten en een (economisch) toekomstbestendig gebruik van de grond. Afhankelijk van de geformuleerde zones kan dit meer gericht zijn op agrarisch gebruik, meer op natuur of een mix van beiden zijn. Uitgaande van onze doelstelling om de agrarische bedrijven in de polders toekomstbestendig te maken, gaan we zoeken naar oplossingen die bijdragen aan het beperken van de bodemdaling en CO2 uitstoot uit veen zonder dat dit afbreuk doet aan de uitoefening van de agrarische bedrijven. Dit betekent dat de oplossingen niet moeten leiden tot kostprijsverhogingen, maar bij voorkeur tot inkomensverbeteringen. Mochten oplossingen gekozen worden die wel tot verdere beperkingen in gebruik leiden dan staan daar inkomsten tegenover die de hogere kosten als gevolg van de beperkingen vergoeden. We verdiepen ons in de bestaande mogelijkheden om bodemdaling te beperken zoals bijvoorbeeld waterinfiltratie. Ook kijken we of er nieuwe inzichten zijn die mogelijk kansrijk zijn, zoals het mengen van de veenbodem met klei. We kijken naar de gevolgen van de diverse 20
oplossingen op de mate van bodemdaling, de kosten, gevolgen voor de waterhuishouding etc. We onderzoeken de mogelijkheden om de CO2 reductie te gelde te maken, bijvoorbeeld met een initiatief zoals Valuta voor Veen. Een goed functionerend watersysteem en toekomstbestendig watersysteem, voor zowel waterkwantiteit als waterkwaliteit is onontbeerlijk: geen knelpunten in de waterhuishouding, goed functionerende peilvakken, het beperken van het inlaten van gebiedsvreemd water vooral vanuit de boezemwateren waar het chloridegehalte hoog is. Van belang is om uit te zoeken wat de watervraag is als er waterinfiltratie wordt aangelegd. Is er een aanpassing van het peilbeheer nodig of is het mogelijk om ergens water te bergen? Zijn er periodiek andere peilen wenselijk voor specifieke beheerdoelen? Onze aanpak zien we niet los van wensen, vragen of eisen die vanuit de samenleving worden gesteld. In het ‘kader’ hebben we die omschreven. Reductie CO2 uit de bedrijfsvoering
Met elkaar gaan we kijken hoe we in de bedrijven de uitstoot van CO2 kunnen beperken naar de te formuleren doelstelling. Kringloop in de bedrijven en de daarbij behorende kritische prestatie indicatoren kunnen daarbij van dienst zijn.. Ook in de CO2 uitstoot uit de bedrijven zullen we nadrukkelijk kijken naar de integraliteit met de ander thema’s. Kaders waar we rekening mee houden Het centrale doel in het Klimaatakkoord3 is om in 2030 49% minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van 1990. Op Europees niveau is de doelstelling inmiddels verhoogd naar 55%. Reductie CO2 uit veen
Bodemdaling in het veengebied is al aan de orde vanaf de ontginning van moerasgebieden. Eerst was het nog mogelijk om akkerbouw te bedrijven, daarna werd het door de nattere omstandigheden alleen nog als weidegebied geschikt. In de polders Waardassacker, Botshol en Nellestein zijn de agrarische bedrijven daarom allemaal gericht op de productie van melk en vlees waarbij het gras door koeien en schapen omgezet wordt in voedsel voor de mens. Om het vee te kunnen laten grazen en gras machinaal te kunnen oogsten voor voeding in de winter is een bepaalde ontwatering noodzakelijk. Bodemdaling is nog steeds aan de orde door inklinking (slecht draagvermogen) en door de noodzakelijke ontwatering waardoor het veen oxideert. Bodemdaling moet geremd worden om de toenemende invloed van (zout) zeewater(zeespiegelstijging), de toename van de kosten voor het waterbeheer, herstel woningen en infrastructuur en zorg voor waterveiligheid te beperken. Bij de oxidatie van het veen komt CO2 vrij. Zolang als veen ontwaterd wordt, vindt dit proces al plaats. Het is daarmee niet de oorzaak van de stijging van CO2 in de atmosfeer, maar het kan wel bijdragen aan de vermindering van de uitstoot. Zodoende kan het bijdragen aan een oplossing van het klimaatprobleem. In het Klimaatakkoord is opgenomen dat de uitstoot van CO2 uit veen in 2030 teruggebracht moet zijn met 1 Mton CO2-eq.
3
Nationaal Klimaatakkoord, 28 juni 2019
21
De Rijksoverheid geeft op basis van een beleidsstudie van het Planbureau voor de Leefomgeving4 dat het mogelijk moet zijn om de bodemdaling in het landelijke gebied met 25% te reduceren5. Uit de Utrechtse veenweiden6 is de emissie 0,5 Mton CO2eq per jaar wat 14% is van de landelijke uitstoot uit veen. De provincie heeft in de Concept Omgevingsvisie 7 tot doel om in 2030 de bodemdaling met 50% te remmen. Voor de provincie Utrecht betekent dit een reductie van ongeveer 0,25 Mton CO2 eq. In het Koersdocument van de Regionale Veenweide Strategie8 Utrecht beschrijft de provincie de doelstellingen die voortkomen uit het Klimaatakkoord en de Omgevingsvisie. Ze voegt daar de ambitie aan toe om het afremmen van de bodemdaling en de emissie van de CO2 uit veen met partners zoals andere overheden en de landbouw op te pakken. In de Waardassacker polder en Botshol vindt bodemdaling en uitstoot van CO2 plaats in de delen met een dik veenpakket in de bovenlaag. In figuur 6 is op een kaartje weergegeven wat de bodemdaling in deelgebieden gemiddeld in centimeter per jaar is.
Figuur 6: Historische bodemdaling in mm/jaar Bron: https://webkaart.provincie-utrecht.nl
4
Planbureau voor de Leefomgeving, 2016, Dalende Bodems, stijgende kosten Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, brief voor Tweede Kamer, Rijksbrede inzet op bodemdaling, 20 juni 2019 6 Uitvoeringsprogramma Bodemdaling Provincie Utrecht 2020-2023, Provinciale Staten 30 september 2020) 7 Omgevingsvisie Provincie Utrecht, 10 maart 2021, Gedeputeerde Staten 8 Regionale Veenweiden Strategie Utrecht Koersdocument (concept), 11 maart 2021, provincie Utrecht
5
22
Reductie CO2 uit de bedrijfsvoering
In het Klimaatakkoord is aangegeven dat de emissie van broeikasgassen sinds 1990 al meet 17% zijn gedaald. Landbouw en landgebruikssectoren (ook bosbouw, terrein- en natuurbeheer) hebben een opgave om 3,5 Mton vermindering aan broeikasgassen te verminderen in 2030. Voor de veehouderij specifiek is 1,2 – 2,7 Mton CO2-eq emissiereductie afgesproken, waarvan minimaal 1 Mton methaan.
4.5.4 Reductie stikstof emissie en depositie op het Natura 2000 gebied Botshol Onze aanpak Wij willen niet bijdragen aan verdere polarisatie van de stikstofproblematiek en gaan als gebiedspartners met elkaar op zoek naar verbetering van de natuur in het Natura 2000 gebied Botshol en andere gebieden waar wij invloed op hebben. Wij willen dit doen door een gestructureerde aanpak waarin ieder zijn kennis en kunde bijdraagt en waarin we goed willen luisteren naar elkaar. In de eerste plaats willen we de omvang vaststellen van de stikstofproblematiek in het Natura 2000 gebied Botshol. Vervolgens willen we de oorzaken hiervan vaststellen en als derde de mogelijke oplossingen die we met alle gebiedspartners samen kunnen bewerkstelligen. Dit zal onder andere met behulp van rekenmodellen moeten gebeuren, met de onzekerheden in het rekenmodel die we in het ‘kader’ omschrijven. Focus zal liggen op het realiseren van de omschreven natuurdoelen voor dit Natura 2000 gebied. Duidelijk is dat voor realisatie echter niet alleen stikstof van belang is maar bijvoorbeeld ook waterkwaliteit en beheer en onderhoud. Daarnaast zullen we rekening houden met de algemeen wenselijk geachte verlaging van de stikstofemissie in Nederland. Hier zullen we ons in eerste instantie op richten.
Focus hierbij zal liggen op het verhogen van de benutting van stikstof in de kringloop van elk bedrijf (kringlooplandbouw). Hierbij kan gedacht worden aan management maatregelen maar ook aan technische aanpassingen aan bijvoorbeeld gebouwen. We zullen onderzoeken of aanvullende maatregelen zinvol zijn om de stikstofdepositie op N2000 gebied Botshol te beperken. En als dat het geval is, welke maatregelen in aanmerking komen. We zullen bijvoorbeeld mogelijkheden zoeken om de stikstofruimte die wordt gewonnen bij te laten dragen aan het verdienvermogen van de agrarische bedrijven, zoals dat bijvoorbeeld ook door de Stikstofcoöperatie rondom de Nieuwkoopse Plassen wordt uitgewerkt. . We constateren dat positief bijdragende maatregelen niet altijd als zodanig worden gewaardeerd doordat een juridisch noodzakelijk geachte borging ontbreekt. We willen proberen om dit te doorbreken door ons eerst op de maatregelen te richten en daarna te bekijken of en hoe juridische borging mogelijk en noodzakelijk is. Ondanks alle onzekerheden gaan we bepalen welke inzet reëel is om de emissie vanuit de agrarische bedrijven, de depositie op het natura 2000 en de gevolgen hiervan op het natura 2000 gebied terug te dringen. Als er overeenstemming is dat er maatregelen noodzakelijk zijn, dan werken we daarvoor op bedrijfsniveau plannen uit.
Een gedeelte van de stikstofproblematiek kan opgelost of opgevangen worden door beheermaatregelen en herstelbeheer in het Natura 2000 gebied Botshol zelf. Wij gaan ervan uit dat dat in het kader van de Gebiedstafel (zie beschrijving in het kader hierna) uitgewerkt gaat worden. Maar we willen graag een verbinding leggen met de rest van ons gebied om beheerkosten te drukken en meerwaarde voor het hele gebied te creëren. Dat kan bijvoorbeeld door: • agrarische bedrijven een rol te laten spelen in het beheer 23
•
maaisel en ander materiaal dat vrij komt bij het beheer door agrarische bedrijven te laten gebruiken of te verwerken tot producten met meerwaarde
Kaders waar we rekening mee houden In Nederland is de emissie van stikstof in de vorm van ammoniak (NH3) met name afkomstig uit de landbouw en de emissie van stikstof in stikstofoxiden (NOx) voornamelijk afkomstig uit industrie, verkeer en woningen. Verder komt een aanzienlijk deel van de stikstofemissie uit het buitenland. Een deel van de stikstof emissie komt als depositie neer in Natura2000 gebieden, zoals bijvoorbeeld de Botshol waar het, met de huidige deposities, negatief uitwerkt op stikstofgevoelige planten en dieren. In Nederland wordt al sinds de jaren 90 beleid gevoerd met als doel daling van de ammoniakemissie bij agrarische bedrijven. Dit heeft geresulteerd in een daling van 66% van de ammoniakemissie in de periode 1990-20189. Ook de agrariërs in de polder Waardassacker, Botshol en Nellestein hebben met allerlei maatregelen bijgedragen aan de reductie van de stikstofemissie, zoals emissiearm mest uitrijden, afdekken van mestopslagen, beweiding, verlaging van het ureumgehalte in de melk, en toepassing van een emissiearme vloer in de stal. Vanuit door de overheid zelf vastgestelde natuurdoelen en het juridisch niet haalbaar gebleken beleid dat hier in het verleden op is gevoerd, is de overheid nu gedwongen om de depositie van stikstof en gevolgen hiervan op Natura2000 gebieden verder terug te dringen.
Het huidige stikstofbeleid van de landelijke overheid geeft veel onrust, vragen en ook wantrouwen bij de agrarisch ondernemers in Nederland. Dit heeft velerlei oorzaken. Zonder uitputtend hierin te willen zijn noemen we de wijze van bepaling van de stikstofdepositie (Aerius-berekening), de verschillen in vergunningverlening tussen agrarische- en andere bedrijven en instellingen, het telkens opleggen van niet passend middelenbeleid in plaats van doelenbeleid, de impact op (het inkomen van) agrarische bedrijven door maatregelen, de acute impact op de gehele landelijke economie en de toenemende polarisatie die dit vanuit de samenleving oproept. Hiermee voelen boeren zich in een hoek gedrukt waarin geen ruimte meer lijkt voor redelijk overleg en in samenhang zoeken met elkaar naar passende oplossingen. Aan de andere kant is er natuurlijk zorg over de afnemende biodiversiteit en het niet behalen van natuurdoelen in de Natura 2000 gebieden. De provincie volgt de landelijke lijn met een gebiedsgerichte aanpak per Natura2000 gebied. In de Leidraad Stikstof10 is de provinciale aanpak vastgelegd. Met betrekking tot de gebiedsverkenning staat de depositie van stikstof op het Natura2000 gebied Botshol centraal. In dit gebied is een ecosysteem met alle stadia van laagveenverlanding met o.a. kranswierwater, galigaanvegetaties, veenmosrietland en moerasbos.
De kritische depositiewaarde (KDW) van het meest gevoelige veenmosrietland is 714 mol N/ha/jaar. In figuur 7 is een tabel opgenomen met daarin de KDW van de habitattypen in het Natura 2000 gebied Botshol. De stikstofdeposities op Botshol bedragen tussen de 1000 en de 1500 mol N/ha/jaar. Daarbij overschrijdt het de KDW van het habitat veenmosrietland. In figuur 8 is een kaartbeeld weergegeven van de deposities in mol N/ha/jaar. In de ‘Wet tot wijziging van de wet natuurbescherming en de Omgevingswet’11 is aangegeven dat de depositie van stikstof van het areaal stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde moet zijn teruggebracht: 9
Ammoniakemissie door de land- en tuinbouw, 1990-2018 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) Leidraad gebiedsgerichte aanpak Stikstof in de provincie Utrecht (16 juni 2020) 11 Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) 10
24
2025: tenminste 40%
2030: tenminste 50% 2035: tenminste 74%
De provincie Utrecht geeft in de Leidraad aan om samen met haar partners de komende jaren een flinke beweging in gang zetten. Er worden Gebiedstafels geinstalleerd om de problematiek aan te pakken. Een Gebiedstafel bestaat uit bestuurlijke vertegenwoordigers van de landbouw, provincie(s),
gemeenten,
NMU en bouwwereld.
waterschappen,
terreinbeherende
organisaties,
grondeigenaren,
Botshol valt onder Gebiedstafel Regio West. Utrecht wil de stikstofproblematiek over 3 sporen
aanpakken:
e
e e
Spoor 1:
intensiveren natuurherstelmaatregelen in de Natura 2000-gebieden
Spoor 2:
verminderen stikstofuitstoot via integrale gebiedsprocessen rondom de
Spoor 3:
versterken innovatie en instrumentarium.
Natura2000 gebieden
Code
|
H3140lv H3150baz H6430A
naam
habitattype
Kranswierwateren | Meren
KDW (mol N/ha/jaar)
Subtype
gs
met krabbenscheer
ea
oe
buiten afgesloten
2143
zeearmen
2143
moerasspirea
2400
H6510A
Ruigten en zomen Glanshaver- en vossenetaarthoohanden
glanshaver
1429
H7140B
Overgangs-
veenmosrietiand
714
H7210
Galigaanmoerassen
1571
H91D0
Hoogveenbossen
1786
Figuur
en trilveen
7: Kritische depositiewaarden
van de gekwalificeerde
gebied Botshol (van Dobben et al 2012)”
habitattypen in Natura 2000-
22 Document PAS-analyse Herstel-strategieén voor Botshol
25
Figuur 8: beeld deposities in mol N/ha/jaar (toenemende belasting van groen naar blauw, getallen zijn uitgedrukt in mol N/ha/jaar) (bron: Nationaal Georegister 20201015)
4.5.5 Verbetering agrarische bedrijfsstructuur Onze aanpak Wij willen de huidige verkaveling analyseren en afzetten tegen de verwachte toekomstige ontwikkeling van de agrarische bedrijven in het gebied. We willen daarnaast onderzoeken op welke manier het Natuurnetwerk Nederland (NNN) kan bijdragen aan de agrarische structuur en hoe de agrarische structuur bij kan dragen aan een goed beheer en de natuurdoelen van de NNN. Op basis daarvan willen we aangeven hoe de agrarische structuur kan bijdragen aan het meer toekomstbestendig worden van de polders en de bedrijven. Kaders waar we rekening mee houden De agrarische structuur (verkaveling) is voor een agrarisch bedrijf van belang. Een goede verkaveling (zo groot mogelijke huiskavel en zo min mogelijk veldkavels) maakt een efficiënt beheer mogelijk en verlaagt de beheerkosten. Het leidt ook tot minder agrarische verkeersbewegingen (veiligheid en minder onderhoud wegen) en minder uitstoot van NOx en CO2. Voor weidegang van het melkvee is een huiskavel van voldoende grootte noodzakelijk. Weidegang is maatschappelijk gewenst en kan bijdragen aan het inkomen van de agrariër 26
vanwege een hogere prijs voor de melk. Daarnaast draagt weidegang bij aan het verminderen van de ammoniakemissie van het bedrijf, doordat vaste mest en urine niet bij elkaar komen. Een goede verkaveling met voldoende grond is ook van belang in het streven naar kringlooplandbouw (beperken van verliezen aan mineralen en andere (grond)stoffen). Daarnaast speelt dat het Kabinet de contouren voor een toekomstig mestbeleid heeft geschetst13 om te streven naar volledige grondgebondenheid. Als volledige grondgebondenheid niet is te organiseren voor een bedrijf, dan moet alle mest afgevoerd worden. Ook de gevolgen van het al dan niet in stand blijven van de derogatie zal hierin meegewogen moeten worden. Inmiddels is er ook een motie aangenomen in de Tweede Kamer die een tussenvorm toestaat tussen mestverwerking en mestplaatsing op eigen grond. Behalve de agrarische structuur is de bodemgesteldheid en emotionele waarde van een kavel ook van belang voor een agrariër. In het kader van de gebiedsverkenning maakt de agrariër, en eventueel andere grondeigenaren, een eigen afweging om al dan niet deel te nemen in een kavelruil. In de Waardassacker polder en Botshol/Nellestein is de verkaveling grotendeels op orde. De provincie streeft, volgens de Landbouwvisie14, naar 60% huiskavel en maximaal 3 veldkavels per bedrijf. Dit wordt op dit moment gerealiseerd in het gebied.
Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat verwachte ontwikkelingen van extensivering, groei van bedrijven, inpassing van natuur en mogelijke energieopwekking op bedrijven leiden tot een groeiende grondbehoefte om aan de eisen ten aanzien van de bedrijfsstructuur in de toekomst te kunnen voldoen Daarnaast stellen we vast dat momenteel ook veehouders van buiten het gebied een deel van de grond in gebruik hebben en veehouders in de polder ook veldkavels buiten het gebied hebben.
13 14
Contouren toekomstig mestbeleid, 8 september 2020, Ministerie van LNV Landbouwvisie 2018 Landbouw met perspectief, Provinciale Staten, 27 september 2018
27
4.5.6 Versterken natuur en vergroten biodiversiteit Onze aanpak De uitdaging om de biodiversiteit te vergroten, pakken we op in zowel het natuurgebied Botshol als het agrarische gebied van Botshol/Nellestein en de Waardassacker polder. In de voorverkenning is door ons een toekomstbeeld beschreven dat een aanknopingspunt is om het probleem van afnemende biodiversiteit aan te pakken, namelijk met hulp van een zonering (zie figuur 9).
1
2
3
1. Natuurinclusieve agrarische bedrijven gericht op kringlooplandbouw. 2. Veehouderij met natuur (weidevogels). Samenwerking met agrarische bedrijven en Natuurmonumenten. 3. Natuurkern/Natura 2000 gebied beheerd door Natuurmonumenten. Hier staat de ontwikkeling van natuurwaarden op de eerste plaats.
Figuur 9: zonering van het gebied
We willen onderzoeken of de transitie naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw als een ontwikkeling vorm gegeven kan worden in het gebiedsontwikkelplan. We gaan met elkaar onderzoeken of de natuurwaarden op zijn minst behouden kunnen worden of nog verder verhoogd. In zone 1 (Waardassacker polder) richten we ons op het vergroten van de biodiversiteit binnen de agrarische bedrijfsvoering en het creëren van een verdienmodel. In zone 3 (Natura 2000 gebied) zijn de doelen duidelijk geformuleerd. Hier willen we ons concentreren op de vraag of het optimale beheer toegepast wordt. In zone 2 (Botshol/Nellestein) gaan we op zoek naar de mogelijkheden om de andere twee gebieden te versterken als het gaat om biodiversiteit. Ook zal er hier een verdienmodel voor de agrarische bedrijven moeten zijn. De Groene Contour in Botshol wordt regulier agrarisch gebruikt. Hoe die Groene Contour de NNN kan versterken kan in pilots uitgezocht worden. Om een goed uitgangspunt te hebben zullen we een 0-punt moeten vaststellen ten aanzien van de huidige biodiversiteit. Het kan zijn dat voor de NNN (buiten het N2000 gebied) en in het weidevogelkerngebied met de regeling voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) niet de optimale beheertypen zijn gekozen.