231012 Beantwoording technische vragen B - CUSGP - Begroting 2024
Tekst van het document
Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 39 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig
Categorie:
A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)
Naam indiener: Wim Stam Fractie: ChristenUnie-SGP De Ronde Venen Datum van indienen: 3-10-2023 Onderwerp: Begroting 2024
In te vullen door organisatie Behandelend ambtenaar: Henrike Geurkink, Jeffrey Slof en Melinda Escandell Baidez Datum beantwoording: 11 oktober 2023 Volgnummer: Inleiding .
Vragen 1. Pag 30; 1.10.1 Toekomstbestendig maatschappelijk vastgoed Hier lopen verschillende vormen van vastgoed door elkaar. Sommige vormen zijn eigendom van de gemeente (bv het gemeentehuis en kunnen we zelf beslissen over investeringen) anderen zijn particulier eigendom (bv een dorpshuis en heeft de gemeente geen beslisbevoegdheid) en anderen zijn een soort mengvorm (scholen; juridisch vs economische eigendom, openbaar vs bijzonder onderwijs). In dit beleidsvoornemen wordt echter gedaan of alle vastgoed zelfde behandeling krijgt. Maar dat lijkt ons niet mogelijk. Hoe ziet u dat? Antwoord: Deze constatering is correct. Het is niet de intentie om met het beleidsplan gemeentelijk maatschappelijk vastgoed en vastgoed van derden over één kam te scheren. Het is wel de intentie om vergelijkbare situaties op een vergelijkbare manier aan te pakken. En om vast te leggen hoe de gemeente haar rol ziet als het gaat om maatschappelijk vastgoed. 2. Pag 85/86 Apparaatskosten.
We zien die voor 2024 en voor 2025 begroot op ruim 40 miljoen. In de begroting 2023 stond voor die twee jaren een post van minder dan 30 miljoen. Bij de Kadernota heeft het college extra budget ter grootte van ca 3 miljoen gevraagd. Hoe verklaart u het verschil van ca 8 miljoen (40,2-3-29,5)? In het verlengde: hoe verklaart u de enorme sprong in euro’s per inwoner (van 743 in 2023 naar ruim 870 in 2024 en 2025) en hoe verhoudt zich dat tot apparaatskosten per inwoner bij andere vergelijkbare gemeentes? Antwoord: Definitie apparaatskosten: Apparaatskosten (ofwel organisatiekosten) zijn de noodzakelijke financiële middelen voor het inzetten van personeel (alle loonkosten voor het ambtelijk apparaat en alle inhuurkosten) en de materiele kosten voor overhead exclusief griffie en bestuur. Apparaatskosten begroting 2023 (begroting 2023 - paragraaf bedrijfsvoering jaarschijf 2024) + kadernota 2024 (beleidsontwikkelingen - programma 1: C.10 voor 50%)* + kadernota 2024 (beleidsontwikkelingen - programma 1: C.6, C.7, C.11, C.12) + kadernota 2024 (beleidsontwikkelingen - programma 2: C.21) + kadernota 2024 (beleidsontwikkelingen - heel programma 4: C.25 t/m C.33) + kadernota 2024 (autonome ontwikkelingen - heel programma 4: D.13 t/m D.24) + begroting 2024 (autonome ontwikkelingen - programma 1: nr. 1) + begroting 2024 (autonome ontwikkelingen - programma 2: nr.
5) + begroting 2024 (autonome ontwikkelingen - programma 3: nr. 1) + begroting 2024 (autonome ontwikkelingen - Programma 4: nr .1 en nr. 3 t/m 7 ) Totaal optelsom bovenstaande: Totaal verantwoording in begroting 2024 (paragraaf bedrijfsvoering - jaarschijf 2024)
32.425 100 630 380 2.320 2.182 1.199 154 72 539 40.001 40.005
Verschil (onverklaard):
afrondin 4 g
De apparaatskosten stijgen harder dan het aantal inwoners, hierdoor neemt de gemiddelde apparaatskosten per inwoner toe. In september 2023 is een informatieve bijeenkomst georganiseerd, waarbij verschillende benchmarks zijn gepresenteerd. Tevens is een document nagezonden op schrift met aanvullende toelichting inzake de staat van de organisatie en onze positie ten opzichte van andere gemeentes. Dit document bevat benchmarks met vergelijkingen op het gebied van fte per inwoner en overheadskosten per inwoner t.o.v. andere gemeentes en nog een aantal vergelijkingen. De apparaatskosten hangen samen met keuzes die worden gemaakt inzake inbesteden of uitbesteden. Bij inbesteden vallen de kosten onder de apparaatskosten en bij uitbesteden niet. Hierdoor is een vergelijking tussen gemeentes zonder context lastig te maken. In september is via het document 'staat van de organisatieontwikkeling' een vergelijking/benchmark met context aan de raad verstrekt. 3. Pag. 86: inhuur. Vanwaar deze enorme stijging van 16% naar 23%. Bij eerdere begrotingsbehandelingen is afgesproken dat de inhuur beperkt zou moeten zijn; welke maatregelen ziet u om dat te bereiken.
In het verlengde: kunt u aangeven hoeveel % (gemiddeld genomen) duurder een inhuur is tov een eigen medewerker in een vergelijkbare functie? Antwoord: De hoofdoorzaak is de krapte van de arbeidsmarkt, waarbij het aantal reagerende geschikte
kandidaten terug is gelopen. Daarnaast zijn andere oorzaken met een minder grote impact een hoger ziekteverzuim percentage (7,6% in 2023 t/m heden) en toename in het aantal incidentele projecten ten opzichte van andere jaren. Een vergelijking maken tussen de kosten van vast personeel ten opzichte van duurder ingehuurd personeel is per functie verschillend. De gemiddelde kosten van een interne medewerker inclusief werkgeverslasten en pensioen bedraagt tussen de € 45 tot € 50. Dit is exclusief kosten van opleiding, doorbetaling voor periodes dat medewerkers niet werken, maar wel salaris ontvangen. Denk aan ziekteverlof en 6 weken vakantieverlof (oftewel 10,5 maanden werken en 12 maanden betaald krijgen). Bij inhuur betaal je alleen voor de daadwerkelijk gewerkte uren en bestaat doorbetaling bij elke vorm van verlof niet. Op dit moment is het gemiddelde uurloon van ingehuurd personeel € 84. We schatten in, dat inhuur gecorrigeerd voor verlof en opleiding circa 40% duurder is dan vast personeel. Door inzet van een recruiter en vitaliteitmanagement wordt getracht het inhuur omlaag te brengen. 4. Pag.
97: subsidies Graag een verklaring waarom de omvang van de subsidies van 7,447 miljoen (2024) daalt naar 7,197 miljoen (2027), temeer daar de begroting rekening houdt me een kostenstijging van 4,2% en we ervan uit mogen gaan dat benodigde subsidies tenminste vergelijkbaar zullen stijgen. Antwoord: De daling komt doordat niet alle subsidies doorlopen tot in 2027. Hieronder een nadere specificatie. Subsidie 2024 Subsidie 2027 Verschil
€ 7.447 € 7.192 € 255
1. Nationaal programmaonderwijs € 68 2. Veiligheid activiteiten € 35 3. Servicepunten € 33 4. Gemeentelijk deel OAB € 40 5. Antidiscriminatievoorziening € 80 Totaal €256 (afrondingsverschil van €1, door afronding van de losse verschillen) 1) Nationaal programma onderwijs is in 2024 nog € 68. In 2025 – 2027 is deze subsidie niet langer opgenomen, omdat het ging om een vierjarig budget. 2) Voor diverse veiligheid activiteiten is in 2024 een additioneel budget opgenomen op basis van het raadsvoorstel IVP-Jongeren Streetwise ad € 35. 3) Voor servicepunten is in 2024 een extra inzet geraamd van €32.760 voor servicepunt Vinkeveen. 4) Voor 2024 is €40 extra geraamd voor de Thuiszittersklas van het Veenlandencollege (€20) en MakerSpace (€20). Omdat dit een pilot is, wordt in 2024 beoordeeld of dit in 2025 e.v. wordt voortgezet. 5) Voor de antidiscriminatievoorziening is in 2026 en 2027 €22 opgenomen, waar dit in 2024 en 2025 €102 was. Dit verschil betreft de inclusie-agenda afspraak met Tympaan De Baat.