230626 Vragen naar aanleiding van commissie - PvdA-GroenLinks - Startnotitie kunst en cultuur
Tekst van het document
Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 39 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig
Categorie:
A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)
Naam indiener: Monique Prins Fractie: PvdA/GroenLinks Datum van indienen: 26 juni 2023 Onderwerp: Startnotitie kunst en cultuur
In te vullen door organisatie Portefeuillehouder: Datum beantwoording: Volgnummer: Inleiding
Omdat deze vragen in de commissie niet behandeld zijn, worden de vragen ingediend als schriftelijke vragen. Vragen (Antwoorden volgen direct onder de vragen)
1. In het beleid is ruimte voor incidentele subsidies voor vernieuwing en innovatie. Als een dergelijk vernieuwend en innovatief project echter een succes is, kan het in de volgende jaren niet altijd doorgang vinden omdat de subsidie incidenteel was en het zonder die subsidie niet rond te krijgen is. Hoe zorgen we dat dergelijke succesvolle projecten in daaropvolgende jaren toch doorgang kunnen vinden? 2. Vanuit het veld horen we dat er een beperkte aanwas is vanuit de jeugd richting kunst en cultuur. Hoe zorgt de gemeente ervoor dat jongeren hun weg vinden naar kunst en cultuur? Zowel als het gaat om vrijwilligers als om (professionele) kunstbeoefenaars? Hoe kunnen we hen daarin stimuleren en is dat ook een ambitie van het college? 3. De nota stelt cofinanciering als voorwaarde. In de beantwoording van onze technische vraag daarover wordt verwezen naar de bepaling hierover bij het bewonersbudget. Daar moet cofinanciering tenminste onderzocht zijn. Wordt in dit beleid ook het uitgangspunt gehanteerd dat het tenminste onderzocht moet zijn, of is het een harde voorwaarde? In het eerste geval zou subsidie immers alsnog
mogelijk zijn als cofinanciering onderzocht is, maar niet in cofinanciering heeft geresulteerd. Daarmee wordt voorkomen dat mooie projecten geen doorgang kunnen vinden als cofinanciering niet mogelijk is. Kortom: hoe hanteert het college dat uitgangspunt en hoe moeten we dat lezen? 4. Is het college bereid om onderstaande punten mee te nemen bij ambitie 1.7: kunst in het gemeentehuis en in de openbare ruimte: a. Het transparant in de markt zetten van opdrachten, zodat (lokale) kunstenaars hiervan op de hoogte zijn en hierop kunnen reageren. b. Daarbij een marktconform tarief te hanteren (fair pay, fair practie). c. Wil het college de 1% norm opnieuw hanteren? d. Is het college bereid om bij onderhoud aan kunstwerken ook altijd de kunstenaar die het kunstwerk gemaakt heeft, te betrekken of het door deze kunstenaar uit te laten voeren? Zodat geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke kunstwerk? 5. Kan kunstuitleen met ook levende kunstenaars niet alsnog gerealiseerd worden door kunst bijvoorbeeld bij de levende kunstenaar in opslag te houden, maar deze vanuit de website van de kunstuitleen wel aan te bieden? Dat zou voor de vrijwilligers wellicht wel behapbaar zijn en geen beslag leggen op de opslag van de kunstuitleen. Wil het college dat onderzoeken? 6.
Waarom wil het college als voorwaarde stellen dat kunst- en cultuuruitingen moeten passen bij de cultuurhistorie en wat er leeft in de gemeente? En aansluiten bij de wensen en behoeftes van mensen? Dat is toch de kern van wat kunstenaars doen? Vernieuwen, een andere kijk geven op de actualiteit en tijdgeest, vermaken. En vaak ook onverwachte dingen, waarvan de behoefte vooraf niet per definitie duidelijk is. Het antwoord in de commissie vonden we onduidelijk. Enerzijds wil het college voorwaarden stellen voor publieke middelen, anderzijds wil het college zo min mogelijk sturing geven en niets opleggen. Hoe gaat dit in de praktijk plaatsvinden en kan het college dat nader toelichten? 7. De Ronde Venen geeft 22 euro per inwoner uit aan kunst en cultuur, ongeveer evenveel als een gemeente van de helft van onze grootte (Oldebroek). Geven we als gemeente dan niet erg weinig uit aan kunst en cultuur, gegeven dat een gemeente de helft van onze grootte hetzelfde budget per inwoner hanteert? Het college heeft in de commissie aangegeven met een uitgebreider vergelijk te komen met vergelijkbare gemeenten, maar op de vraag of de gemeente op basis van het vergelijk met Oldebroek (circa 24.000 inwoners) niet weinig besteedt aan kunst en cultuur is nog geen antwoord gekomen. Dat willen we nog graag weten van het college.
Zo zou de oude bezuiniging op het kunst- en cultuuronderwijs, zoals wij betoogd hebben bij de Kadernota, alsnog teruggedraaid kunnen worden. Het budget is immers mede bepalend voor de ruimte die er is voor uitwerking in de uiteindelijke nota.