221205 Beantwoording technische vragen CUSGP -Bodembeheer
Tekst van het document
Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 39 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig
Categorie:
A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)
Logo
Naam indiener: Wim Stam Fractie: ChristenUnie-SGP De Ronde Venen Datum van indienen: 21-11-2022 Onderwerp: Nota Bodembeheer In te vullen door organisatie Behandelend ambtenaar: Flip van Leeuwe Datum beantwoording: 25-11-2022 Volgnummer: 30 Inleiding
Vragen 1. Wat is precies het nut / noodzaak van dit beleidskader en de bodemkwaliteitskaarten (waarvoor wordt het gebruikt / wat hebben we eraan)? 2. Argument 1.2 stelt dat met dit voorstel grondverzet eenvoudiger en goedkoper wordt: Voor wie wordt het eenvoudige en goedkoper Welke risico’s lopen we hiermee op extra / onbedoeld vervuilde grond (we wijzen hier specifiek op de problemen die we hebben ervaren in de polder Wilnis Veldzijde de afgelopen jaren. 3. Wiens belang is met deze besluitvorming gediend; het lijkt erop dat het vooral een ODRU belang is (uniformiteit in het hele gebied) en in welke mate wordt de beleidsvrijheid van De Ronde Venen hiermee beperkt? 4. Kunt u in een korte toelichting aangeven hoe dit beleid en deze kaarten in de praktijk gaan werken o.a. bij het bepalen welke vergunningen, controles, beperkingen wanneer van toepassing zijn (de nota bevat meer dan 100 pagina’s; wat veel voor raadsleden om helemaal te bestuderen). Antwoord 1. Als de gemeente geen eigen bodembeleid maakt mag binnen de gemeente alleen schone grond worden toegepast in werken. Dat betekent dat alle niet schone grond die bij werken
vrijkomt, moet worden afgevoerd om elders (buiten de gemeente) te worden verwerkt of toegepast. Dit betekent voor een ontwikkelaar (veel) extra kosten. Ook wordt hiermee zuinig gebruik van grondstoffen belemmerd. 2. Grondverzet wordt goedkoper voor iedereen die grond wil afvoeren omdat bij een werk een overschot aan grond is en voor iedereen die grond nodig heeft in een werk. Dat kan een particuliere ontwikkelaar zijn maar dit betreft ook gemeentelijke projecten. In ons bodembeleid wordt uitgegaan van het stand still beginsel. Je mag geen grond toepassen die een slechtere kwaliteit heeft dan de ontvangende bodem. Met deze nota lopen we dus geen risico dat de bodemkwaliteit achteruit gaat. 3. Besluitvorming over bodembeleid moet sowieso plaatsvinden omdat het een wettelijke verplichting is bodemkwaliteitskaarten en de Nota bodembeheer periodiek te actualiseren. Elke gemeente is vrij om zijn eigen bodembeleid te maken, onafhankelijk van andere gemeenten. Binnen het ODRU gebied hebben gemeenten samenwerking gezocht om de uitvoering van het bodembeleid efficiënter en goedkoper te maken. Ook faciliteert gezamenlijk beleid toepassers van grond omdat die niet met een lappendeken van beleid hebben te maken en daardoor minder snel de fout in gaan.
Met gezamenlijk beleid worden wij niet beperkt in onze beleidsvrijheid omdat wij vrijwillig deelnemen en invloed hebben op de keuzes die in het beleid gemaakt worden. Ook is binnen het gezamenlijke beleid ruimte voor afwijkende keuzes voor specifieke situaties per gemeente. 4. De bodemkwaliteitskaart kan onder voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond die vrijkomt bij werken en die elders moet worden toegepast. Hierdoor is niet in alle gevallen een partijkeuring noodzakelijk. Dit bespaart tijd en kosten. De ‘toepassingskaart’ geeft aan welke kwaliteit grond waar mag worden toegepast. Deze kaart biedt zo veel mogelijk ruimte voor hergebruik van grond maar bewaakt tegelijkertijd dat de kwaliteit van de bodem in de gemeente niet achteruit gaat. Alle grond die wordt toegepast moet worden gemeld bij het Landelijk meldpunt bodemkwaliteit. In de melding moet worden aangeven hoeveel grond wordt toegepast, waar, in welke periode, wat de kwaliteit van de grond is en welk bewijsmiddel daarvoor wordt bijgeleverd. De ODRU controleert alle meldingen. Als grond getransporteerd wordt moet deze worden voorzien van een begeleidingsbon waarop plaats van herkomst en toepassingslocatie staat. Op deze wijze kan worden gecontroleerd of de grond die is aangemeld ook naar de juiste locatie gaat.
De ODRU kan ook een veldcontrole uitvoeren op locaties waar op dat moment grond wordt toegepast (controle papieren, visuele inspectie van de grond).