CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

20260205 Beantwoording Technische vragen B - GL-Pvda - Visie VAB

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadvoorstel Visie Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)1.523 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college: A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 39 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig

Categorie:

A/B/C (Doorhalen wat niet van toepassing is)

Naam indiener: Joey de Mol/Pieter Kroon Fractie: GroenLinks-PvdA Datum van indienen: 3 februari 2026 Onderwerp: Visie Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

In te vullen door organisatie Portefeuillehouder: Cees van Uden Datum beantwoording: 5 februari 2026 Inleiding n.v.t. Vragen 1. Wanneer verwacht het college duidelijkheid over de uitkomsten van het met de provincie afgesproken onderzoek naar extra maatwerkmogelijkheden binnen de sloopmetersystematiek? En welke gevolgen kan dit hebben voor de uitvoerbaarheid of aanpassing van het nu voorliggende visiedocument? Antwoord: Met de provincie is afgesproken dat maatwerk per casus bekeken wordt. Dit gebeurt per concreet verzoek dat naar de mening van het college in aanmerking komt voor maatwerk. Er is dus geen algemeen antwoord te geven op de vraag. De uitkomsten van deze overleggen hebben geen gevolgen voor de VAB-visie. Het betreft ontwikkelingen die passen binnen onze VAB-visie, maar niet binnen provinciaal beleid In het raadsvoorstel wordt aangegeven dat de gemeente met de enquête en gesprekken een beeld wilde krijgen van het aantal te verwachten stoppende agrariërs—maar dat aantal ontbreekt. Is er uit de enquêtes en participatie een concreter beeld (met aantallen of een bandbreedte) te destilleren van het aantal daadwerkelijk te verwachten “stoppers”? Antwoord:

Nee, er is geen concreter beeld uit te destilleren. In de enquête is gevraagd of agrariërs verwachten te stoppen. Of zij dit daadwerkelijk gaan doen is afhankelijk van verschillende factoren. Onder andere of de vervolgmogelijkheden aantrekkelijk zijn en persoonlijke omstandigheden. Wel kunnen de uitslagen van de enquête gebruikt worden om een trend te constateren en hierop in te spelen met beleid. 2. Na twee jaar vindt een evaluatie plaats. Hoe wordt er tot die tijd (en daarna) gemonitord of de VAB-visie bijdraagt aan minder leegstand, meer ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde? En welke concrete indicatoren worden daarbij gehanteerd? Antwoord: De gemeente heeft bij de sloopmetersystematiek een administratieve functie, waarbij de gemeente constant een beeld heeft van de verhandelde sloopmeters. De evaluatie zal verder voortdurend plaatsvinden aan de hand van concrete gevallen die daadwerkelijk geleid hebben tot (gedeeltelijk) stoppen met een nevenactiviteit of een functieverandering, geweigerde verzoeken en of vooroverleggen. Hierbij zal gekeken worden naar kwantitatieve aspecten, zoals hoeveel m2 sloop, maar ook naar kwalitatieve aspecten, door bijvoorbeeld met VABinitiatiefnemers in gesprek te gaan en het proces te evalueren. 3. In de VAB-visie wordt nadrukkelijk ruimte gelaten voor maatwerk.

Hoe wordt geborgd dat maatwerkbesluiten consistent en uitlegbaar zijn voor initiatiefnemers en andere betrokkenen? En in hoeverre bestaat het risico dat maatwerk bij individuele initiatieven een precedentwerking heeft die de facto leidt tot wijziging van de uitgangspunten van de VAB-visie? Antwoord: Precedentwerking borduurt voort op het gelijkheidsbeginsel. Het is vaste jurisprudentie dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel zelden slaagt, omdat er dan sprake moet zijn van 2 identieke situaties en dit lastig aan te tonen is. Indien er gebruik gemaakt wordt van maatwerk zal er per geval uitgebreid gemotiveerd moeten worden waarom hier wordt afgeweken. Aangetoond zal moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met een onderbouwing. Hierdoor zijn al deze besluiten goed gemotiveerd en hiermee ook consistent en uitlegbaar. Maatwerk is bovendien noodzakelijk omdat met een VAB-visie geen uitputtend beleid wordt vastgesteld die van toepassing is op alle voorkomende situaties. Er zijn altijd onverwachte gevallen, waarvoor op voorhand geen eenduidige regels zijn vast te stellen, maar die via maatwerk wel bijdragen aan onze doelen voor het buitengebied en de VABdoelstellingen. 4.

De provincie heeft een aantal punten benoem waarop ze de visie graag aangepast zouden zien worden? Heeft dat tot aanpassingen geleidt? Kan per punt aangegeven worden waarom die wel of niet zijn aangepast in de visie? Antwoord: Belangrijk is om te vermelden dat de provincie in hoofdlijnen positief is. De provincie heeft aangeven ‘de grote inzet en de zorgvuldige manier waarop u de VAB-visie heeft opgesteld zeer op prijs te stellen’. Zij concluderen dat onze VAB-visie in grote lijnen aansluit bij de provinciale ambities en een waardevolle bijdrage levert aan de eerdergenoemde doelstelling van het provinciale VAB-beleid. Enkel op het punt van ontstening was de provincie kritisch. Door met een sloopmetersystematiek te werken, zijn de bezwaren van de provincie op het punt van ontstening weggenomen. De overige opmerkingen van de provincie zijn verwerkt. Zie hieronder: Agrarisch gerelateerde productie Opmerking provincie:

Onder het kopje ‘agrarisch gerelateerde productie’ zien wij een risico dat grootschalige verwerkingsbedrijven kunnen ontstaan, zoals zuivel- of fruitverwerking of grootschalige opslag van oogsten. Wij adviseren daarom expliciet op te nemen dat het moet gaan om kleinschalige activiteiten om deze situaties te voorkomen. Reactie gemeente: In de VAB-visie is opgenomen dat agrarisch gerelateerde functies kleinschalig dienen te blijven en dat zuivel- of fruitverwerking of grootschalige opslag van oogsten niet passend zijn. Nevenfuncties Opmerking provincie: Bij het definiëren van het begrip nevenfunctie hanteert u het criterium dat niet meer dan 50% van de inkomsten van het bedrijf uit die activiteit mag worden gegenereerd. Dat is in overeenstemming met de huidige provinciale regels, mits ook sprake is van ruimtelijke ondergeschiktheid. Ons voornemen is echter die ondergeschiktheidseis te laten vervallen. U zou kunnen aangeven of en hoe u met die aangekondigde verruiming zou willen omgaan. Reactie gemeente: Deze opmerking is ter kennisgeving aangenomen. In de VAB-visie is opgenomen dat een nevenfunctie ondergeschikt moet zijn aan de hoofdfunctie om te voorkomen dat nevenfuncties te groot worden. Ruimtelijke spelregels Opmerking provincie: We zien te veel een splitsing van het erf bij het vertalen van deze typering naar een geschetst principe voor transformatie naar een woonfunctie.

Uitgangspunt voor de provincie is wonen in een agrarisch ensemble. De plaatsing van de bebouwing rond één toegang en een centraal erf is daarbij het uitgangspunt, zoals ook wordt beschreven in onze ‘kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen’. Reactie gemeente: Een compact agrarisch ensemble is ook een uitgangspunt van de gemeente. Dit is in de VAB-visie verduidelijkt. Kernrandzone Opmerking provincie: U hanteert een zone van 500 meter rond de dorpen als een zone waar soms net wat meer kan. Wij vragen u om in uw visie de kernrandzones uit de provinciale omgevingsverordening te hanteren. Waarbij voor de wat grotere kernen een (indicatieve) zone van 500 meter wordt gehanteerd en bij de kleinere 200 meter. Reactie gemeente: De zone is aangepast en is nu in lijn met de kernrandzones uit de provinciale omgevingsverordening. 5. Een punt dat de provincie aangeeft is dat er niet altijd sprake hoeft te zijn van ontstening. Toch is het naar ons weten ook een gemeentelijk doel om verstedelijking in het buitengebied terug te brengen en niet te behouden via een nieuwe functie. Hoe is dat meegenomen bij de totstandkoming van dit beleid? Antwoord:

Het college herkent zich niet in de stelling dat de provincie aangeeft dat er niet altijd sprake moet zijn van ontstening. Uitgangspunt van de provincie is juist dat er altijd sprake moet zijn van een mate van ontstening behalve bij nevenactiviteiten. Het college onderschrijft het uitgangspunt van ontstening en het voorkomen van verstedelijking van het buitengebied, maar is anders dan de provincie van mening dat dit ook kan met een kleinere sloopeis dan die is opgenomen in de sloopmetersystematiek en in sommige uitzonderlijke gevallen met zeer beperkte sloop. In het voorliggende beleid heeft het college zich geconfirmeerd aan de sloopmetersystematiek. Afgesproken is dat voor ruimtelijk gewenste verzoeken die afwijken van de sloopmetersystematiek het college in overleg gaat met de provincie of er maatwerk mogelijk is. 6. Op 11 staat aangegeven waar functies met aantrekking verkeersbewegingen wel en niet wenselijk zijn.

Is hier ook rekening gehouden met het cumulatieve effect als bijvoorbeeld alle agrariërs die stoppen in dit gebied voor een ontwikkeling met verkeersaantrekkende werking zouden kiezen? Zo nee, hoe wordt bepaald wie wel en wie niet tot een verkeersaantrekkende ontwikkeling mag komen? Of is het wie het eerst komt, wie het eerst maalt? Antwoord: Nee, per geval zal aan de hand van een onderbouwing aangetoond moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie. Hierbij wordt ook meegenomen of het verzoek leidt tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Het plaatje is dus alleen indicatief meegenomen om aan te geven waar functies met een verkeersaantrekkende werking mogelijk zijn. Vervolgens zal per geval specifiek beoordeeld moeten worden of medewerking mogelijk is. Op dit moment kunnen deze wegen extra verkeersbewegingen aan. 7. Opslag wordt als passende functie gezien. Tegelijkertijd biedt deze invulling een risico op ondermijnende criminaliteit. Hoe wordt er in deze VAB-visie voorkomen dat dat toe zou nemen? Antwoord: Een van de doelen van de VAB-visie is juist om leegstand te voorkomen door duidelijkheid te geven aan stoppende boeren en de mogelijkheden voor vervolgfuncties te verbreden en hiermee de kans op ondermijning te verkleinen. Het college is van mening dat statische opslag passend kan zijn in het buitengebied.

Wanneer stallen op een goede manier gebruikt worden, onder andere voor statische opslag, verkleint dit juist het risico op ondermijning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16574889/2