200294 BP Rijksstraatweg 85 te Baambrugge 26 februari 2024 compleet
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Baambrugge, Rijksstraatweg 85
Gemeente De Ronde Venen
Datum: 26 februari 2024 Projectnummer: 200294 ID: NL.IMRO.0736.BPP053Rijksstr85-va01
Toelichting
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 5 6
2
Planbeschrijving
8
2.1 2.2
Bestaande situatie Toekomstige situatie
8 10
3
Beleidskader
14
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
14 18 22
4
Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten
29
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Milieueffectrapportage Bedrijven en milieuzonering Bodem Geluid Geur Externe veiligheid Luchtkwaliteit Natuur Water Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Kabels en leidingen
29 32 33 34 34 35 38 39 41 47 48 49 50
5
Wijze van bestemmen
51
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
51 52
6
Economische uitvoerbaarheid
56
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
57
7.1 7.2
Overleg en inspraak Zienswijzen
57 57
Separate bijlagen − − − − − − − − − − −
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit Bijlage 2: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 4: Bodemonderzoek Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6: Beperkte verantwoording van het groepsrisico Bijlage 7: Quick scan flora en fauna Bijlage 8: Nader soortgericht onderzoek Bijlage 9: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: Nota van vooroverleg
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het perceel aan de Rijksstraatweg 85 bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van Baambrugge. Het betreft een voormalige veehouderij. De opstallen staan leeg en zijn verouderd. Het doel is om de locatie te her ontwikkelen naar wonen. De agrarische activiteiten zijn inmiddels beëindigd. De beeldbepalende boerderij en het bijbehorende koetshuis blijven behouden. Alle achterliggende opstallen, sleufsilo’s, mestplaat en overige verhardingen met een totale oppervlakte van circa 7.000 m 2 worden verwijderd. In totaal worden er 16 wooneenheden gerealiseerd, waarvan 2 appartementen en 3 woningen in de bestaande boerderij, 2 woningen in het koetshuis, en 9 woningen (4 type 2-onder-1 kap en 5 type vrijstaand). Zodoende wordt een leegstandsprobleem (van de opstallen) opgelost en draagt het initiatief bij aan de leefbaarheid van Baambrugge. Een onderdeel bij de herinrichting van het plangebied betreft het leveren van een bijdrage aan de landschappelijke kernwaarden. Met de maatregelen zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan worden de ruimtelijke en landschappelijke kenmerken in en nabij het plangebied versterkt en verbeterd. Het nieuwe erf vormt een groene schakel tussen het dorp en het buitengebied door middel van erfbeplanting en een boomgaard aan de noordoostzijde van het perceel.
Ook komt er een wandelpad over het erf dat de dorpsrand verbindt met het natuurgebied, hetgeen ten goede komt aan de recreatiemogelijkheden in Baambrugge. Het geldende bestemmingsplan laat woningbouw niet toe. Om de woningen mogelijk te maken is onderhavig bestemmingsplan opgesteld, dat door de gemeenteraad van de gemeente Ronde Venen vastgesteld zal moeten worden. In dit bestemmingsplan is de haalbaarheid van de gewenste ontwikkeling aangetoond, mede door middel van een aantal onderzoeken.
1.2
Ligging plangebied Het plangebied is een agrarisch perceel ingeklemd tussen woningen aan de rand van het dorp Baambrugge. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 8.500 m2 en ligt aan de Rijksstraatweg. Op de navolgende luchtfoto’s is de ligging van het plangebied aangegeven. Voor de exacte ligging en begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.
3
Baambrugge
Globale ligging van het plangebied (geel) ten opzichte van de kern Baambrugge (Bron: PDOK Viewer).
Begrenzing van het plangebied (geel) (Bron: PDOK Viewer). e
4
1.3
Vigerend bestemmingsplan In het zuidwestelijk deel van het plangebied geldt de beheersverordening ‘Beschermd dorpsgezicht Abcoude en beschermd dorpsgezicht Baambrugge’ (vastgesteld op 30 mei 2013). Het noordoostelijk deel van het plangebied is gelegen binnen het ‘Bestemmingsplan Abcoude Buitengebied’ (23 november 2011).
Uitsnede geldende beheersverordening ‘Beschermd dorpsgezicht Abcoude en beschermd dorpsgezicht Baambrugge’ met daarop het plangebied globaal omlijnd (rood) (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
Uitsnede geldende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Abcoude Buitengebied’ met daarop het plangebied globaal omlijnd (rood) (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
5
Beschermd dorpsgezicht Abcoude en beschermd dorpsgezicht Baambrugge
In de beheersverordening ‘Beschermd dorpsgezicht Abcoude en beschermd dorpsgezicht Baambrugge’ kent het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemmingen ‘Archeologisch Waardevol Gebied 2’, ‘Beschermd dorpsgezicht Baambrugge’ en ‘Waterkering’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden veehouderijen en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘‘Archeologisch Waardevol Gebied 2’. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van archeologische waarden in de bodem. De dubbelbestemming ‘Beschermd dorpsgezicht Baambrugge’ regelt de bescherming van cultuurhistorische waarden. Voordat een omgevingsvergunning binnen het vlak 'Beschermd dorpsgezicht Baambrugge' wordt verleend dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de monumentencommissie omtrent de mogelijke cultuurhistorische aantasting van de karakteristiek van het beschermd dorpsgezicht van Baambrugge. Als laatste kent het voorerf de dubbelbestemming ‘Waterkering’. Het is verboden ter plaatse van het vlak 'Waterkering' te bouwen. Van dit verbod kan worden afgeweken, met inachtneming van de betreffende regels van de beheersverordening en mits door de aanvrager vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende waterkering. Binnen deze aanduiding is geen nieuwbouw beoogd.
De bestaande bebouwing wordt alleen verbouwd. Bestemmingsplan Abcoude Buitengebied In het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Abcoude Buitengebied’ kent het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, openheid, water en groenvoorzieningen. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van archeologische waarden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er binnen de geldende bestemmingen op de bedrijfswoning na geen woningen zijn toegestaan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet in een toelichting op het bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels zijn juridisch bindend, de toelichting is dat niet en geldt als onderbouwing voor wat er in de regels en verbeelding is weergegeven. De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijk beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan wordt
6
getoetst. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5), de economische uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en de resultaten van de gevolgde procedure (hoofdstuk 7).
7
2
Planbeschrijving
2.1
Bestaande situatie Baambrugge Baambrugge heeft van oudsher een verzorgende functie voor het omringende agrarische gebied. Het aantrekkelijke landschap en de goede bereikbaarheid via de Angstel waren belangrijke redenen die maakten dat vanaf het einde van de 17e eeuw de ontwikkeling van grote boerderijen en buitenplaatsen langs de rivier een grote vlucht nam. Deze buitenplaatsen zijn eenvoudiger dan die langs de Vecht, maar bleken zeer geschikt als zomerverblijf voor Amsterdamse kooplieden. Navolgende afbeelding laat zien dat er in de kern van Baambrugge enkele gebouwen zijn gesitueerd die gebouwd zijn voor 1800. De oorspronkelijke bebouwing van Baambrugge concentreert zich rondom de Angstel.
Kaart bebouwingsjaren gebouwen Baambrugge met daarop het plangebied globaal geel omlijnd (Bron: www.code.waag.org). Rijksstraatweg Het plangebied bevindt zich aan de Rijksstraatweg. De Rijksstraatweg maakt onderdeel uit van de veertien Routes Impériales, die begin 19e eeuw door Napoleon zijn aangelegd om Parijs met Amsterdam te verbinden. De weg is van groot belang geweest voor de economische ontwikkeling van het gebied en is onderdeel van de top 100 industrieel erfgoed van de provincie Utrecht. Via de Rijksstraatweg kan men vandaag de dag naar het zuiden richting de N201 of naar het noorden richting Abcoude.
8
Het plangebied Op de historische kaart van 1870 (zie navolgende afbeelding) is het lint van buitenplaatsen en grote boerderijen goed te zien. Op de plek van de huidige boerderij aan de Rijksstraatweg 85 stond een monumentale boerderij met de naam Rusthof. Tevens was er een boomgaard aanwezig. Rond 1935 is deze boerderij gesloopt en is de huidige boerderij gebouwd. Het betreft een koeienhouderij met als hoofdgebouw de woning met aansluitend stallen en een losstaand koetshuis. Op het achtererf, achter de boerderij en het koetshuis, bevinden zich opstallen, sleufsilo’s, een mestplaat en overige gesloten verhardingen met een totale oppervlakte van circa 7.000 m 2. De opstallen staan thans leeg en zijn verouderd, zoals navolgende sfeerimpressie laat zien.
Historische kaart uit 1870 met boerderijen en buitenplaatsen langs de Angstel en de monumentale boerderij ‘Rusthof’ (Bron: www.topotijdreis.nl).
Sfeerimpressie huidige situatie achtererf (Bron: Noordanus & Partners).
9
2.2
Toekomstige situatie Randvoorwaarden De wens bestaat om op de locatie van de voormalige veehouderij woningen op te richten. De Locatie Rijksstraatweg 85 behoort tot het beschermd dorpsgezicht van Baambrugge. Daarnaast behoort het achtererf tot de kernrandzone van Baambrugge. Het ontwikkelen van het perceel Rijksstraatweg 85 biedt kansen om de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit van de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht aan de zuidzijde van Baambrugge te versterken. Bij de ontwikkeling van het perceel staat de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de beeldkwaliteit daarom centraal. Om de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit te verbeteren is een landschappelijk inpassings- en beeldkwaliteitsplan1 opgesteld, waarin uitgangspunten voor het stedenbouwkundig ontwerp zijn opgesteld. Hierbij is rekening gehouden met de landschapskwaliteiten en het beleid van de diverse overheden. Navolgend worden de uitgangspunten voor het stedenbouwkundig ontwerp kort vermeld. Historie (op basis van kaart 19e eeuw) − De boerderij is onderdeel van het historisch lint met monumentale boerderijen met groene erven langs de Angstel. − De historische erven zijn min of meer blokvormig. − Boomgaarden zijn karakteristieke elementen op en nabij de historisch erven.
Ten zuidoosten van boerderij Rijksstraatweg 85 lag een grote boomgaard en/of moestuin (weergegeven door middel van het grijze vlak op de historische kaart uit 1870, zie paragraaf 2.1). Verbindende functie tussen dorp en landschap − De boerderij vormt een belangrijke schakel tussen het historisch boerderijenlint en de huidige zuidoostelijke dorpsgrens. − De huidige boerderij, het koetshuis en het erf blijven een herkenbaar onderdeel van het historisch agrarisch lint langs de Angstel. − Het erf grenst direct aan het open veenweidelandschap. Een harde, gesloten, bebouwingsrand is hier niet wenselijk. − Er zijn weinig wandelmogelijkheden in het buitengebied. Het erf en de aangrenzende kavels bieden ruimte voor de afronding van een “ommetje”. − Een agrarisch bedrijf zo dicht bij de kern is minder wenselijk. Uitstraling van de locatie − De huidige boerderij en het koetshuis zijn heel passend in het beschermde dorpsgezicht. − De nieuwbouw wordt op wat meer afstand op het erf geplaatst. − De nieuwbouw, de boerderij en het koetshuis worden met respect aan de historische bouwstijl ver-/gebouwd. − Auto’s worden uit het zicht geparkeerd en het erf blijft een typische erfinrichting houden zodat het beeldkwaliteit niet aangetast wordt.
1
Annerie van Daatselaar (2023). Herontwikkeling Boerderij Rijksstraatweg 85 te Baambrugge - Landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit. 8 mei 2023. 10
Planbeschrijving De agrarische activiteiten zijn volledig beëindigd. De beeldbepalende boerderij en het bijbehorende koetshuis blijven behouden. Alle achterliggende opstallen, sleufsilo’s, mestplaat en overige gesloten verhardingen met een totale oppervlakte van circa 7.000 m2 worden verwijderd. Het woonprogramma omvat 16 wooneenheden. Daarvan worden 2 appartementen en 3 woningen in de bestaande boerderij gerealiseerd. Dit zijn betaalbare wooneenheden voor doorstromende ouderen. Tevens worden er 2 woningen in het koetshuis en 9 nieuwe woningen (4 type 2-onder-1 kap en 5 type vrijstaand) gebouwd die uitermate geschikt zijn voor doorstromers uit het dorp (en de regio) en boeren die hun bedrijf hebben overgedragen. Aan de hand van de uitgangspunten is een ruimtelijk concept opgesteld. De boerderij en het koetshuis vormen de basis van het historisch erf. Met de aanleg van een nieuwe dwarssloot en de aanplant van houtsingels wordt deze ruimte gemarkeerd. Via de centrale ruimte van beide erven is het landschap bereikbaar voor wandelaars. Met een nieuw aan te planten boomgaard wordt het erf beëindigd en gekoppeld aan het landschap. Hierdoor ontstaat een erf passend binnen het bebouwingslint van de Rijksstraatweg. Navolgend is het schetsontwerp afgebeeld.
Schetsontwerp verkavelingsplan (Bron: Annerie van Daatselaar).
11
Vogelvluchtimpressie van het schetsontwerp (Bron: Just Architecten).
Herkenbaarheid historisch erf Het erf wordt aan de oostzijde begrensd door een nieuw aan te leggen sloot. De bestaande bomen en nieuwe beplanting (houtsingels) vormen een duidelijke ruimtelijke afbakening. Stedenbouwkundig plan nieuw erf: wonen aan het landschap Alle bouwblokken op het nieuwe erf zijn langgerekt en worden haaks op het perceel geplaatst, waardoor er geen harde wand naar het landschap wordt gevormd. De kopse gevels vormen samen met de tuinen een zachte overgang naar het landschap. Wonen op een erf Minimaal één gevel van de bestaande en nieuwe bouwblokken grenst geheel aan het verharde erf. Er zijn geen voortuinen, omdat deze afbreuk doen aan het gewenste beeld van een (agrarisch) erf. Alleen de bestaande boerderij heeft een voortuin. Langs de gevels van de nieuwe woningen kan een eigen verhardingsstrook worden aangebracht, zoals bij historische boerderijen en schuren veel voorkwam. In deze strook kunnen ook passende struiken, zoals hortensia’s worden aangeplant. De verhardingsstrook biedt ook ruimte voor het plaatsen van een bankje en bloempotten. Wandelroute centraal over het erf Het erf vormt een onderdeel van de wandelroute of “ommetje” door het buitengebied (vergelijkbaar met het principe van een “knooperf”).
De beperkte breedte van het perceel maakt dat er niet voldoende ruimte beschikbaar is om een aantrekkelijke wandelroute aan een buitenzijde van de erven aan te leggen. Een pad langs de tuinen zal vermoedelijk leiden tot het aanbrengen van hoge afschermingen. Dit is vanuit het landschap gezien ongewenst en bovendien verdwijnt hierdoor een belangrijke woonkwaliteit: het vrije uitzicht over de weilanden. Buiten de grenzen van het plan gebied, wordt langs de Rijkstraatweg 85 en het dorp een smal voetpad aangelegd om de route tussen het dorp en de nieuwe ontwikkeling voor voetgangers veiliger te maken.
12
Begrenzing privé-openbaar Er worden geen houten schuttingen of muren toegepast om privéruimten af te schermen van de openbaar toegankelijke ruimten. Alleen inheemse, bladverliezende, hagen zijn hier passend. Begrenzing privé-landschap Ook hiervoor geldt dat er geen schuttingen of muren worden toegepast. De slootranden krijgen een natuurvriendelijke oever zonder beschoeiingen. De aanplant van minimaal één inheemse boom aan de rand van sloot (zoals een zwarte els of knotwilg) is gewenst.
13
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied; de verouderde en leegstaande bebouwing wordt immers vervangen door nieuwbouw. De beeldbepalende boerderij en het bijbehorende koetshuis blijven behouden. Het perceel aan de Rijksstraatweg 85 behoort tot het beschermd dorpsgezicht van Baambrugge en het achtererf valt binnen de kernrandzone van Baambrugge. Het ontwikkelen van het perceel biedt kansen om de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit van het beschermde dorpsgezicht aan de zuidgrens van Baambrugge te versterken. In paragraaf 2.2 zijn de uitgangspunten voor de ontwikkeling uitvoerig beschreven. In het plan is rekening gehouden met de bestaande bebouwing in de omgeving en de aansluiting van de toekomstige bebouwing daarop. Gelet op voorgaande, wordt gesteld dat dit plan in lijn is met het gedachtegoed van de NOVI.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en 14
hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans: NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het gestelde in het Barro. 3.1.3
Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het rijksbeleid ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de Wet Luchtvaart die op 20 februari 2003 in werking is getreden (verder gewijzigde Wet Luchtvaart genoemd). De gewijzigde Wet Luchtvaart is gericht op het tot stand brengen van een wettelijke grondslag voor het nieuwe regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet vormt de grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen in overeenstemming te zijn met het Luchthavenindelingbesluit. In dit Besluit wordt een beperkingengebied aangegeven. Hierin worden beperkingengebieden ten aanzien van Schiphol weergegeven met betrekking tot externe veiligheid, geluidbelasting, hoogtebeperkingen en vogelaantrekkende werking. Toetsing In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol zijn begrenzingen opgenomen voor het luchthavengebied en het beperkingengebied. Daaruit volgt dat het plangebied binnen het beperkingengebied ligt, zoals op navolgende kaart is weergegeven. Voor ontwikkelingen binnen het beperkingengebied gelden aanvullende regels. Deze regels zijn afhankelijk van de specifieke ligging van de ontwikkellocatie.
15
Uitsnede LIB Bijlage 3 ‘Beperkingen Bebouwing’ met daarop de ligging van het plangebied globaal weergegeven (rode punaise), (groen berperkingengebied geluidgevoelige gebouwen, geel afwegingsgebied geluid en externe veiligheid) (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
Beperkingen geluidgevoelige gebouwen De gronden van het besluitgebied bevinden zich niet een in gebied met beperkingen voor geluidgevoelige objecten (groen gemarkeerd). Kortom het Luchthavenindelingbesluit legt met het oog op de geluidbelasting geen beperkingen op de uitvoering van het beoogde initiatief. Beperkingen externe veiligheid Raadpleging van bijlage 3 van het Luchthavenindelingbesluit wijst uit dat het plangebied niet in gebied ‘5: afwegingsgebied geluid en externe veiligheid’ ligt (groen gemarkeerd). Het Compendium voor de Leefomgeving2 geeft aan dat de 2
CBS, PBL, RIVM, WUR (2017). Externe veiligheid rond Schiphol, 2000-2014 (versie 21 december 2017) . www.clo.nl. CBS, Den Haag, PBL, Den Haag, RIVM, Bilthoven en WUR, Wageningen. 16
risicocontouren rondom Schiphol voornamelijk in het verlengde van de banen van de luchthaven liggen. Aan het begin en aan het einde van de landingsbanen wordt namelijk de kans het grootst geacht dat er iets gebeurt. Daar het plangebied niet in het beperkingsgebied ten aanzien van het aspect externe veiligheid is gelegen, zijn de eisen zoals gesteld in bijlage 3 van het LIB niet van toepassing op het plan. Er hoeft niet gemotiveerd te worden hoe in onderhavig bestemmingsplan rekening is gehouden met de wijze waarop wordt omgaan met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Beperkingen hoogte Bijlage 4 van het Luchthavenindelingbesluit geeft aan dat voor het plangebied een maximale toetshoogte van 146 meter geldt. De nieuwe woningen kennen een maximale nokhoogte van circa 10 meter. Daarmee vormt het aspect bouwhoogte uit het Luchthavenindelingbesluit geen belemmering voor het initiatief. Beperkingen hoogte radar Ook stelt het Luchthavenindelingbesluit beperkingen ten aanzien van de hoogte in verband met het functioneren van radarapparatuur op Schiphol. Het plangebied kent hiervoor een toetshoogte van circa 84 meter ten opzichte van NAP. De nieuwe woningen kennen een maximale nokhoogte van circa 10 meter. Daarmee vormt het aspect bouwhoogte (radar) uit het Luchthavenindelingbesluit geen belemmering voor het initiatief.
Beperking aantrekken vogels Verder ligt het plangebied niet binnen de toetszone voor het beperken van het aantrekken van vogels. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. 3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening. Onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, moet worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
17
Toetsing Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen of meer wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling 3. Gelet op jurisprudentie en het feit dat het voorgenomen plan ruimte biedt aan 16 woningen, is voorliggende ontwikkeling aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is het plan getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Overigens ging het ontwerp van het plan ten tijde van de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking nog uit van 18 woningen. De toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking4 is toegevoegd aan de bijlagen van dit plan. In de toetsing wordt geconcludeerd dat de Ladder voor duurzame verstedelijking voor het ontwerp met 18 woningen positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats volgens de definitie van het Bro. Daarmee wordt de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. Aangenomen mag worden dat het positief doorlopen van de Laddertoets voor een plan met 18 woningen betekent dat ook een plan voor 16 woningen positief doorlopen zal worden. 3.1.5
Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
1.1.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: ‘Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 er uitziet?’. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: − Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten; − De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; − Het vergroten van de duurzaamheid; − Specifiek in spelen op wat gebieden nodig hebben. In de Omgevingsvisie ligt de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor
3
Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).
4
SAB (2023). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Baambrugge, Rijksstraatweg 85. Projectnummer: 200294. 10 augustus 2023. 18
sociale samenhang en wordt zorg gedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving. In het omgevingsbeleid worden staan twee centrale uitgangspunten centraal: − kiezen gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. − concentreren en combineren van nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven. Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie wijst uit dat in het plangebied een aantal provinciale belangen spelen. Navolgend wordt hier op ingegaan. Vitale dorpen en steden Prognoses wijzen uit dat de provincie Utrecht de komende decennia nog fors gaat groeien en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. De provincie ziet de toekomstige ontwikkeling van woon- en werklocaties in samenhang met bereikbaarheid en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten zoals in de visie verwoord.
Daarom worde bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes gehanteerd: − zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; − daarnaast in overig stedelijk gebied; − eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. In aanvulling wordt in de Omgevingsvisie onder voorwaarden ruimte geboden aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk). Onderhavig initiatief is gedeeltelijk gelegen in stedelijk gebied. Het plan voorziet in een binnendorpse woningbouwlocatie. Het achtererf is gelegen in de Kernrandzone. Kernrandzone Voor het achtererf geldt dat dit gebied is gelegen in de kernrandzone voor het landelijk gebied, zoals opgenomen op de kaart ‘Aantrekkelijke landschappen’ in de Omgevingsvisie provincie Utrecht. In de kernrandzone zijn twee vrijstaande woningen beoogd. De bouw van extra woningen in deze zone vraagt om een integrale visie op bebouwing en het landschap. Een belangrijk onderdeel bij de herinrichting van het plangebied betreft dan ook het bijdragen aan de landschappelijke kernwaarden.
19
Landschap Groen Hart
Kernrandzone
Uitsnede kaart ‘Aantrekkelijke landschappen’ van de Omgevingsvisie provincie Utrecht, bron: ruimtelijke plannen
Met uitvoeren van het landschappelijk inpassingsplan, zoals reeds in paragraaf 2.2 besproken, vindt er een versterking en verbetering plaats van de ruimtelijke en landschappelijke kenmerken in en nabij het plangebied. Het nieuwe erf vormt een groene schakel tussen het dorp en het buitengebied door middel van erfbeplanting en een boomgaard aan de noordoostzijde van het perceel. Alle bouwblokken op het achtererf zijn langgerekt en worden haaks op het perceel geplaatst, waardoor er geen harde wand naar het landschap wordt gevormd. De kopse gevels vormen samen met de tuinen een zachte overgang naar het landschap. Er worden geen houten schuttingen of muren toegepast om privéruimten af te schermen van de openbaar toegankelijke ruimten. Hierdoor blijft het open landschap gewaarborgd. 3.2.1
Omgevingsverordening provincie Utrecht De interim omgevingsverordening (IOVPU) is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Hieronder worden de meest belangrijke instructieregels behandeld. Toetsing Binnen de IOVPU geldt voor het plangebied dat het is aangewezen als stedelijk gebied en kernrandzone. Het is gelegen binnen de Historische buitenplaatszone en valt binnen de uitzondering verstedelijkingsverbod Landelijk gebied. Het gehele plangebied is gelegen binnen het landschapstype Groene Hart en gedeeltelijk in het Gebied landschappelijke waarden. Navolgend wordt ingegaan op de voor deze ontwikkeling relevante regels uit de IOVPU.
20
Artikel 7.7 Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur De cultuurhistorische hoofdstructuur bestaat uit vijf gebieden waaronder de Historische buitenplaatszone. In de Cultuurhistorische hoofdstructuur dient rekening gehouden te worden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en de bescherming en benutting van deze waarden. Met uitvoeren van het landschappelijk inpassingsplan, zoals reeds in paragraaf 2.2 besproken, vindt er een versterking en verbetering plaats van de ruimtelijke en landschappelijke kenmerken in en nabij het plangebied. Artikel 7.9 Landschap Zoals eerder aangegeven maakt het plangebied onderdeel uit van het landschap van het Groene Hart. In de IOVPU is vastgelegd dat de kernkwaliteiten van het landschap niet onevenredig mogen worden aangetast. Met uitvoeren van het landschappelijk inpassingsplan, zoals reeds in paragraaf 2.2 besproken, vindt er een versterking en verbetering plaats van de ruimtelijke en landschappelijke kenkwaliteiten in en nabij het plangebied. Artikel 9.2 Verstedelijking landelijk gebied Het achtererf van het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied. Verstedelijking van deze gronden is in principe niet toegestaan. De ontwikkeling vindt door middel van een landschappelijke inpassingsplan beter aansluiting bij de omgeving, dan in de huidige situatie het geval is.
Voorliggend plan zorgt daarmee voor een verbetering en versterking van de ruimtelijke en landschappelijke kernkwaliteiten van het gebied. Artikel 9.8 Kernrandzone Tevens geldt voor het oostelijk deel van het plangebied dat deze gronden vallen binnen de provinciale kernrandzone. Verstedelijking is hier uitsluitend toegestaan indien: a de verstedelijking gaat gepaard met versterking van de ruimtelijke kwaliteit die in een redelijke verhouding staat tot de aard en de omvang van de verstedelijking; b de verstedelijking ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar is en wordt gerealiseerd in aansluiting op stedelijk gebied, of in samenhang met overige verstedelijkte structuur; c tijdige en duurzame realisatie van de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit is geborgd; en d omliggende functies worden niet onevenredig geschaad. In het kader van voorliggende ontwikkeling is een landschappelijke inpassingsplan opgesteld. Hierin is aangegeven hoe de verstedelijking aansluit op de ruimtelijke en landschappelijke structuur en is aangetoond dat de ontwikkeling resulteert in een versterking en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan is tevens een onderbouwing opgenomen (paragraaf 2.2) waarin beschreven staat op welk gebied deze toepassing betrekking heeft en dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
De onderbouwing geeft een beschrijving van de ruimtelijke kwaliteiten en de wijze waarop met het versterken daarvan is omgegaan.
21
Artikel 9.15 Verstedelijking Het plangebied maakt onderdeel uit van het ‘stedelijk gebied’ van de provincie Utrecht. Verstedelijking wordt zo veel mogelijk binnen het stedelijk gebied voorzien en bij voorkeur, nabij knooppunten. Daarbij geldt dat woningbouwontwikkelingen moeten passen binnen het door gedeputeerde staten vastgestelde programma en niet leiden tot extra bodemdaling. Het perceel ligt op een hoger gelegen stroomrug aan de rivier de Angstel, met daarachter een rivierkom bestaande uit zware klei. Het perceel ligt niet in een gebied waar historische bodemdaling door veenoxidatie heeft plaatsgevonden. Het is daarom ook niet de verwachting dat de bodem zal dalen. De ontwikkeling van Rijksstraatweg 85 sluit hiermee aan bij het verstedelijkt gebied en zal niet leiden tot bodemdaling. Artikel 2.10 Instructieregel overstroombaar gebied De locatie is in de IOPVU aangewezen als overstroombaar gebied. De provincie wil in deze gebieden goed voorbereid zijn op eventuele overstromingen. Voor het binnendijks ontwikkelen van kwetsbare en vitale objecten, woonwijken en bedrijventerreinen moet een ruimtelijk besluit bestemmingen en regels bevatten die rekening houden met overstromingsrisico’s.
De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘overstroombaar gebied’ bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. De gemeente De Ronde Venen heeft geen beleid hoe er met het overstromingsrisico omgegaan moet worden. In de waterparagraaf, opgenomen in paragraaf 4.9, is nader ingegaan op de manier waarop in dit plan rekening is gehouden met de waterbelangen. Er is geen sprake van strijdigheid met de provinciale verordening. 3.2.2
Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie De Ronde Venen 2030 Op 17 oktober 2013 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie De Ronde Venen vastgesteld. Hiermee zijn de hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen en de hoofdzaken van het gemeentelijk ruimtelijk beleid op lange termijn beschreven. De Structuurvisie heeft een looptijd tot 2030 en wordt in die periode twee maal geëvalueerd en eventueel aangepast aan de actualiteit. De visie op de gemeente is er een van een gemeente in het Groene Hart met sterke relaties met de Noordvleugel van Amsterdam en omstreken. In De Ronde Venen zijn de volgende beleidsthema´s aangemerkt als ‘van gemeentelijk belang’: − Leefbaarheid – een prettige woon- en werkomgeving voor de inwoners van De Ronde Venen staat aan de basis van ons ruimtelijk beleid. Dit omvat voldoende woningen met een kwaliteit die aansluit bij de behoefte, de openbare ruimte,
22
voorzieningen en alle andere aspecten die de waardering van de woon- en werkomgeving bepalen. − Landschap – het open en groene karakter van het landelijk gebied is het 'kapitaal' van De Ronde Venen. Het bepaalt een groot deel van de identiteit van de gemeente en biedt plaats aan agrarische, niet-agrarische en recreatieve ondernemers. Balans tussen bescherming en gezonde dynamiek is noodzakelijk. − Lokale economie – Een gezonde lokale economie begint met ideeën, inzet en investeringen van lokale ondernemers. De gemeente creëert uitnodigende randvoorwaarden voor ondernemers. Vernieuwing en innovatie zijn belangrijk voor groei. De gemeente wil (binnen haar mogelijkheden) helpen om obstakels die vernieuwing en innovatie in de weg staan, uit de weg te ruimen. − Duurzaamheid – Duurzaamheid als lokaal belang houdt in: duurzaamheid dicht bij de mensen. Geen grootschalige gemeentelijke projecten, maar ondersteuning van kleinschalige initiatieven van inwoners en lokale ondernemers. Toetsing Het open landschap met verspreide dorpen zijn bepalend voor de identiteit van de gemeente. In het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgesteld voor onderhavig plan, is rekeningen gehouden met de openheid van het karakteristieke landschap, zoals beschreven in paragraaf 2.2.
Alle bouwblokken op het achtererf zijn langgerekt en worden haaks op het perceel geplaatst, waardoor er geen harde wand naar het landschap wordt gevormd. De kopse gevels vormen samen met de tuinen een zachte overgang naar het landschap. Er worden geen houten schuttingen of muren toegepast om privéruimten af te schermen van de openbaar toegankelijke ruimten. De slootranden krijgen een natuurvriendelijke oever zonder beschoeiingen. Daarnaast geldt dat door het slopen van verouderde opstallen en het terugbouwen van woningen wordt bijgedragen aan de leefbaarheid van Baambrugge. Ook ontstaat er met de woningbouwontwikkeling meer draagvlak voor de voorzieningen in het dorp. 3.3.2
Dorpsvisie Baambrugge ‘Groot genoeg om klein te blijven’ Op 9 januari 2014 heeft de gemeenteraad de dorpsvisie Baambrugge vastgesteld. De kleinschaligheid, het beschermde dorpsgezicht, de rust en ruimte, het ons kent ons gevoel, de Angstel en het prachtige buitengebied zijn de kwaliteiten van Baambrugge. Om deze kwaliteiten te behouden zal Baambrugge vooral een dorp moeten blijven. Dit betekent niet te veel groei, zorgvuldig keuze in nieuwe ontwikkellocaties en waar mogelijk bestaande kwaliteiten versterken. Tegelijkertijd staat Baambrugge voor de uitdaging om de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp op peil te houden. Door vergrijzing, ontgroening en verdunning (minder mensen per huishouden) dreigt de bevolkingsopbouw te eenzijdig te worden, waardoor de leefbaarheid onder druk komt te staan. Met deze visie wordt ingezet op nieuwe ontwikkelingen die bijdragen aan een brede samenstelling van de bevolking, met ruimte voor iedereen. Hierdoor blijft het voorzieningenniveau en daarmee de leefbaarheid ook op langere termijn op peil. De dorpse sfeer wordt voor een groot deel bepaald door het beschermde dorpsgezicht en de relatie met het buitengebied. De visie richt zich op bescherming van de kwaliteiten hiervan door geen uitbreidingen van het dorp buiten de rode contour toe te staan.
Ontwikkelingen binnen het beschermde dorpsgezicht zijn mogelijk mits deze qua maat en schaal passen bij de omgeving. Diversiteit in architectuur en dorpse
23
schaal is hierbij het uitgangspunt. Ook kan er nog een slag gemaakt worden als het gaat om benutten van kansen. Zo wordt bijvoorbeeld de recreatieve potentie van het gebied onvoldoende benut. Door hier meer gebruik van te maken, krijgen naast de recreant ook de inwoners van Baambrugge meer mogelijkheden om te recreëren. Onder het motto ‘groot genoeg om klein te blijven’ is de balans gezocht tussen dorps karakter en ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. Samengevat vormen de navolgende punten de kern van de visie: − beschermen van het dorpse karakter; − op peil houden van de leefbaarheid; − beschermen en benutten kwaliteiten van het buitengebied. Belangrijk uitgangspunt voor wat betreft het thema wonen is het creëren van meer doorstroming en het werken aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Als voorbereiding is een Woonwensenonderzoek onder alle inwoners gehouden. Op basis hiervan is de woningbehoefte tot en met 2020 bepaald. Hieruit blijkt dat voor Baambrugge niet zozeer behoefte is aan meer woningen (kwantitatieve behoefte) maar vooral behoefte is aan ander soort woningen (kwalitatieve behoefte). Hieraan kan voldaan worden door bestaande woningen aan te passen en door het beperkt toevoegen van woningen die een meerwaarde zijn voor de bestaande woningvoorraad.
Bij nieuwe ontwikkelingen zal worden ingezet op het bieden van passende woningen voor inwoners van Baambrugge, maar ook op de instroom van jonge gezinnen met kinderen. Dit zorgt voor een gezonde samenstelling van de bevolking, is goed voor de vitaliteit van Baambrugge en ondersteunt de voorzieningen. Toetsing De locatie is gezien de ligging aan de rand van het dorp en de goede aansluiting op de Rijksstraatweg, een geschikte locatie voor een nieuwe ontwikkeling. De nieuwe woningen sluiten daarbij aan bij de actuele woningbehoefte. De woningen zijn uitermate geschikt voor de instroom van jonge gezinnen met kinderen en zijn in overeenstemming de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 3.1.4). Door een goede landschappelijke inpassing, zoals beschreven in paragraaf 2.2, blijft het dorpse karakter beschermd. De bestaande karakteristieke bebouwing blijft behouden. Daarnaast wordt er een woonerf gerealiseerd passend binnen de kwaliteiten van het beschermd dorpsgezicht c.q. het bebouwingslint langs de Rijksstraatweg. Het nieuwe erf vormt daarnaast een groene schakel tussen het dorp en het buitengebied door middel van erfbeplanting en een boomgaard aan de noordoostzijde van het perceel. Hierdoor draagt het plan tevens bij aan de kwaliteiten van het buitengebied. Daarnaast wordt in de dorpsvisie gesteld dat de recreatieve potentie van Baambrugge onvoldoende wordt benut.
Door een wandelpad op het erf te realiseren wordt de dorpsrand verbonden met het natuurgebied van Baambrugge, hetgeen ten goede komt aan de recreatieve mogelijkheden. Als laatste geldt dat door het slopen van verouderde opstallen en het terugbouwen van woningen wordt bijgedragen aan de leefbaarheid ter plaatse. Ook ontstaat er met de woningbouwontwikkeling meer draagvlak voor de voorzieningen in het dorp.
24
3.3.3
Woonvisie 2025 en vereveningsfonds De gemeente Ronde Venen heeft op 29 juni 2017 de gemeentelijke Woonvisie 2025 vastgesteld en in maart 2020 het gewijzigd vastgesteld. In deze visie zijn de ontwikkelingen in de samenleving en op de woningmarkt van de afgelopen jaren vertaald naar concrete beleidsdoelen voor de periode tot 2025. Het doel is uiteindelijk om middels deze Woonvisie richting te geven aan de wijze waarop wordt voorzien in de woonbehoefte. Het geformuleerde toekomstbeeld voor 2025 is drieledig: 1 ‘Herstel van evenwicht: door vraaggerricht te ontwikkelen is het evenwicht tussen vraag en aanbod hersteld en is er weer beweging en dynamiek op de woningmarkt. 2 ‘Voor ieder wat wils’: Innovatieve en duurzame woonoplossingen sluiten beter aan op de daadwerkelijke woonwensen van bestaande en nieuwe bewoners. Het aantrekken van nieuwe bewoners moet zorgen voor een verjonging van de bevolking. De druk op de sociale woningmarkt neemt af. Het woningaanbod biedt ruimte aan starters, gezinnen, jongeren, senioren, vergunningshouders en zorgbehoevenden. 3 ‘De geheime tuin van Amsterdam’: Door de ligging van de gemeente, tussen het Groene Hart en Amsterdam, wordt het gezien als een rustige en groene woonomgeving grenzend aan Amsterdam. Hierdoor is de werkgelegenheid hoog en zijn de openbaar vervoersvoorzieningen en de bereikbaarheid per auto groot.
De woonvoorraad sluit nu onvoldoende aan bij de woonwensen van de inwoners. Mede hierdoor is er een gebrek aan doorstroming. De visie richt zich op het bouwen van nieuwe woonmilieus om daarmee de doorstroming te bevorderen. Hiertoe heeft de gemeente een aantal speerpunten gekozen: − Betaalbaar wonen; − Beschikbaarheid en diversiteit; − Duurzaam wonen; − Wonen en zorg. In 2022 is door de gemeente een vereveningsfonds vastgesteld. Middels dit fonds kan bij het ontwikkelingen van woningen (tussen 3 en 30 woningen) het aandeel sociale huurwoningen worden afgekocht. De initiatiefnemer dient dan een bijdrage te leveren aan het vereveningsfonds. Tot slot is met de wijziging van de Woonvisie uit 2020 bij nieuwe projecten meer gestuurd op het toevoegen van sociale en middeldure huurwoningen. Toetsing Voorliggend woonprogramma bestaat uit 16 wooneenheden. Het plan draagt bij aan de woonbehoefte in Baambrugge, zoals ook al blijkt uit de Ladder (paragraaf 3.1.4). Van het woonprogramma wordt een deel betaalbaar, volgens de criteria van de gemeente. Hiermee wordt voldaan aan het speerpunt ‘betaalbaar wonen’. Het programma voorziet in appartementen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Dit sluit aan bij het speerpunt ‘beschikbaarheid en diversiteit’. De woningen worden gebouwd met het idee bij te dragen aan een gezonde leeftijdsopbouw in Baambrugge.
De woningen worden duurzaam uitgevoerd, volgens de laatste duurzaamheidseisen (speerpunt: ‘duurzaam wonen’). Daarnaast biedt het plan ruimte
25
aan levensloopbestendige woningen, waarmee wordt voorzien in het speerpunt ‘wonen en zorg’. Tot slot voldoet het plan aan het Vereveningsfonds van de gemeente. 3.3.4
Landschapsnota De Ronde Venen 2030 De landschapsnota De Ronde Venen 2030 is vastgesteld op 5 juni 2014. Deze nota is opgesteld als ruimtelijk toetsingskader om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij wordt gekeken naar de landschappelijke impact van de ontwikkeling, waarbij het doel is dat de ruimtelijke ontwikkeling en de kwaliteiten van het omliggende landschap elkaar versterken. Bij deze toetsing dienen initiatiefnemers een stappenplan te doorlopen (de Landschapstoets), waarbij er gebruik wordt gemaakt van een Landschapsbeleidskaart, een Deelgebiedenkaart en Deelgebiedbeschrijvingen. Hoewel de te behouden landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden uit de ‘Landschapsnota De Ronde Venen 2030’ vooral betrekking hebben op het gebied buiten de dorpskernen, het zogenaamde buitengebied, zijn er ook binnen de dorpskernen diverse gebiedseigen karakteristieken en waarden te onderscheiden. Toetsing Voorliggend plangebied ligt binnen deelgebied 9 ‘kernen’ en deelgebied 1 ‘Veen en Klei: landbouw’ uit de Landschapsnota. Op gronden binnen deelgebied 9 is de openheid zeer beperkt, met uitzondering van de beschermde dorpsgezichten Abcoude en Baambrugge. Het open grasland versterkt de beleving van de historische kernen vanuit omliggend openbaar gebied.
Deelgebied 1 kenmerkt zich met name door open ruimten van het weidegebied en de linten op de stroomruggen. Vanaf alle grenzen en randen is zicht op openheid. Bij voorliggend plan is nadrukkelijk rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het plangebied en de directe omgeving. In paragraaf 2.2 is dit uitvoerig beschreven.
3.3.5
Beleidsplan Verkeer 2017-2021 Op 24 november 2016 is het gemeentelijk “Beleidsplan Verkeer 2017–2021’ vastgesteld. Overigens is de gemeente momenteel bezig met het opstellen van het “Mobiliteitsplan 2023-2030”, maar dit beleidsdocument is nog niet vastgesteld. In het beleidsplan zijn de doelen en gemeentelijke ambities beschreven op het gebied van verkeersveiligheid, bereikbaarheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Het beleidsplan is een toetsingskader bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zodat beter ingespeeld kan worden op nieuwe trends en ontwikkelingen. Als onderdeel van dit beleid zijn ook de parkeernormen voor toekomstige ontwikkelingen vastgelegd. In de “Paraplubeheersverordening Parkeren” (vastgesteld op 28 juni 2018) zijn hiervoor uniforme regels opgenomen en ook juridisch-planologisch vastgelegd. De parkeernormen (afgestemd op het ASVV 2012 / CROW) geven duidelijkheid bij het bepalen van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen. Vervolgens kan op basis van deze norm de gemeentelijke parkeereis bij nieuwe ontwikkelingen worden berekend. Toetsing Op basis van de gemeentelijke parkeernormen is in paragraaf 4.12 berekend dat voorliggende ontwikkeling een totale parkeerbehoefte heeft van afgerond 32 26
parkeerplaatsen. Het plan voorziet in 32 parkeerplaatsen en voldoet daarmee aan de parkeernormen. Er wordt zoveel mogelijk op eigen terrein geparkeerd. 3.3.6
Archeologische beleidskaart Op 23 februari 2017 is de “Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016” vastgesteld. Hierin heeft de gemeente Ronde Venen het beleid vastgesteld aan de hand van kaarten met archeologische waarden en verwachtingswaarden. Aan de verschillende te onderscheiden gebieden met archeologische waarden of verwachtingswaarden is een diepte- en oppervlakte ondergrens gekoppeld. De ondergrenzen geven aan vanaf welke omvang én diepte (altijd in combinatie) bij een ruimtelijk plan er archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Deze categorieën vormen de basis voor de bescherming van archeologische (verwachtings) waarden in bestemmingsplannen. Toetsing Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2017 ligt het plangebied voor ongeveer de helft in een zone “AMK terreinen; Dorpslinten; Historische Kernen”(categorie 2b). In deze zone moet met archeologische resten rekening gehouden worden indien ingrepen meer dan 100 m2 groot zijn en dieper gaan dan 30 cm. Daarom is er een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat bij ondergrondse sloop dient te worden voorzien in archeologische begeleiding. Tevens dient na de sloop een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd.
Het behoud van eventuele archeologische waarden is in het voorliggende plan geborgd middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Het aspect archeologie wordt nader beschreven in paragraaf 4.10.
3.3.7
Spoorboekje naar een Klimaatneutrale gemeente in 2040 Op 20 april 2017 is het “Spoorboekje naar een klimaatneutrale gemeente in 2040” vastgesteld. De gemeente Ronde Venen heeft de ambitie om in 2040 een klimaatneutrale gemeente te zijn. Onder klimaatneutraal verstaat de gemeente: “dat alle activiteiten en processen op het gemeentelijk grondgebied geen bijdrage meer leveren aan klimaatverandering in de vorm van CO2-uitstoot”. De gemeente tracht dit te bereiken door het volgen van twee sporen: 1 Duurzame meters maken (tot maart 2018); 2 Duurzame meters voorbereiden (uitvoering vanaf maart 2018). In het Spoorboekje staan verschillende projecten beschreven die moeten bijdragen aan een verduurzaming van de gemeente. Een aantal hoofdacties die moeten bijdragen aan een snelle verduurzaming zijn bijvoorbeeld: − Versnelling in besparen op elektra- en warmteverbruik; − Bedrijven stimuleren om energie te besparen en over te stappen op duurzame energie; − Versnellen individuele oplossingen voor aardgasvrije/arme warmte opwekking; − Stimuleren duurzaam vervoer; − Verduurzamen gemeentelijke bedrijfsvoering en vastgoed.
27
Tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat nader onderzoek, afstemming en verdieping nodig is om de toe te passen mix in het aanbod van duurzame energie in 2040 vast te stellen. Op basis van onderzoek en maatschappelijke discussie kan bepaald worden met welke vormen van bronnen (wind, zon, biomassa, geothermie) duurzame elektriciteit en warmte kan worden opgewekt. Toetsing Door de verouderde bebouwing te slopen en te vervangen door nieuwbouw, kan voorliggend plan bijdragen aan het verduurzamen van het plangebied. De nieuwe bebouwing zal voldoen aan de nieuwste duurzaamheidseisen en biedt ruimte aan duurzame maatregelen. 3.3.8
Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.
28
4
Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het verplicht om te bekijken in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling gevolgen kan hebben op de aspecten: milieu, ecologie, water, archeologie en cultuurhistorie. In dit hoofdstuk is beschreven wat de gevolgen van dit plan kunnen zijn op die aspecten en is een planologische verantwoording gegeven. Ook is er een watertoets opgenomen. Ten tijde van het uitvoeren van de onderzoeken ging het ontwerp nog uit van 18 wooneenheden. Inmiddels voorziet het plan in 16 woningen. Deze afname zal geen negatief effect hebben op de uitkomst van de onderzoeken.
4.1
Milieueffectrapportage Algemeen In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D in de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: C- en D-lijst) staat of sprake is van m.e.r.-plicht of een (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en Ddrempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een activiteit onder de drempelwaarden blijft uit onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., betekent dit echter niet dat er geen beoordeling meer nodig is. De drempelwaarden zijn namelijk indicatieve waarden (zie artikel 2, lid 5, onder b van het Besluit m.e.r.). Dit betekent concreet dat wanneer de omvang van de activiteit onder de drempelwaarden blijft, het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag dus via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. Dit ziet op de besluiten op grond waarvan de activiteit direct kan worden uitgevoerd. − In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure
29
worden doorlopen. Het bevoegd gezag mag de m.e.r.-beoordelingsprocedures ook overslaan en direct de m.e.r.-procedure volgen. − Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is vormvrij: de wet schrijft geen procedure voor. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-procedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing Onderhavig plan betreft de herontwikkeling van een agrarische activiteiten naar woningen. Gezien de aard is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. De activiteit is kleiner dan de genoemde drempelwaarde in de bijlage van het Besluit m.e.r. (een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2000 of meer woningen) waardoor er geen m.e.r-plicht is. De activiteit valt daarom niet onder één van de categorieën van onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Het plan is daarom niet m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Er moet wel een toetsing plaatsvinden om te onderzoeken of er geen onevenredige nadelige milieueffecten ontstaan en er m.e.r. of m.e.r. beoordeling plaats moet vinden. Daarvoor is een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld5. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete project en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen: − externe veiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten. − cultuurhistorie: De functies in onderhavig project leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden. − bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. − geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder. − water: Er is met het project niet tot nauwelijks sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast voorziet het plan in voldoende mogelijkheden om te voorzien in een goede waterhuishouding. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand niet te verwachten. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken.
5
SAB (2023). Vormvrije m.e.r.-beoordeling Rijksstraatweg 85 Baambrugge, d.d. 10 augustus 2023. 30
De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 van de vormvrije m.e.r.beoordeling aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)
Natuur (soortenbescherming)
Verkeer
Geluid
Lucht
Archeologie
Beoordeling milieueffecten Op grond van het stikstofonderzoek kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof worden uitgesloten. Het natuuronderzoek sluit uit dat bij de beoogde ruimtelijke ingrepen beschermde soorten worden verstoord. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de zorgplicht. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluiting aan de Rijksstraatweg zonder te verwachten afwikkelingsproblemen. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer is echter minder dan 40% (licht verkeer) ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. Negatieve (milieu)effecten zijn daarmee uitgesloten. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. Naderonderzoek zal worden uitgevoerd.