CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

180626 - Beantwoording technische vragen - Lokaal en Fair - Programmarekening

Politieke commissie 24 juni 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Programmarekening 20251.704 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het college:

Categorie: B

A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 39 Reglement van Orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. Technische vragen overig

Naam indiener: Simone Borgstede, Niels van Nobelen Fractie: Lokaal en Fair Datum van indienen: 16 juni 2026 Onderwerp: Programmarekening

In te vullen door organisatie Behandelend ambtenaar: Jeffrey Slof, Paul van de Heuvel, Jeffrey Timmer, Brechje Binkhorst Datum beantwoording: 18 juni 2026 Volgnummer:

Pagina 36 Wij constateren dat de overheadkosten sinds 2022 aanzienlijk zijn gestegen. 1. Hoeveel fte heeft de gemeente momenteel in dienst? Antwoord: 372 fte. 2. Welk percentage van de totale personele bezetting bestaat uit externe inhuur? Antwoord: Circa 16%. 3. Binnen welke vakgebieden wordt voornamelijk gebruikgemaakt van externe inhuur? Antwoord: Externe inhuur wordt met name ingezet in het fysieke domein (projecten ruimtelijke ordening / woningbouw / maatschappelijk vastgoed). Vanuit de SPUK versnelling woninbouw ontvangt de gemeente gelden die alleen besteed mogen worden aan externe inhuur.

Pagina 69

Voor het achterstallig onderhoud van wegen is een financieel risico opgenomen. 1. Op welke wegen is dit financiële risico gebaseerd? Antwoord: Op alle wegen waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud. 2. Op welke wegen verwacht het college de komende jaren mogelijke onderhoudsproblemen of financiële risico's? Antwoord: De wegen waarop onderhoudsproblemen verwacht worden zijn opgenomen in de planning zoals benoemd in het Wegenbeheerplan 2023-2027.

Pagina 83 Er is sprake van een stijging van het aantal bijstandsgerechtigden. 1. Hoe groot was deze stijging ten opzichte van het voorgaande jaar? Antwoord: In Q1 2024 was het aantal per personen met een bijstandsuitkering 507. In Q1 2025 was dit 532 personen. Dit is een stijging van 25 personen. In Q1 2026 is het aantal weer gezakt tot 523 personen. 2. Welke verklaring(en) ziet het college voor deze ontwikkeling? Antwoord: In De Ronde Venen ontvangt, over 2025 gezien, 2,3% van de inwoners een bijstandsuitkering, ten opzichte van landelijk 4,8%. Een verklaring voor een lichte groei (zowel landelijk als in De Ronde Venen) is onder andere dat de vaardigheden van werknemers in sommige gevallen niet aansluiten op de openstaande vacatures. Daarnaast veranderd de samenstelling van de groep. Het gaat toenemend om jongeren zonder startkwalificatie, statushouders die nog Nederlands moeten leren en mensen met een kwetsbare gezondheid en multiproblematiek. Overigens is er ook weer een daling te zien in het aantal inwoners met een bijstandsuitkering in 2026 ten opzichte van 2025. 3. Welke maatregelen zijn sinds het aannemen van de motie daadwerkelijk uitgevoerd? Antwoord: Nadat de motie 'Streefdoel 15% minder mensen in de bijstand' in oktober 2024 is aangenomen, is een presentatie gegeven aan de raad waarin de Participatiekoers 2025-2030 is behandeld.

Op basis hiervan is de ambitie voor 15% verlaging omgezet in drie ambities. De eerste hiervan is 5% meer jaarlijkse uitstroom naar werk. Dit percentage wordt gehaald. Daarnaast is het streven om de gemiddelde duur in de bijstand te verlagen naar 56 maanden in 2030. Dit is op dit moment 64 maanden. De laatste ambitie is om inwoners op de participatieladder een positieve stap te laten zetten. Hiervoor is een 0-meting uitgevoerd. Volgend jaar kan vergeleken worden hoeveel inwoners een positieve stap gezet hebben. Conform het coalitieakkoord investeert het college in een pilot waarin participatieplaatsen gecreëerd worden bij de gemeentelijke buitendienst voor inwoners met een bijstandsuitkering, onder intensieve begeleiding van een jobcoach.

4. Op welke treden van de participatieladder ervaren inwoners de grootste belemmeringen om verder te participeren? Antwoord: Het streven is om iedereen naar vermogen deel te laten nemen aan de samenleving. Hoe lager op de participatieladder, hoe meer belemmeringen inwoners ervaren om mee te doen. Inwoners op trede 1 of 2 lukt het in zijn geheel nog niet om te participeren. Betaald werk of vrijwilligerswerk (trede 4-6) is voor sommige inwoners te hoog gegrepen. Deelname aan georganiseerde activiteiten (trede 3) kan voor hen ook al een grote stap vooruit betekenen. 5. Welke investeringen zijn gedaan om het aantal bijstandsuitkeringen terug te dringen? Antwoord: Zoals al aangegeven bij vraag 2 veranderd de samenstelling van het bijstandsbestand. Dit vraagt om gerichte interventie per doelgroep en het effectiever organiseren van de dienstverlening. Voor jongeren zijn er inmiddels aanvullende mogelijkheden om hen te helpen bij het vinden van een baan. Dit gebeurt ook in samenwerking met o.a. scholen, om te voorkomen dat deze groep überhaupt in de bijstand terecht komt. Specifiek gericht op statushouders worden er – naast hun inburgeringstraject – bijvoorbeeld sollicitatietrainingen aangeboden. Voor personen met een kwetsbare gezondheid is het belangrijk dat hun gezondheid eerst weer op orde is, voordat zij kunnen beginnen met solliciteren.

Hiervoor is een integrale kijk nodig in samenwerking met bijvoorbeeld de WMO, schuldhulpverlening en eventueel de GGZ, huisartsen etc. Er is daarnaast een project opgestart om de re-integratievoorzieningen inzichtelijker te maken door middel van de door de VNG-erkende EVAtool. 6. Welke aanvullende investeringen zouden volgens het college nodig zijn om meer inwoners een vervolgstap richting participatie of werk te laten zetten? Antwoord: Het college denk op een innovatieve manier over dit vraagstuk na. Een belangrijk knelpunt is onvoldoende begeleiding op de werkvloer door een interne werkbegeleider en/of externe jobcoach. Het college investeert in een pilot waarin participatieplaatsen gecreëerd worden bij de gemeentelijke buitendienst voor inwoners met een bijstandsuitkering, onder intensieve begeleiding van een jobcoach. Hiernaast zetten zij expliciet in op het onderhouden en verbeteren van het netwerk van lokale ondernemers. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord is het college ervan overtuigd dat hier de innovatiekracht ligt voor het bieden van een duurzame werkplek aan inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt. Accountmanagers zijn doorlopend bezig om deze relaties met werkgevers te bestendigen en uit te breiden. In lijn met de Participatiekoers wordt hiervoor ook driemaal per jaar een banenmarkt georganiseerd. 7.

Wat is er terechtgekomen van de ambities uit de motie en hoe beoordeelt het college de resultaten tot nu toe? Antwoord: De motie is omgezet in de drie ambities, beschreven in de Participatiekoers 2025-2030. Deze worden actief gemonitord.

Pagina 158

De uitgaven voor inkomensregelingen en arbeidsparticipatie zijn positiever uitgevallen dan begroot als gevolg van een extra uitkering van het Rijk. Tegelijkertijd lijkt het aantal inwoners met een bijstandsuitkering niet af te nemen. Hoeveel inwoners ontvingen per 1 januari 2023, 1 januari 2024 en 1 januari 2025 een bijstandsuitkering? Antwoord: 1 januari 2023: 490 inwoners 1 januari 2024: 507 inwoners 1 januari 2025: 532 inwoners 1 januari 2026: 523 inwoners 1. Hoeveel statushouders ontvingen op deze peildata een bijstandsuitkering? Antwoord: 1 januari 2023: 91 statushouders 1 januari 2024: 118 statushouders 1 januari 2025: 173 statushouders 1 januari 2026: 199 statushouders Goed om hierbij te vermelden is de verplichte taakstelling die gemeenten hebben om statushouders op te vangen. Deze taakstelling bedraagt ongeveer 100 statushouders per jaar. Het blijft een lastige opgave voor statushouders om hun inburgering te combineren met een baan. Een aantal statushouders werkt parttime en krijgt aanvulling vanuit de bijstand en behoren tot de groep van 199 inwoners. 2. Wat zijn volgens het college de drie belangrijkste redenen dat het aantal inwoners in de bijstand niet afneemt? Antwoord: Dat het aantal inwoners in de bijstand niet afneemt komt door een combinatie van factoren. Ten eerste groeit het aantal bijstandsaanvragen.

Het gaat verder om externe (landelijke) ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, zoals een toenemende mismatch tussen de vaardigheden van werknemers en beschikbare vacatures, flexibele contracten en complexiteit van taken bij werkgevers. Daarnaast is de samenstelling van het bijstandsbestand veranderd, wat lijdt tot verzwaring van problematiek van inwoners in de bijstand en een toenemende instroom vanuit deze kwetsbare doelgroepen. Daarbij ook de taakstelling die we opgelegd krijgen vanuit de overheid om statushouders te huisvesten en te laten inburgeren. 3. Hoeveel inwoners ontvangen een integrale aanpak op het gebied van schulden, zorg en werk? Antwoord: Er wordt doorlopend gestreefd naar een integrale aanpak van problematiek binnen het Sociaal Domein. Klantmanagers Schuldhulpverlening, klantmanagers WMO en klantmanagers Werk schakelen onderling om af te stemmen wat de beste hulp is voor een inwoners. Daarnaast wordt er beleidsmatig samengewerkt om een integraal aanbod van dienstverlening duurzaam in te bedden in de organisatie. Wat betreft schuldenproblematiek kan nog toegevoegd worden dat het de gemeente steeds beter lukt om een preventieve aanpak in te richten, door middel van het actief oppakken van vroegtijdige signalen uit het Vroegsignaleringsportaal.

4. Hoeveel kinderen leefden in 2023, 2024 en 2025 in een gezin waarvan één of beide ouders een bijstandsuitkering ontvingen? Antwoord: Deze gegevens zijn enkel beschikbaar na een uitvraag bij de betreffende afdeling die hierover gaat, die dit kan uitdraaien door middel van een querytabel. Dit is op korte termijn niet mogelijk om aan te leveren, maar kan desgewenst later nog gestuurd worden.

Taakvelden – Jeugdhulp In het verleden zijn de kosten voor jeugdhulp fors overschreden. Op basis van de huidige programmarekening is het voor de raad lastig om een goede vergelijking te maken tussen de gerealiseerde uitgaven van 2024 en 2025. Wij constateren dat de exploitatiecijfers van de verschillende vormen van jeugdhulp niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn doordat de taakvelden en nummeringen zijn gewijzigd. 1. Kan het college een zo volledig mogelijke vergelijking verstrekken van de verschillende vormen van jeugdhulp over 2024 en 2025, inclusief een totaaloverzicht? 2. Kan daarbij per vorm van jeugdhulp worden aangegeven of sprake is van een onder- of overschrijding ten opzichte van de begroting? 3. Kan het college eventuele afwijkingen inhoudelijk duiden en aangeven welke ontwikkelingen hieraan ten grondslag liggen? Antwoord: Taakvelden vormen primair een verantwoordingsinstrument voor instanties zoals het Rijk en het CBS. Omdat deze indeling en nummering met enige regelmaat worden aangepast, is vergelijking van cijfers over meerdere jaren niet altijd eenduidig. Om uw raad desondanks goed inzicht te geven in de ontwikkeling van de kosten binnen het sociaal domein, is in de Programmarekening 2025 (pagina’s 35–37) het onderdeel Meerjarig financieel beeld 2022–2026 opgenomen.

Hierin wordt de ontwikkeling van het saldo voor Wmo en jeugdzorg over meerdere jaren inzichtelijk gemaakt. Deze onderwerpen zijn samengevoegd om een betrouwbaarder en beter interpreteerbaar totaalbeeld te geven van de financiële ontwikkeling binnen het sociaal domein. Aanvullend zijn de relevante ontwikkelingen gedurende 2025 toegelicht in de periodieke raadsbrieven over het sociaal domein. Hiermee wordt beoogd uw raad op consistente en begrijpelijke wijze te informeren over ontwikkelingen, ondanks wijzigingen in de taakvelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17112142/2