06 Bodemonderzoek
Tekst van het document
VERKENNEND EN NADER BODEMONDERZOEK conform NEN 5740, NEN 5707 en NTA 5755 Schouw 1 - Akersloot
Opdrachtgever: BJZ.NU BV
Locatie: Schouw 1 1921 CC Akersloot April 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend en Nader Bodemonderzoek conform NEN 5740, NEN 5707 en NTA 5755 Schouw 1 - Akersloot
Opdrachtgever: BJZ.NU BV Dokter van Deenweg 13 8025 BP Zwolle Locatie: Schouw 1 1921 CC Akersloot Projectcode: 20025516 Rapportagedatum: 26 april 2021 (versie 2) Auteur: ing. J.L. Kienstra
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
5 5 6 6 7 8
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestonderzoek Bespreking asbestanalyses Separate analyses Bespreking separate analyses
9 9 9 11 12 13 13 13 14
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Uitvoering nader bodemonderzoek fase 1 Conceptueel model nader bodemonderzoek Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek fase 1 Veldwerkzaamheden nader bodemonderzoek fase 1 Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek fase 1 Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek fase 1
15 15 15 16 17 17
6.1 6.2 6.3 6.4
Uitvoering nader bodemonderzoek fase 2 Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek fase 2 Veldwerkzaamheden nader bodemonderzoek fase 2 Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek fase 2 Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek fase 2
18 18 18 19 20
7.1 7.2 7.3
Uitvoering nader bodemonderzoek fase 3 Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek fase 3 Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek fase 3 Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek fase 3
21 21 21 22
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
23
Literatuur en bronvermelding
26
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Bijlagen I
Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek HB Adviesbureau BV, juli 2009 Boorplan (2x) verkennend en nader bodemonderzoek Kruse Milieu BV, april 2021 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses en concentratieberekening V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Inleiding Dit rapport (versie 2) beschrijft het verkennend en nader bodemonderzoek, dat in opdracht van BJZ.NU BV op de locatie Schouw 1 te Akersloot door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van woningen. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat onder de zuidelijk gelegen parkeerplaats een sterk verontreiniging met lood en PAK aanwezig is. De puinhoudende bovengrond is verdacht voor de aanwezigheid voor asbest. De aanleiding voor het nader bodemonderzoek wordt gevormd door de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek; Boring 8 (van 0 tot 0.45 m-mv) is matig tot sterk verontreinigd met koper, lood en zink. In versie 2 van het rapport wordt het nader bodemonderzoek (fase 2 en 3) beschreven. Versie 2 vervangt het rapport van 11 september 2020. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5725, “Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging", NNI Delft, juli 2010; - NEN 5897+C2, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in mei en juli 2020 en maart 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek.
De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 1 van 26
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Schouw 1, op circa 0.7 kilometer ten noordoosten van de bebouwde kom van Akersloot. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de coördinaten: x = 111.546 en y = 509.482. Het perceel is kadastraal bekend als: gemeente Castricum, sectie A, nummers 3167 en 3168 (ged.). De Schouw is ten zuidoosten van de onderzoekslocatie gelegen. Grenzend aan de Schouw bevindt zich Noordhollandsch Kanaal. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is momenteel deels bebouwd met een leegstaand woonhuis met een voormalig café. De inpandige verharding bestaat uit hout (café) en beton (woonhuis). Het onbebouwde terrein is grotendeels verhard met tegels en klinkers. De onverharde terreindelen zijn braakliggend. Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie omvat circa 1200 m². In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek HB Adviesbureau BV, juli 2009; - Boorplan (2x) verkennend en nader bodemonderzoek Kruse Milieu BV, april 2021. 2.2
Vooronderzoek
Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en bij de Omgevingsdienst Noord Holland Noord. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige bestemming. Het woonhuis met café dateert van 1931 en is in de jaren daarop verschillende keren verbouwd. In 1975 is een CV-ruimte en een berging gebouwd (de berging is niet meer aanwezig). - In de periode 1975-1976 was op de locatie een aannemer gevestigd (Bruyn en Kroes). Uit archiefstukken bleek dat het een verzamelplaats was voor het aannemersbedrijf en op de onderzoekslocatie hebben nooit bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden welke verbonden waren met het aannemersbedrijf. - Er zijn geen (voormalige) brandstoftanks op de locatie bekend. - Er zijn geen dempingen van lager gelegen delen of sloten bekend. De locatie is vermoedelijk in het verleden opgehoogd: de locatie ligt één meter hoger dan de westelijk gelegen agrarische gronden en is een onderdeel van het dijklichaam van het Noordhollandsch Kanaal. - Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem. Op een voormalige garage lagen asbestgolfplaten. Er bevinden zich thans geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie.
Omdat uit eerder bodemonderzoek (zie bespreking van dit onderzoek verderop in deze paragraaf) blijkt dat de bodem puinhoudend is, wordt de bodem beschouwd als asbestverdacht. - Er is een bodemonderzoek op de onderzoekslocatie bekend: Verkennend bodemonderzoek en indicatief asfalt- en asbestonderzoek, Schouw 1 te Akersloot, HB Adviesbureau BV, projectnummer 6514-A1 d.d. 8 juli 2009 De aanleiding voor het onderzoek voor dit onderzoek was de voorgenomen verkoop en herontwikkeling van het terrein. Uit de resultaten van dit onderzoek bleek het volgende: Zintuiglijke waarnemingen: de bovengrond is puinhoudend, plaatselijk sporen puin tot 1.5 m-mv. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 2 van 26
Overig terrein Bovengrond, MM01: kwik, lood, zink en PAK > achtergrondwaarden Bovengrond, MM02: PAK > achtergrondwaarde Bovengrond (onder asfaltverharding), MM03: kobalt, kwik, molybdeen en minerale olie > achtergrondwaarden. Lood > tussenwaarde en PAK > interventiewaarde Bovengrond, MM04: koper, kwik, lood en zink > achtergrondwaarden Ondergrond, MM05: kwik, lood en PAK > achtergrondwaarden Ondergrond, MM06: kwik, lood en PAK > achtergrondwaarden Ondergrond, MM07: koper, kwik, lood en zink > achtergrondwaarden Asfaltonderzoek (indicatief): niet teerhoudend Inspectiesleuf (vermoedelijk ter plekke van de druppelzone bij de voormalige garage): asbesthoudend (7.9 mg/kg d.s.); het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Grondwater, PB 1: barium > streefwaarde Separate analyses lood en PAK MM03: Boring 2 (0.08-0.3): lood en PAK > achtergrondwaarden Boring 3A (0.1-0.6): lood > achtergrondwaarde en PAK > interventiewaarde Boring 3 (0.1-0.2): lood > interventiewaarde en PAK > tussenwaarde Boring 3 (0.2-0.6): kobalt en PAK > interventiewaarde en kwik, lood, molybdeen en minerale olie > achtergrondwaarden 2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Voor de bodemgegevens en de geohydrologische informatie is gebruikgemaakt van de grondwaterkaart van Nederland (Alkmaar 19 west/oost en 20A) opgesteld door Dienst Grondwaterverkenning TNO en de Geologische kaart van Nederland (Alkmaar 19 west/oost) opgesteld door de Rijks Geologische Dienst. Daarnaast is gebruik gemaakt van "De lithostratigrafische indeling van Nederland - Formaties uit het Tertiair en Kwartair' (TNO-NITG, 2001). Uit deze rapporten zijn de volgende regionale gegevens samengevat. Tabel 1: Regionale bodemopbouw Diepte Geohydrologische Stratigrafische Lithologie Parameters eenheid eenheid lichte tot zware Slecht Formaties van 1 m-NAP t/m kleien met C = 5000 - 20000 doorlatende Naaldwijk en 23 m-NAP veen en d deklaag Nieuwkoop zandlagen fijne tot grove Eerste schelphoud Formaties van 23 m-NAP t/m ende zanden K = 18 - 35 m/d Eem en watervoerend 43 m-NAP Kreftenheye pakket met locale kleilaagjes klei met fijne 43 m-NAP t/m Eerste zandlaagjes en C = 5000 - 40000 Formatie van 53 m-NAP scheidende laag keileem aan de d Eem basis K-waarde: horizontale doorlatendheidscoëfficiënt in meters per dag (voor watervoerende pakketten) C-waarde: verticale weerstand in dagen (voor slecht doorlatende en scheidende lagen)
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 3 van 26
Met behulp van de TNO-kaarten zijn de stromingsrichting en de stijghoogte van het grondwater in de slecht doorlatende deklaag niet vast te stellen. Over het algemeen stroomt het grondwater in oostelijke richting naar de polders. De plaatselijke stromingsrichting van het grondwater is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van grondwateronttrekkingen en/of lokaal open water. De stroming van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is noordoostelijk gericht. De stijghoogte bedraagt hier circa 2.0 m -NAP. De grondwaterstand in de slecht doorlatende deklaag bedraagt circa 1.2 m-mv. Dit is bepaald aan de hand van de veldwaarnemingen. Aangezien de maaiveldhoogte circa 1.0 m-NAP bedraagt, is de stijghoogte van het grondwater in de slecht doorlatende deklaag circa 2.2 mNAP. Omdat de grondwaterstand in de slecht doorlatende deklaag en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket vrijwel gelijk zijn, zal bijna geen sprake zijn verticale grondwaterstroming.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 4 van 26
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging", NNI Delft, juli 2010. In de normen NEN 5740 en NEN 5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. In het onderzoek van HB Adviesbureau BV uit juli 2009 zijn onder het asfalt van de parkeerplaats sterke verontreinigingen met lood en PAK aangetoond. Een nader onderzoek om de omvang van de sterke verontreinigingen te bepalen heeft niet (in voldoende mate) plaatsgevonden.
De parkeerplaats vormt thans geen onderdeel van de onderzoekslocatie. Om inzicht te krijgen of de sterke verontreiniging zich ten noorden van de parkeerplaats bevindt (binnen de onderzoekslocatie), worden 3 boringen (A1 t/m A3) verricht tot 1 meter diepte. Van de verdachte laag (bovengrond) wordt één mengmonster samengesteld en geanalyseerd op het NEN5740-standaardpakket. In het onderzoek uit 2009 heeft alleen asbestonderzoek plaatsgevonden bij vermoedelijk een asbestverdachte druppelzone van een voormalige garage. In de meeste boringen zijn destijds puinresten aangetroffen. De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN 5740 (nietlijnvormige locatie, ONV-NL), verdacht uit norm NEN 5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) wordt voor de onderzoekslocatie gehanteerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 1200 m² worden in totaal 8 boringen verricht, waarvan 6 tot 0.5 meter en 2 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Ten behoeve van het asbestonderzoek worden de grondboringen tot een diepte van 0.5 meter vervangen door gaten met een lengte en een breedte van minimaal 0.3x0.3 meter (er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximale diepte van 2.0 meter minus maaiveld). De gaten worden handmatig met een schop gegraven.
Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt 1 diepe boring overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt tot peilbuis. De monsterpunten worden vanwege een eerder uitgevoerd bodemonderzoek gecodeerd als 21 t/m 28. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 5 van 26
Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan.
Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPRvoorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam te Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 5 mengmonsters samengesteld (waarvan 2 mengmonsters van de fijne fractie) en er wordt 1 grondwatermonster genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 en NEN 5707 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke analyses worden uitgevoerd.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 6 van 26
Tabel 2: Analysepakket per (meng)monster. Monster
Analysepakket Overig terreindeel
Bovengrond (1x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Bovengrond (2x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie A
Bovengrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 oktober 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 7 van 26
Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. 3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde.
Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding. Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 8 van 26
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De asbestanalyses worden in paragraaf 4.6 behandeld. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in mei 2020 uitgevoerd door de heren R. Veltmaat en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Op 2 mei 2020 is alleen de peilbuis (21) geplaatst. Er zijn geen grondmonsters genomen uit boring 21 in verband met de conserveringstermijn van enkele parameters. Boring 21 zal voor het nemen van grondmonsters opnieuw worden verricht (gecodeerd als 21A). Op 14 mei 2020 zijn in totaal 8 inspectiegaten gegraven, waarvan er 2 zijn doorgeboord tot in de ondergrond. Tevens is het grondwater bemonsterd uit peilbuis 21. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. Het maaiveld was grotendeels vrij van obstakels en begroeiing en was goed te inspecteren (inspectie-efficiëntie: 100%). De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen of weinig neerslag). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: tot maximaal 3.0 meter min maaiveld (m-mv) is overwegend matig fijn tot matig grof zand aangetroffen.
In de ondergrond zijn klei-, veen-, roest- en/of oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 3). In de bodem zijn visueel alleen asbestverdachte materialen waargenomen in inspectiegat 21A. Tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt
Diepte (m-mv) Waarneming Overig terrein
21
0.05 - 0.40
Sterk puinhoudend
21A
0.05 - 0.50
Sterk puinhoudend, sporen asbest (4 gram vlakke plaat)
23
0.35 - 0.50
Sporen puin
24
0.30 - 0.50 0.50 -1.30
Sporen puin Zwak puinhoudend, sporen kolengruis
25
0.20 - 0.50 0.50 - 1.10
Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend, sporen kolengruis
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 9 van 26
Vervolg tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt
Diepte (m-mv) Waarneming Overig terrein
26
0.05 - 0.50 0.50 - 0.70 0.70 - 1.30
Sporen puin, glas en ijzer Sporen puin Zwak puinhoudend, sporen kolengruis
27
0 - 0.50 0.50 - 1.20
Zwak puinhoudend, sporen plastic, sporen ijzer Zwak puinhoudend, sporen kolengruis
28
0 - 0.60 0.60 - 0.90
Sterk puinhoudend Baksteenpuin, boring gestaakt op hard voorwerp Deellocatie A
A1
0 - 0.70 0.70 - 1.00
Sporen puin Zwak puinhoudend
A2
0 - 0.60 0.60 - 1.00
Sporen puin Zwak puinhoudend
A3
0.08 - 0.70 0.70 - 1.00
Sporen puin Zwak puinhoudend
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 4 staat omschreven. In verband met de visuele waarnemingen zijn extra analyses verricht. Tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Monsterpunt
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Overig terrein
Bovengrond, BG I (zwak puinhoudend, grond)
23 24 25 26 27
0.35 - 0.50 0.30 - 0.50 0.20 - 0.50 0.05 - 0.50 0 - 0.50
Standaard pakket
Bovengrond, BG II (sterk puinhoudend, grond)
21A 28
0.05 - 0.55 0 - 0.50
Standaard pakket
Ondergrond, OG I (zwak puinhoudend, klei)
24, 25 en 27 26
0.50 - 1.00 0.70 - 1.20
Standaard pakket
Ondergrond, OG II (zintuiglijk schoon, zand)
21A 22 23
1.00 - 1.50 0.90 - 1.40 0.50 - 0.80
Standaard pakket
Ondergrond, OG III (zintuiglijk schoon, klei)
21A 23
0.60 - 1.00 0.80 - 1.40
Standaard pakket
MM FF - 01
23 24 25 26 27
0.35 - 0.50 0.30 - 0.50 0.20 - 0.50 0.05 - 0.50 0 - 0.50
Asbest
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 10 van 26
Vervolg tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Monsterpunt
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Overig terrein FF - 28 FF - Gat 21A MVM - Gat 21A
28
0 - 0.50
Asbest
21A
0.10 - 0.60
Asbest
0 - 0.50 0.08 - 0.58
Standaard pakket
Deellocatie A Bovengrond, A - BG
A1 en A2 A3
Boring 21 is doorgezet tot circa 3.00 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Het voorpompen en bemonsteren heeft op 14 mei 2020 conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet) als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
PB 1
2.00 - 3.00
0.90
6.9
222
9.88
Goed
De waarden voor de pH, de EC-waarden en de troebelheid worden normaal geacht. 4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG I en BG II), A - BG en de ondergrond (OG I, OG II en OG III) zijn (zeer) lichte tot sterke verontreinigingen aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 6. Het grondwater is niet verontreinigd.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 11 van 26
Tabel 6: Verhoogde concentraties (mg/kg d.s.). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrond
Interventiewaarde
Overig terrein Bovengrond, BG I
Kwik Lood Zink PAK
0.11 570 74 3.0
0.1527 * 859 *** 158.3 * 3.015 *
0.15 50 140 1.5
36 530 720 40
Bovengrond, BG II
Cadmium Koper Kwik Lood Zink PAK
0.7 170 0.122 780 880 9.2
1.108 * 319.7 *** 0.1665 * 1165 *** 1878 *** 9.135 *
0.6 40 0.15 50 140 1.5
13 190 36 530 720 40
Ondergrond, OG I
Koper Kwik Lood Zink PAK
37 0.54 190 160 2.7
55.5 * 0.6744 * 248.5 * 257.8 * 2.667 *
40 0.15 50 140 1.5
190 36 530 720 40
Ondergrond, OG II
Lood PAK
57 7.3
89.06 * 7.295 *
50 1.5
530 40
Ondergrond, OG III
Kwik Lood PAK
0.21 110 1.8
0.2681 * 149.4 * 1.762 *
0.15 50 1.5
36 530 40
0.1917 * 141.2 * 226 * 314.3 * 0.058 * 15.8 *
0.15 50 140 190 0.02 1.5
36 530 720 5000 1.0 40
Deellocatie A Bovengrond, A - BG
Kwik Lood Zink Minerale olie PCB PAK
0.14 96 110 110 0.02 16
In de vierde kolom van tabel 6 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Overig terrein Boven- en ondergrond - Zware metalen en PAK De puinhoudende boven- en ondergrond is licht tot sterk verontreinigd. De sterk verhoogde metaalgehalten in de mengmonsters van de bovengrond BG I en BG II geven aanleiding voor aanvullend onderzoek. Om de bron(nen) van de sterke metaalverontreiniging te bepalen dienen de 7 deelmonsters, die zijn opgenomen in de mengmonsters BG I en BG II, separaat te worden geanalyseerd. Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 12 van 26
De resultaten van de separate analyses staan weergegeven in paragraaf 4.7. Deellocatie A De sterke lood- en PAK-verontreinigingen, die in het onderzoek uit mei 2009 zijn vastgesteld in de puinhoudende bovengrond onder de asfaltverharding, zijn niet aangetoond in de bovengrond van boring A1, A2 en A3. De lichte PCB- en olieverontreinigingen in de bovengrond zijn niet direct verklaarbaar. In het onderzoek van mei 2009 was de bovengrond (MM03) onder de asfaltverharding ook licht verontreinigd met minerale olie. Mogelijk was er sprake van lekverliezen van olie uit motorvoertuigen. 4.5
Resultaten asbestonderzoek
Het analyserapport is opgenomen in bijlage IV. Uit de analyseresultaten blijkt dat MM FF - 01 en FF - Gat 28 niet asbesthoudend zijn. Inspectiegat 21A is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte staat in tabel 7 weergegeven. Tabel 7: Gewogen asbestgehalte (mg/kg droge stof). Monsterpunt
Component
Gewogen asbestgehalte
Toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek
Interventiewaarde
Asbest
6.7
50
100
Gat 21A
In de derde kolom van tabel 7 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 4.6
Bespreking asbestanalyses
Het gewogen asbestgehalte in inspectiegat 21A is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Geadviseerd wordt alert te blijven op asbestnesten. 4.7
Separate analyses
Naar aanleiding van de sterk verhoogde metaalgehalten in het mengmonster van de bovengrond BG I (lood) en BG II (koper, lood en zink) is besloten de 7 deelmonsters uit deze mengmonsters separaat te laten analyseren. De resultaten van de separate analyses zijn weergegeven in tabel 8. Tabel 8: Gemeten gehalten (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
BG I - Lood Boring 23 (0.35-0.5)
Lood
46
72.14 *
50
530
Boring 24 (0.3-0.5)
Lood
18
26.28 *
50
530
Boring 25 (0.2-0.5)
Lood
140
197.3 *
50
530
Boring 26 (0.05-0.5)
Lood
53
82.51 *
50
530
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 13 van 26
Vervolg tabel 8: Gemeten gehalten (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
69.7 *
50
530
BG I - Lood Boring 27 (0-0.5)
Lood
46
BG II - Koper, lood en zink Boring 21A (0.05-0.55)
Koper Lood Zink
13 93 90
26.9 146.4 * 213.6 *
40 50 140
190 530 720
Boring 28 (0-0.5)
Koper Lood Zink
110 3600 1400
184.4 ** 5033 *** 2766 ***
40 50 140
190 530 720
In de vierde kolom van tabel 8 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.8
Bespreking separate analyses
Bovengrond, BG I De bron van de sterke loodverontreiniging in het mengmonster is niet achterhaald. Vermoedelijk betrof het loodgehalte in het mengmonster een piekmeting. De licht verhoogde loodgehalten geven geen aanleiding voor een nader bodemonderzoek. Bovengrond, BG II Boring 21A (0.05-0.55) is licht verontreinigd met lood en zink. Het kopergehalte is lager dan de achtergrondwaarde. De licht verhoogde gehalten in Boring 21A (0.05-0.55) geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. Boring 28 (0-0.5) is matig tot sterk verontreinigd met koper, lood en zink. Vermoedelijk is er geen sprake van een (aaneengesloten) verontreinigingskern, maar van een heterogeen verdeelde puntbronnen. Een nader onderzoek geeft meer inzicht in de aard en omvang van de matige tot sterke verontreinigingen met koper, lood en zink. Het nader bodemonderzoek staat omschreven in hoofdstuk 5.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 14 van 26
Uitvoering nader bodemonderzoek fase 1 De onderzoeksopzet gaat uit van NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging". 5.1
Conceptueel model nader bodemonderzoek
Tabel 9: Conceptueel model in tabelvorm. Oorzaak van de De matige tot sterke verontreiniging met koper, lood en zink in inspectiegat verontreiniging 28 bevindt zich in de bodemlaag van 0 tot 0.6 m-mv. De oorzaak van de metalenverontreiniging houdt mogelijk deels verband met de waargenomen bodemvreemde materialen, maar er is geen duidelijke relatie tussen de sterk gemeten metaalgehalten en de bodemvreemde materialen. Omdat er na 1987 geen calamiteiten hebben plaatsgevonden, waarbij koper, lood en zink in de bodem kan zijn terecht gekomen, wordt de verontreiniging beschouwd als een historische verontreiniging. Mogelijk is bij de aanleg van de dijk langs het Noordhollandsch Kanaal verontreinigde grond toegepast. Bodemgebruik Het terreindeel, waar de sterk verontreinigde bovengrond van inspectiegat 28 zich bevindt, is thans onverhard en thans braakliggend (voormalige tuin). In de toekomst zal dit terreindeel een onderdeel worden van de te bouwen woning. Bodemopbouw De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: tot maximaal 3.0 meter min maaiveld (m-mv) is overwegend matig grof zand, klei en veen aangetroffen. Inspectiegat 28 is gestaakt op een hard onbekend voorwerp.
Omvang van de De omvang van de sterke verontreiniging is niet bekend, maar wordt gering verontreiniging geacht; in het bodemonderzoek van HB Adviesbureau BV uit juli 2009 is op minder dan 2 meter afstand van inspectiegat 28 geboord (boring 8). Het mengmonster waarin boring 8 is opgenomen (MM01) is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Er is vermoedelijk geen sprake van een (aaneengesloten) verontreinigingskern, maar van heterogeen verdeelde puntbronnen. Ernst van de Er kan op voorhand niet worden vastgesteld of er wel of niet sprake is van verontreiniging een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging dient zowel verticaal als horizontaal te worden afgeperkt.
5.2
Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek fase 1
De onderstaande werkzaamheden worden verricht in het kader van het nader bodemonderzoek naar de omvang van de verontreiniging met koper, lood en zink in de bodemlaag van 0 tot 0.6 m-mv van inspectiegat 28. Ten behoeve van het nader bodemonderzoek worden 9 boringen uitgevoerd tot minimaal 1.0 meter diepte ten behoeve van de horizontale afperking van de verontreiniging. De boringen worden gecodeerd als 101 tot en met 109. Voor de verticale afperking wordt op kleine afstand van inspectiegat 28 en boring verricht tot in de ondergrond ten behoeve van de verticale afperking. Deze boring wordt gecodeerd als 28A. De bovengrond van monsters 101, 102 en 103 en de ondergrond van boring 28A worden geanalyseerd op koper, lood en zink. De monsters van boring 104 tot en met 109 worden gekoeld bewaard. Mochten de analyseresultaten van boring 101, 102 en 103 nog aanleiding geven voor verder nader onderzoek, dan kunnen deze grondmonsters worden geanalyseerd (eventuele fase 2 van het nader bodemonderzoek). Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 15 van 26
Omdat er geen duidelijke relatie is tussen de zintuiglijke waarnemingen en de sterk verhoogde metaalgehalten, worden geen mengmonsters samengesteld. Voor de eerste fase van het nader bodemonderzoek worden 4 grondanalyses verricht op koper, lood en zink. Als stopcriterium voor het nader onderzoek wordt een gehalte gehanteerd van maximaal de tussenwaarde. Er worden alleen boringen verricht binnen de eigendomsgrens. 5.3
Veldwerkzaamheden nader bodemonderzoek fase 1
De veldwerkzaamheden zijn in juli 2020 uitgevoerd door de heer R. Veltmaat. De veldwerker is conform SIKB BRL 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 6 juli 2020 in totaal 9 boringen verricht met behulp van een Edelmanboor. Boring 28A is diverse keren gestaakt (gecodeerd als boring 28A, 28B, 28C, 28D en 28E) op een hard voorwerp, wat mogelijk een ankerplaat is van de beschoeiing van het Noordhollandsch Kanaal. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: tot maximaal 1.2 meter min maaiveld (m-mv) is overwegend matig fijn zand aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 10). Boring 108 is zintuiglijk schoon. Tabel 10: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt
Diepte (m-mv) Waarneming
28A t/m 28E
0 - 1.00 1.00
Sterk puin- en kolengruishoudend, zwak ijzerhoudend Boring gestaakt op hard onbekend voorwerp
101
0 - 0.80
Sporen puin
102
0 - 0.50 0.50 - 1.00 1.00
Matig puinhoudend Sterk puin- en kolengruishoudend, zwak ijzerhoudend Boring gestaakt op hard onbekend voorwerp
103
0.30 - 1.00
Sporen puin
104
0 - 0.80
Matig puinhoudend
105
0 - 0.70
Zwak puinhoudend
106
0.30 - 0.50 0.50 - 0.70
Sporen puin Volledig baksteenpuin
107
0.08 - 0.40 0.40 - 0.80
Zwak puinhoudend Sporen puin
109
0.40 - 0.60
Sterk puinhoudend
Op basis van en ter verificatie van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of de geografische positie van de boringen zijn de grondmonsters geanalyseerd, zoals is weergegeven in tabel 11. Omdat de verticale afperking van boring 28 niet mogelijk was, is de ondergrond van de nabijgelegen boring 102 gebruikt voor de verticale afperking.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 16 van 26
Tabel 11: Geanalyseerde grondmonsters. Boring
Monster
Traject (diepte in m-mv)
Doel
Boring 102 (0.5-1.0)
102
0.50 - 1.00
Verticale afperking
Boring 101 (0-0.5)
101
0 - 0.50
Horizontale afperking
Boring 102 (0-0.5)
102
0 - 0.50
Horizontale afperking
Boring 103 (0.3-0.8)
103
0.30 - 0.80
Horizontale afperking
5.4
Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek fase 1
De analyseresultaten en toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. In de 4 geanalyseerde grondmonsters zijn verontreinigingen aangetoond. De gemeten gehalten zijn weergegeven in tabel 12. Tabel 12: Gemeten concentraties (mg/kg d.s.). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrond
Interventiewaarde
Boring 102 (0.5-1.0)
Koper Lood Zink
30 990 720
52.02 * 1412 *** 1423 ***
40 50 140
190 530 720
Boring 101 (0-0.5)
Koper Lood Zink
21 180 170
37.28 260.2 * 340.2 *
40 50 140
190 530 720
Boring 102 (0-0.5)
Koper Lood Zink
13 160 160
24.84 241.1 * 340.7 *
40 50 140
190 530 720
Boring 103 (0.3-0.8)
Koper Lood Zink
5.2 750 48
10.4 1159 *** 108.4 -
40 50 140
190 530 720
In de vierde kolom van tabel 12 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 5.5
Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek fase 1
Uit de analyseresultaten blijkt dat de afperking van de sterke verontreiniging met koper, lood en zink niet in voldoende mate heeft plaatsgevonden. De monsters ten behoeve van de verticale afperking en de horizontale afperking in de westelijke richting zijn sterk verontreinigd met één of meer van de onderzochte metalen. Verder nader onderzoek (fase 2) in (zuid)westelijke richting (buiten en inpandig) is noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging binnen de onderzoekslocatie. Ook verdere afperking in de verticale richting is noodzakelijk, maar mogelijk niet uitvoerbaar vanwege een ondoordringbare laag (ankerplaat). Het nader bodemonderzoek fase 2 staat omschreven in hoofdstuk 6. Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 17 van 26
Uitvoering nader bodemonderzoek fase 2 De onderzoeksopzet gaat uit van NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging". 6.1
Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek fase 2
De onderstaande werkzaamheden worden verricht in het kader van het nader bodemonderzoek naar de omvang van de sterke verontreinigingen met lood en/of zink in de bodemlaag van 0.5 tot 1.0 m-mv in boring 102 en in de bodemlaag van 0.3 tot 0.8 m-mv van boring 103. Er worden 12 boringen uitgevoerd tot minimaal 1.0 meter diepte ten behoeve van de horizontale afperking van de verontreiniging. Omdat boring 102 is gestaakt op vermoedelijk een ankerplaat, wordt de verticale afperking in de nabijgelegen boring 104A uitgevoerd. Tevens wordt de sterke loodverontreiniging in boring 103 verticaal afgeperkt. De monsters uit boring 103 t/m 109 zijn niet meer beschikbaar. Deze boringen worden opnieuw uitgevoerd. De boringen worden gecodeerd als 103A tot en met 109A en 110 tot en met 112. De bovengrond van monsters 104A, 106A en 111 en de ondergrond van de boringen 103A en 104A worden geanalyseerd op lood en zink. De monsters van boring 105A tot en met 109A en boring 110 en 112 worden gekoeld bewaard in het laboratorium. Mochten de analyseresultaten van boring 104A, 106A en 111 nog aanleiding geven voor verder nader onderzoek, dan kunnen deze grondmonsters worden geanalyseerd (eventuele fase 3 van het nader bodemonderzoek). Omdat er geen duidelijke relatie is tussen de zintuiglijke waarnemingen en de sterk verhoogde metaalgehalten, worden geen mengmonsters samengesteld.
Voor de 2e fase van het nader bodemonderzoek worden 5 grondanalyses verricht op lood en zink. Als stopcriterium voor het nader onderzoek wordt een gehalte gehanteerd van maximaal de tussenwaarde. Er worden alleen boringen verricht binnen de eigendomsgrens. 6.2
Veldwerkzaamheden nader bodemonderzoek fase 2
De veldwerkzaamheden zijn in maart 2021 uitgevoerd door de heer R. Veltmaat. De veldwerker is conform SIKB BRL 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 26 maart 2021 in totaal 12 boringen verricht met behulp van een Edelmanboor. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: tot maximaal 2.0 meter min maaiveld (m-mv) is overwegend zeer fijn tot matig fijn zand aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 13). De boringen 107A en 112 zijn zintuiglijk schoon.
Tabel 13: Weergave bodemvreemde materialen. Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 18 van 26
Monsterpunt
Diepte (m-mv) Waarneming
103A
0.40 - 0.90
Sporen puin
104A
0 - 0.70
Zwak puinhoudend
105A
0.20 - 0.60
Sterk puinhoudend
106A
0.40 - 0.90
Sporen puin
108A
0.40 - 0.90
Sporen puin
109A
0.27 - 0.70
Sporen puin
110
0.08 - 1.00
Matig puinhoudend
111
0.40 - 0.90
Matig puinhoudend
113
0.05 - 1.00
Sporen puin
Op basis van en ter verificatie van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of de geografische positie van de boringen zijn de grondmonsters geanalyseerd, zoals is weergegeven in tabel 14. Tabel 14: Geanalyseerde grondmonsters. Boring
Monster
Traject (diepte in m-mv)
Doel
Boring 103A (0.9-1.4)
103A
0.90 - 1.40
Verticale afperking
Boring 104A (0-0.5)
104A
0 - 0.50
Horizontale afperking
Boring 104A (0.7-1.2)
104A
0.70 - 1.20
Verticale afperking
Boring 106A (0.4-0.9)
106A
0.40 - 0.90
Horizontale afperking
Boring 111 (0.4-0.9)
111
0.40 - 0.90
Horizontale afperking
6.3
Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek fase 2
De analyseresultaten en toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. De gemeten lood- en zinkgehalten zijn weergegeven in tabel 15. Tabel 15: Gemeten concentraties (mg/kg d.s.). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrond
Interventiewaarde
Boring 103A (0.9-1.4)
Lood Zink
12 <20
18.89 33.22 -
50 140
530 720
Boring 104A (0-0.5)
Lood Zink
330 240
473 ** 456.8 **
50 140
530 720
Boring 104A (0.7-1.2)
Lood Zink
13 <20
20.35 32.72 -
50 140
530 720
Boring 106A (0.4-0.9)
Lood Zink
600 50
925.6 *** 112.4 -
50 140
530 720
Vervolg tabel 15: Gemeten concentraties (mg/kg d.s.). Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 19 van 26
Monster
Component
Boring 111 (0.4-0.9)
Lood Zink
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrond
Interventiewaarde
250 48
374.8 ** 100.1 -
50 140
530 720
In de vierde kolom van tabel 15 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 6.4
Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek fase 2
Uit de analyseresultaten blijkt dat de horizontale afperking van de verontreiniging met lood en zink niet in voldoende mate heeft plaatsgevonden. De monsters boring 104A (0-0.5), Boring 106A (0.4-0.9) en Boring 111 (0.4-0.9) zijn matig tot sterk verontreinigd met één of meer van de onderzochte metalen. Verder nader onderzoek (fase 3) in (zuid)westelijke richting (buiten en inpandig) is noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging binnen de onderzoekslocatie. Het nader bodemonderzoek fase 3 staat omschreven in hoofdstuk 7.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 20 van 26
Uitvoering nader bodemonderzoek fase 3 De onderzoeksopzet gaat uit van NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging". 7.1
Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek fase 3
De onderstaande werkzaamheden worden verricht in het kader van de 3e fase van het nader bodemonderzoek naar de omvang van de sterke verontreinigingen met lood en/of zink in de bovengrond van boring 104A, 106A en 111. Ten behoeve van het nader bodemonderzoek fase 3 worden voor de verdere horizontale afperking de reeds genomen monsters van de verdachte lagen van boring 105A, 107A, 108A, 110, 112 en 113 geanalyseerd op lood en/of zink (zie tabel 16). Omdat er geen duidelijke relatie is tussen de zintuiglijke waarnemingen en de matig tot sterk verhoogde metaalgehalten, worden geen mengmonsters samengesteld. Als stopcriterium voor het nader onderzoek wordt een gehalte gehanteerd van maximaal de tussenwaarde. Tabel 16: Geanalyseerde grondmonsters. Boring
Monster
Traject (diepte in m-mv)
Doel
Boring 105A (0.2-0.6) Boring 107A (0.2-0.7)
105A
0.20 - 0.60
Horizontale afperking
107A
0.20 - 0.70
Horizontale afperking
Boring 108A (0.4-0.9)
108A
0.40 - 0.90
Horizontale afperking
Boring 110 (0.08-0.58)
110
0.08 - 0.58
Horizontale afperking
Boring 112 (0.07-0.57)
112
0.07 - 0.57
Horizontale afperking
Boring 113 (0.05 - 0.5)
113
0.05 - 0.50
Horizontale afperking
7.2
Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek fase 3
De analyseresultaten en toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. De gemeten looden/of zinkgehalten zijn weergegeven in tabel 17. Tabel 17: Gemeten concentraties (mg/kg d.s.). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrond
Interventiewaarde
Boring 105A (0.2-0.6)
Lood Zink
380 340
598.1 *** 806.8 ***
50 140
530 720
Boring 107A (0.2-0.7)
Lood Zink
32 23
49.64 52.44 -
50 140
530 720
Boring 108A (0.4-0.9)
Lood
12
18.89 -
50
530
Boring 110 (0.08-0.58) Lood
150
232.7 *
50
530
Boring 112 (0.07-0.57) Lood
<10
11.02 -
50
530
Boring 113 (0.05 - 0.5) Lood
45
70.7 *
50
530
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 21 van 26
In de vierde kolom van tabel 17 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 7.3
Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek fase 3
Uit de analyseresultaten blijkt dat de horizontale afperking van de verontreiniging met lood en zink, binnen de onderzoekslocatie, in voldoende mate heeft plaatsgevonden. De monsters van Boring 105A (0.2-0.6), Boring 107A (0.2-0.7), Boring 108A (0.4-0.9), Boring 110 (0.08-0.58), Boring 112 (0.07-0.57) en Boring 113 (0.05 - 0.5) zijn niet of (zeer) licht verontreinigd met één of meer van de onderzochte metalen. De omvang van de lood- en zinkverontreiniging (binnen de onderzoekslocatie) hoger dan de tussenwaarde wordt geschat op circa 90 m3 (circa 90 m2 x 1.0 meter), waarvan circa 60 m3 (circa 60 m2 x 1.0 meter) sterk verontreinigd is. De geschatte omvang van de sterke verontreiniging is weergegeven in het boorplan. Tevens is de geschatte tussenwaardecontour weergegeven. Omdat plaatselijk de bovengrond elders op het terrein licht verontreinigd is met lood en zink is geen achtergrondwaardecontour weergegeven. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging, aangezien het omvangscriterium van 25 m3 sterk verontreinigde grond wordt overschreden. Sanering is noodzakelijk om het terrein geschikt te maken voor toekomstig gebruik (wonen). Aangezien de verontreiniging zich deels binnen een dijklichaam bevindt wordt geadviseerd de saneringswerkzaamheden af te stemmen met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding te worden opgesteld en te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (provincie Noord Holland). Een bodemsanering mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd.
Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 22 van 26
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen Algemeen In opdracht van BJZ.NU BV is in een verkennend en nader bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein van circa 1200 m2 aan de Schouw 1 te Akersloot. De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een leegstaande woning en voormalig café. Aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van woningen. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat onder de zuidelijk gelegen parkeerplaats een sterk verontreiniging met lood en PAK aanwezig is. De bovengrond is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De aanleiding voor het nader bodemonderzoek wordt gevormd door de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek; Boring 28 (van 0 tot 0.5 m-mv) is matig tot sterk verontreinigd met koper, lood en zink. Resultaten veldwerk In totaal zijn ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek 4 grondboringen verricht en 8 inspectiegaten gegraven. Er is 1 diepe boring is afgewerkt tot peilbuis. Ten behoeve van het nader bodemonderzoek zijn 13 grondboringen verricht. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn tot matig grof zand en klei. Zintuiglijk zijn bodemvreemde materialen waargenomen.
Visueel zijn alleen asbestverdachte materialen waargenomen in inspectiegat 21A. Het freatische grondwater in peilbuis 21 is aangetroffen op 0.90 meter min maaiveld. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Verkennend bodemonderzoek - de bovengrond, BG I is sterk verontreinigd met lood en licht verontreinigd met kwik en PAK; - de bovengrond, BG II is sterk verontreinigd met koper, lood en zink en licht verontreinigd met cadmium, kwik, zink en PAK; - de ondergrond, OG I is licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink en PAK; - de ondergrond, OG II is licht verontreinigd met lood, zink en PAK; - de ondergrond, OG III is licht verontreinigd met kwik, lood en PAK; - het mengmonster van de fijne fractie (MM FF - 01) is niet asbesthoudend; - de fijne fractie van inspectiegat 28 is niet asbesthoudend; - Inspectiegat 21A is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - het grondwater is niet verontreinigd.
Aanvullend bodemonderzoek - Boring 23 (0.35-0.5) is licht verontreinigd met lood; - Boring 24 (0.3-0.5) is licht verontreinigd met lood; - Boring 25 (0.2-0.5) is licht verontreinigd met lood; - Boring 26 (0.05-0.5) is licht verontreinigd met lood; - Boring 27 (0-0.5) is licht verontreinigd met lood; - Boring 21A (0.05-0.55) is licht verontreinigd met lood en zink; - Boring 28 (0-0.5) is matig verontreinigd met koper en sterk verontreinigd met lood en zink. Nader bodemonderzoek fase 1 - Boring 102 (0.5-1.0) is licht verontreinigd met koper en sterk verontreinigd met lood en zink; - Boring 101 (0-0.5) is licht verontreinigd met lood en zink; - Boring 102 (0-0.5) is licht verontreinigd met lood en zink; - Boring 103 (0.3-0.8) is sterk verontreinigd met lood. Kruse Milieu BV
Project: 20025510
Pagina 23 van 26
Nader bodemonderzoek fase 2 - Boring 103A (0.9-1.4) is niet verontreinigd met lood en zink; - Boring 104A (0-0.5) is matig verontreinigd met lood en zink; - Boring 104A (0.7-1.2) is niet verontreinigd met lood en zink; - Boring 106A (0.4-0.9) is sterk verontreinigd met lood. Zink < achtergrondwaarde; - Boring 111 (0.4-0.9) is matig verontreinigd met lood. Zink < achtergrondwaarde. Nader bodemonderzoek fase 3 - Boring 105A (0.2-0.6) is sterk verontreinigd met lood en zink; - Boring 107A (0.2-0.7) is niet verontreinigd met lood en zink; - Boring 108A (0.4-0.9) is niet verontreinigd met lood; - Boring 110 (0.08-0.58) is licht verontreinigd met lood; - Boring 112 (0.07-0.57) is niet verontreinigd met lood; - Boring 113 (0.05 - 0.5) is zeer licht verontreinigd met lood. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien lichte tot sterke verontreinigingen zijn aangetoond. De hypothese asbestverdacht kan worden geaccepteerd, aangezien plaatselijk asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen De bovengrond is heterogeen verontreinigd met zware metalen en PAK. De matige tot sterke verontreinigingen met koper, lood en zink in boring 28 gaven aanleiding voor nader bodemonderzoek (zie hoofdstukken 5, 6 en 7).
Uit de analyseresultaten blijkt dat de horizontale afperking van de verontreiniging met lood en zink, binnen de onderzoekslocatie, in voldoende mate heeft plaatsgevonden. De omvang van de lood- en zinkverontreiniging (binnen de onderzoekslocatie) hoger dan de tussenwaarde wordt geschat op circa 90 m3 (circa 90 m2 x 1.0 meter), waarvan circa 60 m3 (circa 60 m2 x 1.0 meter) sterk verontreinigd is. De geschatte omvang van de sterke verontreiniging is weergegeven in het boorplan. Tevens is de geschatte tussenwaardecontour weergegeven. Omdat plaatselijk de bovengrond elders op het terrein licht verontreinigd is met lood en zink is geen achtergrondwaardecontour weergegeven. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging, aangezien het omvangscriterium van 25 m3 sterk verontreinigde grond wordt overschreden. Sanering is noodzakelijk om het terrein geschikt te maken voor toekomstig gebruik (wonen). Aangezien de verontreiniging zich deels binnen een dijklichaam bevindt wordt geadviseerd de saneringswerkzaamheden af te stemmen met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding te worden opgesteld en te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (provincie Noord Holland). Een bodemsanering mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd.